gereformeerd leven in nederland

20 juni 2019

Het Evangelie van de duurzaamheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

De apostel Paulus is, zo blijkt in Philippenzen 3, een keurig kerklid: “…besneden​ op de achtste dag, uit het geslacht van Israël, van de ​stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, wat de wet betreft een ​Farizeeër…”[1].
Kortom, een onberispelijk en onkreukbaar man.
Maar Paulus schrijft erbij: “Maar wat voor mij winst was, dat heb ik om ​Christus’ wil als schade beschouwd. Ja, beslist, ik beschouw ook alles als schade vanwege de voortreffelijkheid van de kennis van ​Christus​ ​Jezus, mijn Heere, om Wie ik dat alles als schade ervaren heb. En ik beschouw het als vuiligheid, opdat ik ​Christus​ mag winnen…”[2].

Met andere woorden: Paulus is gaan begrijpen dat al die ijver niet op een Lijstje van Successen komen te staan.
Want in de kerk is afkomst geen pré.
In de kerk geldt ijver niet als verdienste.
Jezus Christus kennen en in Hem geloven – dat is een pluspunt.

Velen hebben vandaag de dag de mond vol over duurzaamheid.
Men spreekt over kringlooplandbouw. “Eten is zó laaggeprijsd dat het milieu te zwaar wordt belast, voedsel wordt verspild en boeren te weinig verdienen. Consumenten en supermarkten moeten daarom de portemonnee trekken voor een metamorfose van de Nederlandse landbouw”, stelt minister Schouten in het Algemeen Dagblad. En: “De laatste decennia was het adagium dat we voldoende voedsel moesten produceren om alle monden te voeden. Mijn nieuwe adagium is dat we voedsel produceren met een zo klein mogelijke belasting voor de leefomgeving. Dus met zo min mogelijk nadelen voor natuur, milieu en klimaat”[3].
Dat is mooi bedacht. Alleen maar – verantwoord voedsel is goed voor een bestaan op deze aarde. Een echt duurzaam bestaan krijgen wij pas in de hemel.
Voor Gods kinderen is het aardse leven slechts een voorspel; in de hemel gaan we verder met het leven – blijmoedig en beter! Kinderen van God kijken dus verder dan natuur, milieu en klimaat.

In deze tijd zou Paulus wellicht schrijven: besneden​ op de achtste dag, uit het geslacht van Israël, van de ​stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, wat de wet betreft een ​Farizeeër – dat alles is niet duurzaam.

Is die kringlooplandbouw daarmee gedegradeerd tot leuke larie?
Welnee.
Die kringlooplandbouw is wellicht een prima idee. Maar laat niemand denken dat men daarmee de aarde waarop wij wonen redden kan. Laat ook niemand denken dat hij of zij met allerlei creatieve duurzaamheidsideeën zichzelf redden kan.
Dat is namelijk niet zo.
Je kunt je druk maken over het nut van tiny houses, over de rampzaligheid van plastic soep in de oceanen, over zonnepanelen en windparken – en vaak is dat heel goed.
Maar met al die duurzaamheidsijver probeert meestal koortsachtig een antwoord te geven op de vraag: hoe redden wij de aarde?
Die vraag heeft een droevig stemmend antwoord: mensen kunnen de aarde niet redden.

Maar er is meer. Gelukkig maar!
De dichter van Psalm 102 noteert:
“U hebt voorheen de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van Uw handen.
Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;
zij alle zullen verslijten als een kleed.
U zult ze verwisselen als een gewaad
en zij zullen verdwijnen.
Maar U blijft Dezelfde,
aan Uw jaren zal geen einde komen”[4].
Alleen daarom al kan Paulus in Philippenzen 3 inzetten met: “Verder, mijn broeders, verblijd u in de Heere”[5].

Men kan een keurig kerklid wezen en uitermate milieubewust leven. Maar wie denkt dat hij of zij de aarde redden moet, begaat een vergissing. Vergeet dat maar gauw. Want zulke gedachten beschadigen u alleen maar. Ze bezorgen u namelijk een deuk in uw Godsvertrouwen. Ze geven u het idee dat u zelfredzaam bent.

Duurzaamheid is een groot goed.
Een begrip als rentmeesterschap mag niet in de vergetelheid geraken.
Maar Paulus schrijft niet: verblijdt u in de duurzaamheid.
Want de winst die kringloopboeren moeten gaan maken, verbleekt bij de winst in Christus: “de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap met Zijn lijden, doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig word, om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden”[6].
Bij Paulus geldt:
* weg met de kringloop
* op naar een nieuw begin!
Dat adagium is anno Domini 2019 nog steeds niet ouderwets!

