gereformeerd leven in nederland

15 november 2021

Verzoening voor het leven

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Vandaag legt schrijver dezes het Woord van God open bij een gedeelte dat vandaag de dag in eerste instantie bepaald niet tot de verbeelding spreekt.
Het zijn woorden uit Exodus 30.
In dat hoofdstuk lezen wij over een volkstelling.
Ook horen wij over een belasting die wordt opgelegd ten bate van de dienst in de tent van ontmoeting. Het is losgeld. Iedereen van 20 jaar en ouder moet zichzelf loskopen.
In een Studiebijbel staat hierover genoteerd: “Iedere getelde, van 20 jaar en ouder behoort een halve sikkel te geven: de rijke niet meer, en de arme niet minder. Het was reeds vastgesteld in Israël dat iedere eerstgeboren zoon aan God behoorde, en door een offer moest worden gelost. Geheel Israël is collectief Gods eerstgeboren zoon en behoort dus aan God. Later accepteert Hij de stam van Levi in plaats van al de eerstgeborenen. Deze passage geeft een soortgelijk principe aan. Ieders ziel of leven of persoon heeft voor de Here evenveel waarde en daarom verbiedt Hij in deze bijzondere situatie ook meer of minder dan een halve sikkel te geven, terwijl de rijken bij het systeem van de tienden wel meer geven, omdat ze meer inkomsten hebben. Het ‘geld der verzoening’ is het geld dat bedoeld is om verzoening te bewerken. De opbrengst is bestemd voor de constructie van de tent der samenkomst, de ontmoetingstent. Het is ‘een gedachtenis voor het aangezicht van JHWH’ om de Israëlieten bij Hem in gedachtenis te houden, zodat Hij in gunst aan hen zal denken”[1].

In Exodus 30 klinkt dat zo: “Verder sprak de HEERE tot Mozes: Wanneer u het aantal Israëlieten opneemt, volgens hun tellingen, dan moet ieder bij hun telling aan de Heere een losgeld geven voor zijn leven, opdat er bij hun telling geen plaag over hen komt. Dit moeten allen die bij de getelden gaan behoren, geven: een halve sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom (de sikkel is twintig gera waard), een halve sikkel als een hefoffer voor de Heere. Al wie bij de getelden gaat behoren, van twintig jaar oud en daarboven, moet het hefoffer voor de Heere geven. De rijke mag niet meer en de arme niet minder geven dan een halve sikkel, als u het hefoffer voor de HEERE geeft om voor uw leven verzoening te doen. U moet het geld ter verzoening van de Israëlieten nemen en het bestemmen voor de dienst van de tent van ontmoeting. Het moet een herinnering voor de Israëlieten zijn voor het aangezicht van de HEERE, om voor uw leven verzoening te doen”[2].

Het volk Israël is het eigendom van God. Hij heeft Israël Hoogstpersoonlijk uitgekozen om bij Hem te horen. Dat is, op de keper beschouwd, buitengewoon wonderlijk!
Immers – Israël is een volk van zondaren. De Israëlieten uit Exodus 30 en Gods kinderen van 2021 zijn van nature allemaal weglopers.
Maar de Here zorgt voor verbinding met Hem. Er moet geld komen. Dat geld is bestemd voor de instandhouding van de eredienst. Iedereen van 20 jaar en ouder moet een halve sikkel zilver betalen – zeg maar even: 5,5 gram. Een hele sikkel is 20 gera – zeg maar even: 11 gram. Dat geld is verzoeningsgeld: de hoge God, en ook de Israëlieten, mogen nooit vergeten dat zij door de God van hemel en aarde vrijgekocht zijn. Gods boodschap is: blijf bij Mij, loop niet bij Mij weg. Die boodschap klinkt ook vandaag nog![3]

Er moet een hefoffer worden gebracht.
Wat is een hefoffer?
“Een hefoffer is een offer dat door opheffing, namelijk opwaarts en nederwaarts, de Here God werd aangeboden. Een beweegoffer werd door beweging naar de vier windstreken aangeboden. De beweging van het hefoffers was een verticale, die van het beweegoffer een horizontale”. Dat hefoffer wordt dus metterdaad aangeboden – ‘alstublieft, dit geld is voor U’.
Wellicht ziet het bovenstaande er ietwat ouderwets uit. Bij nader inzien kennen wij dat hefoffer echter ook nog. Wij zingen erover in Psalm 25:
“’k Hef mijn ziel in vast vertrouwen
tot U op, Gij zijt mijn God.
Red mij van wie mij benauwen,
nu de vijand mij bespot”.
En ook in Psalm 63:
“Ik wil U prijzen al mijn dagen,
waartoe uw goedheid mij bewoog,
mijn handen hef ik naar omhoog,
om heel mijn hart U op te dragen”.
En ook in Psalm 77:
“Nu de druk mij overmande,
hef ik tot de Heer mijn handen”.
Ook vandaag moet het duidelijk wezen: mensen die in Gods verbond zijn opgenomen willen zo dicht mogelijk bij God leven. En hoe moeten zij dat doen? Petrus schrijft erover in 1 Petrus 2: “Kom naar Hem toe als naar een levende steen, die wel door de mensen verworpen is, maar bij God uitverkoren en kostbaar, dan wordt u ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus”[4].

