gereformeerd leven in nederland

30 oktober 2019

Kom tot uw Heiland, toef langer niet

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

In de kerk wordt het Evangelie van Christus iedere week weer geproclameerd en geëxpliceerd[1]. De Heidelbergse Catechismus leert het ons: Hij is door God de Vader aangesteld “en met de Heilige Geest gezalfd tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning. Als Profeet en Leraar heeft Hij ons de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen geopenbaard. Als Hogepriester heeft Hij ons met het enige offer van zijn lichaam verlost en blijft Hij met zijn voorbede steeds bij de Vader voor ons pleiten. Als Koning regeert Hij ons met zijn Woord en Geest, en beschermt en bewaart Hij ons bij de verworven verlossing”[2].
Het verlossingswerk van Jezus Christus – dat is het kernpunt van ons leven. Dat staat centraal: op zondag, maandag, dinsdag… ja, op alle dagen van de week.

Die geloofsleer moet onderwezen worden, schrijft Paulus in 1 Timotheüs 1: “Ik herinner u eraan hoe ik u, toen ik naar Macedonië reisde, ertoe opgeroepen heb in Efeze te blijven om sommigen te bevelen geen andere leer te onderwijzen”[3].

Heterodidaskalein
staat er – dat komt van heteros: ander en didaskalos: leraar, leermeester.
Leraren die Christus’ verlossingswerk niet meer centraal stellen moet men de rug toekeren. Tegen dergelijke leraren mag men gerust zeggen: ik kom niet meer bij u terug.
Schrijver dezes weet hoe dat voelt. In 2011 verliet hij de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) vooral om die reden.
In heel veel kerken wordt Jezus Christus nog vaak genoemd. Maar dat wil lang niet altijd zeggen dat Hij ook centraal staat.

Een exegeet schrijft bij 1 Timotheüs 1: “De mensen, waarover hij het heeft in dit hoofdstuk, zijn niet de eigenlijke dwaalleraars. Die komen ter sprake in hoofdstuk 4. En die worden ook geheel anders door hem behandeld. Scherp getekend en aangevallen. Ze behoren niet tot de gemeente, maar zijn buiten haar. De hier bedoelden echter zijn blijkbaar binnen den kring der gemeente, en behoren tot haar leden. Tegenover hen treedt de apostel dan ook geheel ánders op. Want hij wil beproeven hen nog te behouden. Vermoedelijk worden daarom, om hen te sparen, hun namen ook nog niet genoemd. Voor Timotheüs is dat trouwens ook niet nodig. Hij kent hen wel. Het zijn sommigen. Dat woord wijst hier niet aan, dat het slechts enkelen, weinigen, zijn. Maar het betekent: bepaalde, niet nader aangeduide lieden”.
En:
“Die andere inhoud bestaat niet daarin, dat ze van de Christelijke waarheid geheel en al afdwalen, gelijk latere dwaalgeesten. Maar blijkens het volgende vers daarin, dat ze door de inhoudloze onderwijzingen het Evangelie metterdaad van zijn kracht beroofden en de eigenlijke heilsleer achterwege lieten voor beuzelingen zonder inhoud, op pikante, fantastische, dus ándere, wijze voorgedragen. In het volgende vers wordt dit alles breder ontwikkeld”[4].
Dus:
* de andere leer komt uit de eigen gemeente op
* het Evangelie wordt krachteloos gemaakt door er allerlei verhalen omheen te weven.
Van predikanten mag worden gevraagd dat ze op de kansel niet allerlei verhalen opdissen, of het NOS-journaal repeteren; zij moeten Jezus Christus en Zijn verlossingswerk prediken!
Van luisteraars kan worden verlangd dat zij niet luisteren naar verhalen, maar wel naar preken zoals bedoeld in de Nederlandse Geloofsbelijdenis. U weet wel: “De kenmerken waaraan men de ware kerk kan kennen, zijn deze: dat de kerk de zuivere prediking van het evangelie onderhoudt…”[5].