Noten:
[1] Philippenzen 3:5.
[2] Philippenzen 3:7 en 8.
[3] Geciteerd van https://www.ad.nl/politiek/minister-eten-is-te-goedkoop~acdb8aac/ ; geraadpleegd op maandag 17 juni 2019.
[4] Psalm 102:26, 27 en 28.
[5] Philippenzen 3:1.
[6] Philippenzen 3:10 b en 11.

16 april 2019

De paasboodschap van Psalm 126

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Volgelingen van Christus moeten keuzes maken[1]. Hun hele leven lang. Kiezen is niet makkelijk. Al was het alleen al vanwege de kerkelijke situatie in Nederland. De versnippering is groot. Als gewone burger heb je soms de neiging om te vragen: wie heeft er gelijk? En ook: waar moeten wij naar toe?

Als het om deze dingen gaat heeft Psalm 126 ons wel iets te zeggen.
Ik citeer:
“Een ​pelgrimslied.
Toen de HEERE de gevangenen van ​Sion​ terug deed keren,
waren wij als mensen die droomden.
Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.
Toen zei men onder de heidenvolken:
De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!
De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan,
daarom zijn wij verblijd”[2].

Opvallend in deze psalm is de mate waarin Israël afhankelijk blijkt te zijn van de Here.
We zien de passiviteit van Israël:
– De Here deed terugkeren;
– de mond werd vervuld met lachen
– de tong werd gestuurd bij het juichen.

In dit Geestelijk lied is de terugkeer uit ballingschap het vertrekpunt.
Mensen hebben hun eigen verantwoordelijkheid. Maar als het er op aankomt, is het de Verbondsgod die de zaak aan moet sturen. En dan gaan de mensen aan het werk.

Dat kon men zien. De mensen konden er niet blind voor blijven. De mensen moesten wel kijken. Of zij dat nu leuk vonden of niet.
Het viel zelfs de heidenen op. Uitgerekend de mensen die God niet volgen zeiden: moet je nou toch kijken wat daar gebeurt!

Psalm 126 spreekt ook in de tegenwoordige tijd.
Er zijn, als deze psalm geschreven wordt, grote problemen. Er gaat in het leven van alles verkeerd. Er moet een radicale koersverandering plaatsvinden. En de mensen weten het wel: de Here moet die koers verleggen. Dat kunnen wij niet zelf.

Er is een radicale koersverandering nodig:
“HEERE, breng een omkeer in onze gevangenschap,
zoals waterstromen in het zuiden”[3].
Het Zuiderland – dat is de Negev-woestijn. In de zomer is het er droog, dor en heet. Onherbergzaam land van het type: brandend zand en nergens water. Door de winterregens stromen de geulen echter vol. Bloemen en planten leven in een oogwenk op. Welnu, zo’n omkeer wordt in Israël vurig begeerd. Net als in een natuurfilm: alles is droog en dor en geel, en na een beste plensbui zie je alles groen worden. In zo’n film wordt dat natuurlijk wel eens versneld. En de dichter van Psalm 126 wenst klaarblijkelijk zulk versneld ingrijpen van God.

Vele Israëlieten hebben die wens ook in de mond genomen.
Psalm 126 is tenslotte een bedevaartslied: een lied dat men zong terwijl men onderweg was van of naar Jeruzalem.

Dat is voor ons allemaal verleden tijd.
Wat moeten wij er dan mee?

Herinneringen ophalen is lang niet altijd leuk.
Kijk alleen maar naar de kerkgeschiedenis. Daar wordt men niet blijer van: 1886, 1905, 1926, 1944, 1967, 2003, 2009…: ik hoef die jaartallen niet allemaal toe te lichten. Laat het genoeg zijn dat hier genoteerd staat dat al die jaartallen te maken hebben met conflicten om de waarheid.
Laten we wèl wezen – al dat geruzie: daar wil je toch liever niks mee te maken hebben? Dat stop je toch veel liever weg?

Maar waarom zingen we Psalm 126 dan nog?
Is dat niet ouderwets?
Is dat geen misplaatste psychologie waarmee voornamelijk pijnlijke herinneringen naar boven worden gehaald?
Toch niet.

Want Psalm 126 gaat ook over de toekomst:
“Wie met tranen ​zaaien,
zullen met gejuich maaien.
Wie het ​zaad​ draagt en dat ​zaait,
gaat al wenend zijn ​weg;
maar hij zal zeker terugkomen met gejuich,
en zijn ​schoven​ dragen”.

Dat zaaien gebeurt in treurnis. Maar hier is iets unieks aan de hand. De zaaier die hier doende is weet het zeker: wat ik hier aan het doen ben, garandeert een prima oogst. Echt: een geweldige oogst. Daar kan geen boer tegenop!