Iedereen moet een halve sikkel betalen. De rijke betaalt niet meer, de arme niet minder. Voor God zijn alle mensen volstrekt gelijkwaardig. De apostel Paulus schrijft in Romeinen 10: “Er is immers geen enkel onderscheid tussen Jood en Griek. Want Een en dezelfde is Heere van allen en Hij is rijk voor allen die Hem aanroepen”. In 1 Corinthiërs 12 schrijft hij: “Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt”. En in Galaten 3: “Want u allen die in Christus gedoopt bent, hebt zich met Christus bekleed. Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Griek; daarbij is het niet van belang dat men slaaf is of vrije; daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus”[5].

Daar valt de naam van onze Heiland.
Vanwege Christus’ werk zal de God van hemel en aarde altijd in gunst aan ons denken.
Exodus 30 lijkt ver van ons weg te staan.
Maar in dat hoofdstuk wordt één ding volkomen duidelijk: de almachtige God heeft Zich aan mensen verbonden. Dat is in 2021 nog steeds zo.
Daarom is Exodus 30 toch voluit Evangelie!  

Noten:
[1] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Exodus 30:11-16.
[2] Exodus 30:11-16.
[3] In deze alinea gebruik ik onder meer https://www.basisbijbel.nl/boek/exodus/30 ; geraadpleegd op dinsdag 9 november 2021.
[4] Zie hiervoor https://www.christipedia.nl/wiki/Hefoffer ; geraadpleegd op dinsdag 9 november 2021. Verder citeer ik uit Gods Woord 1 Petrus 2:4 en 5. En uit het Gereformeerd Kerkboek-1986: Psalm 25:1, Psalm 63:2 en Psalm 77:1 (berijmd).
[5] In deze alinea citeer ik Romeinen 10:12, 1 Corinthiërs 12:13 en Galaten 3:27,28.

19 januari 2021

Het lichtpunt van 2021

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Is 2021 een jaar van hoop? Jan en alleman blijkt op zoek te zijn naar lichtpuntjes. Boven een column in het Nederlands Dagblad staat: “2021: jouw jaar”. Daaronder staat te lezen: “Het klinkt misschien heel cliché, maar beweging is voor alles heel erg belangrijk”. En: “Een opgeruimde kamer kan erg bijdragen aan een goed gevoel en energie”. En: “Muziek kan een steun en uitlaatklep zijn voor je gevoelens en emoties”. En: “Wat wil je bereiken in 2021? Stel realistische en haalbare doelen op”[1].
Dat zijn goede tips. Voor jongeren, maar daarnaast ook voor ons allemaal.

Wat willen wij bereiken? Wat is ons hoogste doel? Laten wij volledig op God blijven vertrouwen!

Dat is des te meer van belang in deze tijd, waarin er veel ziekte en dood is. Daarbij mogen we nooit vergeten dat besmettelijke ziekten tekens zijn van Christus’ komst en van de voleinding van de tijd. Lees maar mee in Mattheüs 24: “Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen hongersnoden zijn en besmettelijke ziekten en aardbevingen in verscheidene plaatsen”[2].
Kerkmensen mogen en moeten het blijven belijden: wij zijn in de hand van God, de Man die ons Hoogstpersoonlijk geschapen heeft!
Jesaja 43 brengt ons terug naar die schepping: “Dit volk heb Ik Mij geformeerd. Zij zullen Mijn lof vertellen. U hebt Mij echter niet aangeroepen, Jakob, maar u hebt zich tegen Mij vermoeid, Israël. U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd. Ik heb u Mij niet laten dienen met het graanoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook. U hebt voor Mij met geld geen kalmoes gekocht, en met het vet van uw slachtoffers hebt u Mij niet verzadigd. Integendeel, u bent Mij tot last geweest met uw zonden, u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden. Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf, en aan uw zonden denk Ik niet”[3].

Al die besmettelijke ziekten houden onze God niet tegen. De almachtige Heer van hemel en aarde staat boven alle ellende van deze wereld. Hij zet Zijn plannen door. Zacharias formuleert het in Lucas 1 zo: het is de bedoeling “dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven”[4].
Het is de Here Zelf die ervoor zorgt dat Hij geprezen wordt. Mensen die door God uitgekozen zijn worden vernieuwd. De Here zorgt Zelf voor een nieuwe start. Hij maakt Zijn volk gelukkig. Hij maakt al Zijn kinderen eerst bereid om op aarde voor Hem te leven. En tijdens hun aardse leven maakt Hij hen gaandeweg geschikt voor een heerlijk hemelleven!

