gereformeerd leven in nederland

22 juli 2022

Liefde van twee kanten

In en vanuit de kerk getuigen wij van Gods reddingswerk. Bijvoorbeeld met de woorden van Psalm 124:
“In ’s Heren naam is onze hulp, Hij redt,
de Heer, die aard’ en hemel heeft gemaakt”.
Als het even kan laten kerkmensen zien dat zij met God door het leven wandelen. God is bij ons. Hij beschermt ons. Die geloofskennis geeft stabiliteit in het leven. Die geloofskennis geeft zekerheid over het vervolg van het bestaan na onze aardse dood.
Kerkmensen mogen en moeten op allerlei manieren aan de wereld laten weten dat Jezus in Mattheüs 28 heeft gezegd: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen”[1].

Dat Evangelie gaat de wereld door. Er zijn veel mensen die daarvoor ijveren.
Zo iemand is de van origine Australische Ben Fitzgerald. Hij “dealde drugs toen hij in 2002 naar eigen zeggen ‘een ontmoeting had met Jezus’ in zijn huis in de buurt van Melbourne. Het veranderde zijn leven. Nu is hij een van de voorgangers in de vrije evangelische gemeente G5 in het Duitse Eimeldingen, én leider van Awakening Europe, een organisatie die ‘christenen mobiliseert om Gods liefde te verspreiden’. Awakening houdt evangelisatiebijeenkomsten in Europa en stadionevenementen”.
Fitzgerald zegt: “Wanneer ik tegen mensen zeg: ‘Jezus houdt van je’, reageren de meesten met de vraag waarom. Dan leg ik ze het evangelie uit. Niet op een vreemde manier hoor, mensen houden niet van vreemd. Ze houden ervan als je ze in de ogen kijkt en tegen ze zegt dat ze geliefd zijn”.
En:
“We weten niet wat er leeft in de harten van mensen. Misschien lijkt het alsof het met iedereen goed gaat, maar het gaat lang niet altijd goed. We hebben een opwekking nodig, omdat mensen gebroken zijn zonder God. En wij hebben een vrede die niet van deze wereld is, die vrede is een Persoon en Hij is veel groter is dan deze aardbol. Daarom wil ik altijd over Hem vertellen. Ik ben trouwens niet verantwoordelijk voor de reacties van mensen. Mijn hoop is in Jezus Christus. Alleen Jezus kan redden”[2].

De activiteit van Ben Fitzgerald doet sympathiek aan. Veel van wat hij zegt is ook waar. Jezus is inderdaad de Redder van de wereld. Wij mogen Zijn liefde verspreiden en daarin Zijn voorbeeld volgen. Christus’ volgelingen worden inderdaad gemobiliseerd. Zij worden ingelijfd in de militia Christi.

Maar het is wel wat simpel om te zeggen: Jezus houdt van je. Het is wel wat makkelijk om eenvoudigweg te stellen: Je bent geliefd.
Het doopbevel staat in de Bijbel. De dienstorder om het Evangelie te verkondigen hebben wij gekregen – jazeker. Maar laten wij niet vergeten dat er in Mattheüs 28 iets bij staat. Namelijk dit: de blijde Boodschap moet aan mensen worden gebracht “hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. Jezus Christus volgen wil niet zeggen dat alles oké is en dat mensen permanent in een hoerastemming mogen blijven hangen. Mensen behoren Gods geboden te doen. Zij moeten gaan leven in het kader van Gods verbond. Laten we het maar gewoon zo zeggen: de liefde moet van twee kanten komen.

En wat gebeurt er als onze liefde bekoelt? Dan moeten wij straf verwachten!
Dat ziet er vreemd uit.
Wij maken ons druk over zending. Wij doen ons best om op een blijmoedige wijze te evangeliseren. In zo’n situatie gaan wij toch niet over straf beginnen? Jawel. Toch wel.
Kijkt u maar mee in Mattheüs 10.
In dat hoofdstuk worden de twaalf discipelen uitgezonden. Daar staat dan bij: “En als u een huis binnengaat, begroet het dan. En als dat huis het waard is, laat dan uw vrede erover komen, maar als het dat niet waard is, laat dan uw vrede tot u terugkeren. En als iemand u niet ontvangt en niet naar uw woorden luistert, vertrek dan uit dat huis of die stad en schud het stof van uw voeten. Voorwaar, Ik zeg u: Het zal voor het land van Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad”.
Wij zeggen wellicht: nou, nou, kan dat niet wat minder? Niet dus. Aan Evangelieverkondiging zitten echt twee kanten.
Iets dergelijks zien wij ook in Marcus 10.
De rijke jongeman wil heel graag het eeuwige leven beërven. Jezus zegt: Vertrouw niet op rijkdom, maar alleen op Mij. Wij lezen: “Maar Jezus keek hen aan en zei: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want bij God zijn alle dingen mogelijk. En Petrus begon tegen Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd. En Jezus antwoordde: Voorwaar, Ik zeg u: er is niemand die huis of broers of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten heeft omwille van Mij en om het Evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig, nu in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de wereld die komt, het eeuwige leven. Maar veel eersten zullen de laatsten zijn, en veel laatsten de eersten”.
De tegenstellingen liggen scherp![3]