Waarom o waarom is die huilende zaaier nu eigenlijk zo blij?
Omdat hij zeker weet dat de toekomst in Gods handen ligt.
En dat laatste geldt zeker ook voor ons!

Alleen dáárom al mogen ook wij, als wij Psalm 126 zingen, nog wel iets verder kijken.
We weten het: ook de opstanding heeft alles met zaaien te maken.
Ik citeer een paar verzen uit 1 Corinthiërs 15.
“Maar, zal iemand zeggen, hoe worden de doden opgewekt en met wat voor lichaam komen zij terug? Dwaas, wat u ​zaait, wordt niet levend, als het niet gestorven is. En wat u ​zaait, daarvan ​zaait​ u niet het lichaam dat worden zal, maar een kale graankorrel, al naar het voorvalt, van tarwe of van een van de andere graansoorten.
God echter geeft daaraan een lichaam zoals Hij heeft gewild, en aan elk van de zaden zijn eigen lichaam. Alle vlees is niet hetzelfde vlees, want het vlees van mensen is verschillend, en het vlees van dieren is verschillend, en dat van vissen is verschillend, en dat van vogels is verschillend. En er zijn hemelse lichamen en er zijn aardse lichamen, maar de heerlijkheid van de hemelse is verschillend, en die van de aardse is verschillend. De glans van de zon is verschillend, en de glans van de maan is verschillend, en de glans van de sterren is verschillend, want de ene ster verschilt in glans van de andere ster. Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt ​gezaaid​ in vergankelijkheid, het wordt opgewekt in onvergankelijkheid. Het wordt ​gezaaid​ in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt ​gezaaid​ in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt ​gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt”[4].
De verschillen zijn enorm!
De variatie is ongekend!
Onvoorstelbaar – maar het wordt waar!

Hoe dat gaat, dat weten wij niet.
Maar we weten wel dat het gebeurt. En we weten dat de eerste opstanding inmiddels heeft plaatsgevonden. En er komen nog meer opstandingen. Nog veel meer.
Nog maar eens 1 Corinthiërs 15: “Maar nu, ​Christus​ ís ​opgewekt​ uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn. Want omdat de dood er is door een mens, is ook de opstanding van de doden er door een Mens. Want zoals allen in ​Adam​ sterven, zo zullen ook in ​Christus​ allen levend gemaakt worden”[5].

Die bedevaartgangers die Psalm 126 zongen, die wisten dat allemaal nog niet. In feite waren al die zangers, zonder dat zij het wisten, profeten.

Nu zingen wij Psalm 126.
En wij weten ook niet exact hoe dat in de toekomst allemaal precies gaat. En hoe het op de Jongste Dag wezen zal, dat weten we ook niet precies.
Het enige wat wij nu doen, dat is begraven. Wij zaaien een lichaam, in afwachting van die laatste Dag. Wij zingen Psalm 126.
En wij zijn profeten. Dat weten we. Mogen we hopen.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 11 april 2006.
[2] Psalm 126:1, 2 en 3.
[3] Psalm 126:4.
[4] 1 Corinthiërs 15:35-44 a.
[5] 1 Corinthiërs 15:20, 21 en 22.

11 januari 2019

Ontrukt aan de dood

Ze staan in dezelfde krant: een klasgenoot van de middelbare school en een bestuurder die schrijver dezes kent uit een bestuursfunctie in voorbije jaren. De eerste is overleden. De tweede blijkt aan uitgezaaide prostaatkanker te lijden; hij heeft nog slechts enkele jaren te leven[1].

De dood is soms dichtbij.
‘We gaan allemaal een keer’, zegt iemand. En dat is waar. Maar laten we vooral niet hopeloos gaan!

In dat kader is het goed om aandacht te vragen voor woorden uit 1 Thessalonicenzen 4: “Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben. Want als wij geloven dat ​Jezus​ gestorven en ​opgestaan​ is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in ​Jezus​ ontslapen zijn, terugbrengen met Hem”[2].

De eerste brief aan de christenen in het – nu Noord-Griekse – Thessalonica wordt door Paulus geschreven. Hij doet dat mede namens Silvanus en Timotheüs.
Silvanus, ook wel Silas geheten, heeft Paulus geassisteerd bij zijn evangelisatiewerk in Corinthe. Ook Timotheüs is een medewerker van Paulus[3].