De brandoffers zijn niet gebracht, zegt Jesaja in hoofdstuk 43.
Waarom is dat brandoffer zo belangrijk? Een uitlegger schrijft: “God begon met het brandoffer, omdat dat de grondslag vormde van alle andere offers. Het brandoffer geeft ons een beeld van de grootheid van de Persoon van Christus als Degene die volmaakt in staat was de wil van God te volbrengen, Zijn God en Vader te verheerlijken en de mens in de gezegende positie van een aanbidder te brengen. Het brandoffer was een vrijwillig offer. Het werd vrijwillig aan God gegeven, in tegenstelling tot het zondoffer dat uitdrukkelijk door God vereist werd in bepaalde situaties. Dit aspect van het brandoffer bepaalt ons direct bij de bereidwilligheid van de Heer, reeds bij Zijn komen in deze wereld, om de wil van God te volbrengen”[5].
Wat voor jaar is 2021? Laat het een jaar zijn – en blijven! – in de stijl van Psalm 150:
“Loof Hem om Zijn machtige daden,
loof Hem om Zijn geweldige grootheid”[6].
Gods volk in Nederland bestaat, op de keper beschouwd, uit druktemakers. Als we het niet druk hebben, dan maken we ons wel druk. Welnu – wij moeten ons terdege realiseren dat wijzelf niet zo nodig groot moeten wezen. Onze kerntaak is: het aanbidden van de grote God.
Daarom behoren wij het op allerlei manieren laten blijken: we verdienen er niets mee, maar het werk in en vanuit de kerk is het belangrijkste dat er bestaat. Zo wordt Psalm 9 ook in ons leven waar:
“Psalmzingt de HEER, die eeuwig leeft
en Sion tot zijn woning heeft.
Laat ook voor aller volken oren
de grootheid van zijn daden horen!”[7].  

De graanoffers zijn niet gebracht, merkt Jesaja in hoofdstuk 43 op.
De samenstelling van dat offer blijkt leerzaam te zijn. Iemand schrijft: “Het belangrijkste bestanddeel was meelbloem. Dat is tarwemeel dat was fijngemalen tussen molenstenen en geplet, totdat er geen enkele oneffenheid, ongerechtigheid of onzuiverheid meer in te vinden was; het moest volkomen gelijkmatig zijn. Dat waren de eigenschappen die onze Heer Jezus in iedere stap van Zijn weg hier op aarde kenmerkten. Zijn leven was absoluut volmaakt”[8].
En hoe is dat met ons?
In Hem worden wij geheiligd. Hoe dan? In de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijden wij: gelovige mensen gaan zich “oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft. Als deze werken voortkomen uit de goede wortel van het geloof, zijn ze goed en voor God aangenaam, omdat zij alle door zijn genade geheiligd zijn. Toch worden zij niet in rekening gebracht, als het gaat om onze rechtvaardiging. Wij worden immers gerechtvaardigd door het geloof in Christus, zelfs vóór wij goede werken doen. Anders zouden deze werken niet goed kunnen zijn, evenmin als de vrucht van een boom goed kan zijn, voordat de boom goed is. Wij doen dus goede werken, maar niet om daarmee iets te verdienen”[9].
Jezus Christus is ons leven, schrijft Paulus in Colossenzen 3[10]. Of, om met 1 Johannes 5 te spreken: “En dit is het getuigenis, namelijk dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet”[11].

Dat is uiteindelijk het perspectief dat vanuit Jesaja 43 te zien is. En daarom is het anno Domini 2021 – een jaar van de Here!
Een kamer opruimen? Dat kan reuze nuttig wezen.
Regelmatig bewegen? Dat is heel gezond.
Mooie muziek? Laten we er maar van genieten.
Maar als ons leven in Christus geborgen is gaat de toekomst open. Op die manier wordt 2021 in alle omstandigheden een goed jaar.

Noten:
[1] Nederlands Dagblad, woensdag 13 januari 2021, p. 24. Rubriek: Huis van Belle.
[2] Mattheüs 24:7.
[3] Jesaja 43:21-25.
[4] Lucas 1:74 en 75.
[5] Geciteerd van https://www.oudesporen.nl/Download/HB266.pdf , p. 15 en 16; geraadpleegd op woensdag 13 januari 2021.
[6] Psalm 150:2.
[7] Psalm 9:8 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[8] Geciteerd van https://www.debijbelvoorjou.nl/artikel/gedachten-spijsoffer/ ; geraadpleegd op woensdag 13 januari 2021.
[9] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 24.
[10] Zie Colossenzen 3:4 a: “Wanneer Christus geopenbaard zal worden, Die ons leven is…”.
[11] 1 Johannes 5:11 en 12.

17 december 2020

Aangename geur

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Onlangs schreef een jonge vrouw: “Het zijn rare tijden… maakt mij bang….”.
Diep in haar hart is deze vrouw een beetje angstig. Wat gaat er gebeuren? Waar loopt dit op uit? Zal de ‘harde lockdown’ die er nu in ons land afgekondigd is het aantal coronabesmettingen voldoende terugdringen?
Dat is één kant van het verhaal. Want ook in ons persoonlijke leven kan er van alles aan de hand zijn. Soms zit je met jezelf in de knoop: het ene is niet goed, maar dat andere is het ook net niet.
In deze rare tijden is het goed om een ogenblik op de Bijbel te focussen. In dit artikel staan enkele opmerkingen over het offer als aangename geur voor de Here.
In Leviticus 1 staat daarover: “De priester moet het op het altaar, op het hout dat op het vuur ligt, in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE”[1].