De liefde moet van twee kanten komen. De apostel Johannes is daar in zijn eerste algemene brief nogal duidelijk over: “En hierdoor weten wij dat wij Hem kennen, namelijk als wij Zijn geboden in acht nemen. Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet in acht neemt, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet. Maar ieder die Zijn woord in acht neemt, in hem is werkelijk de liefde van God volmaakt geworden”.
Wie Jezus kent, mag zich inderdaad geliefd weten. Maar dat wil niet zeggen dat iedereen maar vrolijk ‘op de automaat’ verder kan leven![4]

Ben Fitzgerald zegt: Mensen “houden ervan als je ze in de ogen kijkt en tegen ze zegt dat ze geliefd zijn”. Dat is natuurlijk waar. Daar kan het in de evangelisatie ook best beginnen.
Maar er is meer.
Er is een tegenstelling tussen kerk en wereld. Het woord ‘antithese’ horen wij tegenwoordig niet vaak meer. Dat is op zichzelf genomen niet zo erg. Maar de betekenis van dat woord moet ons scherp voor ogen staan! 

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik regels uit Psalm 124:3 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986. Uit Gods Woord citeer ik Mattheüs 28:18,19.
[2] In deze alinea citeer ik uit: “God is echt en Hij kent ieder mens”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 14 juli 2022, p. 6,7.
[3] In deze alinea citeer ik Mattheüs 10:12-15 en Marcus 10:27-31.
[4] In deze alinea citeer ik 1 Johannes 2:2-6.

20 mei 2022

De afrekening

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Tegenwoordig hebben we de mond vol over de oorlog in Oekraïne. En terecht. Wat daar gebeurt is verschrikkelijk. President Poetin probeert de geschiedenis naar zijn hand te zetten. En hij gaat over lijken. Veel lijken.
De Oekraïense baptistenpredikant D.M. Vinogradsky zegt in het Reformatorisch Dagblad over president Poetin: “Wat mij ongerust maakt, is dat Poetin het idee heeft dat hij een instrument in Gods hand is. Omdat patriarch Kirill van Moskou hem heeft gezegend. Poetin ziet het als zijn missie om de Sovjet-Unie te herstellen. Hij voegt hier een vleugje religie aan toe, alsof hij religieuze doelen najaagt. Hij zet zichzelf neer als een religieus persoon, en noemt het Westen goddeloos. In de kerk in Moskou hangt een icoon van hem. Niet dat hij heilig is verklaard, maar er hangt wel een icoon”.
Dominee Vinogradsky zegt ook nog: “Conflicten worden erger en komen vaker voor. Ik zeg niet dat het morgen of overmorgen zal zijn –misschien duurt het nog duizenden jaren– maar het einde van de wereld komt een keer. Mensen zullen vechten, het draait om het eigen ik, ze willen gelijk krijgen. Het gaat ten diepste niet om Rusland tegenover Oekraïne, het gaat om de macht in de wereld, om het ene volk dat tegen het andere opstaat. Dat komt door de catastrofe in de hof van Eden”.
Wij zullen goed moeten zien dat er een oorlog wordt uitgevochten tussen God en Satan![1]

Deze constatering voert ons naar een andere oorlog. Een oorlog die in Openbaring 19 wordt genoemd. Leest u maar mee: “En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zat, werd getrouw en waarachtig genoemd. En Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid”[2].

In Openbaring 19 gebeurt iets magnifieks: de deur van de hemel staat wijd open. En kijk, er komt een wit paard aan. Wit is de kleur van het licht, en van de hemel. Het paard is het rijdier van een koning. Of van een keizer. Of van een generaal, dan wel een andere hoge militair.
Eerder in dit Bijbelboek, in Openbaring 6, was ook een wit paard te zien.
Hier is alweer een wit paard. Het is nu wel duidelijk dat Christus rechter is, en dat Hij de eindoverwinning behalen zal. In Openbaring 6 was er een hele serie paarden met vier verschillende kleuren. Hier is maar één paard te zien. De Man die op het paard gezeten is steekt blijkbaar boven alles en iedereen uit.
Gods beloften worden vervuld!
In Openbaring 19 wordt werkelijkheid waar Jesaja in hoofdstuk 11 al van profeteerde: “Zijn ruiken zal zijn in de vreze des Heeren. Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen. Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen. Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden. Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn, en de waarheid de gordel om Zijn middel”[3].