In deze brief draait alles om de terugkomst van de Here Jezus Christus, onze Heiland.
Men kan de volgende indeling hanteren:
“De komst van de Heer is een inspirerende bemoediging voor pas bekeerde mensen.
De komst van de Heer is bemoedigend voor de trouwe dienstknechten van Christus.
De komst van de Heer heeft een reinigende uitwerking op de gelovigen.
De komst van de Heer is een troost voor hen die hun geliefden hebben verloren in de dood.
De komst van de Heer moet de gelovigen aanzetten waakzaam te zijn en niet te verslappen”[4].

Paulus timmert het er in Thessalonica als het ware in: als u gelooft dat Jezus Christus opgestaan is, zult u ook zelf uit de dood opstaan. Dat gebeurt namelijk met iedereen die in Jezus ontslapen is.
In Jezus sterven – dat betekent: er is een onverbrekelijke relatie met de Redder van het leven.
Die boodschap is niet in Thessalonica blijven steken. Nee, dat Evangelie is de wereld overgegaan. Dat Evangelie is er ook voor ons, wereldburgers van 2019!

Sommige mensen zijn ontroostbaar als zij een geliefde verliezen. En dat is ook heel goed voor te stellen. Want als je niet in God gelooft is de dood het einde. Een oneindig zwart. Het meest ongelukkige niets dat er bestaat. Hooguit denk je dat opa, oma, vader, moeder, oom of tante een sterretje is[5].

Voor de gelovige is het sterven een promotie. Paulus schrijft aan de christenen in Philippi: “Want het leven is voor mij ​Christus​ en het sterven is voor mij winst”[6].
De Heidelbergse Catechismus laat ons ook bijna jubelen: “Evenals ik nu al het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel, zal ik ook na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensenhart is opgekomen, en wel om God daarin eeuwig te prijzen”[7].
We voelen nu soms een beginnetje van de eeuwige vreugde. En we weten: er komt nog veel meer aan!

Gelovige kinderen van God moeten weten wat er na het aardse leven gebeurt, schrijft Paulus in 1 Thessalonicenzen 4.
U mag bij een sterfbed best verdrietig zijn. Maar houdt in dat verdriet vooral de hoop levend! Dat is geen hoop die onzekerheid inhoudt, zo van: het kan gebeuren, maar wellicht wordt het niks.
De bedoeling wordt duidelijker als wij Hebreeën 6 er bij nemen. Daar gaat het over de hoop als “als een ​anker​ voor de ziel, dat vast en onwrikbaar is en reikt tot in het binnenste heiligdom, achter het voorhangsel”[8]. De Hebreeënschrijver noteert vervolgens: “Daar is de Voorloper voor ons binnengegaan, namelijk ​Jezus, Die naar de ordening van Melchizedek ​Hogepriester​ geworden is tot in eeuwigheid”[9].
Jezus is de aanvoerder van een heel leger volgelingen.
Sterker – Jezus Christus heeft al die mensen gekocht, en hen tot Zijn kinderen aangenomen.
Die hoop – dat is hoop op de hemel.
Die hoop – dat is de vaste zekerheid dat de tweede etappe van ons leven stralend en majestueus zal wezen!

Onze Heiland komt terug.
En laten wij het nog maar eens tot ons door laten dringen: “Want als wij geloven dat ​Jezus​ gestorven en ​opgestaan​ is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in ​Jezus​ ontslapen zijn, terugbrengen met Hem”.
Ziet u wat daar staat?
Als de Here Jezus Christus terugkomt, komt Hij beslist niet alleen. Een uitlegger schrijft: “Want evenals Hij is opgestaan, zullen ook allen opstaan die in het geloof in Hem gestorven zijn. Samen met hen komt Hij terug.
Je vindt hier drie belangrijke geloofswaarheden:
1. Jezus stierf en is opgestaan
2. Dat moet je geloven, want anders ben je geen christen (….)
3. Hij komt terug en brengt dan allen mee die door Hem ontslapen zijn”[10].

De dood is, om zo te zeggen, overal om ons heen. Ongelukken, oorlogszucht, criminaliteit – niemand kan om de dood heen. En dan hebben wij nog niet over het sterven vanwege ouderdom gesproken.

‘We gaan allemaal een keer’.
Jazeker.
Maar voor Gereformeerde mensen is dat geen rampscenario.
Laten we het maar met Psalm 30 belijden:
“Mijn God, U hebt mij op mijn klacht
genezen en mijn leed verzacht.
U hebt mij aan de dood ontrukt,
‘k Ga onder smart niet meer gebukt.
U hebt het leven mij gegeven
en mij aan dood en graf ontheven”[11][12].