Voor de goede orde: het boek Leviticus gaat over het werk van de Levieten – over de priesterdienst dus.
In hoofdstuk 1 gaat het over de brandoffers. Men offert een rund, een schaap of een geit. Of eventueel twee duiven. Tamelijk minutieus wordt beschreven hoe er geofferd moet worden. Het is, kort samengevat, een bloederig verhaal. De Levieten hebben veel werk dat een beetje doet denken aan de slagerij van onze tijd.
Dat offer is een aangename geur voor de God van Israël. Het is een blijk van gehoorzaamheid. Van nederigheid – ja dat ook. Maar het is eerst en vooral een blijk van vertrouwen. De offeraar is zich er geheel van bewust hoe genadig God is. Door en door zondige mensen mogen naar God toe komen.

“Het zijn rare tijden… maakt mij bang….”. Zeven woorden zijn het maar. Het zijn niet eens volledige zinnen. De jonge vrouw die ze noteerde heeft ongetwijfeld het vertrouwen gehad dat de ontvanger haar wel begrijpen zou.
Zo mag de offeraar van Leviticus 1 het vertrouwen hebben dat de Here hem ook begrijpt. De offeraar is onzegbaar verheugd dat hij echt leven mag.
En die offeraar zegt meer. Wat dan? Een Christelijke Gereformeerde dominee omschreef het eens zo: “Kenmerkend voor het brandoffer is dat het helemaal op het altaar verbrandt. Er is niets dat voor de priester of de offeraar overblijft. Heel het dier is voor de Heere. Het is een geschenk aan Hem. Daarmee zegt de offeraar: alles is van U, en wat ik bezit, heb ik ook maar van U gekregen. We geven het U uit Uw hand”[2].
Zeg het maar zo: de offeraar wijdt heel Zijn leven aan God, aan zijn Verzorger, aan zijn Leider in het leven. 

Het Kerstfeest nadert. We gedenken de dag dat Jezus Christus, de Heiland, naar de aarde kwam om het volmaakte offer te brengen. Hij vervulde het brandoffer. Jezus Christus offerde Zichzelf helemaal op.
Nu mogen wij naar Hem toe komen. Wij mogen bij Hem komen als het helemaal mis is. Wij mogen komen als we in ons hart strijd voeren met onszelf, omdat sommige dingen ‘dubbel’ voelen. Wij mogen bij Hem komen als wij het idee hebben dat wij op bepaalde punten falen.

“Het zijn rare tijden… maakt mij bang….”.
De jonge vrouw van hierboven doelt uiteraard ook op alle gevolgen die de grote uitbraak van het COVID 19-virus in onze maatschappij heeft. En wie zou niet met haar kunnen meevoelen?
Het Bijbelboek Leviticus geeft ons echter een duidelijke wenk: mensen, focus niet op de angst. Concentreer u maar op de Heiland. Hij is op aarde gekomen – Zijn komst op aarde vieren wij op het Kerstfeest. Kijk maar naar Hem!
Misschien is dat dit jaar extra moeilijk. Waarom? Bijvoorbeeld omdat we in huiselijke kring niet met grote groepen mogen dineren. Maar misschien is er, juist vanwege die relatieve rust, ook ruimte om terug te gaan naar Leviticus 1: de genadige God baant de weg om, via offers en vuur, dicht bij Hem te komen. Jezus kwam naar de aarde. Hij betaalde voor onze zonden. Zijn lijden, sterven en opstanding zijn onze redding.
Nu kunnen wij leven naar de regel van Romeinen 12: “Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst. En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is”[3].

Een exegeet schreef eens naar aanleiding van het Bijbelboek Leviticus: “Boven Leviticus behoeft niemand in slaap te vallen. Het bestaat niet uit een bundel politieverordeningen, statistische overzichten, fiscale invulformulieren. En vooral niet uit een pak droge preken, meer dorre verhandelingen dan levendige verkondiging van de woorden des eeuwigen levens”[4].
Waarvan akte!

Noten:
[1] Leviticus 1:17 b.
[2] Ds. A.Th. van Olst, “Brandoffer” -rubriek: Woordenschat-. Geciteerd uit: De Wekker, vrijdag 25 oktober 2019, p. 17.
[3] Romeinen 12:1 en 2.
[4] C. Vonk, “De voorzeide leer”- deel I b: Leviticus. – Barendrecht: Drukkerij Liebeek & Hooijmeijer, tweede druk, 1986. – p. 16.

3 september 2020

Hefoffer

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Kent u het hefoffer?
Een christelijke internetencyclopedie leert ons: “Een hefoffer is een offer dat door opheffing, namelijk opwaarts en nederwaarts, de Here God werd aangeboden. Een beweegoffer werd door beweging naar de vier windstreken aangeboden. De beweging van het hefoffers was een verticale, die van het beweegoffer een horizontale.
De rabbijnen verklaren dat de hefschouder – een hefoffer bestaande uit de schouder van een offerdier – op en neer werd bewogen, en dat de beweegborst – een beweegoffer bestaande uit de borst van een offerdier – heen en weer werd bewogen. Volgens de Talmoed, de latere Joodse uitlegging van Mozes’ wet, bestond het bewegen uit een horizontale beweging van de handen met de daarop liggende offergaven eerst voor- en dan achterwaarts, voorwaarts naar het altaar of naar de ark van het verbond en achterwaarts naar de persoon van de bewegende”[1].

