gereformeerd leven in nederland

27 maart 2019

Erkenningsoffer in Leviticus 2

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Eeuwenlang werden in Israël offers gebracht. Dat ging altijd maar door.
Jaar in, jaar uit.
Eeuw in, eeuw uit.
De God van het verbond acht het nodig dat Zijn volk in 2019 daar enige kennis van heeft.
In Gods Woord wordt althans aan het brengen van offers tamelijk uitgebreid aandacht besteed.

In dit artikel worden enkele opmerkingen gemaakt bij de inzet van Leviticus 2: “Wanneer een persoon de HEERE een ​graanoffer​ als offergave aanbiedt, moet zijn offergave meelbloem zijn. Dan moet hij er olie op gieten en er ​wierook​ op leggen. Dan moet hij het naar de zonen van ​Aäron, de ​priesters, brengen. En één van hen moet een handvol nemen van die meelbloem en die olie, met al de bijbehorende ​wierook, en de ​priester​ moet dit als gedenkoffer ervan in rook laten opgaan op het ​altaar. Het is een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE. Wat nu van het ​graanoffer​ overblijft, is voor ​Aäron​ en zijn zonen. Het is het allerheiligste van de vuuroffers van de HEERE”[1].

Een exegeet noemt dat een erkenningsoffer.
Het lijkt “om een zelfstandig offer te gaan, waarin plantaardige spijs als gave aan God wordt aangeboden. De offeraar schenkt aan de HERE een deel van de vruchten van het land en erkent Hem hiermee. Dit offer noemen wij hier een erkenningsoffer, terwijl ook wel gesproken wordt van een spijsoffer of graanoffer”.

De uitlegger schrijft ook: “Het eerste geval van offers van plantaardige spijzen heeft betrekking op iemand die het erkenningsoffer wil brengen (…). Dit dient te bestaan uit het relatief dure gries, dat wordt overgoten met olie. Op het graan wordt tevens het kostbare wierook gelegd. De drie kostbare producten dienen als een erkenningsoffer voor de HERE, dat het brand- en vredeoffer begeleidt. De offeraar moet deze ingrediënten brengen naar de priesters (…). Vervolgens neemt de priester van het meel, de olie en de wierook een handvol en laat het als gedenkoffer ontbranden voor de HERE. De offeraar en de priester drukken hiermee uit dat het offer functioneert als een welriekende reuk voor God. Wat overblijft van de combinatie van gries, olie en wierook is bestemd voor de priester”[2].
Gries is een tarweproduct. Zeer waarschijnlijk betreft het een wat duurder soort tarwemeel.

We spreken in Leviticus 2 dus over een erkenningsoffer.
De offeraar toont ermee aan dat alles wat hij heeft, uit Gods hand komt. Het product dat hij komt brengen is geenszins het resultaat van eigen inspanningen. God heeft het allemaal gegeven.
Hij geeft de grondstoffen.
Hij geeft de energie. De groeikracht. En de ondernemingslust.
Dat is iets om in 2019 te accentueren.
* De God van hemel en aarde geeft energie om dingen te doen.
* Hij geeft ook het overzicht om keuzes te maken – wat doe ik vandaag wel, en wat niet?
* Daadkracht en levensvreugde zijn gaven van God!

Dat offer ruikt lekker.
In Efeziërs 5 gebruikt de apostel Paulus die geur in een beeldspraak: “Wees dan navolgers van God, als geliefde ​kinderen, en wandel in de ​liefde, zoals ook ​Christus​ ons liefgehad heeft en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offergave en slachtoffer, tot een aangename geur voor God”[3].
In Efeziërs 2 betekent dat: het offer van Christus is door God aanvaard.
In Leviticus 2 betekent het: het offer en de offeraar worden door God aanvaard.

Dat offer uit Leviticus 2 is ook een gedenkoffer. Op die manier wordt God herinnerd aan de beloften die Hij aan Zijn volk gegeven heeft.
Vandaag de dag doen wij dat in ons gebed nog. In Psalm 141 zeggen we immers:
“Laat mijn ​gebed​ als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen als het avondoffer zijn”[4].
Cornelius, een vooraanstaande militair, krijgt in Handelingen 10 van een engel te horen: “Uw ​gebeden​ en uw liefdegaven zijn als gedachtenis opgestegen naar God”[5].
Ook in Openbaring 8 worden wij erop gewezen dat onze gebeden zeker bij de Here in de hemel terecht komen: “En er kwam een andere ​engel, die met een gouden wierookvat bij het ​altaar​ ging staan. Aan hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij dat samen met de ​gebeden​ van alle ​heiligen​ op het gouden ​altaar​ vóór de troon zou leggen. En de rook van het reukwerk steeg, met de ​gebeden​ van de ​heiligen, uit de hand van de ​engel​ op tot vóór God”[6]. Met behulp van heerlijk geurend reukwerk worden de gebeden van mensen geschikt gemaakt om bij God neer te leggen.
Kortom – ook in 2019 mogen we God aan Zijn beloften herinneren. In een tijd waarin op en rond het kerkplein van alles wordt afgebroken is dat zeker een attentiepunt: ook in onze tijd mogen we de Here er opmerkzaam op maken dat Hij beloften aan Zijn volk heeft gedaan. En dus ook aan Zijn kinderen in 2019!

