gereformeerd leven in nederland

23 augustus 2019

Verwarrende tijd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

‘Het is een verwarrende tijd’, zei een trouwe kerkgangster onlangs. Zij zei het in de wandelgangen, bij de koffie na de dienst op een zondagmorgen.
Een dergelijke verzuchting kan enigszins misleidend wezen. Alle jaren door, en op diverse momenten, zeggen mensen dat de tijden moeilijk zijn.
Maar het statement van de kerkgangster is wel te begrijpen.

Laten wij eens een paar zaken op een rij zetten.
1.
Via het internet worden wij gebombardeerd met allerlei informatie. En steeds vaker komt de vraag op ons af wat nu precies waar is. Het fenomeen ‘nepnieuws’ is in opkomst. Wie kun je nog geloven?
2.
Woord- en kerkverlating trekken hun sporen in de maatschappij. Wij worden geconfronteerd met allerlei stijlen, denkwijzen en levensovertuigingen. In de caleidoscoop van de kleurrijke samenleving worden de kleuren zwart en wit steeds minder gewaardeerd.
Men vraagt om nuanceringen. En om begrip voor elkaar.
3.
Dit verschijnsel wordt nog versterkt door de vele miljoenen vluchtelingen die er op deze aarde zijn. Vele, vele migranten komen ons land binnen. Zij komen uit allerlei delen van de wereld. Die vluchtelingen nemen hun eigen cultuur mee. En hun eigen taal. En hun eigen zeden.
4.
Op het terrein van kerken en kerkgenootschappen worden ook grenzen verlegd. Men stapt makkelijk over grenzen héén. Kerkverbanden verliezen steeds meer van hun betekenis.
Door de ontwikkelingen in de maatschappij worden kerkmensen mondiger. Hun mening steken ze niet onder stoelen of banken. Ook op kerkelijk terrein geldt: men vraagt om nuanceringen en om begrip voor elkaar.
5.
Het is makkelijk om aan informatie te komen. In ons dagelijks leven komen we bovendien heel veel mensen tegen. Vanwege al die drukte wordt ons levenstempo hoger.
Wij worden geacht met allerlei nieuws rekening te houden. De opinies van allerlei passerende mannen, vrouwen en kinderen moeten wij wellicht in onze eigen meningsvorming verwerken.
Maar misschien is dat, bij nader inzien, ook weer niet nodig. Dat is namelijk een kwestie van persoonlijke keuze.
6.
De mensen worden ouder. Door betere gezondheidszorg en goede medicijnen leven zij langer. Maar hoe ouder men wordt, hoe moeilijker de meningsvorming wordt.
Het lijkt wel of de tijden steeds verwarrender zijn.

In verband met het bovenstaande is het goed elkaar te wijzen op Ezechiël 36: “Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegenemen en u een hart van vlees geven. Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt”[1].

Die boodschap wordt ook doorgegeven aan de kerk van 2019. En dat bericht stelt gerust.
Wij hebben stapels informatie voor onze neus – figuurlijk dan. Wij worden geconfronteerd met honderd meningen per week – bij benadering althans.
Maar als wij het overzicht dreigen te verliezen, dan is daar de God van hemel en aarde.
Hij zegt: Ik zal u een nieuw hart geven; het harde hart gaat eruit, er komt een doordringbaar levenscentrum in.
Hij zegt: Ik geef u Mijn Geest; Ik ga met u mee, waar u ook bent.
Zijn wij de weg een beetje kwijt? De Heilige Geest van de Here is bij ons. Hij brengt ons altijd weer terug op de route naar Zijn toekomst!

Wat is de situatie in Ezechiël 36?

Daar moet de profeet Ezechiël aan het werk.
Hij moet profeteren tegen de bergen. Waarom? Vijanden van Israël hebben bezit genomen van die bergen. En dat voorspelt onheil. Want bergen kun je moeilijk innemen en bezetten. Je kunt beter een stad op de vlakte in bezit nemen. Dat is overzichtelijk. Maar een berg? Die is hoog. Een berg is lastig. Het beklimmen van een berg kan gevaarlijk zijn. Als zelfs de bergen al in bezit van de vijand zijn… – dan is alle hoop verloren.
De vijanden zeggen dat ook. We hébben ze!, zeggen ze. En ze verkneukelen zich. Israël is, figuurlijk gezien, een prooi voor de wolven.
Welnu – in die situatie komt er een proclamatie van God.
En iedereen moet luisteren. De natuur, de steden en iedereen die erin woont… – luisteren zullen zij![2]

Wat zegt God?
Hij heeft gesproken tegen de heidenvolken en tegen Edom. Dat zijn de vijanden van Israël.
Zeg dus niet: die heidenvolken hebben op eigen houtje gehandeld. Nee, de Verbondsgod van Israël heeft Zich laten horen. En toen gebeurde er wat!
Maar nu gaat de Verbondsgod tegen Israël spreken.
Die heidenvolken? Die hebben Gods volk aangepakt. En dat is, ten diepste, schandalig![3]