Noten:
[1] De overledene is Hendrik Jan van Dijken. Henk overlijdt op woensdag 26 december 2018. Zijn sterven wordt in het Nederlands Dagblad gemeld op zaterdag 29 december 2018 en nog eens op zaterdag 5 januari 2019. De tweede persoon is Martin Jan de Jong. Een portret van hem staat in ND7, bijlage bij het Nederlands Dagblad, zaterdag 5 januari 2019, p. 4 en 5. Het portret heeft als kop: ‘Voorbij de zonnetjes’.
[2] 1 Thessalonicenzen 4:13 en 14.
[3] Zie http://christipedia.nl/Artikelen/T/Thessalonicenzen_(eerste_brief) , http://christipedia.nl/Artikelen/S/Silvanus en http://christipedia.nl/Artikelen/T/Timotheus ; geraadpleegd op zaterdag 5 januari 2019.
[4] Mutatis mutandis is deze indeling geciteerd van http://christipedia.nl/Artikelen/T/Thessalonicenzen_(eerste_brief) ; geraadpleegd op zaterdag 5 januari 2019.
[5] Zie hierover mijn artikel ‘Sterretjes’, hier gepubliceerd op dinsdag 31 juli 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/07/31/sterretjes/ .
[6] Philippenzen 1:21.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 22, antwoord 58.
[8] Hebreeën 6:19.
[9] Hebreeën 6:20.
[10] Geciteerd van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1307.pdf , p. 81 en 82; geraadpleegd op zaterdag 5 januari 2019.
[11] Psalm 30:2 – berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[12] De titel van dit artikel is ontleend aan Psalm 30:2 en aan Psalm 49:5 – berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986. Ik citeer Psalm 49:5:
“Maar God zal mij ontrukken aan de dood,
Hij koopt mij los en redt mij uit die nood.
Hij is het die ten leven mij geleidt
en die mij opneemt in zijn heerlijkheid”.

12 juni 2018

Dwaal niet!

Zondag 41 van de Heidelbergse Catechismus gaat over heilig leven, “zowel in het heilig huwelijk als daarbuiten”[1].
In verband daarmee verbiedt de Here “alle onreine daden, gebaren, woorden, gedachten, begeerten en wat de mens daartoe verleiden kan”[2].

Wie is op dit gebied helemaal schoon? Rein? Volstrekt onberispelijk?
Niemand, denk ik.

Waarom is God daar eigenlijk zo streng op?
Omdat dit alles te maken heeft met de koers in ons leven.

Als het gaat over onreine daden, gebaren, woorden, gedachten, begeerten en wat de mens daartoe verleiden kan, wordt onder meer verwezen naar 1 Corinthiërs 15. Daar staat: “Dwaal niet: slecht gezelschap bederft goede zeden”[3].

Dwaal niet.
Die vermaning betekent in ieder geval dat we in ons leven een duidelijke richting moeten hebben. Waar gaat het naar toe met ons leven? Voor wie leven wij?
Gaan we eerlijk om met de mensen die het meest dichtbij ons staan?
Horen we, als het over ons huwelijk gaat, tot de categorie schuinsmarcheerders?
Geven we, als het over ons huwelijk gaat, duidelijk onze grenzen aan?
Geeft u, ook als u alleenstaand bent, een duidelijke afbakening – zover ga ik, en verder niet?

We leven in een maatschappij waarin het huwelijk niet zo heilig meer gevonden wordt. Als je elkaar, na verloop van vele jaren, niet zo interessant meer vindt… – nou, dan ga je toch elkaar? Dat gebeurt vaker. Zegt u nu zelf.
Maar de vraag is: worden onze zeden van zo’n scheiding nu zoveel beter? De grondregel moet blijven: “wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden”. Dat principe van Mattheüs 19 lijkt wel ouderwets geworden[4]. Maar als dat zo zou zijn, dan was heel Gods Woord een beetje uit de tijd. En dat is heus niet waar!

Trouwens, wie/Wie bepaalt eigenlijk wat goede zeden zijn?
En ja, daarna liggen de volgende vragen voor de hand: voor Wie leven wij? En: gaan we met onze problemen naar God, of willen wij het zo nodig zelf oplossen?

Wat is slecht gezelschap?
Dat zijn de mensen die hun normen aanpassen aan deze tijd. Omdat Gods Woord niet meer zo past op de algemeen aanvaarde stijl van de eenentwintigste eeuw.

Opnieuw noteer ik die vragen: Wie is op dit gebied helemaal schoon? Rein? Volstrekt onberispelijk?
En ik blijf het zeggen: niemand.

Hoe moet dat nu verder?
Moeten wij toch maar een beetje water bij de wijn doen?
Nee, dat is niet de oplossing.
Maar dat wil niet zeggen dat wij thans troosteloos voor ons uit moeten gaan zitten kijken.
Hieronder leg ik uit waarom.