Het staat er echt: “Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen”. President Poetin kan prachtige verhalen afsteken. Over het herschrijven van de historie, bijvoorbeeld. President Zelensky van Oekraïne kan voor het oog van vele volken via de televisie en andere beeldverbindingen allerlei betogen houden om de vertellingen van Poetin te ontkrachten.
Dat alles heeft de Persoon op dat witte paard niet nodig.
Hij weet precies hoe de zaken zitten.
Hij weet alles over agressors en verdedigers
Alles over defensie en materieel is Hem genoegzaam bekend.
Hij is, zo zegt Openbaring 3, “de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige”.
Wij kunnen dus zeker van wezen: Zijn oordeel is op alle punten voluit Christelijk![4]

Over een dag of zes zal het Hemelvaartsdag zijn. Voor sommigen lijkt dat een christelijke feestdag waar zij een beetje verlegen mee zijn. Wat vieren we nu eigenlijk? Antwoord: wij vieren Zijn troonsbestijging. En als wij dat vieren behoren wij meteen te beseffen dat Hij, terwijl Hij op Zijn troon zit, niet maar wat zit uit te rusten. Het tegendeel is waar! Hij bereidt, om zo te zeggen, de laatste afrekening voor. Het is ook in de hemel duidelijk: de laatste triomf komt er aan.

Laten wij vandaag – met het zicht op de conflicten en oorlogen om ons heen – vooral blijven belijden: onze God is de Geloof-waardige, de Betrouwbare![5]

Noten:
[1] Ik citeer uit: “Telkens terug naar de Bijbel” – vraaggesprek met dominee D.M. Vinogradsky. In: RDMagazine, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 14 mei 2022, p. 7-13 [rubriek: Het gesprek].
[2] Openbaring 19:11.
[3] In deze alinea citeer ik Jesaja 11:3-5.
[4] In deze alinea citeer ik woorden uit Openbaring 3:14.
[5] In dit artikel maak ik gebruik van:  Dr. H.R. van de Kamp, “Openbaring – Profetie vanaf Patmos”. – Kampen: Kok, © 2000. – p. 429.

7 april 2022

Climax in Verbondsverkeer

Het eindgericht is een gebeurtenis die ons troosten kan. Niet zelden zijn we er, diep in ons hart, een beetje bang voor. Zouden we er wel dóórkomen?
Maar er is hoop.
Dat wordt – bijvoorbeeld – duidelijk in Jesaja 66.
Het gaat daar over het laatste oordeel. Maar ook over de tijd daarvóór.
Het gaat onder meer over Israëlieten die terug zullen keren uit de ballingschap.
De beelden lopen wat door elkaar.
De tijd waarin deze profetie gesproken werd moet voor Jesaja en zijn luisteraars nogal verwarrend zijn geweest. Gereformeerden van 2022 roepen weleens dat ze in moeilijke tijden leven. Dat moge zo zijn, maar in Jesaja’s tijd was het allemaal óók niet gemakkelijk.
Hoe dat zij – laten we het goed voor ogen hebben: Jesaja geeft troostrijke woorden van de Here door.
En het wordt volstrekt helder: de Verbondsgod kijkt dwars door de tijd heen. Ja, Zijn blik gaat over tijdperken heen.

Welnu – als de Here dwars door de tijd heen kijkt, dan ziet Hij ons nu ook. En ook vandaag wil Hij dichtbij ons zijn.
Hij wil in ons hart wonen.
En wij mogen in het gebed tot Hem naderen.
Tot Hem naderen: dat is een wat ouderwetse, een wat statige uitdrukking. Maar het gaat dan ook om de heilige God.

Tot Hem naderen: dat doen wij in ons gebed. We zonderen ons van de wereld af en concentreren ons op Hem.
In onze eeuw is men in staat om zelfs over dat gebéd nog ruzie te maken.
Ooit – het was ergens in 2006 – kwam in het nieuws: “In de gemeenteraad van Dirksland is een rel ontstaan over het ambtsgebed. Het nieuwe PvdA-raadslid Henk Huber weigert deel te nemen aan het gebed, dat de burgemeester voor en na elke raadsvergadering uitspreekt. Als het aan Huber ligt, belandt die traditie nog vandaag in de prullenbak. Partijen als SGP en ChristenUnie in de Flakkeese gemeente zijn boos en verwijten de PvdA’er ‘onbeschoft en disrespectvol’ gedrag”.
In een dergelijke situatie is het maar beter niet in het openbaar te bidden.
Want wie in het gebed tot Hem naderen wil, moet dat vooral eerbiedig doen. Iedereen mag bij de Here komen. Maar als dat gaat geschieden in een sfeer van ‘ze bidden hier, en ik ben er toevallig ook bij’ – dan is er weinig begrip van de ‘entourage’ van een gebed.
Wat is die ‘entourage’? Bidden staat gelijk aan het betreden van de troonzaal. We komen binnen in de ruimte waar de Koning zetelt. Daar horen geen lange gezichten bij. Daar is tegenzin misplaatst, en narrig gedrag uit den boze. Dat komt – letterlijk! – bij de duivel vandaan.