Leviticus 2 laat ons in 2019 zien hoe belangrijk het is dat ons leven een levend dankoffer is. Die term kent u misschien. Hij komt uit Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus:
“Maar waarom wordt u een christen genoemd?
Antwoord:
Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving, om: als profeet zijn naam te belijden, als priester mijzelf als een levend dankoffer aan Hem te offeren, en als koning in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden en na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren”[7].

Leviticus 2 laat ons in 2019 bovendien zien hoe belangrijk het is dat ons gebed altijd door gaat.
Dagelijks.
Jaar in, jaar uit.
Sommigen hebben het idee dat hun gebed niet door bij de Here aankomt. Niets is minder waar. Laten we maar gewoon doorgaan in ons leven met God. Laten we maar met Hem door het leven blijven wandelen.
Jaar in, jaar uit.
Eeuw in, eeuw uit.
Wat dat betreft is er in 2019 ten opzichte van Leviticus 2 nog niet zo heel veel veranderd.

Noten:
[1] Leviticus 2:1, 2 en 3.
[2] Geciteerd uit de online versie van de Studiebijbel; commentaar bij Leviticus 2:1, 2 en 3.
[3] Efeziërs 5:1 en 2.
[4] Psalm 141:2.
[5] Handelingen 10:4.
[6] Openbaring 8:3 en 4.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, vraag en antwoord 32.

7 januari 2019

Naar een hoger niveau

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Want ik ben door de wet voor de wet gestorven, opdat ik voor God zou leven. Ik ben met ​Christus​ gekruisigd; en niet meer ik leef, maar ​Christus​ leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de ​Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven”.

Hierboven staat het Evangelie in een notendop.
Het zijn woorden uit Galaten 2[1].
Een mens wordt niet zalig door zich netjes aan Gods wet te houden. Een mens wordt verzoend met God doordat Jezus Christus voor zijn zonden is gestorven. Dat moeten wij geloven. Niet meer en niet minder.
Dat geloof wordt door Gods Geest gegeven. De Geest van God woont in de harten van Gods kinderen. Daarom kunnen zij zonder terughoudendheid zeggen: Christus leeft in mij. En daarom kunnen zij ook met recht stellen: wij hebben perspectief op de hemel; want Christus is voor ons gestorven!

Dat geloof is in Nederland niet in de mode.
Maar dat is het in Galaten 2 ook al niet. In Jeruzalem zijn er heftige discussies over. De gemoederen raken verhit. Men staat strak tegenover elkaar – is de wet van Mozes zaligmakend, of niet? En er is nog een vraag: moet je onder de Joden blijven werken, of niet?
Zelfs de leiders zijn het over dat laatste niet met elkaar eens. Petrus wil niet met niet-Joden eten. Stel je toch voor dat je bevuild wordt met heidense smetten! Ja, Petrus heeft het moeilijk met de aanvaarding van de consequenties van Christus’ werk.
En gaandeweg wordt duidelijk: Paulus gaat onder de niet-Joden evangeliseren. Hij wordt niet moe om het uit te bazuinen: geen mens kan gered worden als hij zich keurig aan de Mozaïsche wet houdt[2].
Het leven wordt niet meer beheerst door de wet van Mozes, maar door onze Heiland.

Wat moeten we in onze tijd met Galaten 2 aanvangen?

De Dordtse Leerregels leren ons: “Wat geldt van het licht der natuur, geldt (…) ook van de wet van de Tien Geboden, die God door Mozes in het bijzonder aan de joden gegeven heeft. Want de wet legt wel de grootheid van de zonde bloot en ze overtuigt de mens steeds meer van zijn schuld, maar zij wijst het redmiddel niet aan en ook geeft zij geen kracht om uit deze ellende te komen. En doordat zij door het vlees krachteloos geworden is en de overtreder onder de vloek laat blijven, kan de mens door de wet de heilbrengende genade niet verkrijgen”[3].
Dus: wie zich netjes aan de Tien Geboden houdt, komt niet zomaar in de hemel.
Wie de Mozaïsche wetgeving naleeft, eindigt niet per definitie in de woonplaats van God.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis zeggen ons: “Wij geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus hebben afgedaan en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen. Daarom moeten de christenen die niet langer handhaven. Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zij hun vervulling hebben. Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer”[4].

Met andere woorden –
* Al die offers van het Oude Testament wijzen naar Christus.
* Heel die Mozaïsche wetgeving is gericht op de komst van Christus.
* Offerdienst en wetgeving werpen hun schaduw vooruit.
* En jazeker – Jezus Christus offerde Zijn leven, om eens en voor altijd voor onze zonden te betalen!

Dus –
als wij netjes leven komt ons tweede vaderland, de hemel, niet onmiddellijk dichterbij.
Wij komen niet in de residentie van God, omdat wij, anno Domini 2019, zo keurig binnen de lijntjes leven.
Men hoort heden ten dage wel eens: ‘ik leef best netjes; en dus kom ik vast wel in de hemel’. Maar het wachtwoord voor de hemel is niet ‘fatsoenlijk’. En ook niet ‘achtenswaardig’. En ook niet ‘beschaafd’.