Wat is een goede preek?
De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant dr. J. Douma zegt:
“* blijf dicht bij de tekst!
* blijf dicht bij de hoorder!
* blijf dicht bij jezelf!”[6].
Iemand anders geeft zeven kenmerken van een goede preek
* met gezag – ‘zo spreekt de Heer’
* eigentijds
* verstand en gevoel worden zoveel mogelijk samengebracht
* goede Schriftuitleg
* verbanden leggen, lange lijnen trekken
* ellende, verlossing en dankbaarheid moeten alle ter sprake komen
* bevel van geloof en bekering[7].
Hoe dat alles zij: laten wij ons realiseren dat volgelingen van Christus vanwege de zonde steeds de neiging hebben om bij de Heiland weg te lopen. Hij is, om zo te zeggen, de Hoeksteen van de kerk. Denkt u daarbij maar aan Psalm 118:
“De steen, die door de tempelbouwers
veracht’lijk was een plaats ontzegd,
werd tot verbazing der beschouwers
ten hoeksteen door God zelf gelegd”[8].
De preek moet ons steeds weer naar de Heiland terugbrengen!

Een journalist van het Nederlands Dagblad noteerde onlangs in een essay: “…we komen als gelovigen sámen voor Gods aangezicht. We eren Hem. We bidden. De Bijbel gaat open. We zien naar elkaar om, laat een ieder zich gezien weten. Soms volgt zinnig onderwijs in de zin van een goede preek. Hyperkritische mens, wat wil je nog meer?
In werkelijkheid beleef ik de eredienst als een uitdijend universum, dat is precies de omgekeerde beweging. Alle doelgroepen moeten bediend worden, de stiltes worden ‘dichtgejast’ met geroezemoes, een collectelied of talmend orgelspel. Het zijn prikkels, en dat schrijft iemand die daar van nature niet gevoelig voor is”.
En:
“Mag de liturgie een ‘tegenbeeld’ van de tijd zijn? Nu de tijden druk en verwarrend zijn, zet in op rust en eenvoud. In de kerkdienst op adem komen bij het lichte juk van de Heiland, dit schaap is bereid er de dam voor over te steken”[9].
Schrijver dezes onderschrijft niet elke letter van bovenstaande citaten. Maar inderdaad: wij mogen op adem komen bij het lichte juk van de Heiland. De hartenkreet van de heilbegerige journalist brengt ons ook bij de laatste oproep in dit artikel. Het is de dringende uitnodiging van Psalm 97:
“U, die de HEER bemint,
bij Hem bescherming vindt, als goddelozen woeden,
wilt voor het kwaad u hoeden.
’t Is God die vreugde spreidt voor wie zijn naam belijdt.
U, die oprecht gelooft, nooit wordt uw licht gedoofd”[10].

Noten:
[1] De titel van dit artikel is ontleend aan de bundel van Johannes de Heer. Het is de eerste regel van lied 210.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 31.
[3] 1 Timotheüs 1:3.
[4] Dr. C. Bouma, “I, II Timotheüs, Titus, Filémon – opnieuw uit de grondtekst vertaald en verklaard”. – Kampen: Uitgeverij Kok, 1953. – p. 27.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[6] Geciteerd van http://www.josdouma.nl/artikelen/Jos%20Douma%20-%20Het%20geheim%20van%20een%20goede%20preek.pdf ; geraadpleegd op woensdag 23 oktober 2019.
[7] Zie https://www.gerritveldman.nl/7-kenmerken-van-een-goede-preek/ ; geraadpleegd op woensdag 23 oktober 2019.
[8] Psalm 118:8; berijmd – Gereformeerd Kerkboek-1986.
[9] Gerard ter Horst, “Hunkeren naar God in prekerige erediensten” – essay in: Gulliver, bijlage bij het Nederlands Dagblad, vrijdag 11 oktober 2019, p. 3.
[10] Psalm 97:5; berijmd – Gereformeerd Kerkboek-1986.