Wij moeten Hem, zoals dat in de Heidelbergse Catechismus heet, “van harte aanroepen”.
En als we gaan bidden, kan dat niet anders dan in het besef dat wij kleine en onmachtige mensen zijn die alles van God moeten krijgen. Van onszelf maken wij er helemaal niets van.
Als we met zo’n houding bidden, dan wordt ons gebed verhoord[1].

Waarom weten we dat zo zeker?
Omdat we dat in de Bijbel lezen.
Denkt u maar eens aan Daniël.
Hij kwam niet bij God omdat hij zo’n nette en integere functionaris was. Hij kwam bij Hem omdat Hij een instrument was in Gods hand.
Daniël naderde tot God met een beroep op Zijn barmhartigheid. Leest u maar mee: “Nu dan, onze God, luister naar het gebed van Uw dienaar en naar zijn smeekbeden. Doe, omwille van de Heere, Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is. Neig Uw oor, mijn God, en hoor! Open Uw ogen om onze verwoestingen en de stad te zien waarover Uw Naam is uitgeroepen, want wij werpen onze smeekbeden niet voor U neer op grond van onze gerechtigheden, maar op grond van Uw grote barmhartigheid. Heere, luister. Heere, vergeef. Heere, sla er acht op en doe het, wacht niet langer – omwille van Uzelf, mijn God. Over Uw stad en over Uw volk is immers Uw Naam uitgeroepen”.

Als wij bidden doen wij een beroep op Gods genade.
Dat hebben we niet zelf georganiseerd.
Nee, het is het gevolg van Gods keuze.
Het is een gevolg van de uitverkiezing: het feit dat we uitgekozen zijn om een Goddelijke opdracht uit te voeren, een dienstorder van hemels niveau.
En voor al die geloofsactiviteit krijgen wij alles wat we nodig hebben[2].

Laten wij elkaar in dit verband wijzen op Johannes 15: “Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u ertoe bestemd dat u zou heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht zou blijven, opdat wat u ook maar van de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft. Dit gebied Ik u: dat u elkaar liefhebt”. De dingen die we krijgen staan op naam van de Christus. Want Hij heeft ze voor ons betaald. Hij heeft ze, om zo te zeggen, voor ons klaar laten leggen[3].

Maar hebben wij dan zelf niets in te brengen? Hélemaal niets??
Jawel. Toch wel.
De geloofsactiviteiten die we ontplooien zijn geen uitvloeisels van een zakelijke overeenkomst. We werken in liefde.
We hebben, als het goed is, de Here lief. Ons hele leven lang. En Jezus is duidelijk: “Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb ook Ik u liefgehad; blijf in Mijn liefde. Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht genomen heb en in Zijn liefde blijf. Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u zal blijven en uw blijdschap volkomen zal worden”.
En: “Dit is Mijn gebod: dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb”.
Dat is ook Johannes 15!
Bidden: dat doen we ten principale omdat we uitgekozen zijn. En gaandeweg gaat ons bidden met meer Geestdrift gepaard – met een hoofdletter G. Want Gods Geest werkt in ons hart. Bidden – dat zit zogezegd in Gods keuzeprincipe. Het zit ‘m in de uitverkiezing![4].

Nu we dat weer even hebben ‘opgefrist’, weten we ook weer dat Gods kinderen niet bang hoeven te zijn voor het eindgericht. Zij zijn immers door God uitgekozen?
Wij beseffen ook dat wij, als we gaan bidden, dat niet overal en nergens moeten gaan doen. Bidden: dat doen we niet waar Jan Rap en zijn maat bij zit.
Bidden: dat zijn de hoogtepunten in het contact tussen de tronende God en Zijn uitverkoren volk.
Bidden: dat is het culminatiepunt van het Verbondsverkeer![5]

Noten:
[1] In deze alinea gebruik ik uit de Heidelbergse Catechismus: Zondag 45, antwoord 117.
[2] In deze alinea gebruik ik Daniël 9:17-19.
[3] In deze alinea citeer ik Johannes 15:16,17.
[4] In deze alinea gebruik ik Johannes 15:9-12.
[5] Dit artikel is een bewerking van een artikel dat ik zo’n 16 jaar geleden schreef. Het artikel is gedateerd op donderdag 18 mei 2006.

4 april 2022

Luister naar de Wijsheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Vandaag worden hier enkele opmerkingen gepubliceerd naar aanleiding van Spreuken 1:
“Zij hebben Mijn raad niet gewild,
al Mijn bestraffingen hebben zij verworpen.
Zij zullen van de vruchten van hun weg eten,
en verzadigd worden van hun eigen opvattingen,
want de afvalligheid van de onverstandigen zal hen doden
en de zorgeloze rust van de dwazen zal hen ombrengen.
Maar wie naar Mij luistert, zal veilig wonen,
hij zal vrij zijn van angst voor het kwaad”[1].