De zaken gaan veranderen.
Het land zal weer een goede oogst geven. Er komt bevolkingsgroei. De steden worden herbouwd. De puinhopen gaat men opruimen.
Ja, er komen weer mensen. Het onherbergzaam geworden land wordt opnieuw gecultiveerd.
God zegt: “Ik zal mensen over u doen lopen, namelijk Mijn volk Israël”[4].
De vijanden zeggen: wij hebben de macht. Zij zeggen: wij slokken de landen op, compleet met de bewoners ervan.
Maar de God van hemel en aarde spreekt dat krachtig tegen. De vijandelijke macht is eindig. Het is afgelopen! Er komt een totale ommekeer! Die heidenen zullen nog eens wat zien![5]

De God van het verbond zegt tegen Zijn woordvoerder Ezechiël: eertijds maakte Israël er, door de zondige levensstijl, een enorm vieze boel van. Afgoderij was aan de orde van de dag. Daarom kreeg het volk met Mijn toorn te maken. Woedend was Ik! Daarom gooide Ik het hele volk door elkaar. Sterker nog: Ik sloeg ze uit elkaar.
Dat was hun straf. En dat was hun eigen stomme schuld![6]

De Israëlieten kwamen bij de heidenen terecht.
Maar toen werd het nog erger.
Want die heidenen zeiden: ‘Die migranten uit Israël genoten toch speciale bescherming van hun God? Wat doen al die mensen dan hier?’[7].

Maar dat neemt God niet.
Zijn heilige naam dreigt te grabbel te worden gegooid. Zijn reputatie dreigt flink ingedeukt te worden.
Maar dat gaat niet gebeuren!
Dat is de reden dat de God van het verbond nu ingrijpt[8].

Er gaat een wonder gebeuren.
Het uit elkaar geslagen volk wordt weer bijeen gebracht.
Het volk wordt gereinigd. Alle viezigheid gaat eraf.
Van buiten en van binnen[9].
En daarom klinken die woorden: “Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegenemen en u een hart van vlees geven. Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt”.

Zo wordt Gods reputatie weer volledig hersteld.
De God van het verbond houdt Zelf Zijn heilige naam hoog!

Laten wij, terwijl Ezechiël 36 op het computerscherm staat, nog eens op aarde rondkijken.

Wie kunnen wij in deze wereld nog geloven? Waar is de waarheid?
Onze God maakt het in de Bijbel duidelijk: Hij maakt zijn Woord waar; bij Hem moet je wezen!

Woord- en kerkverlating – dat zien we in de samenleving op grote schaal.
Maar in Ezechiël 36 roept de God van het verbond ons toe: mensen, doe dat toch niet! U kunt toch lezen waar je dan terecht komt? U ziet toch dat Ik alle macht heb, zowel in de hemel als op de aarde?

Er zijn miljoenen vluchtelingen op aarde. Waar moeten al die mensen heen? Waar moet je al die mensen toch opvangen?
Eén ding is honderd procent zeker: de kerk loopt geen gevaar. Want de Here is in staat om Zijn kinderen bij elkaar te brengen, op het tijdstip dat Hem belieft. Het maakt niet uit waar Zijn kinderen zwerven. De God van het verbond vindt hen echt wel.

Op het terrein van de kerk en allerlei andere genootschappen worden grenzen verlegd. Men delibereert en nuanceert.
In Ezechiël 36 roept de God van het verbond ons toe: mensen, hou daar toch mee op! Hij roept uit: leef met Mij en met Mijn wetten, dan kom je goed terecht. Oftewel: vertrouw niet altijd maar op je eigen theologische intelligentie, maar doe wat Ik zeg; misschien vindt u dat te eenvoudig, maar uiteindelijk is dat waar het om gaat.

Ons levenstempo wordt hoger. Daar komt bij dat wij tegen iedereen zeggen: uw mening télt! Of ook: u bent de moeite wáárd.
In zo’n wereld is het gevaar groot dat meningen van mensen belangrijker gaan worden dan wetten en regels van God.
In Ezechiël 36 roept de God van het verbond ons toe: rustig aan maar! En ook: Mijn heilige naam is van oneindig veel meer belang dan uw denklijnen, uw toekomstvisies en uw al of niet weloverwogen overtuigingen. Mensen, pas toch op!

De mensen worden ouder. Wij leven met z’n allen langer. Maar die ouderdom komt met gebreken. Met een gebrek aan overzicht bijvoorbeeld. Of met de vraag: ben ik, nu ik steeds minder kan, voor Hem nog wel de moeite waard?
In Ezechiël 36 roept de God van het verbond ons toe: Stil maar! Wacht maar! Ik zeg het u toch? Ik doe het Zelf! Wees niet bang: Ik maak mijn werk af; heus waar!

Het is een verwarrende tijd, zei die kerkgangster.
Welnu – de God van het verbond laat het ons in Ezechiël 36 weten: als u het niet meer weet, moet u zich realiseren dat Ikzelf zorg draag voor de heiliging van Mijn naam.
Dus kan de kerk hoopvol de toekomst tegemoet gaan.
Ook in 2019!

Noten:
[1] Ezechiël 36:26 en 27.
[2] Ezechiël 36:1, 2 en 3.
[3] Ezechiël 36:4, 5 en 6.
[4] Ezechiël 36:12 a.
[5] Ezechiël 36:7-15.
[6] Ezechiël 36:16-19.
[7] Ezechiël 36:20 en 21.
[8] Ezechiël 36:22 en 23.
[9] Ezechiël 36:24 en 25.