We lezen er over in Exodus 30: “Wanneer u het aantal Israëlieten opneemt, volgens hun tellingen, dan moet ieder bij hun telling aan de HEERE een losgeld geven voor zijn leven, opdat er bij hun telling geen plaag over hen komt. Dit moeten allen die bij de getelden gaan behoren, geven: een halve sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom -de sikkel is twintig gera waard-, een halve sikkel als een hefoffer voor de HEERE. Al wie bij de getelden gaat behoren, van twintig jaar oud en daarboven, moet het hefoffer voor de HEERE geven. De rijke mag niet meer en de arme niet minder geven dan een halve sikkel, als u het hefoffer voor de HEERE geeft om voor uw leven verzoening te doen. U moet het geld ter verzoening van de Israëlieten nemen en het bestemmen voor de dienst van de tent van ontmoeting. Het moet een herinnering voor de Israëlieten zijn voor het aangezicht van de HEERE, om voor uw leven verzoening te doen”[2].

De heffing van een halve sikkel heeft te maken met een volkstelling.
Wat gebeurt er bij zo’n telling? Het aantal mensen wordt geteld. Men wil, bijvoorbeeld, weten hoeveel strijdbare mensen er in Israël zijn.
Wat levert zo’n telling op? Als ’t een beetje wil geeft zo’n telling een goed gevoel. Men denkt al snel: wij zijn met veel. Of ook: wij zijn een machtig volk. Samen kunnen wij veel, zo niet alles, aan. En de volgende gedachte kan zomaar wezen: eigenlijk kunnen wij het leven heel goed zonder God vormgeven. Of ook: wij redden het wel zónder God.
Zo’n gedachte kan zomaar door het hoofd flitsen. Dat is heel menselijk. Het gebeurt heel vaak.
Welnu, met die halve sikkel kunnen de Israëlieten verzoening doen.
Dat verzoen-geld moet door alle volwassenen worden betaald. Niemand is ervan uitgezonderd. Iedereen betaalt evenveel. En de suggestie is wel duidelijk: voor onze God in de hemel is ieder mensenleven evenveel waard. Het is niet zo dat machtigen voor twee tellen. Het is niet zo dat zwakkelingen meetellen voor een half, of voor een kwart.
Het is losgeld, zegt Exodus 30. Wat betekent dat? “Een commentator schrijft: “Het is ‘een gedachtenis voor het aangezicht van JHWH’ (…) om de Israëlieten bij Hem in gedachtenis te houden, zodat Hij in gunst aan hen zal denken”[3].

Als het bovenstaande Schriftgedeelte, en de betekenis daarvan, tot ons doordringen komen wij al snel bij de actualiteit. Dat zal hieronder blijken.
Enkele citaten uit het Nederlands Dagblad.
Citaat 1
“Kenosha is een stad van 98.000 inwoners aan de westelijke oever van Lake Michigan, in de Amerikaanse staat Wisconsin. De plaats is sinds vorige week zondag in rep en roer. De politie schoot die avond de zwarte Jacob Blake neer en dinsdagavond doodde een 17-jarige jongen twee mannen tijdens demonstraties tegen politiegeweld en racisme; hij voegde
zich bij het gewapend optreden van witte, nationalistische milities en burgerwachten. Die kwamen veelal van buiten; van de 176 gearresteerde relschoppers kwamen er 104 niet uit Kenosha, berichtte zelfs Fox News maandag. De verwoestingen in de stad zijn immens en naast openbare gebouwen en auto’s zijn het vooral de armere delen en kleine bedrijven in Kenosha die de tol moeten betalen voor een week geweld en meer dan grootscheeps overheidsoptreden. Woensdag verschenen honderden militairen van de National Guard in Kenosha en leverden naburige districten extra pelotons politie.
Citaat 2
“Waar Democratisch presidentskandidaat Joe Biden besloot maandag niet naar Kenosha te gaan, wil president Donald Trump dat vandaag wel doen. Maar veel inwoners, ook geestelijken, zitten daar niet op te wachten.
‘Trump heeft er een handje van voordeel te putten uit verdeeldheid, niet uit het verbinden van mensen. Dat is nou juist niet wat we hier moeten hebben’, zegt Erik Carlson (42), voorganger van de Bradford Universalist Unitarian Church”[4].
Wat zien we hier?
a. Mensenlevens zijn niet zoveel waard. Als je de verkeerde kleur of het verkeerde gezicht hebt, loop je gevaar gedood te worden
b. President Trump zaait verdeeldheid. Hij heeft de mond momenteel vol van wet en orde. Maar een groot verbinder is hij niet.
In deze situatie blijkt Exodus 30 heel actueel.

Exodus 30 leert ons om niet op macht van mensen te vertrouwen. Kerk en wereld moeten alles van God verwachten.
Exodus 30 prent het ons in: ieder mensenleven is de moeite waard.
Gij zult niet doodslaan, zegt God in Zijn Woord. Volgens de Heidelbergse Catechismus betekent dat “dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen. Ook mag ik mijzelf geen letsel toebrengen of moedwillig in gevaar begeven. De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren”[5].