De Here is de Wijsheid. Hij heeft Zijn volk geroepen. Er was echter niemand die naar dat Goddelijk geroep luisterde, zo maakt de Spreukenleraar duidelijk. En dat terwijl Geestelijke wijsheid zo hard nodig was.
Dat is vandaag niet anders: de tussenkomst van de Heilige Geest is ook vandaag noodzakelijk.
En dus moet er om gebeden worden.
Gods kinderen kunnen hun Heer ook vragen om wijsheid aan de gelovigen om hen heen te geven. Paulus bidt bijvoorbeeld om wijsheid voor de christenen in Efeze “opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, u de Geest van wijsheid en van openbaring geeft in het kennen van Hem”[2].

Gods straf is, zegt de Spreukenleraar, op grote schaal genegeerd.
Dat herkennen wij vandaag ook wel.
Weinigen zijn er die zich afvragen of COVID-19 en aanverwante virussen, en daaropvolgend de oorlogszuchtige activiteiten van de Russische president Poetin wellicht een signaal van God zijn. Zeventig procent van de mensen in Nederland zijn óf agnost óf atheïst, zeggen deskundigen. Al dezulken zeggen nooit: achter al die actuele ellende van onze tijd moeten wij God zien. Welnu, in de kerk moet dat anders wezen. Laten wij bedenken dat God actief is. Hij staat niet aan de zijlijn.
Hij laat gerichten over de wereld gaan. Hij laat burgers in allerlei werelddelen opschrikken: wat gebeurt er nu toch??
In de kerk moet het duidelijk zijn: de Here straft!
Heel veel mensen slingeren veel opvattingen de wereld in. Zij praten, als het een beetje wil, mee over vele zaken. Al die mensen worden wel eens moe van al die meningen. O, als het toch ês een poosje stil was… Maar juist die kakofonie van geluid is een sein van God: ‘Als de mensen niet naar Mij willen luisteren, dan moeten zij het zelf maar uitzoeken’.
Gods straf gaat over de wereld.
Ook in 2022.
Waar zien we in onze tijd straf van God, en wat is werk van de duivel? Dat kan niemand precies zeggen. Maar dat God straft, is zeker!
Als het hier om gaat, zeggen wij met de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven dat deze goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, ze niet aan zichzelf heeft overgelaten, of aan het toeval of het lot heef prijsgegeven, maar ze overeenkomstig zijn heilige wil zo leidt en regeert, dat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking. Toch is God niet de bewerker van de zonde die gedaan wordt, en evenmin draagt Hij er de schuld van. Want zijn macht en goedheid zijn zó groot en gaan ons begrip zó te boven, dat Hij zijn werk zeer goed en rechtvaardig beschikt en doet, ook al handelen de duivelen en goddelozen onrechtvaardig. En al wat in zijn doen het menselijk verstand te boven gaat, willen wij niet nieuwsgierig onderzoeken, verder dan ons begrip reikt”[3].

Een uitlegger schrijft over die zorgeloze rust van Spreuken 1: “De liefde van de dwazen voor hun zorgeloze rust is als een wiegend bootje dat op de rivier drijft en waarin ze liggen te slapen. Zonder dat ze er erg in hebben, drijft het bootje langzaam maar zeker naar de waterval waar het naar beneden stort en te pletter slaat. De rust die zij omarmen, is de rust van de dood. De eigenzinnigheid en zelfgenoegzaamheid van deze mensen zal hen doden en ombrengen”.
Zijn dat mensen die mijlen ver van de kerk af staan?
Nee, het betreft ook gelovigen die, om zo te zeggen, op de automatische piloot leven. Zeker – zij geloven wel in God. Maar zij maken zich niet al te druk. Het komt, menen zij, wel goed als op de golven van de tijd meedeinen…  
Een dergelijke situatie brengt ons bij Lucas 8. In dat Schriftgedeelte lezen we de gelijkenis van de zaaier. Jezus legt die onder meer als volgt uit: “Dit is de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God. Zij bij wie langs de weg gezaaid wordt, zijn zij die het horen; maar daarna komt de duivel en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet geloven en zalig worden. Zij bij wie op de rots gezaaid wordt, zijn zij die het Woord met vreugde ontvangen, wanneer zij het gehoord hebben. Maar dezen, die maar voor een bepaalde tijd geloven, hebben geen wortel, en in een tijd van verzoeking worden zij afvallig. En bij wie het zaad in de dorens valt, dat zijn zij die het hebben gehoord, maar die gaandeweg door de zorgen en rijkdom en genietingen van het leven verstikt worden en geen vrucht dragen”.
Wat betekent dat alles? Onder meer dit:
1. de duivel is aan het werk; hij zorgt ervoor dat mensen ongelovig worden
2. er zijn gelovigen die God, geloof en kerk loslaten als er moeilijkheden en tegenspoed in hun leven komen
3. er zijn kerkgangers die zó op gaan in hun bezit, en in ‘het grote genieten’ dat God, geloof en kerk een beetje aan de kant worden geschoven. In eerste instantie wellicht ongewild, maar toch…[4]