23 april 2019

Het geluk van de ware christen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

Geluk zit, zoals bekend, niet in geld[1]. Genade en vrede van God: die kunnen ons blij stemmen.
Dergelijk geluk is van buitenaf vaak niet te zien. De Heilige Geest werkt aan zulk welzijn in het hart van gelovige mensen.
Daarom moeten wij niet te snel gaan roepen: hij of zij is een heel ongelukkig mens.

Schrijver dezes hoorde het jaren geleden eens zeggen: de vrouw die wij nu gaan begraven heeft een moeilijk leven achter de rug.
Daar was veel van waar. Overigens werd er zeer terecht niet bij gezegd: zij is reuze ongelukkig geweest.
De overledene was een gelovige vrouw die, toen zij nog leefde, te maken had met allerlei vormen van lijden. Lichamelijk en psychisch had zij het zwaar. Haar leven was verre van gemakkelijk. Maar was zij ongelukkig? Nee, dat was zij niet. Want zij was een kind van God.

In dit verband vraag ik graag uw aandacht voor Psalm 88.

De Ezrahiet Heman zingt over iemand wiens leven verzadigd is van rampen. Alle ongeluk lijkt opgestapeld in dat ene leven. Er komt een moment dat de man in kwestie volkomen krachteloos is. Zijn moment van overlijden lijkt met rasse schreden te naderen.
Zijn vrienden hebben hem verlaten. Zij vinden hem niet interessant meer.
De laatste regel van deze psalm luidt: “mijn bekenden zijn duisternis”[2]. Duisternis: dat is hier het laatste woord. De nacht heeft het laatste woord, zo lijkt het.

Maar het is niet waar.
Want terwijl hij de treurnis waarneemt zingt Heman:
“Zou U wonderen doen aan de doden?
Of zouden gestorvenen opstaan en U loven?
Zou er van Uw goedertierenheid in het ​graf​ verteld worden,
van Uw trouw in het verderf?
Zouden Uw wonderen bekend worden in de duisternis,
Uw ​gerechtigheid​ in het land van vergetelheid?”[3].
Gods eer wordt niet in het dodenrijk vergroot. Op het kerkhof is geen enkele dode die kan zeggen dat God groot is. In het land waar aardse activiteiten vergeten zijn is niemand die beweren kan dat God wonderen doet. Welnu, zo vraagt Heman in Psalm 88, dat kan de bedoeling toch niet wezen? Het gaat om het eerbetoon aan God.

Dus: vanuit de ellende wijst Heman op het alles overheersende belang van Gods eer.
Bij dit alles moeten wij ons realiseren dat Heman nog niet zoveel weet over de overgang van sterven naar opstanding als wij. Heman ziet de zaken nog in Oudtestamentisch perspectief.

Heman zegt dus niet: de ellende in de wereld is enorm groot; nu wil ik niks meer met God te maken hebben.
Integendeel, Heman ziet Gods hand in alle dingen die gebeuren. Heman spreekt zijn Heer zelfs aan met de titel: “God van mijn heil”[4].
Zo leert Heman aan alle Bijbellezers: mensen, schaamt u zich maar niet als u in uw gebeden niet veel verder komt dan de opsomming van uw problemen.
Heman onderwijst ons: u mag roepen tot de God van uw heil.
Gelovigen in de eenentwintigste eeuw moeten daarbij ook denken aan de Here Jezus Christus. Na Pasen staat het hen weer scherp voor de geest: de Zoon van God kreeg uiteindelijk veel meer te verwerken als Heman. Door Zijn lijden en sterven opent Jezus Christus de weg naar Vader in de hemel. Wij mogen het weten: de weg naar de hemel is open.

Vrij contact met God, vierentwintig uur per dag: daarin zit ten diepste het geluk van de ware christen.

In haar wandelen met God zat, naar mijn overtuiging, ook het diepste geluk van die overleden vrouw waarover het in dit begin van dit artikel gaat.

Er zijn in dit leven veel dingen die ons dwars kunnen zitten.
Er kunnen lichamelijke en psychische belemmeringen zijn.
Ook kunnen allerlei materiële zaken een donkere deken over het leven leggen. Denkt u maar aan plotseling ontslag bij het faillissement van een bedrijf. Denkt u ook maar aan alle problematiek rond schuldhulpverlening.
Er zijn situaties waarin we er helemaal geen gat meer in zien.
Laten we het dan maar bedenken: er is méér dan dit leven alleen. Net als Heman mogen we dan zeggen:
“Mijn oog is treurig van ellende;
HEERE, ik roep tot U de hele dag,
ik strek mijn handen naar U uit”[5].
En:
“Ik echter, ik roep tot U, HEERE,
mijn ​gebed​ komt U tegemoet in de morgen”[6].

Het oordeel over het geluk, of ongeluk, van de mensen in onze omgeving moeten wij maar niet te snel vellen. Dat kunnen die mensen zelf het beste aangeven.
Er komt een moment dat wij allen mogen rusten van onze moeiten. Onze werken volgen ons.
Als we in die verwachting wandelen met God, zullen er in ons leven altijd geluksmomenten blijven.