Wij moeten eenvoudigweg geloven in de beloften die Jezus Christus geeft:
* vergeving van onze zonden
* een eeuwig leven.
Meer is niet nodig. Minder ook niet, trouwens.

Hebben de Tien Geboden geheel afgedaan?
Nee. Zeker niet.
Want ze bieden ons prachtige mogelijkheden om onze dankbaarheid voor Christus’ reddingswerk te tonen.
Zo verwijst onze manier van doen weer naar Jezus Christus, de Redder van het leven.

Hoe verhoudt het bovenstaande zich tot onze maatschappij?

Niet zo lang geleden deed minister-president Rutte een klemmend beroep op de burgers in de Nederlandse samenleving.
In een paginagrote advertentie schreef hij onder meer: “In Nederland zien we ook een grote groep die zich niet verantwoordelijk voelt om er met elkaar iets moois van te maken. Mensen die alleen met zichzelf bezig zijn en altijd eerst denken aan hun eigenbelang. (…)
Het is gemakkelijk om verschillen uit te vergroten tot harde tegenstellingen. Maar je kunt je ook realiseren dat dit land juist zo mooi is geworden omdat we altijd hebben geprobeerd om dat tere bezit, dat mooie Nederland, zo goed mogelijk te beschermen. Door met elkaar compromissen te sluiten waarbij we ook lastige problemen op een verstandige manier oplossen. Waar niemand echt helemaal zijn zin krijgt. (…)
Daarom wil ik met deze brief de onuitgesproken afspraak die we met elkaar hebben – om samen dat broze bezit te beschermen – eens uitspreken.(…)
Ik ben ontzettend trots op al die mensen die er op hun eigen manier iets van maken met elkaar. Die omkijken naar een ander. Een arm om iemand heen slaan. Zij maken Nederland mooier. Sterker nog: zij zijn Nederland”[5].

De oproep van de Neêrlandse premier is goed.
De oproep klinkt mooi.
Die oproep streelt het hart.
Sta naast elkaar, zegt minister-president Rutte. Zorg ervoor dat je niet voortdurend tegenover elkaar blijft staan.

Alleen maar –
in de kerk zeggen we meer. En ten diepste zeggen wij iets heel anders.
Daar staan we niet slechts naast elkaar om het samen prettig te hebben. Daar zijn we niet simpelweg bezig om ons bezit op een verantwoorde wijze te beheren. Daar werken wij niet louter aan een jofele maatschappij, waarbij zo ongeveer iedereen zich senang voelt.
In de kerk werken we niet aan een correct leven in een eerlijke en elegante gemeenschap.
We leven daar in de gemeenschap der heiligen.
“De gelovigen hebben allen samen en ieder persoonlijk als leden gemeenschap met de Here Christus en hebben deel aan al zijn schatten en gaven”. Herkent u de Heidelbergse Catechismus?[6].
In de kerk zijn we in alles gericht op de Here Jezus Christus, onze Heiland. Van daaruit leveren we een bijdrage aan een mooie aardse maatschappij. Maar voor de kerk is dat nog maar het begin.
Want er komt een hemelse toekomst aan. Die toekomst gaat open door het werk van “de ​Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven”.

Met dat laatste citaat wij weer terug bij Galaten 2.
Het moge duidelijk zijn: in Galaten 2 brengt de apostel Paulus onze maatschappelijke activiteiten op een hoger niveau!

Noten:
[1] Galaten 2:19 en 20.
[2] Zie voor het bovenstaande Galaten 2:1-16.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 5.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 25.
[5] De brief is te vinden op https://www.vvd.nl/brief-van-mark-rutte-aan-alle-nederlanders/ ; geraadpleegd op dinsdag 1 januari 2019. De brief verscheen op maandag 17 december 2018 in een paginagrote advertentie in het Algemeen Dagblad.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 55. Om de zin in het verband van het artikel te laten passen, werd de woordvolgorde in het citaat iets veranderd.

15 maart 2018

Het belang van het gebed

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Laat het maar tot ons allen doordringen: de heiliging is niet in de eerste plaats een activiteit van onszelf; nee, het is eerst en vooral een Goddelijke activiteit waar wij de vruchten van mogen plukken”.
De zin hierboven komt u wellicht bekend voor.
Het is het slot van een artikel over Exodus 29, dat enkele dagen geleden op deze plaats verscheen[1].

Wie het Bijbelboek Exodus bekijkt, kan al snel denken: wat moeten mensen veel doen om goed terecht te komen! Echter, goed beschouwd is dat niet de kern van de zaak. Waar het om gaat is dit: al die drukke godsdienstige arbeid kunnen de redding van onszelf niet bewerken.

Vandaag schrijf ik met name over het reukofferaltaar en de waarde van ons gebed. Daarover lezen wij in Exodus 30[2].