Die heffing van een halve sikkel in Exodus 30 maakt mensen klein. Bij de betaling ervan wordt men bepaald bij nietigheid. Bij onmacht. En uiteindelijk bij bederf en zonde.
Jezus doet dat ook in Mattheüs 20. En daarbij wijst Hij dan ook op Zijn eigen werk. Leest u maar even mee: “En toen Jezus hen bij Zich geroepen had, zei Hij: U weet dat de leiders van de volken heerschappij over hen voeren, en de groten macht over hen uitoefenen. Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, die moet uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, die moet uw dienaar zijn, zoals ook de Zoon des mensen niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een losprijs voor velen”[6].

Vandaag betalen wij geen halve sikkel meer. Nee, wij brengen in de eenentwintigste eeuw geen hefoffer. Want wij weten het: de Heiland heeft voor al onze zonden betaald!
Zo, ja zo alleen, worden kleine mensen gered. Onmachtigen krijgen in en door Jezus Christus, een nieuw leven!

Noten:
[1] Geciteerd van https://christipedia.miraheze.org/wiki/Hefoffer ; geraadpleegd op dinsdag 1 september 2020.
[2] Exodus 30:11-16.
[3] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Exodus 30:11-16.
[4] “Trump niet welkom in Kenosha”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 1 september 2020, p. 1.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 40, antwoord 105.
[6] Mattheüs 20:25-28.

27 maart 2019

Erkenningsoffer in Leviticus 2

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Eeuwenlang werden in Israël offers gebracht. Dat ging altijd maar door.
Jaar in, jaar uit.
Eeuw in, eeuw uit.
De God van het verbond acht het nodig dat Zijn volk in 2019 daar enige kennis van heeft.
In Gods Woord wordt althans aan het brengen van offers tamelijk uitgebreid aandacht besteed.

In dit artikel worden enkele opmerkingen gemaakt bij de inzet van Leviticus 2: “Wanneer een persoon de HEERE een ​graanoffer​ als offergave aanbiedt, moet zijn offergave meelbloem zijn. Dan moet hij er olie op gieten en er ​wierook​ op leggen. Dan moet hij het naar de zonen van ​Aäron, de ​priesters, brengen. En één van hen moet een handvol nemen van die meelbloem en die olie, met al de bijbehorende ​wierook, en de ​priester​ moet dit als gedenkoffer ervan in rook laten opgaan op het ​altaar. Het is een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE. Wat nu van het ​graanoffer​ overblijft, is voor ​Aäron​ en zijn zonen. Het is het allerheiligste van de vuuroffers van de HEERE”[1].

Een exegeet noemt dat een erkenningsoffer.
Het lijkt “om een zelfstandig offer te gaan, waarin plantaardige spijs als gave aan God wordt aangeboden. De offeraar schenkt aan de HERE een deel van de vruchten van het land en erkent Hem hiermee. Dit offer noemen wij hier een erkenningsoffer, terwijl ook wel gesproken wordt van een spijsoffer of graanoffer”.

De uitlegger schrijft ook: “Het eerste geval van offers van plantaardige spijzen heeft betrekking op iemand die het erkenningsoffer wil brengen (…). Dit dient te bestaan uit het relatief dure gries, dat wordt overgoten met olie. Op het graan wordt tevens het kostbare wierook gelegd. De drie kostbare producten dienen als een erkenningsoffer voor de HERE, dat het brand- en vredeoffer begeleidt. De offeraar moet deze ingrediënten brengen naar de priesters (…). Vervolgens neemt de priester van het meel, de olie en de wierook een handvol en laat het als gedenkoffer ontbranden voor de HERE. De offeraar en de priester drukken hiermee uit dat het offer functioneert als een welriekende reuk voor God. Wat overblijft van de combinatie van gries, olie en wierook is bestemd voor de priester”[2].
Gries is een tarweproduct. Zeer waarschijnlijk betreft het een wat duurder soort tarwemeel.

We spreken in Leviticus 2 dus over een erkenningsoffer.
De offeraar toont ermee aan dat alles wat hij heeft, uit Gods hand komt. Het product dat hij komt brengen is geenszins het resultaat van eigen inspanningen. God heeft het allemaal gegeven.
Hij geeft de grondstoffen.
Hij geeft de energie. De groeikracht. En de ondernemingslust.
Dat is iets om in 2019 te accentueren.
* De God van hemel en aarde geeft energie om dingen te doen.
* Hij geeft ook het overzicht om keuzes te maken – wat doe ik vandaag wel, en wat niet?
* Daadkracht en levensvreugde zijn gaven van God!

Dat offer ruikt lekker.
In Efeziërs 5 gebruikt de apostel Paulus die geur in een beeldspraak: “Wees dan navolgers van God, als geliefde ​kinderen, en wandel in de ​liefde, zoals ook ​Christus​ ons liefgehad heeft en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offergave en slachtoffer, tot een aangename geur voor God”[3].
In Efeziërs 2 betekent dat: het offer van Christus is door God aanvaard.
In Leviticus 2 betekent het: het offer en de offeraar worden door God aanvaard.