Notulen:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 28 april 2009.
[2] Psalm 88:19.
[3] Psalm 88:11, 12 en 13.
[4] Psalm 88:2.
[5] Psalm 88:10.
[6] Psalm 88:14.

12 maart 2019

De trouw belicht

In dit artikel worden enkele Schriftgedeelten belicht waarin de trouw van God en de trouw aan elkaar aan de orde komen[1].
Drie ervan komen uit het Oude Testament; één uit het Nieuwe Testament.

En het zal alras duidelijk wezen – wie de trouw van God in zijn eigen leven niet ziet, levert op slag heel wat levensvreugde in!

Laten wij voorin de Bijbel beginnen.

“Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van mijn heer ​Abraham, Die mijn heer Zijn goedertierenheid en Zijn trouw niet onthouden heeft. Wat mij aangaat, de HEERE heeft mij op deze weg geleid naar het ​huis​ van de broeders van mijn heer”.
Deze woorden lezen wij in Genesis 24[2].
Het zijn woorden van een vertrouwd personeelslid van Abraham. De dienaar spreekt zijn dankbaarheid uit omdat de Here trouw gebleven is. Hij heeft de vertrouweling van Abraham op het spoor gezet van Rebekka. Rebekka is een vrouw uit Haran, het vaderland van Abrahams familie – zie Genesis 12.
Het wordt duidelijk: de Here is in Genesis 24 aan het werk. En ook wij mogen zeggen: Hij leidt ons in onze keuzes.

Maar dat moeten vooral ook consequente keuzes zijn.
Jozua formuleert dat in Jozua 24 zo: “Nu dan, vrees de HEERE, dien Hem in oprechtheid en trouw, doe de ​goden​ weg die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in ​Egypte, en dien de HEERE. Maar als het in uw ogen kwalijk is de HEERE te dienen, kies voor u heden wie u zult dienen: óf de ​goden​ die uw vaderen, die aan de overzijde van de rivier woonden, gediend hebben, óf de ​goden​ van de Amorieten, van wie u het land bewoont. Maar wat mij en mijn ​huis​ betreft, wij zullen de HEERE dienen!”[3].
Dat is een gerichte keuze. Iemand heeft in verband met Jozua 24 eens gezegd: “het stembiljet geeft maar één mogelijkheid”[4].
Is de Here dan een dictator? Zoals die in Rusland, of die in Venezuela? Nee. Immers – Wie heeft zich, door de tijden heen, zó ingezet om van een heel klein iets groots te maken: een volk dat Kanaän helemaal ter beschikking krijgt? Wie heeft er zoveel geduld gehad met dat vaak mopperend en revolutie plegend volk? Dat is de Here, en niemand anders!

Ook in Psalm 40 wordt van Gods trouw getuigd. In dat profetische kerklied staan twee zaken centraal:
* het getuigenis van Gods grote daden
* een schreeuw om redding.
De dichter zegt:
“Uw gerechtigheid verberg ik niet diep in mijn hart,
Uw waarheid en Uw heil verkondig ik.
Uw goedertierenheid en Uw trouw verzwijg ik niet
in de grote gemeente”[5].
Gods ingrijpen in het verleden geeft garanties voor de toekomst. Het werk dat God in het verleden heeft gedaan, geeft de dichter zekerheid: in de toekomst zal het met mij ook wel goed komen.
Het zingen van een psalm als deze is, ook anno Domini 2019, een oefening in vertrouwen. Daarbij gaat het uiteraard eerst om vertrouwen op God. En omdat wij vertrouwen op Hem, kunnen we in de kerk ook vertrouwen op elkaar.

Nu bladeren we even door naar het Nieuwe Testament. Laten we nog een ogenblik in het laatste Bijbelboek lezen.

In Openbaring 2 lezen we: “Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de ​duivel​ zal sommigen van u in de ​gevangenis​ werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de ​kroon​ van het leven geven”[6].
De gelovigen worden getest. Juist omdat zij op de proef worden gesteld, blijkt wie de echte gelovigen zijn.
Paulus wijst daar ook op in 1 Corinthiërs 11: “Want er moeten ook afwijkingen in de leer onder u zijn, opdat wie beproefd blijken te zijn, in uw midden openbaar komen”[7].
Mensen die de test doorstaan krijgen de kroon van het leven.
Die kroon, of krans, bedoelt de apostel Paulus ook in 1 Corinthiërs 9: “En iedereen die aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles. Zij nu doen dat om een vergankelijke krans te ontvangen, maar wij om een onvergankelijke te ontvangen”[8].
Petrus schrijft in 1 Petrus 5: “En als de Opperherder verschijnt, zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen”[9].

Laten wij nog een blik werpen op de praktijk van alledag in 2019.

Niet zo lang geleden zei een vader in het Nederlands Dagblad ook iets over trouw.
Hij formuleerde: “Spreken over mijn geloof in God vind ik niet altijd gemakkelijk, dus ik breng mijn geloof vooral in de praktijk. Dat doe ik onder meer door aanwezig te zijn in de erediensten, daarin trouw te zijn. Hierin wil ik een voorbeeld zijn voor mijn kinderen. Zij moeten leren dat de kerkgang niet vrijblijvend is. ’s Middags is de kerk soms bijna leeg, dat vind ik moeilijk om te zien. Vanaf het moment dat onze kinderen acht jaar zijn, moeten ze beide diensten mee gaan. Het grappige is dat de jongere kinderen nu al graag mee willen. Ik leer ook van hen. Zo bidden zij aan tafel voor specifieke dingen, terwijl ik sneller een algemeen gebed uitspreek. Hun houding stimuleert mij ook weer”[10].
Met het bovenstaande is eens te meer bewezen: trouw is niet alleen iets voor denkers, maar zeker ook iets voor doeners!