De beschrijving van het reukofferaltaar is heel gedetailleerd. Zelfs de plaats waar het altaar moet komen te staan is in het Woord vermeld.
Gaandeweg wordt duidelijk dat het reukofferaltaar de plek is waar de vrede tussen het volk Israël en de God van hemel en aarde zichtbaar wordt.

In onze tijd is er geen reukofferaltaar meer. De vrede tussen God en Zijn volk is nu te zien in onze gebeden. David zingt in Psalm 141:
“Laat mijn ​gebed​ als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen als het avondoffer zijn”[3].
Die gebeden zijn in de wereldgeschiedenis van groot belang. Dat kunnen we bijvoorbeeld zien in Openbaring 5: “En toen het [Lam] de ​boekrol​ genomen had, wierpen de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen zich vóór het Lam neer. Zij hadden elk een citer en gouden schalen vol reukwerk. Dit zijn de ​gebeden​ van de ​heiligen”[4]. En ook in Openbaring 8: “En er kwam een andere ​engel, die met een gouden wierookvat bij het ​altaar​ ging staan. Aan hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij dat samen met de ​gebeden​ van alle ​heiligen​ op het gouden ​altaar​ vóór de troon zou leggen. En de rook van het reukwerk steeg, met de ​gebeden​ van de ​heiligen, uit de hand van de ​engel​ op tot vóór God”[5].
Je hoort het wel eens zeggen: ik weet niet of de Here mij wel hoort. Of: het lijkt wel of de hemel dicht zit. Kerkmensen mogen beseffen dat de realiteit een heel andere is: onze gebeden stijgen op tot vóór Gods troon.

De woorden van zondige mensen komen voor Gods troon. Er is niemand die zegt: uw woorden zijn niet zuiver. Er is niemand die vermanend opmerkt dat er in onze gebeden allerlei onreinheden meekomen. Hoe kan dat? Dat wordt duidelijk als wij Hebreeën 9 erbij betrekken.
Ik citeer: “En bijna alles wordt volgens de wet door bloed gereinigd, en zonder het vergieten van bloed vindt er geen ​vergeving​ plaats. Het was dus noodzakelijk dat de afbeeldingen van de dingen die in de hemelen zijn, hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere offers dan deze. Want ​Christus​ is niet binnengegaan in het ​heiligdom​ dat met handen gemaakt is en dat een tegenbeeld is van het ware, maar in de hemel zelf, om nu voor het aangezicht van God te verschijnen voor ons, en dat niet om Zichzelf dikwijls te offeren, zoals de ​hogepriester​ elk jaar in het ​heiligdom​ binnengaat met bloed dat niet van hemzelf is. Want dan had Hij vanaf de grondlegging van de wereld dikwijls moeten lijden. Maar nu is Hij bij de voleinding van de eeuwen eenmaal geopenbaard om de ​zonde​ teniet te doen door het offer van Zichzelf”[6].
De zonde is tot niets teruggebracht. Een schitterend wonder!

In Exodus 30 wordt veel nadruk gelegd op de reinheid van de priester.
In de perikoop over het koperen wasvat komt het wassen niet minder dan vier keer voor. Het wordt er ingehamerd. Het is een regelrechte ramp als de wassing vergeten wordt!

De zalfolie moet zorgvuldig worden klaargemaakt.
Die zalfolie is een beeld van de activiteit van Gods Heilige Geest. In de Nieuwtestamentische bedeling is de Geest in de kerk aan het werk. In 1 Johannes 2 lezen wij: “Maar u hebt de ​zalving​ van de ​Heilige​ en u weet alles”[7].
En:
“En wat u betreft, de ​zalving​ die u van Hem hebt ontvangen, blijft in u, en u hebt het niet nodig dat iemand u onderwijst; maar zoals deze ​zalving​ u onderwijst met betrekking tot alle dingen – en die zalving is waar en is geen leugen – en zoals ze u heeft onderwezen, zo moet u in Hem blijven”[8].
De oproep is duidelijk: wij moeten in de werkplaats van Gods Heilige Geest blijven, want dan weten we zeker dat we goed onderwijs krijgen.

Het reukwerk moet alle ongewenste geurtjes uitbannen.
De reuk van ziekte en dood is niet gewenst. Alles moet, om zo te zeggen, gezondheid en vitaliteit uitstralen.
Als we dit in Nieuwtestamentisch kader zetten, realiseren we ons dat dit ons ook het nodige over de tucht te zeggen heeft. De apostel Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 5: “En doe de kwaaddoener uit uw midden weg”[9].
Het reukwerk van de kerk mag niet bedorven worden. Laat voor ons maar blijven gelden wat Paulus in zijn tweede brief aan de Corinthiërs schrijft: “En God zij dank, Die ons in ​Christus​ altijd doet triomferen en door ons de geur van Zijn kennis op iedere plaats openbaar maakt. Want wij zijn voor God een aangename geur van ​Christus, onder hen die zalig worden en onder hen die verloren gaan”[10].

Wie het bovenstaande met enige aandacht heeft gelezen, heeft het vast al wel begrepen: alles schreeuwt om een structurele oplossing. En ten diepste om verlossing. Ons gebed kan bij God komen omdat Jezus Christus, onze Heiland, voor ons aan het kruis geleden heeft.