9 september 2019

Fris

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Ruim vijfenzeventig jaar is het nu geleden: de Vrijmaking van 1944. Men gaat terugkijken. En vooruitkijken, mogen we hopen. Want men kan wel bekijken wat het resultaat van de Vrijmaking was; en het is heel goed om dat te doen. Maar de meest prangende vraag is uiteraard wie er in 2019 op die Vrijmaking voortbouwen, en hoe die bouwers dat dat doen.
Die laatste vraag blijft in dit artikel overigens liggen.
De focus ligt ergens anders.

In het Nederlands Dagblad van zaterdag 31 augustus jl. wordt uitgebreid aandacht aan het thema Vrijmaking toen / de kerk nu.

Men constateert: “…twee predikanten stonden twintig jaar lang in het dorp. Het gemeenteleven zakte in. Tot een van hen werd losgemaakt, de ander met emeritaat ging en er een vacature kwam”[1].

De formulering van hierboven geeft te denken.
In een paar zinnen suggereert men dat die twee dominees vervallen types waren. Sullig. Ouderwets. Niet bij de tijd. En dus zakte het gemeenteleven in. Het was weinig meer dan een plumpudding. Men had de neiging om er een bordje bij te zetten: Implosiegevaar!!
Wat een opluchting dat dat harkerige duo eindelijk uit beeld was! Op naar de moderne wereld!
Kortom – toen dat gedateerde duo verdwenen was werd men pas echt vrijgemaakt. Er kwam een nieuwe vrijheid. Men herademde. De levensruimte nam onmiddellijk met een oneindig aantal vierkante kilometers toe. Een nieuwe levensvreugde zinderde door de kerk.

Daarbij vergeleken is de Bijbel een boek van het jaar nul.
Nou ja, zo’n veertig auteurs schreven de Bijbel in een periode van zo’n 1500 jaar[2]. Het grootste deel van het Boek der Boeken werd zo’n 2500 jaar geleden geschreven[3].
Er zijn mensen die zeggen: dat boek kan onderhand wel bij de museumstukken. In een vitrine of zo. Keurig openliggend. Maar daarenboven ongebruikt.

Wacht eens even.
In Psalm 92 lezen we iets opvallends:
“De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
hij zal opgroeien als een ​ceder​ op de Libanon.
Wie in het ​huis​ van de HEERE geplant zijn,
die mogen groeien in de voorhoven van onze God.
In de ouderdom zullen zij nog vruchten dragen,
zij zullen fris en groen zijn,
om te verkondigen dat de HEERE waarachtig is;
Hij is mijn rots en in Hem is geen ​onrecht”[4].
Pardon?
Wat staat daar?
Zijn oude mensen groen en fris?
Hoe hebben we ’t nu? Immers – oude mensen zijn helemaal niet zo flitsend. Enkelingen daargelaten zien we bij senioren aftakeling, lichamelijk en soms ook mentaal. Hoezo fris?
Zij zijn fris “om te verkondigen, dat de Here waarachtig is”. Onze God blijft, om zo te zeggen, altijd fris. En dat mogen en moeten ouderen blijven zeggen!
De bewoordingen van de Evangelieverkondiging zijn bij oudere predikanten niet altijd even modern. Zij staan op de preekstoel niet te shinen; predikanten zien er soms niet zo flitsend meer uit en klinken ietwat bedaagd.
De bewoordingen van de Evangelieverkondiging zijn niet episch. De prediking is niet steeds van topkwaliteit.
In de Evangelieverkondiging komt niet naar voren dat de dominee op de preekstoel een heleboel skills heeft; capaciteiten of kwaliteiten.
In de Evangelieverkondiging klinkt niet om ’t andere woord de kreet ‘whoop, whoop’. Er wordt niet standaard gejuicht[5].
Maar de God van hemel en aarde is altijd fris. Hij is nota bene bezig aan een totale vernieuwing van de wereld!