Tenslotte nog dit.
Wie de reikwijdte van Gods trouw ziet, kan opgelucht en verheugd de toekomst in gaan. Want de God van hemel en aarde is tot in eeuwigheid trouw.

Noten:
[1] Een bewerking van dit artikel zal de inleiding zijn die mijn vrouw D.V. houdt tijdens een vergadering van de vrouwenvereniging ‘Bouwen en bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die avond, die wordt gehouden op donderdag 21 maart, zal worden gesproken over het onderwerp ‘Trouw aan God, trouw aan elkaar’.
[2] Genesis 24:27.
[3] Jozua 24:14 en 15.
[4] Professor H.J. Schilder in een preek over Jozua 24:15. Thema en verdeling van de preek luiden als volgt:
Jozua stelt kiezend Gods volk voor de keuze op de overgang van verleden naar toekomst.
1. Hij stelt het volk voor de gerichte keuze;
2. hij stelt het volk voor de gemeenschapskeuze;
3. hij stelt het volk voor de geloofskeuze.
[5] Psalm 40:11.
[6] Openbaring 2:10.
[7] 1 Corinthiërs 11:19.
[8] 1 Corinthiërs 9:25.
[9] 1 Petrus 5:4.
[10] “Wij leven in een sociaal land” – portret van Dirk Malda uit Arnhem. In: ND7, bijlage bij het Nederlands Dagblad, zaterdag 2 maart 2019, p. 24.

7 maart 2019

#Doeslief

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

In deze wereld hebben wij allen met zekere regelmaat met asociaal gedrag te maken. Dat valt natuurlijk niet alleen Gereformeerde mensen op. Driekwart van Nederland baalt ervan, en niet zo’n klein beetje ook.
Dies gaat men er wat aan doen.

De NOS meldt op maandag 4 maart: “Bumperkleven, het negeren van een caissière in de supermarkt, treiteren van OV-personeel, elkaar niet voor laten gaan in het verkeer, voordringen in de trein, geluidsoverlast, burenruzies, schelden en haatberichten op sociale media. Het neemt allemaal toe, blijkt uit onderzoek van SIRE (Stichting Ideële Reclame). De organisatie start vandaag de campagne #doeslief, om mensen bewust te maken van asociaal gedrag”.

In zo’n ruwe maatschappij ga je zomaar meedoen met zulk lomp gedrag. Al was het alleen maar om gehoord en gezien te worden.
Het is goed als Gereformeerden de Bijbel blijven lezen. Daar vinden zij een antwoord op de vraag: waar doen wij het allemaal voor?

Een antwoord op die vraag vinden we bijvoorbeeld in Colossenzen 3: “En alles wat u doet, doe dat van harte, als voor de Heere en niet voor mensen, in de wetenschap dat u van de Heere als vergelding de ​erfenis​ zult ontvangen, want u dient de Heere ​Christus”[1].

Aan wie schrijft Paulus dat?
Antwoord: dat schrijft hij aan slaven. Leest u maar mee in het voorgaande vers: “Slaven, wees in alles uw aardse heren gehoorzaam, niet met ogendienst als om mensen te behagen, maar oprecht van ​hart, in het vrezen van God”[2].
Nu is de slavernij in Nederland in 1863 afgeschaft.
Maar sociale misstanden blijven er altijd. In die omstandigheden roept de Here Zijn volk op tot een andere levensstandaard.

Zorg ervoor, zegt Paulus, dat u in al uw doen en laten ernaar verlangt om de Here te dienen!

Thans komt een complete divisie vraagtekens aan marcheren.
Immers – is dit niet wat al te idealistisch?
Immers – zweeft dit niet enigszins boven de wereld?
Kortom, is dit alles wel haalbaar?

Met die vragen ga ik eerst even naar Psalm 8[3].
David zingt in die Psalm:
“Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U hun plaats gegeven hebt,
wat is dan de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de ​mensenzoon, dat U naar hem omziet?
Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de ​engelen
en hem met ​eer​ en ​glorie​ gekroond”[4].
De vraag lijkt voor de hand te liggen: wordt het in Psalm 8 ook tijd voor een haalbaarheidsonderzoek?
Toch niet.
Want wij moeten niet vergeten dat David, door de Heilige Geest geïnspireerd, dichter en profeet is geweest. De inhoud van Psalm 8 wordt veel beter belicht als we kijken naar het Nieuwe Testament.
Neem bijvoorbeeld Hebreeën 2. Daar wordt Psalm 8 geciteerd. De schrijver van de Hebreeënbrief zet daar dan bij: “… maar wij zien ​Jezus​ met heerlijkheid en eer gekroond, Die voor korte tijd minder dan de ​engelen​ geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de ​genade​ van God voor allen de dood zou proeven”[5].