Als het hierom gaat, zullen we ook aandacht moeten hebben voor het gebed in de gemeente. In Handelingen 2 staat te lezen: “En zij bleven dagelijks eensgezind in de tempel bijeenkomen, en terwijl zij van huis tot huis brood braken, namen zij gezamenlijk voedsel tot zich, met vreugde en in eenvoud van ​hart; en zij loofden God en vonden ​genade​ bij heel het volk”[11]. Iemand noteerde hierbij: “Dat is veelzeggend: de eigenlijke eredienst, waarin heel het volk bijeen is om op vaste tijden God te aanbidden, vindt plaats bij het opstijgen van de geuren van het reukofferaltaar, in de tempel van Jeruzalem”[12].

Exodus 30 bepaalt ons, als u het mij vraagt, vandaag vooral bij het belang van ons gebed.
Het moet ons helder voor ogen staan: onze gebeden in erediensten, kerkelijke vergaderingen en in de huizen schieten ernstig tekort. Al was het alleen al omdat wij, ook vandaag nog, met allerlei ziekten en diverse vormen van ander lijden te maken hebben.
Maar gelovige kinderen van God mogen met recht Psalm 25 zingen:
“Wilt U, die mijn schulden ziet,
in uw goedheid mij vergeven”[13].

Noten:
[1] Geciteerd uit mijn artikel ‘De wet op de priesterwijding’. Dat artikel verscheen hier op maandag 12 maart 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/03/12/de-wet-op-de-priesterwijding/ .
[2] Voor dit Schriftgedeelte kies ik omdat Exodus 29:1-31:18 centraal staat tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt volgende week, woensdagavond 21 maart 2018, plaats. Tijdens die vergadering hoop ik een korte inleiding te verzorgen. Deze is onder meer gebaseerd op de schetsen 29, 30 en 31 van Ds. B. van Zuijlekom, “God komt tot Zijn volk; schetsen over het boek Exodus”. – Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, 1986. – p. 96-105. Een bewerkte versie van dit artikel zal het tweede deel van de inleiding zijn.
[3] Psalm 141:2.
[4] Openbaring 5:8.
[5] Openbaring 8:3 en 4.
[6] Hebreeën 9:22-26.
[7] 1 Johannes 2:20.
[8] 1 Johannes 2:27.
[9] 1 Corinthiërs 5:13 b.
[10] 2 Corinthiërs 2:14 en 15.
[11] Handelingen 2:46 en 47 a.
[12] Arco den Heijer, “De Bijbel over kringen: Huisgodsdienst in Handelingen”. In: De Wekker, vrijdag 20 januari 2017, p. 6-9. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[13] Psalm 25:3; Gereformeerd Kerkboek-1986.

12 maart 2018

De wet op de priesterwijding

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

In Exodus 29 is de wet met betrekking de priesterwijding vermeld. Het is de moeite waard om die wet wat nader te bekijken.
Hieronder zal dat alras blijken[1].

De priesters moeten gewassen worden[2]. Dat mogen de priesters blijkbaar niet zelf doen. Nee, Mozes moet hen wassen.
Een paar jaar geleden – het was in 2014 – schreef een dominee hierover: “In onze gedachten zien we hen bij het koperen wasvat staan. Mozes wast hun hele lichaam, trekt hen vervolgens de priesterkleren aan, en zalft hen tot het priesterambt.
Door deze handelingen werden zij overtuigd dat de Heere hen had afgezonderd tot Zijn heilig dienstwerk. Nadat zij geheiligd en afgezonderd waren tot deze dienst, moesten zij hun handen en voeten wassen alvorens zij hun ambt konden uitoefenen. Zij werden dus eerst door Mozes gewassen en moesten daarna voor elke ambtelijke arbeid zichzelf wassen!”[3].

Mozes is in Exodus 29 de vertegenwoordiger van de God van het verbond[4].
Mozes is daar, in zekere zin, middelaar tussen God en Zijn volk. Maar het is daarnaast duidelijk dat Aäron en zijn zonen een belangrijk deel van Mozes’ taken zullen overnemen.

De wijding van de priesters heeft drie aspecten: wassen, kleden en zalven.

Dat wassen vindt u terug in Hebreeën 10: “…laten wij tot Hem naderen met een waarachtig ​hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons ​hart​ gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met ​rein​ water”[5]. Dat laatste is een verwijzing naar de doop. Om met Titus 3 te spreken, naar “het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de ​Heilige​ Geest”[6].