Het gemeenteleven in dat dorp van hierboven zakte in. Het werd een duffe boel. En dat was, aldus suggereert het Nederlands Dagblad, de schuld van die ouwe dominees. Die hadden al veel eerder het veld moeten ruimen.
Tja.
Waarom eigenlijk?
Omdat die bijna-geëmeriteerde dominees nooit preekten over Spreuken 11? U weet wel:
“Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal ten val komen,
maar de rechtvaardigen zullen groeien als loof”[6].
Of misschien omdat die bijna-geëmeriteerde dominees nooit preekten over Jeremia 17? U weet wel: “Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt, wiens vertrouwen de HEERE is. Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is, en die zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop”[7].

Het ND schrijft: “…twee predikanten stonden twintig jaar lang in het dorp. Het gemeenteleven zakte in”.
De ene dominee werd losgemaakt en de ander ging met emeritaat.
Daarna woei er eensklaps een frisse wind door de kerk.
Tjonge!

Hoe fris waren de kerkgangers in dat dorp, in Bergentheim eigenlijk?
Ergens ruiken die zinnetjes in het ND een beetje onfris.

Noten:
[1] “Van vrijgemaakt naar veelkleurig”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 31 augustus 2019, p. 10-13. Citaat van pagina 10.
[2] Zie https://bijbel.eo.nl/kennismaken/het-ontstaan-van-de-bijbel ; geraadpleegd op maandag 2 september 2019.
[3] Zie: G. Dijkgraaf, “Het ontstaan van de Bijbel (1)”. In: De Saambinder – kerkelijk orgaan van de Gereformeerde Gemeenten – , 11 januari 1990, p. 6 en 7.
[4] Psalm 92:13-16.
[5] Voor de in deze alinea gebruikte moderne termen, zie https://www.harpersbazaar.com/nl/cultuur-reizen/a6114/woorden-pubers-pubertaal-puberwoorden/ ; geraadpleegd op maandag 2 september 2019.
[6] Spreuken 11:28.
[7] Jeremia 17:7 en 8 a.

26 september 2018

Zuivere prediking gezocht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

In de Bijbel staat hier en daar krasse taal.
Neem nou de volgende tekst: “Maar zelfs als wij, of een ​engel​ uit de hemel, u een ​evangelie​ zouden verkondigen, anders dan wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt”.
Die tekst staat in Galaten 1[1].
Zegt u nou zelf: daar is geen woord Frans bij.

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt de kerk het trouwens ook uit: onze eerste prioriteit is “de kerk de zuivere prediking van het evangelie”[2].

De brief aan de Galaten wordt rond het jaar 50 na Christus geschreven.

In de brief gaat het vooral over christelijke vrijheid. U wordt, zo wordt daar betoogd, niet vrij als u zich keurig aan de wet van God houdt. Nee, er komt vrijheid door het geloof in Christus. Hij heeft voor al onze zonden betaald.
Over christelijke vrijheid schreef ik al eens: “Dat betekent: zij zijn vrijgesproken van schuld. En als zij na hun sterven in de hemel komen, horen zij hun Advocaat – de Here Jezus Christus – zeggen: ‘Voor hem en voor haar heb ik geleden. Hun zonden zijn weggedaan. Laat hen naar het feest gaan!’. Die geloofszekerheid geeft nu al perspectief”[3].

Iemand zou kunnen zeggen: ‘Christelijke vrijheid? – dat zál wel; maar in Galaten 1 wordt nota bene gedreigd met een vloek’. Een vloek heeft toch weinig te maken met vrijheid?
De reactie op zo’n opmerking kan zijn: voor Gereformeerde mensen staat of valt de visie op het leven met het Evangelie. Predikers die met een andere boodschap komen, kunnen de mensen om hen heen namelijk nimmer redden.

Nu zijn er tegenwoordig heel wat leraren en andersoortige verkondigers.