Dat gelezen hebbende krijgen die woorden uit Colossenzen 3 wat meer kleur.
Want het verlangen om de Here overal en altijd te dienen – juist ook in de gewone dingen van het leven – wordt versterkt als wij ons realiseren dat Jezus Christus Zijn verlossingswerk heeft volbracht.
Dan worden wij vanzelf wat kalmer. Dan zijn wij niet zo lichtgeraakt. Dan kunnen wij relativeren: ach, zo erg is het nou ook weer niet… Aldus blijven wij als vanzelf ver weg van hufterig gedrag.

Trouwens – de perikoop over de barmhartige Samaritaan in Lucas 10 zet niet voor niets in met de liefde tot God: “U zult de Heere, uw God, ​liefhebben​ met heel uw ​hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf”[6].

Moeder Teresa (1910-1997), de bekende Rooms-katholieke missiezuster die in het Indiase Calcutta werkte, heeft eens gezegd: “Ik ben niets; ik ben slechts een instrument, een dun potlood in de hand van de Heer waarmee Hij schrijft wat Hem aanstaat. Hoe onvolmaakt wij ook mogen zijn, Hij schrijft altijd mooi”[7].
Waarvan akte!

De Stichting Ideële Reclame gebruikt vandaag de dag de hashtag #doeslief. SIRE gaat uit van de menselijke moraal.
Laten wij in de kerk maar gewoon de Heere Christus blijven dienen.
Niet vanwege onze idealen, maar vanwege het perspectief op de hemelse toekomst. Om met de inzet van Colossenzen 3 te spreken: “Als u nu met ​Christus​ ​opgewekt​ bent, zoek dan de dingen die boven zijn, waar ​Christus​ is, Die aan de rechterhand van God zit”[8].

Noten:
[1] Colossenzen 3:23 en 24.
[2] Colossenzen 3:22.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer een eerder door mij geschreven artikel, getiteld ‘Naar Gods beeld’. Dat artikel is gedateerd op woensdag 30 september 2009.
[4] Psalm 8:4, 5 en 6.
[5] Hebreeën 2:9.
[6] Lucas 10:27.
[7] Geciteerd van http://www.quotez.net/dutch/moeder_theresa.htm ; geraadpleegd op maandag 4 maart 2019.
[8] Colossenzen 3:1.

27 februari 2019

Bouwen op het fundament

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard dat ​Christus​ ​Jezus​ in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken, van wie ik de voornaamste ben”.

Dat schrijft Paulus aan Timotheüs[1].

Er zijn mensen, schrijft Paulus, die zich eindeloos bezighouden met allerlei details die er, op de keper beschouwd, niet zoveel toe doen. Allerlei legendarische verhalen, de oude Joodse geslachtsregisters – die worden geweldig belangrijk gemaakt.
Pas daarmee op, zegt Paulus. En – houd je bij de kern: het evangelie van Jezus Christus.
Het gaat om “liefde​ die voortkomt uit een ​rein​ ​hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof”[2].

Het is belangrijk om dit alles vandaag tot ons door te laten dringen.
Misschien kijken wij wat meewarig naar de mensen in Timotheüs’ tijd. Wellicht vragen wij ons af: wat moeten wij met de stelling van Paulus beginnen?
Zeker – Paulus heeft hier de kern van het christelijk geloof te pakken. Hier gaat het om. Als dit Evangelie niet meer gepredikt wordt… – nou, dan kan de kerkdeur dicht blijven. Dan mag de sleutel van de kerk bij de al of niet boze koster op de schoorsteenmantel blijven liggen.
En dat genealogisch getinte gezever? Hou toch op! Daar doen we toch niet meer aan? Ja, dat hebben we nu wel afgezworen. Niet dan? Ja toch?

Dat laatste klinkt stoer.
Heldhaftig en kordaat.
Onverschrokken en onvervaard.
Toch moeten we op dit gebied maar een beetje voorzichtig wezen.
Immers – in Gereformeerde kerken hebben we soms nog de neiging om ons vast te klemmen aan de leiders van weleer: B. Holwerda, K. Schilder, J. Kamphuis, C. Trimp, L. Doekes, W.G. de Vries enzovoort.
Oude Bijbelstudies worden met graagte gebruikt.
En goed beschouwd is dat ook niet zo’n groot wonder. Gereformeerde Bijbelstudies worden niet dagelijks in dikke stapels aangeleverd. Integendeel.

Alleen daarom al is er weinig tegen om oude literatuur te gebruiken.
Schrijver dezes doet dat ook veelvuldig, en zeker niet met tegenzin. Onze voorvaderen hebben buitengewoon veel nuttige bijdragen geleverd aan de ontwikkeling van het Gereformeerde leven. Zonder twijfel kunnen die bijdragen het fundament zijn voor de standpuntbepalingen van vandaag.

Alleen maar – we zullen er op moeten toezien dat we metterdaad voortbouwen op de onderbouw die de leiders in ons voorgeslacht zo vlijtig in elkaar getimmerd hebben.
De vraag behoort steeds te zijn: hoe passen we de lessen van vroeger toe op de situatie van vandaag?
Wat zijn de omstandigheden van 2019?