Die oproep “dwaal niet: slecht gezelschap bederft goede zeden” staat in een hoofdstuk waarin de apostel Paulus een brede uiteenzetting geeft over nut en noodzaak van de opstanding van Jezus Christus.
Door Zijn lijden en opstanding heeft Jezus Christus voor onze zonden betaald.

In 1 Corinthiërs 15 legt Paulus uitgebreid uit wat dat voor ons betekent.

Opstanding uit de dood – dat is werkelijk ongelooflijk.
Er zijn dan ook massa’s mensen die niet geloven dat Christus’ opstanding echt gebeurd is.
Maar als je dat in twijfel trekt, komt heel de Boodschap van de Bijbel op losse schroeven te staan.

Paulus legt dat in acht stappen uit:
“a. …als er geen opstanding van de doden is, dan is ​Christus​ ook niet ​opgewekt.
b. En als ​Christus​ niet is ​opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.
c. En dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn. Wij hebben namelijk van God getuigd dat Hij ​Christus​ heeft opgewekt, terwijl Hij Die niet heeft opgewekt als inderdaad de doden niet opgewekt worden.
d. Immers, als de doden niet ​opgewekt​ worden, is ook ​Christus​ niet ​opgewekt.
e. En als ​Christus​ niet is ​opgewekt, is uw geloof zinloos; u bent dan nog in uw ​zonden.
f. Dan zijn ook zij die in ​Christus​ ontslapen zijn, verloren.
g. Als wij alleen voor dit leven op ​Christus​ onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen.
h. Maar nu, ​Christus​ ís ​opgewekt​ uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn”[5].

De Eersteling, inderdaad.
Want al Gods kinderen zullen uit de dood opstaan. Jazeker, zij hebben in hun aardse leven veel zonden gedaan. Het dienen van God ging gepaard met vallen en opstaan. Zij hebben tegen de zonde gestreden voor wat zij waard waren. En ze hebben dat gevecht vaak verloren.
En toch is dat geen reden tot wanhoop. Want de Redder van het leven heeft voor onze zonden betaald.
En dat geloof hebben Gods kinderen hun aardse leven lang beleden.
En daarom – vanwege de betaling door de trouwe Heiland – hebben Gods kinderen toch toegang tot de hemel. Zij mogen binnenkomen in de woonplaats van God!

Er komt een moment dat Jezus Christus, de Zoon van God, het koningschap overdraagt aan Zijn Vader.
God betekent dan alles.
Voor iedereen.
God heeft het te zeggen in heel de wereld. Bij alles en iedereen. Overal en altijd.

Dat is, in grote lijnen, het kader van die oproep: dwaal niet!
Oftewel: denk erom dat je goed op koers blijft in het leven.
Dat is niet alleen een kwestie van netjes en voorbeeldig leven. Nee, het is een kwestie van: op weg gaan naar de hemelse toekomst. Een toekomst die nooit ophoudt.

Een rein bestaan?
Een schoon leven?
Dat is de beste voorbereiding op een nieuw leven. Een eeuwig bestaan!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 41, antwoord 108.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 41, antwoord 109.
[3] 1 Corinthiërs 15:33.
[4] Ik citeer Mattheüs 19:6.
[5] 1 Corinthiërs 15:13-20.

31 maart 2016

De angst afgevlakt

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Angst is een slechte raadgever, zeggen de mensen[1]. We moeten ons vooral niet door angst laten regeren, adviseren koningen en ministers ons. Dat zeggen zij vooral vaak als terreur en geweld heel dichtbij komen.
Negen dagen geleden vonden in Brussel aanslagen plaats. In een paar uur tijd werd een complete maatschappij ontregeld[2].
Een psycholoog zei naar aanleiding van die gebeurtenissen in een krant: “Van 24 uur piekeren krijg je echt niet meer grip op de situatie”[3].

Hoe moeten wij met angst omgaan?

De dichter van Psalm 116 is ons tot voorbeeld.
Hij dicht:
“Ik heb geloofd, zelfs toen ik sprak:
Ik ben zeer verdrukt;
toen ik in mijn angst zeide:
Alle mensen zijn leugenachtig”[4].
De psalmist zegt, als hij in nood komt, niet: God redt mij niet, dus is Hij niet aanwezig. Hij zegt niet: als God zoveel ellende toe laat, wil ik niets meer met Hem te maken hebben. Nee, hij blijft standvastig geloven in de beloften van God.
Als wij in de krant, of via andere media, allerlei beelden langs zien komen waarop de trieste gevolgen van terreurdaden te zien zijn mogen we zeggen: het geloof in God neemt niemand mij af. Wij mogen bidden om kracht van Gods Geest, teneinde die belijdenis vast te houden.