Neem nou bijvoorbeeld het boeddhisme.
“De Boeddha heeft in zijn verlichting ontdekt ‘hoe dingen zijn’, hij heeft de ware aard van dingen ontdekt. Dat is het kardinale punt om verlichting te bereiken oftewel om vrij te zijn van lijden. Het is het ontwaken tot de realiteit, wakker worden uit een bijna onvoorstelbare diepe mentale slaap. Die slaap is zo diep, dat de meeste mensen niet begrijpen dat ze onderhevig zijn aan lijden en dat het hun taak is daaraan een einde te maken. Om bevrijding van lijden te realiseren, hebben wij als taak om zelf te ontdekken wat de Boeddha ontdekt heeft”[4].
Ziet u dat je in het boeddhisme veel, zo niet alles, zelf moet doen?

Of bijvoorbeeld het hindoeïsme.
“Hindoes kennen, net als christenen, een drie-eenheid: Brahma (niet te verwarren met de eerder genoemde brahman) is de schepper, Vishnoe is de beschermer en Shiva is de verwoester die zo ruimte maakt voor nieuwe dingen. De religie heeft vele goden, maar eigenlijk geloven hindoes maar in één goddelijke kracht in het universum. Volgens hen zijn alle andere goden gedaantes van die ene goddelijke kracht, brahman. Sommige hindoes – de shaivieten – geloven alleen in Shiva, de vaishnavieten aanbidden Vishnoe als hoofdgod en voor de Hare Krishnabeweging is Krishna de oppergod”.
En:
“Hindoetempels zijn luidruchtige plekken, niet alleen vanwege het gezang maar vooral vanwege de tempelbel. Deze harde bel mogen hindoes luiden als ze binnenkomen en weggaan. Hindoes offeren aan hun god of goden in de tempel. Ze leggen bij het beeld van hun god fruit, bloemen, geld of wierook. Vaste regels voor bidden of tempelbezoek zijn er niet. Je gaat wanneer je wilt en offert wat je wilt”[5].
Ziet u dat er in het bovenstaande, in zekere zin, sprake is van een drie-eenheid?
Ziet u ook dat hindoeïsten een zekere vrijblijvendheid in hun godsdienst kennen? Je bidt en offert wanneer je dat zelf nodig vindt.

Welnu, de Here God leert ons: u hoeft niet zelfredzaam te zijn, dat kan niet en dat worden wij ook nooit!
Daarom zingen we in Psalm 119:
“Ik klem mij vast aan uw getuigenis.
O HEER, laat niet vergeefs mij op U hopen!
Gij zijt mijn licht, mijn dag bij duisternis,
Gij doet uw woorden voor mijn ogen open”[6].
Dat betekent in ieder geval –
* het is onmogelijk dat wij in ons leven zelf de verlichting aan doen, zoals het boeddhisme ons wil doen geloven
* ons geloof is geen kwestie van vrijblijvendheid, zoals het hindoeïsme ons voorhoudt.
Het Evangelie is zonneklaar: Jezus Christus is onze Redder. Daar noteer ik woorden uit Handelingen 4 bij: “En de zaligheid is in geen ander, want er is onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij zalig moeten worden”[7].
Het is duidelijk – reddingsoperaties waarbij het Woord dicht blijft, zijn tot mislukken gedoemd.

Juist in een wereld waarin ons via diverse media allerlei levensovertuigingen op een presenteerblaadje worden aangereikt, is het van levensbelang om de kern van het Evangelie vast te houden.