Laten we daarbij niet per onmiddellijk bevreesd zijn als oude termen niet zo heel vaak meer worden gebruikt. Het taalkleed van 2019 is nu eenmaal anders dan, bijvoorbeeld, dat van de jaren ’50 van de vorige eeuw.
De leiders van weleer kunnen ons ook vandaag van dienst zijn. Laat daarover geen misverstand bestaan! Maar het is van belang om het Evangelie te verkondigen in de wereld van vandaag.

Wederom wijs ik op 1 Timotheüs 1.
De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee G.A. Jansen (1913-1986) preekte eens over een vers uit dit Schriftgedeelte. Dat was in november 1963. Indertijd zei hij: “Hier hoort u de totale afbraak van de mens, maar ook de volkomen verlossing in onze Bondsmiddelaar, de Here Jezus Christus”. En: “…van die genade van God in Jezus Christus mogen we nooit te gering denken geliefden. Die genade is zó ruim, en zó uitgebreid. Zo ruim als de hemel, en zo uitgebreid als de hemel boven de aarde”[3].
Dominee Jansen maakt duidelijk dat we ons niet moeten vastklemmen aan de kerkleiders van vroeger. En evenmin aan de klerikale opinieleiders van nu.
Kijk maar de hemel, suggereert Jansen. En blijf niet hangen op de vierkante kilometer van toen. Kijk maar naar het uitspansel des hemels, en bewonder wat de God van hemel en aarde aan het doen is. Door alle eeuwen heen. Op alle tijden en plaatsen.

Dat is de stijl van Hebreeën 13: “Denk aan uw voorgangers, die het Woord van God tot u gesproken hebben. Let op de uitkomst van hun levenswandel, en volg hun geloof na”[4].
Nee, het gaat niet om die voorgangers zelf.
Wij behoren een voorbeeld te nemen aan hun geloof.

Kijk maar naar de hemel, zei dominee Jansen.
Dat bedacht hij niet zelf.
Want in 1 Timotheüs 1 schrijft Paulus: “De ​Koning​ nu der eeuwen, de onvergankelijke, de onzichtbare, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. ​Amen”[5].

Ja, dat woord is ook alle aanneming waard!

Noten:
[1] 1 Timotheüs 1:15.
[2] 1 Timotheüs 1:5 b.
[3] De betreffende preek had 1 Timotheüs 1:16 als tekst. Dominee Jansen werkte in november 1963 als predikant in de Groningse dorpen Loppersum en Westeremden.
[4] Hebreeën 13:7.
[5] 1 Timotheüs 1:17.

31 januari 2019

Vooruitzicht in de verzuchtingen

Klaagliederen – de naam van dat Bijbelboek zegt al veel. Er wordt in geklaagd. En niet zo’n klein beetje ook.
De profeet Jeremia componeert de liederen naar aanleiding van het feit dat Juda wordt veroverd door koning Nebukadnezar II. De ‘bovenlaag’ van de bevolking wordt in ballingschap weggevoerd naar Babel. De tempel van Salomo wordt verwoest[1].

Het Bijbelboek Klaagliederen verwoordt een zwaar lijden. Er is sprake van diepe rouw.
Er wordt echter ook schuld beleden. Er kan, zo blijkt, worden gesproken van collectieve schuld; bijkans heel het volk is ontrouw geworden aan God.

Maar in die deplorabele omstandigheden is toch ook Gods genade zichtbaar.
En nee, de Here stoot Zijn volk niet voor altijd weg.
Nee, de Here straft Zijn kinderen niet voor Zijn plezier. Integendeel! Maar de Here is beslist geen goedzak die alles maar goed vindt.

Het zijn echt klaagliederen.
Ze zijn heel poëtisch opgebouwd. Een exegeet schrijft: “Elk klaaglied bevat 22 verzen, naar de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet (Aleph, Beth, enz.), behalve hoofdstuk 3, dat 66 verzen heeft. Oorspronkelijk begint ieder vers met een Hebreeuwse letter in de volgorde van het alfabet, zoals ook sommige Psalmen, behalve het vijfde en laatste hoofdstuk. Hoofdstuk 3 bevat 66 verzen, beginnend met 3x A, dan 3x B, enz. Voor deze acrostische vorm is gekozen om aan te duiden dat het gaat om een allesomvattend verdriet (van A tot Z)”[2].

In Klaaglied 3 beschrijft Jeremia het diepe leed dat hij heeft doorstaan en zijn indringend gebed. Verder geeft hij duidelijk aan dat hij het nu van God verwacht.
Als er nu wat gaat veranderen, moet dat van Gods kant komen.

En er is één ding dat Jeremia heel zeker weet: de Here is de grote Eigenaar van zijn leven; de redding komt van Hem!
In Schriftuurlijke taal klinkt dat zo:
“Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel,
daarom zal ik op Hem hopen”[3].

Concentreert Jeremia zich vooral op zichzelf?
Nee.
Want in Klaaglied 3 zegt hij ook:
“Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn,
dat Zijn ​barmhartigheid​ niet opgehouden is!”[4].
En:
“Goed is de HEERE voor wie Hem verwacht,
voor de ziel die Hem zoekt”[5].
Dat geldt dus voor iedereen.
Nee, Jeremia voert in de Klaagliederen beslist geen onemanshow op. In de Klaagliederen zien we geen eenzame sterveling die wanhopig een spandoek omhoog houdt. Jeremia heeft het oog op al zijn volksgenoten!