Mensen die God op Zijn Woord geloven zijn vrij van angst voor het kwaad. Niet dat het kwaad de wereld uit is, dat niet. Maar de angst daarvoor is wel weg.
Zulke mensen luisteren graag naar Zijn Woord en wet. Niet dat zij daarmee een antwoord hebben op alle vraagtekens die in het leven langskomen, dat niet. Maar zij zingen of neuriën mee met Psalm 4:
“Ik hoor hoe velen angstig vragen:
Wie zal het goede ons doen zien?
Wil, Here, ons uw licht doen dagen,
toon ons uw god’lijk welbehagen,
opdat ik met mijn volk u dien.
Dat zal mij groter vreugde geven
dan overvloed van tarw’ en wijn.
Ter ruste kan ik mij begeven,
in vrede slapen, want mijn leven
zal, Heer, bij U geborgen zijn”[5].

Noten:
[1] Spreuken 1:30-33.
[2] In deze alinea citeer ik Efeziërs 1:17.
[3] In deze alinea citeer ik enkele woorden uit artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
[4] In deze alinea citeer ik uit https://www.oudesporen.nl/Download/OS2267.pdf , p. 53; geraadpleegd op maandag 28 maart 2022. Uit Gods Woord citeer ik Lucas 8:11-14.
[5] Dit artikel eindigt met Psalm 4:3 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.

14 maart 2022

Gods grote daden

‘Hoe ziet u de grote daden van de Here in uw leven?’. Dat vroeg een ouderling tijdens een huisbezoek, begin maart 2022.
Die ouderling had 1 Thessalonicenzen 5 gelezen: “Want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, samen met Hem zouden leven. Bemoedig elkaar daarom, en bouw de één de ander op, zoals u trouwens al doet”. De ouderling stelde die vraag van hierboven dus opdat het gemeentelid en de ouderlingen elkaar op zouden bouwen.
Geachte lezer, stel u gerust: de ouderlingen waren van harte welkom.
De pastorant – dat is degene die huisbezoek ontvangt – begon echter een beetje te sputteren. Hij had meteen diverse vragen.
De grote daden van de Here – zijn dat niet wat al te grote woorden voor een tamelijk gewoon mensenleven? Volken zijn, zegt Jesaja 40, als druppels aan een emmer. Volken zijn, zegt Jesaja 40 ook, als een stofje op de weegschaal. Wat stelt één mensenleven dan nog voor?
De grote daden van de Here – zijn des Heren daden die wij heel groot vinden, in Gods ogen misschien heel klein?
De grote daden van de Here – is dat niet een cliché?
De grote daden van de Here – zijn dat niet zes woorden die, op de keper beschouwd, langzaam aan betekenis inboeten?
De grote daden van de Here – wat bedoelen wij daar eigenlijk mee?[1]

Wij worden geattendeerd op de kerkgeschiedenis
Als wij over Gods daden spreken, resoneert de kerkgeschiedenis mee. Dat is een lange geschiedenis. Laten wij elkaar wijzen op Deuteronomium 4: “Of heeft God ooit getracht om voor Zich een volk uit het midden van een ander volk weg te halen, met beproevingen, met tekenen, met wonderen en met strijd, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met grote ontzagwekkende daden, zoals de Heere, uw God, dat alles met u in Egypte voor uw ogen gedaan heeft? Aan ú is dat getoond, opdat u zou weten dat de Heere God is, niemand anders dan Hij alleen!”. De eerste hoofdstukken van het Bijbelboek Deuteronomium belichten de activiteit van de Here voor en met Israël sinds de uittocht uit Egypte, in een periode van zo’n vier decennia. In dat licht wordt dan ook de bevrijding van Gods volk zichtbaar.
Als tijdens een huisbezoek gevraagd wordt ‘Hoe ziet u de grote daden van de Here in uw leven?’ betekent dat ten diepste: beseft u dat u deel uitmaakt van Gods volk?[2]

Wij worden erbij bepaald dat wij aan Goddelijke veroordeling ontkomen zijn
Als wij over Gods daden spreken, memoreren we impliciet ook dat we aan Gods veroordeling ontkomen. Dat zien we in Jesaja 63. In dat hoofdstuk spreekt God Zelf. Hij heeft zojuist een vonnis uitgevoerd. Hij heeft Zijn vijanden om het leven gebracht. Hij heeft wraak genomen!
Maar daarna klinkt het in Jesaja 63: “Ik zal de goedertierenheid van de Heere in herinnering roepen, de loffelijke daden van de Heere, naar alles wat de Heere voor ons heeft gedaan, de grote goedheid voor het huis van Israël, die Hij hun bewezen heeft naar Zijn barmhartigheid en naar de veelheid van Zijn goedertierenheid. Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen die niet zullen liegen! Zo werd Hij hun tot een Heiland”.
Als wij met elkaar spreken over de grote daden van de Here in ons leven betekent dat ook dat wij ons bewust zijn van onze uitverkiezing. Wij ontkomen aan Zijn veroordeling. Wij zijn bevrijd![3]