Weet u dat Paulus deze Psalm gebruikt in de brief die in onze Bijbels is opgenomen als 2 Corinthiërs?
In hoofdstuk 4 schrijft hij over gevaar. Over omstandigheden waarin goede raad geen luxe is. Over vervolging. En over situaties waarin hij de onderliggende partij is. Maar in dat alles is één ding zeker: Paulus’ geloof in de opstandingskracht van Jezus Christus is ook in de kerk van Corinthe te vinden.
De apostel schrijft: “Maar nu wij dezelfde Geest des geloofs hebben, gelijk geschreven staat: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, geloven ook wij, en daarom spreken wij ook. Immers, wij weten, dat Hij, die de Here Jezus opgewekt heeft, ook ons met Jezus zal opwekken en met u vóór Zich stellen. Want het geschiedt alles om uwentwil, opdat de genade toeneme en door steeds meerderen overvloediger dank worde gebracht ter ere Gods”[5].
Paulus weet zeker dat zowel de kerkmensen uit Corinthe en hijzelf te Zijner tijd voor God zullen staan.
In dit leven zien de Corinthiërs en Paulus steeds weer blijken van Gods genade. Die genade heeft als einddoel dat heel veel gelovigen de Here God zullen eren.

En waar moeten die mensen dat doen? Antwoord: in de kerk.
In Psalm 116 noteert de dichter:
“Hoe zal ik de Here vergelden
al zijn weldaden jegens mij?
De beker der verlossing zal ik opheffen,
ik zal de naam des Heren aanroepen.
Mijn geloften zal ik de Here betalen,
in de tegenwoordigheid van al zijn volk”[6].

Bent u angstig?
Dat kan best.
Want die beelden op internet en in de krant van geweld en terreur kunnen angst inboezemen. Wanneer komt in ons land de klap?
Nee, die angst hoeven we echt niet weg te praten. We kunnen die angst meedragen naar de kerk. En daar mogen wij het zingen:
“Ik zal met vreugd in ’t huis des HEREN gaan,
ik zal mijn God naar mijn geloften danken.
Jeruzalem, hoor naar die blijde klanken
en hef met mij de lof des HEREN aan!”[7].

Nee, angst kunnen we niet wegzingen. Maar al zingend kunnen we de angst wel afvlakken. Dan kunnen we er bovenuit kijken. Wij mogen onze blik op de toekomst richten.
Laten wij dat samen doen.
Tot eer van God!

Noten:
[1] Een bewerking van dit stuk zal het hoofdartikel zijn in de editie van het kerkblad van De Gereformeerde Kerk Groningen die op zondag 3 april aanstaande verschijnt.
[2] Op dinsdag 22 maart 2016 ontploften vanaf ongeveer 8 uur in de morgen bommen op het Brusselse vliegveld Zaventem; er was vervolgens rond 9.00 uur ook een aanslag bij het Brusselse metrostation Maalbeek. Er vielen ruim dertig doden. Ook raakten zo’n tweehonderd mensen gewond. De aanslagen werden opgeëist door Islamitische Staat.
[3] “Met alleen bang zijn win je niets”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 23 maart 2016, p. 1. De psycholoog in kwestie is Marjon Peters.
[4] Psalm 116:10 en 11 (onberijmd).
[5] 2 Corinthiërs 4:13, 14 en 15.
[6] Psalm 116:12, 13 en 14 (onberijmd).
[7] Psalm 116:11 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

18 april 2014

Pasen 2014: het begin is er

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt”.
Zo staat dat in Mattheüs 27[1].

De kwestie van de geopende graven wordt vermeld in de perikoop waarin het over het sterven van Jezus gaat. Het sterven van Jezus wordt op buitengewoon opmerkelijke wijze gemarkeerd.
Ontstellend moet dat geweest zijn! Je zult maar iemand zien, waarvan je dacht dat hij of zij reeds lang begraven was. Verbijsterend moet dat wezen.

Over die ontsteltenis lezen we slechts één lange zin: “De hoofdman en zij, die met hem Jezus bewaakten, zagen de aardbeving en wat er plaats had en zij werden zeer bevreesd en zeiden: Waarlijk dit was een Zoon Gods”[2].