Waarom heeft Jeremia zo’n brede blik?
Antwoord: omdat hij zicht heeft op Gods trouw.
David, de dichter van Psalm 16 noemt de Here “mijn enig deel en mijn ​beker”[6].
De Here is mijn deel – dat zegt de dichter van Psalm 119 ook:
“De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd
dat ik Uw woorden in acht zal nemen”[7].
Mijn deel is de Here – die belijdenis betekent: de Here heeft, met mij en met heel Zijn volk, een verbond gesloten. Daarom zal Hij mij trouw zijn. En nee, Hij laat ons niet zitten. Nee, Hij laat ons niet zakken.
Dat is een zekerheid.
Nee, niet omdat God zo nu en dan een oogje dichtknijpt.
Die garantie is er omdat de Heer van hemel en aarde Zijn Verbondsvolk een toekomst biedt. Een toekomst voor Jeremia. En – bijvoorbeeld – voor Paulus, voor Timotheüs, voor Titus en… ja ook voor gelovige mensen van 2019.

Het was de Gereformeerd-vrijgemaakte professor drs. H.J. Schilder (1916-1984) die op zondag 24 september 1972 te Langeslag preekte over Klaagliederen 3:22, 23 en 24[8].
Het thema van zijn preek was: “In het verbond van het verleden ligt het heden en de toekomst”.
Schilder verdeelde zijn preek in drie bijna poëtisch klinkende punten:
“1. Het verleden is niet voorbij
2. Het heden is meer dan nu
3. De toekomst is begonnen”.
In de formuleringen klinkt door dat de Here met Zijn werk doorgaat. Het leven is één, het hangt niet van stukjes aan elkaar. Van de eerste tot de laatste dag op aarde werkt de Here aan het heil van Zijn kinderen. Hij brengt hen bijeen. Hij leidt hen naar een nieuwe volmaakte wereld!

Even tussendoor –
wij leven in een tijd waarin mensen graag zelf kerkelijke keuzes maken. De één blijft Gereformeerd, nummer twee gaat naar een gemeente in de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk en een derde wordt baptist.
Welnu – de Klaagliederen doen ons weer eens beseffen dat onze God één volk formeert. Niet twee, of drie!

Wat moeten wij met de Klaagliederen beginnen in de eenentwintigste eeuw?
Meer precies: wat moeten wij in 2019 aanvangen met het derde Klaaglied?

Wij hebben de neiging om veel te klagen.
Over de maatschappij bijvoorbeeld, waarin de verdorvenheid soms de standaard lijkt te worden.
Over de kerk bijvoorbeeld. Want die is Gereformeerd, doch nog lang niet ideaal.
Over onze familie bijvoorbeeld. Want we zijn weinig meer dan los zand. De levensstijlen en levensovertuigingen staan mijlenver uit elkaar. En onze keuzes worden heel vaak niet begrepen.
Over onszelf bijvoorbeeld. Want wie herkent onze kwaliteiten eigenlijk nog? Kijkt iedereen en alles over ons heen?
Laten we ’t maar ronduit zeggen: klagen mag best; als we dat maar aan het goede adres doen!

Het derde Klaaglied stimuleert ons om, ondanks alles, te letten op Gods genade.
Want we mogen dan wel klagen, maar feit is dat we nog leven. En er zit perspectief in ons bestaan; het is immers volstrekt helder dat de Heer van hemel en aarde zijn verbond nimmer vergeten zal!

Het derde Klaaglied laat ons zien hoe nuttig het is om eens van een afstandje naar ons leven te kijken en de zaken vervolgens nuchter op een rijtje te zetten.
En wat zien en horen wij dan?
Wij merken veel irritaties, ergernissen en voelen diepe teleurstellingen. En is dat onterecht? Nee, vaak niet.
Maar laten wij bij al ongemak, al die gramschap en ons misnoegen nimmer Gods verbond vergeten. Hij gaat door met Zijn kerkvergaderend werk!

Zing dus maar mee met Psalm 44:
“Wij moesten al dit leed ervaren,
maar bleven uw verbond bewaren.
Geen ontrouw heeft ons hart bekoord,
wij gingen in uw wegen voort”[9].
En:
“Wij zijn in stof terneergedrukt;
sla ons in uw ontferming gade.
Naar lijf en ziel gaan wij gebukt.
Sta op, verlos ons uit genade”[10].

Noten:
[1] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/586_v.Chr. ; geraadpleegd op donderdag 24 januari 2019.
[2] Geciteerd van http://www.christipedia.nl/Artikelen/K/Klaagliederen ; geraadpleegd op donderdag 24 januari 2019.
[3] Klaagliederen 3:24.
[4] Klaagliederen 3:22.
[5] Klaagliederen 3:25.
[6] Psalm 16:5.
[7] Psalm 119:57.
[8] In die dienst werd kandidaat Cl. Stam als predikant bevestigd. Het bericht daarover stond op woensdag 27 september 1972 op pagina 2 van het Nederlands Dagblad.
[9] Psalm 44:5 – berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[10] Psalm 44:8 – berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.