De informatie over de kleding staat in Exodus 28[7].
Wat moeten wij met die informatie beginnen?
Wij mogen er vandaag van verzekerd zijn dat de God van hemel en aarde ons in zijn nabijheid aanvaardt. Denkt u hierbij maar aan Psalm 132:
“Laat Uw ​priesters​ bekleed worden met ​gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen”[8].
En:
“Want de HEERE heeft Sion ​verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
Dit is, zei Hij, Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
Haar voedsel zal Ik rijk ​zegenen,
haar armen met brood verzadigen.
Haar ​priesters​ zal Ik kleden met heil,
haar gunstelingen zullen uitbundig juichen”[9].
De apostel Paulus noteert in Efeziërs 1: “Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn ​kinderen​ aangenomen te worden, door ​Jezus​ ​Christus, in Zichzelf, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van Zijn ​genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde”[10].
De Verbondsgod maakt in Exodus 29 duidelijk dat Hij alleen maar gewijde mensen aanvaardt, die gekleed zijn volgens Zijn normen.
In onze tijd hebben die normen een Nieuwtestamentische lading: wij zijn door onze Heiland tot Zijn kinderen aangenomen. Dat mag en moet de kerk geloven. En ja, daar hoort een levenshouding, een attitude bij!

De zalving is een beeld van de aanstelling van en de toerusting door de Heilige Geest.
Die zalving komen we tegen in Psalm 133. U weet wel:
“Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen.
Het is als de kostelijke olie op het hoofd,
die neerdruipt op de baard, de baard van Aäron,
die neerdruipt op de zoom van zijn priesterkleed”[11].
Priesters dragen, om zo te zeggen, de geur van God. Die geur is vandaag de dag in de kerk te ruiken. Daar moeten we althans steeds ons best voor blijven doen!

De continuïteit van de eredienst moet steeds gewaarborgd blijven. Dat is in Exodus 29 al zo.
Die voortgang wordt door de wereldhistorie heen regelmatig bedreigd.
In Gods Woord ziet u daar zo nu en dan iets van.
In Daniël 11 bijvoorbeeld: “Dan zullen er uit hem krachtige armen voortkomen. Die zullen het ​heiligdom​ en de vesting ​ontheiligen​ en het steeds terugkerende ​offer wegnemen en de verwoestende gruwel opstellen”[12]. De legers van de koning van het noorden maken een einde aan de geregelde tempeldienst.
Welnu – vandaag de dag, anno Domini 2018, is de aanval op de doorgang van het kerkelijk leven en van erediensten heel erg geniepig. Soms hebben we niet eens door op welke manier de satan zijn instrumenten precies inzet. Maar wie goed kijkt, kan het toch zien. Bijvoorbeeld in:
* het ongeloof van de mensen en de spot over het gedrag van gelovigen
* de relativering van de waarde van kerkdiensten
* de invoering van de koopzondag
enzovoort.
Laat de eredienst ons maar heilig zijn!

Waar gaat het in Exodus 29 om?
Over het brandoffer lezen we: “Het moet een voortdurend ​brandoffer​ zijn, al uw generaties door, bij de ingang van de ​tent​ van ontmoeting, voor het aangezicht van de HEERE. Daar zal Ik u ontmoeten om daar met u te spreken. Daar zal Ik dan de Israëlieten ontmoeten, en zij zullen door Mijn heerlijkheid ​geheiligd​ worden. Dan zal Ik de ​tent​ van ontmoeting en het ​altaar​ ​heiligen. Ik zal Aäron en zijn zonen ​heiligen​ om voor Mij als ​priester​ te dienen. Ik zal dan te midden van de Israëlieten wonen, en Ik zal hun tot een God zijn”[13].
Dat betekent: God moet Zijn kinderen heiligen.
Zo spreekt ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de heiliging: “Wij geloven dat dit ware geloof, in de mens verwekt door het horen van het Woord van God en door de werking van de Heilige Geest, hem opnieuw geboren doet worden en hem tot een nieuwe mens maakt. Dit ware geloof doet hem leven in een nieuw leven en bevrijdt hem uit de slavernij van de zonde”[14].
Laat het maar tot ons allen doordringen: de heiliging is niet in de eerste plaats een activiteit van onszelf; nee, het is eerst en vooral een Goddelijke activiteit waar wij de vruchten van mogen plukken!

Noten:
[1] Voor dit Schriftgedeelte kies ik omdat Exodus 29:1-31:18 centraal staat tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt volgende week, woensdagavond 21 maart 2018, plaats. Tijdens die vergadering hoop ik een korte inleiding te verzorgen. Deze is onder meer gebaseerd op de schetsen 29, 30 en 31 van Ds. B. van Zuijlekom, “God komt tot Zijn volk; schetsen over het boek Exodus”. – Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, 1986. – p. 96-105. Een bewerkte versie van dit artikel zal het eerste deel van de inleiding zijn.
[2] Exodus 29:4.
[3] Ds. J. Roos, “De tabernakeldienst (107)”. In: De Wachter Sions, donderdag 10 juli 2014, p. 355. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Exodus 29.
[5] Hebreeën 10:22.
[6] Titus 3:5.
[7] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1005.pdf ; geraadpleegd op woensdag 27 december 2017.
[8] Psalm 132:9.
[9] Psalm 132:13-16.
[10] Efeziërs 1:5 en 6.
[11] Psalm 133:1 en 2.
[12] Daniël 11:31.
[13] Exodus 29:42-45.
[14] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 24.

1 december 2017

Feestelijk abcd van de kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Ja ja, die Israëlieten in de Bijbel weten wel wat feestvieren is!
Leest u maar mee in het slot van 1 Koningen 8: “In die tijd hield ​Salomo​ ook het feest, en heel Israël met hem, een grote menigte, vanaf Lebo-Hamath tot de Beek van Egypte, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, zeven dagen en nog eens zeven dagen: veertien dagen”[1].