Maar de nadruk ligt toch op het feit dat de graven open gaan[3].
Kinderen van God staan op.
De mensen moeten begrijpen: dit is nog maar het begin. Er komt een dag waarop alle kinderen van God tot leven komen.
Het is de periode waarin zal blijken dat de kloof tussen kerk en wereld nooit meer overbrugd zal worden.
Jesaja had het er indertijd al over: “Herleven zullen uw doden – ook mijn lijk –, opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van licht; en de aarde zal aan de schimmen het leven hergeven. Kom, mijn volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd, tot de gramschap over is. Want zie, de HERE verlaat zijn plaats om de ongerechtigheid der bewoners van de aarde aan hen te bezoeken; dan zal de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht brengen en haar verslagenen niet langer bedekken”[4].
Daniël was indertijd zo mogelijk nog explicieter: “Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos”[5].
Welnu, Mattheüs wil in hoofdstuk 27 laten blijken: de macht van de dood is overwonnen. Hij wil aantonen dat de volmaakte verlossing van de gelovigen op handen is!

Als we in de komende weekwisseling Pasen vieren, doen we dat omdat we begrijpen dat het leven op aarde nog maar het begin is. Wij zullen opstaan tot een nieuw leven. Er komt een heerlijke tijd aan. Een tijd die wij eigenlijk geen periode kunnen noemen. Dat is het niet. Die heerlijke tijd houdt namelijk nooit meer op.

Dat is natuurlijk fantastisch.
Magnifiek.
Fenomenaal.

Pasen is een heel toekomstgericht feest, dat gevierd wordt in een wereld waarin van alles fout gaat. We vieren Pasen in een samenleving waarin velen, vanwege allerlei traumatische gebeurtenissen, beschadigd rondlopen.
We horen nog altijd over overleden bisschoppen in de Rooms-Katholieke Kerk die zich eertijds aan seksueel misbruik schuldig maakten[6].
We horen nog steeds verhalen van oude mensen voor wie de Tweede Wereldoorlog eigenlijk nooit voorbij is. “In mijn hoofd is het één groot slagveld. Ik zie altijd maar bloed. Kom ik een lantaarnpaal voorbij en dan denk ik: twee haken zitten er aan beide kanten. Aan elke haak kunnen ze er eentje ophangen. De oorlog is nooit voorbijgegaan. Ik kan mijn verdriet niet kwijt”[7].
En er is ook die bekommernis die nooit genoteerd wordt. Het leed van hen die geliefden hebben begraven, bijvoorbeeld. Hoe oud men ook wordt, die treurnis schrijnt altijd. De rouwkaarten liggen, om zo te zeggen, altijd op tafel.

Jezus Christus is opgewekt.
Dat Evangelie gaat de wereld door.

En wat verandert er dan nu voor ons?
Antwoord: we zitten niet meer vastgeketend aan de zonde. Natuurlijk, we zijn altijd behept met fouten en grote tekortkomingen. Maar al die tekorten zijn, als het goed is, geen beheersende factor meer in ons leven. Om met Romeinen 6 te spreken: “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn met hetgeen gelijk is aan zijn opstanding; dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn”[8].

Een christenleven is nooit een en al rampzaligheid.
Nee, er is geen zinnig mens die zich verheugt over al die illegale immigranten die vanuit Noord-Afrika in gammele bootjes de oversteek naar Europa wagen. Wie daarvan de beelden ziet, denkt bij zichzelf: kan niemand daar wat aan doen[9]?
Weken lang is tevergeefs gespeurd naar overblijfselen van het vliegtuig van Malaysia Airlines dat op 8 maart van dit jaar van de radar verdween. Ondanks de grote inzet van mensen en het gebruik van zeer geavanceerde technieken ziet men geen resultaten[10].
Ziedaar, twee willekeurige voorbeelden van situaties waarin de zo machtig lijkende mens jammerlijk faalt.
U kunt er zelf vast óók nog heel veel bedenken.
En toch is dat christenleven heilloos noch noodlottig.
Ach ja, alle ellende van de wereld ligt misschien als een steen op onze maag.
Laten wij echter – als dat zo is – maar bedenken dat heel wat overleden mensen, toen Christus’ lijden voltooid was, uit hun graven kwamen. Een voorproefje was dat. Een voorschot op de totale vernieuwing van de wereld.
Het begin is er. De nieuwe wereld komt er aan!

Noten:
[1] Mattheüs 27:52.
[2] Mattheüs 27:54.
[3] In dit artikel gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel.
[4] Jesaja 26:19-21.
[5] Daniël 12:2 en 3.
[6] Zie bijvoorbeeld: “Bisdom hield misbruik Gijsen stil”. In: Nederlands Dagblad, maandag 14 april 2014, p. 2.
[7] Peter Sneep, “De oorlog is nooit voorbij”. In: Nederlands Dagblad, maandag 14 april 2014, p. 15.
[8] Romeinen 6:4, 5 en 6.
[9] Zie: “Tientallen vrouwen, kinderen en duizenden mannen gered”. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 12 april, p. 1.
[10] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Malaysia_Airlines-vlucht_370 .

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.