Wij beseffen dat God ons vernieuwt
Gods grote daden en de gevolgen daarvan worden ook beschreven in de Dordtse Leerregels. Dat kunnen we zien in hoofdstuk III/IV.
Er vindt in ons leven, om zo te zeggen, een onzichtbare operatie plaats.
De Heiland grijpt Hoogstpersoonlijk in.
En als Hij Zijn ontembare energie inzet, dan gebeurt er wat!
Hij legt ons leven op koers. Hij houdt ons op het rechte pad, richting de eeuwigheid.
Hij zorgt er uiteindelijk voor dat de duivel machteloos moet toekijken hoe Jezus Christus de Zijnen redt.
De reden van die redding is dat wij vervolgens alle gelegenheid hebben om aan de mensen in onze omgeving te vertellen dat het, op z’n zachtst gezegd, hoogst merkwaardig is dat wij een fantastisch eeuwig leven hebben. Ons leven wordt volmaakt. En nergens, helemaal nergens, staat een bordje met de tekst: ‘Einde. Afgelopen’. Dat is buitengewoon en zeer bijzonder!
Christus kiest de Zijnen uit. In 1618/1619 formuleerden geleerde theologen het in Dordrecht als volgt: “Hij roept Hij hen in dit leven met kracht, schenkt hun geloof en bekering, verlost hen uit de macht van de duisternis en brengt hen over in het rijk van zijn Zoon. God doet dit alles, opdat zij de grote daden zouden verkondigen van Hem die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Here zouden roemen, zoals de geschriften van de apostelen op tal van plaatsen getuigen. Wanneer God dit welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en in hen de ware bekering tot stand brengt, laat Hij hun niet alleen het evangelie door middel van de prediking horen en hun verstand door de Heilige Geest zo sterk verlichten, dat zij goed begrijpen en onderscheiden wat Gods Geest hun wil leren. Maar Hij dringt ook door tot in het diepst van de mens met de krachtige werking van diezelfde Geest, die wedergeboorte werkt; Hij opent het gesloten hart, Hij maakt het harde zacht, Hij besnijdt het onbesnedene, Hij vernieuwt de wil: van dood maakt Hij hem levend, van slecht goed, van onwillig gewillig, van weerbarstig gehoorzaam. Hij brengt de wil zover en geeft deze zoveel kracht, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen”[4].

Wij zijn toe aan de laatste alinea van dit artikel.
Wat kunnen we antwoorden als tijdens een huisbezoek gevraagd wordt ‘Hoe ziet u de grote daden van de Here in uw leven?’.
Het lijkt een mooie binnenkomer. Alleen maar: van die grote daden zien wij nu heel veel niet. Nog niet. Want de Heilige Geest doet Zijn werk in alle stilte. Dat is trouwens geen nieuws. In Johannes 3 staat het al: “De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is”.
Daarom is die vraag ‘Hoe ziet u de grote daden van de Here in uw leven?’ wat schrijver dezes betreft niet het meest geschikte startpunt van een geloofsgesprek.
Beter zou wellicht zijn: ‘Hoe leeft u doordeweeks met God?’. Dat voorkomt in ieder geval dat pastoranten zich van harte uitgenodigd voelen een clichéantwoord te geven[5].

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik achtereenvolgens 1 Thessalonicenzen 5:9,10 en 11 en Jesaja 40:15.
[2] In deze alinea citeer ik Deuteronomium 4:34,35.
[3] In deze alinea citeer ik Jesaja 63:7,8.
[4] In deze alinea citeer ik uit hoofdstuk III/IV van de Dordtse Leerregels: een deel van artikel 10 en artikel 11.
[5] In deze alinea citeer ik Johannes 3:8.

28 december 2021

Het loopt nog net goed af

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Waar luistert u naar de preek? In de regel doet u dat in de kerk. Toegegeven – in een periode van lockdown doet u dat wellicht ook vaak online. Maar in normale omstandigheden gaan wij toch zoveel mogelijk naar het huis des Heren.