Dat offer uit Leviticus 2 is ook een gedenkoffer. Op die manier wordt God herinnerd aan de beloften die Hij aan Zijn volk gegeven heeft.
Vandaag de dag doen wij dat in ons gebed nog. In Psalm 141 zeggen we immers:
“Laat mijn ​gebed​ als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen als het avondoffer zijn”[4].
Cornelius, een vooraanstaande militair, krijgt in Handelingen 10 van een engel te horen: “Uw ​gebeden​ en uw liefdegaven zijn als gedachtenis opgestegen naar God”[5].
Ook in Openbaring 8 worden wij erop gewezen dat onze gebeden zeker bij de Here in de hemel terecht komen: “En er kwam een andere ​engel, die met een gouden wierookvat bij het ​altaar​ ging staan. Aan hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij dat samen met de ​gebeden​ van alle ​heiligen​ op het gouden ​altaar​ vóór de troon zou leggen. En de rook van het reukwerk steeg, met de ​gebeden​ van de ​heiligen, uit de hand van de ​engel​ op tot vóór God”[6]. Met behulp van heerlijk geurend reukwerk worden de gebeden van mensen geschikt gemaakt om bij God neer te leggen.
Kortom – ook in 2019 mogen we God aan Zijn beloften herinneren. In een tijd waarin op en rond het kerkplein van alles wordt afgebroken is dat zeker een attentiepunt: ook in onze tijd mogen we de Here er opmerkzaam op maken dat Hij beloften aan Zijn volk heeft gedaan. En dus ook aan Zijn kinderen in 2019!

Leviticus 2 laat ons in 2019 zien hoe belangrijk het is dat ons leven een levend dankoffer is. Die term kent u misschien. Hij komt uit Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus:
“Maar waarom wordt u een christen genoemd?
Antwoord:
Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving, om: als profeet zijn naam te belijden, als priester mijzelf als een levend dankoffer aan Hem te offeren, en als koning in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden en na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren”[7].

Leviticus 2 laat ons in 2019 bovendien zien hoe belangrijk het is dat ons gebed altijd door gaat.
Dagelijks.
Jaar in, jaar uit.
Sommigen hebben het idee dat hun gebed niet door bij de Here aankomt. Niets is minder waar. Laten we maar gewoon doorgaan in ons leven met God. Laten we maar met Hem door het leven blijven wandelen.
Jaar in, jaar uit.
Eeuw in, eeuw uit.
Wat dat betreft is er in 2019 ten opzichte van Leviticus 2 nog niet zo heel veel veranderd.

Noten:
[1] Leviticus 2:1, 2 en 3.
[2] Geciteerd uit de online versie van de Studiebijbel; commentaar bij Leviticus 2:1, 2 en 3.
[3] Efeziërs 5:1 en 2.
[4] Psalm 141:2.
[5] Handelingen 10:4.
[6] Openbaring 8:3 en 4.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, vraag en antwoord 32.

7 januari 2019

Naar een hoger niveau

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Want ik ben door de wet voor de wet gestorven, opdat ik voor God zou leven. Ik ben met ​Christus​ gekruisigd; en niet meer ik leef, maar ​Christus​ leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de ​Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven”.

Hierboven staat het Evangelie in een notendop.
Het zijn woorden uit Galaten 2[1].
Een mens wordt niet zalig door zich netjes aan Gods wet te houden. Een mens wordt verzoend met God doordat Jezus Christus voor zijn zonden is gestorven. Dat moeten wij geloven. Niet meer en niet minder.
Dat geloof wordt door Gods Geest gegeven. De Geest van God woont in de harten van Gods kinderen. Daarom kunnen zij zonder terughoudendheid zeggen: Christus leeft in mij. En daarom kunnen zij ook met recht stellen: wij hebben perspectief op de hemel; want Christus is voor ons gestorven!

Dat geloof is in Nederland niet in de mode.
Maar dat is het in Galaten 2 ook al niet. In Jeruzalem zijn er heftige discussies over. De gemoederen raken verhit. Men staat strak tegenover elkaar – is de wet van Mozes zaligmakend, of niet? En er is nog een vraag: moet je onder de Joden blijven werken, of niet?
Zelfs de leiders zijn het over dat laatste niet met elkaar eens. Petrus wil niet met niet-Joden eten. Stel je toch voor dat je bevuild wordt met heidense smetten! Ja, Petrus heeft het moeilijk met de aanvaarding van de consequenties van Christus’ werk.
En gaandeweg wordt duidelijk: Paulus gaat onder de niet-Joden evangeliseren. Hij wordt niet moe om het uit te bazuinen: geen mens kan gered worden als hij zich keurig aan de Mozaïsche wet houdt[2].
Het leven wordt niet meer beheerst door de wet van Mozes, maar door onze Heiland.

Wat moeten we in onze tijd met Galaten 2 aanvangen?

De Dordtse Leerregels leren ons: “Wat geldt van het licht der natuur, geldt (…) ook van de wet van de Tien Geboden, die God door Mozes in het bijzonder aan de joden gegeven heeft. Want de wet legt wel de grootheid van de zonde bloot en ze overtuigt de mens steeds meer van zijn schuld, maar zij wijst het redmiddel niet aan en ook geeft zij geen kracht om uit deze ellende te komen. En doordat zij door het vlees krachteloos geworden is en de overtreder onder de vloek laat blijven, kan de mens door de wet de heilbrengende genade niet verkrijgen”[3].
Dus: wie zich netjes aan de Tien Geboden houdt, komt niet zomaar in de hemel.
Wie de Mozaïsche wetgeving naleeft, eindigt niet per definitie in de woonplaats van God.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis zeggen ons: “Wij geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus hebben afgedaan en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen. Daarom moeten de christenen die niet langer handhaven. Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zij hun vervulling hebben. Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer”[4].