Die tijd is de periode van de inwijding van de tempel.
Het gebedshuis ter ere van de Here is gereed. Het gebed dat Salomo bij die gelegenheid uitspreekt is in extenso in de Heilige Schrift opgenomen[2].

Daarna zegent Salomo het volk. Die zegen is feitelijk een lofprijzing en een lijst van vrome wensen in één. Het volk heeft rust gekregen. De Here is actief aanwezig. En dan wordt de situatie als vanzelf vredig. De wereld wordt in alle opzichten harmonieus.
Salomo spreekt de wens uit dat de God van het verbond Zijn volk nimmer verlaten zal.
Salomo hoopt vurig dat de Here in harten blijft werken. Dan zullen de Israëlieten op de wegen van de Here wandelen.
Dan zal het recht zegevieren. In heel het land zullen billijkheid en eerlijkheid de toon aangeven.
Voor de Israëlieten is het daarom zaak om naar Gods geboden te leven.
Heel het bestaan moet een offer voor de Here wezen: een dankoffer voor Hem!
Dat staat het volk scherp voor ogen.
De capaciteit van de offerplaats schiet tekort. Er is gewoon te weinig ruimte.

En dan is het feest.
Veertien dagen feest.
Wij, westerlingen van 2017, vragen ons af: hebben die Israëlieten niets anders te doen? Kunnen zij zomaar twee weken vrij nemen? Moet er geen geld verdiend worden? Behoort de economie niet ordentelijk te blijven draaien?

In 1 Koningen 8 lezen we daarover niets.
Blijkbaar worden Bijbellezers van 2017 dringend verzocht om zich over dat soort dingen niet druk te maken.

Er is echter een ander punt dat ik vandaag wil aanstippen.

Dat is dit: in dit Schriftgedeelte leren we wat een christelijk feest is.
Sommige mensen zeggen dat kerkdiensten feestelijker zouden moeten vormgegeven. Het is, zeggen sommigen, in de kerk zo stijf. Bij het saaie af. Hoezo feestelijk?
Welnu, in 1 Koningen 8 leren we dat feestvieren in de kerk betekent:
* genieten van Gods presentie
* biddend contact hebben met de God van het verbond
* gelovig leven, geheel toegewijd aan de God van hemel en aarde.

Met het bovenstaande wil natuurlijk niet gezegd zijn dat preken saai moeten wezen.
Een psalmvers extra, een gezang meer – dat is heus geen bezwaar.
Maar laat niemand denken dat het in de kerk pas feest is bij veel toeters en tetters, bij massa’s bloemen en guirlandes, en bij dansjes en verheven handen.

Het is, dunkt mij, goed om dit alles te benadrukken op de eerste dag van de maand waarin, zo de Here wil, het Kerstfeest zal worden gevierd.

Daarover belijden wij in de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij belijden dus dat God de belofte die Hij aan de vaderen gegeven had bij monde van zijn heilige profeten, vervuld heeft door zijn eigen, eniggeboren en eeuwige Zoon in de wereld te zenden op de door Hem bepaalde tijd. Deze heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden (…) door echte menselijke natuur werkelijk aan te nemen met al haar zwakheden, uitgezonderd de zonde. Hij is ontvangen in de schoot van de gezegende maagd Maria door de kracht van de Heilige Geest, zonder toedoen van een man. Hij heeft niet alleen de menselijke natuur aangenomen wat het lichaam betreft, maar ook een echt menselijke ziel om werkelijk mens te zijn. Want omdat de ziel evenzeer verloren was als het lichaam, moest Hij ze beide aannemen om beide te redden”[3].
Dat is een statige tekst.
Een hele mond vol, zeggen we dan tegenwoordig.

Maar laten we nu niet gaan zeggen: het Kerstfeest is in de kerk te ingetogen. Hang de vlag uit! Huur de fanfare in!
Feestvieren in de kerk is een zaak van abcd: aanbidding, bewondering, concentratie op God, dienst aan Hem.
Niet meer. Maar ook niet minder.

Noten:
[1] 1 Koningen 8:65.
[2] 1 Koningen 8:22-53.
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 18.

23 februari 2016

Drukte in het werkpaleis

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Wij moeten, zo leert ons Zondag 32 der Heidelbergse Catechismus, “met ons hele leven tonen, dat wij God dankbaar zijn voor zijn weldaden[1].
Enkele van de Schriftbewijzen die onder die Zondag staan zijn te vinden in 1 Petrus 2:
“en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus”.
En:
“Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht”[2].

Daar, in 1 Petrus 2 staat de term ‘levende stenen’[3]. Die uitdrukking heeft iets merkwaardigs. Immers – stenen zijn toch niet levend? Er zit geen leven in. Bovendien: kan Petrus niet gewoon volstaan met het noemen van de stenen?
Toch niet.
Want Petrus wil tonen dat Jezus Christus datgene wat bij mensen onmogelijk is, toch bestaanbaar maakt. Het leven wordt gul gedistribueerd onder allen die de God van hemel en aarde op Zijn Woord geloven.