In Jeremia 26 preekt Jeremia ook in de kerk. In de tempel, om meer precies te zijn.
En zijn preek is heel zuiver. De profeet geeft nauwgezet door wat de Here zegt.
Wat zijn de Here? Hij zegt: ‘U wilt niet naar Mijn Woord luisteren. Daarom zult u net zo eindigen als Silo’.
Dat voorspelt weinig goeds. Dat blijkt uit 1 Samuël 4. Daar vertrekt de Here uit Silo. Silo wordt een droefgeestig slagveld. Er blijven slechts puinhopen over. Israël, het volk van God, zijn de verliezers. Er sterven niet weinigen. Het volk krijgt een dreun waarvan de nagalm nog lang te horen is.
En nu is de boodschap dus: in het vervolg klinkt hier in de tempel het Woord van God niet meer. Oftewel: de tempel wordt een religieus centrum waar nog heel wat nep-activiteiten plaatsvinden. De tempel lijkt een Godshuis, maar niets is minder waar![1] 

Het is te begrijpen: de luisteraars zijn helemaal niet over de preek te spreken.
Sterker nog: zijn luisteraars zijn de profeet zat.
Weg met die man!
Pak die kerel aan!
Haal hem van de preekstoel af!
Maak een einde aan zijn leven!
In Jeremia 26 klinkt dat zo: “Het gebeurde zodra Jeremia geëindigd had uit te spreken alles wat de Heere geboden had tot heel het volk te spreken, dat de priesters, de profeten en heel het volk hem grepen en zeiden: U zult zeker sterven! Waarom hebt u in de Naam van de Heere geprofeteerd: Dit huis zal worden als Silo en deze stad zal verwoest worden, zodat er geen inwoner meer is? En heel het volk liep te hoop tegen Jeremia in het huis van de Heere. Toen nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, kwamen zij uit het huis van de koning naar het huis van de Heere, en gingen bij de ingang van de nieuwe poort van het huis van de Heere, zitten. Toen zeiden de priesters en de profeten tegen de vorsten en tegen heel het volk: Deze man heeft de doodstraf verdiend, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals u met eigen oren gehoord hebt”[2].

‘Luister nou!’, zegt Jeremia, ‘ga weer recht doen. Ga weer naar Gods wet leven. Daar wordt uw leven echt veel beter van. En de Here is bereid om de strafaankondiging om te keren en er een genade-proclamatie van te maken… En ik? Doe maar met met u wat u wilt. Maar denk er wel aan: als u mij om het leven brengt, vergiet u het bloed van iemand die totaal onschuldig is!’.
In Jeremia 26 staat het zo: “Maar Jeremia zei tegen al de vorsten en tegen heel het volk: De Heere heeft mij gezonden om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren alle woorden die u gehoord hebt. Nu dan, maak uw wegen en uw daden goed en luister naar de stem van de HEERE, uw God. Dan zal het de HEERE berouwen over het kwaad dat Hij over u uitgesproken heeft. Ik echter, zie, ik ben in uw hand. Doe met mij zoals goed en recht is in uw ogen. Alleen moet u goed weten: als u mij doodt, brengt u onschuldig bloed over uzelf, over deze stad en over de inwoners ervan, want in waarheid, de HEERE heeft mij naar u toe gezonden om al deze woorden ten aanhoren van u uit te spreken”[3].

Het loopt met Jeremia nog net goed af. Zijn taak op deze aarde is nog niet gereed.
Maar de geschiedenis doet sterk denken aan die van Stefanus. In Handelingen 7 moet hij de Evangelieverkondiging met de dood bekopen.
Dit deel van Jeremia’s belevenissen brengt ons natuurlijk ook bij Jezus Christus, hangend aan het kruis. Met Stefanus en met Jezus Christus liep het – horizontaal bekeken – niet zo goed af. Echter: wie nauwkeuriger toekijkt, begrijpt dat het wel goed afloopt.
Met Stefanus – want hij komt in de hemel; zijn toekomstige woonplaats gaat al voor Hem open als hij nog leeft.
Met Jezus Christus – want Hij voltooit Zijn verlossingswerk; Hij opent de weg naar de hemel voor vele, vele broeders en zusters![4]

Onze taak op deze aarde is ook nog niet af. Laten wij Gods Woord daarom maar zorgvuldig lezen. Laten wij maar luisteren naar datgene dat God in Zijn Woord tegen ons zegt. Niet maar voor de vorm. Niet maar omdat alles er voor de buitenwereld dan zo netjes uitziet. Maar omdat wij weten dat het met ons goed afloopt, dankzij het verlossingswerk van Jezus Christus. En dat is buitengewoon wonderlijk. Want als wij handelen zoals wij van nature zijn, blijken wij net zo te reageren als die luisteraars in Jeremia 26.
Maar met ons loopt het goed af. Laten wij daarom maar dankbaar verder leven, wetend dat wij onderweg zijn naar een prachtige toekomst!

Noten:
[1] In deze alinea refereer ik aan 1 Samuël 4:1-11.
[2] Jeremia 26:8-11.
[3] Jeremia 26:12-15.
[4] In deze alinea refereer ik aan Handelingen 7:54-60.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.