Met andere woorden –
* Al die offers van het Oude Testament wijzen naar Christus.
* Heel die Mozaïsche wetgeving is gericht op de komst van Christus.
* Offerdienst en wetgeving werpen hun schaduw vooruit.
* En jazeker – Jezus Christus offerde Zijn leven, om eens en voor altijd voor onze zonden te betalen!

Dus –
als wij netjes leven komt ons tweede vaderland, de hemel, niet onmiddellijk dichterbij.
Wij komen niet in de residentie van God, omdat wij, anno Domini 2019, zo keurig binnen de lijntjes leven.
Men hoort heden ten dage wel eens: ‘ik leef best netjes; en dus kom ik vast wel in de hemel’. Maar het wachtwoord voor de hemel is niet ‘fatsoenlijk’. En ook niet ‘achtenswaardig’. En ook niet ‘beschaafd’.

Wij moeten eenvoudigweg geloven in de beloften die Jezus Christus geeft:
* vergeving van onze zonden
* een eeuwig leven.
Meer is niet nodig. Minder ook niet, trouwens.

Hebben de Tien Geboden geheel afgedaan?
Nee. Zeker niet.
Want ze bieden ons prachtige mogelijkheden om onze dankbaarheid voor Christus’ reddingswerk te tonen.
Zo verwijst onze manier van doen weer naar Jezus Christus, de Redder van het leven.

Hoe verhoudt het bovenstaande zich tot onze maatschappij?

Niet zo lang geleden deed minister-president Rutte een klemmend beroep op de burgers in de Nederlandse samenleving.
In een paginagrote advertentie schreef hij onder meer: “In Nederland zien we ook een grote groep die zich niet verantwoordelijk voelt om er met elkaar iets moois van te maken. Mensen die alleen met zichzelf bezig zijn en altijd eerst denken aan hun eigenbelang. (…)
Het is gemakkelijk om verschillen uit te vergroten tot harde tegenstellingen. Maar je kunt je ook realiseren dat dit land juist zo mooi is geworden omdat we altijd hebben geprobeerd om dat tere bezit, dat mooie Nederland, zo goed mogelijk te beschermen. Door met elkaar compromissen te sluiten waarbij we ook lastige problemen op een verstandige manier oplossen. Waar niemand echt helemaal zijn zin krijgt. (…)
Daarom wil ik met deze brief de onuitgesproken afspraak die we met elkaar hebben – om samen dat broze bezit te beschermen – eens uitspreken.(…)
Ik ben ontzettend trots op al die mensen die er op hun eigen manier iets van maken met elkaar. Die omkijken naar een ander. Een arm om iemand heen slaan. Zij maken Nederland mooier. Sterker nog: zij zijn Nederland”[5].

De oproep van de Neêrlandse premier is goed.
De oproep klinkt mooi.
Die oproep streelt het hart.
Sta naast elkaar, zegt minister-president Rutte. Zorg ervoor dat je niet voortdurend tegenover elkaar blijft staan.

Alleen maar –
in de kerk zeggen we meer. En ten diepste zeggen wij iets heel anders.
Daar staan we niet slechts naast elkaar om het samen prettig te hebben. Daar zijn we niet simpelweg bezig om ons bezit op een verantwoorde wijze te beheren. Daar werken wij niet louter aan een jofele maatschappij, waarbij zo ongeveer iedereen zich senang voelt.
In de kerk werken we niet aan een correct leven in een eerlijke en elegante gemeenschap.
We leven daar in de gemeenschap der heiligen.
“De gelovigen hebben allen samen en ieder persoonlijk als leden gemeenschap met de Here Christus en hebben deel aan al zijn schatten en gaven”. Herkent u de Heidelbergse Catechismus?[6].
In de kerk zijn we in alles gericht op de Here Jezus Christus, onze Heiland. Van daaruit leveren we een bijdrage aan een mooie aardse maatschappij. Maar voor de kerk is dat nog maar het begin.
Want er komt een hemelse toekomst aan. Die toekomst gaat open door het werk van “de ​Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven”.

Met dat laatste citaat wij weer terug bij Galaten 2.
Het moge duidelijk zijn: in Galaten 2 brengt de apostel Paulus onze maatschappelijke activiteiten op een hoger niveau!

Noten:
[1] Galaten 2:19 en 20.
[2] Zie voor het bovenstaande Galaten 2:1-16.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 5.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 25.
[5] De brief is te vinden op https://www.vvd.nl/brief-van-mark-rutte-aan-alle-nederlanders/ ; geraadpleegd op dinsdag 1 januari 2019. De brief verscheen op maandag 17 december 2018 in een paginagrote advertentie in het Algemeen Dagblad.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 55. Om de zin in het verband van het artikel te laten passen, werd de woordvolgorde in het citaat iets veranderd.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.