In 1 Petrus 2 staat dat wij ons als levende stenen moeten laten gebruiken. Daar lezen wij dus niet dat wij levende stenen moeten worden. Dat kan natuurlijk ook niet. Dode materie kunnen wij toch niet tot leven wekken?
Welnu, wij kunnen ons als levende stenen laten gebruiken als wij in Jezus Christus blijven. Dat is: “het ‘in Christus-zijn’ is niet alleen maar het fundament of de diepste wortel van het christen-zijn, maar het is een nieuwe werkelijkheid, een nieuwe realiteit binnen het dagelijkse leven zelf”[4].

Met die levende stenen wordt een “geestelijk huis” gebouwd.
Een huis is statisch. Het staat stil. Het beweegt niet.
Maar een geestelijk huis komt tot leven. Want de Heilige Geest is daar aan het werk!

De kerk is het paleis van God.
De gelovigen in de kerk hebben dagwerk aan priesterlijke arbeid: in al hun doen en laten stralen ze uit hoe dankbaar zij zijn voor het leven. En voor de zegen van God. En voor de zorg en de bescherming die Hij iedere minuut van het leven geeft.

De priesters – dat zijn dus de kerkmensen – verkondigen de grote daden van God.
Die uitdrukking ‘grote daden’ moeten wij in verband brengen met de komst van Christus op aarde, en met de uitstorting van de Heilige Geest op de eerste Pinksterdag.
Maria zingt namelijk in Lucas 1: “Mijn ziel maakt groot de Here, en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland, omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat zijner dienstmaagd. Want zie, van nu aan zullen mij zalig prijzen alle geslachten, omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige. En heilig is zijn naam”[5].
In Handelingen 2 zeggen de mensen verbijsterd: “Parthen, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judéa en Capadócië, Pontus en Asia, Phrygië en Pamphilië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, Cretenzers en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken”[6].
Grote daden van God: die term slaat vooral op het Kerstfeit en het Pinksterfeest.

Dit alles gelezen hebbende slaat wellicht de wanhoop toe.
Wat wat maken wij van de lofprijzing? Schieten wij niet schromelijk tekort als het om de lof op God gaat?
Ja, dat is ontegenzeglijk waar.

Maar het loven van God betekent, als u het mij vraagt, niet dat wij de ganse dag ‘halleluja’ moeten roepen. Het prijzen van de Here wil niet zeggen dat wij de ganse dag dankgebeden stamelen.
Het houdt ook niet in dat wij altijd maar stoïcijns moeten blijven onder tegenslagen of rampspoed.

Wij behoren, zegt Zondag 32, met ons hele leven te tonen, dat wij God dankbaar zijn voor zijn weldaden. En dus kunnen we zeggen: elke beroerdigheid ons ook overkomt, de dankbaarheid voor Gods weldaden kan er altijd zijn. Immers – Jezus’ lijden, sterven en opstanding blijven immer functioneren als het fundament van ons leven.

Wij zullen, zo leren we in 1 Petrus 2, geestelijke offers moeten brengen.
Denkt u daarbij maar rustig aan de gewone, dagelijkse gang van zaken in uw leven. In alle situaties van ons bestaan kunnen wij blijmoedig contact zoeken met de hemelse God, de soevereine Vorst van deze wereld.
We weten dat Hij Zijn kinderen uitkoos, dat Hij een verbond met hen sloot, en dat Hij die kinderen nooit – nee, nooit – meer los zal laten.

De kerk is het paleis van God.
En jazeker, dat kasteel is een werkpaleis.
De kerk is één enorme brok dynamiek. Heel veel koninklijke priesters hebben hun handen aan het eren van God. Nee, al die priesters krijgen daarvoor geen honorarium. Al die geestelijke offers zijn “Gode welgevallig door Jezus Christus”.

De luiken van de kerk zijn trouwens niet dicht.
Integendeel.
De kerk staat midden in een wereld vol chaos, geweld en revolutie tegen God.
Maar in het werkpaleis heerst, tot in alle hoeken en nissen, een sfeer van dankbaarheid.
En al die bedrijvige koninklijke priesters zijn vol vertrouwen.
Dat is het heerlijke vertrouwen van Psalm 21:
“U bent het, HEER, die hem – die koninklijke priester dus! – verblijdt;
op U is zijn vertrouwen,
wie hem ook mag benauwen.
Want door uw goedertierenheid
staat hij onwankelbaar,
zelfs in het grootst gevaar”[7].

Het werkpaleis van God is een onneembare vesting!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 32, antwoord 86.
[2] Achtereenvolgens citeer ik de verzen 5 en 9 uit 1 Petrus 2.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://www.gelovenisleven.nl/levendestenen.htm . Geraadpleegd op maandag 15 februari 2016.
[4] Geciteerd via https://bderoos.wordpress.com/2014/05/20/nieuwe-werkelijkheid/ .
[5] Lucas 1:46-49.
[6] Handelingen 2:9, 10 en 11.
[7] Psalm 21:4 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.