Dat Evangelie moet gepreekt worden. Iedere zondag – want in deze woelige wereld raken we met z’n allen zomaar van de weg af die God wijst. De kerkelijke versplintering in Nederland is daar een treurig bewijs van.
Dat Woord moet worden gebracht in al zijn lengte, breedte, hoogte en diepte – met alles erop en eraan.
Het is verleidelijk om daar concessies in te doen. Zodat de preek wat prettiger klinkt. Vriendelijker. Meegaander.
Zulke verleidingen moeten wij weerstaan.
In een oude bundel met studies over de Nederlandse Geloofsbelijdenis schreef iemand:
“Het komt er op aan niet eigen maatstaven aan te leggen bij het onderscheiden tussen een ware en een valse kerk. Dit gebeurt wanneer wij bijvoorbeeld ‘barmhartiger’ willen zijn dan God, door te zeggen van zo’n kerk, dat er wel veel verkeerd kan zijn, maar dat zulks overal is en dat er toch wel gelovigen in die kerk zijn en dat we daarom zo maar niet mogen spreken van een valse kerk. In dit geval stellen wij een ‘barmhartiger’ norm dan Christus, die erop staat dat Hij alleen de heerschappij over Zijn kerk heeft en anders voor die kerk enkel heeft een oproep tot bekering en een aanzegging van Zijn toorn. Als Christus zegt dat Hij moet gehoorzaamd worden, heeft niemand het recht te doen alsof Hij op dit gebod wel wat uitzonderingen toelaat voor mensen, die het (…) wel goed bedoelen”[8].
Waarvan akte!

Laten de predikers maar eenvoudigweg instemmen met Paulus: “En ik, broeders, toen ik bij u kwam, ben niet gekomen om u met voortreffelijkheid van woorden of van wijsheid het getuigenis van God te verkondigen, want ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan ​Jezus​ ​Christus, en Die gekruisigd”[9].
Dan blijven de kerkgangers op het niveau dat God van hen vraagt.

Noten:
[1] Galaten 1:8.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[3] Geciteerd uit mijn artikel ‘Iedere dag bevrijdingsdag’, hier gepubliceerd op vrijdag 4 mei 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/05/04/iedere-dag-bevrijdingsdag/ .
[4] Geciteerd van http://www.sleuteltotinzicht.nl/div001.htm#Geen%20goddelijke%20macht ; geraadpleegd op dinsdag 18 september 2018.
[5] Geciteerd van https://npofocus.nl/artikel/7664/wat-is-hindoeisme?sid=2309 ; geraadpleegd op dinsdag 18 september 2018.
[6] Psalm 119:12 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986).
[7] Handelingen 4:12.
[8] Schetsenbundel Nederlandse Geloofsbelijdenis. – Uitgave van de Bond van Verenigingen van Gereformeerde Vrouwen. – z.j., p. 60.
[9] 1 Corinthiërs 2:1 en 2.

9 april 2018

Gehoorzaam en onderdanig

In deze tijd zijn er heel wat jonge mensen die zich voorbereiden op het in het openbaar belijdenis doen van hun geloof.
Eén van de vragen die zij moeten beantwoorden luidt volgens het Gereformeerd Kerkboek-1986: “Belooft u zich te onderwerpen aan de kerkelijke vermaning en tucht, indien u zich – waarvoor God u genadig beware – in leer of leven misgaat?”[1].

Bij die vraag staat een Schriftverwijzing naar Hebreeën 13. Er wordt gewezen op deze woorden: “Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig, want zij waken over uw zielen omdat zij rekenschap moeten afleggen, opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend. Dat heeft immers voor u geen nut”[2].

Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig… – dat is voorwaar geen aangename binnenkomer.
De dominee gehoorzaam zijn!
Ja, onderdanig zelfs!
Dat past, naar het lijkt, op geen enkele manier in deze tijd.
Immers, veel predikanten die zich Gereformeerd noemen brengen een leer die op bepaalde punten niet overeenstemt met de Heilige Schrift.
Bovendien: veel kerkleden wandelen links en rechts de kerk uit. Soms shoppen ze, om ergens een ‘Schriftuurlijk vitaminesupplement’ te kunnen innemen.
Gehoorzamen aan de predikant…: het mocht wat!

De Gereformeerd-vrijgemaakte emerituspredikant M.J.C. Blok – geb. 1949, thans wonend te Bunschoten-Spakenburg – schreef daar in 1976 het volgende over.
“Ambtsdrager zijn in de kerk is geen erebaantje. Daar geneest Christus ons direkt wel van: de ambtsdragers worden immers aangesteld in zware tijden, in de tijd van de nieuw-testamentische bedeling. De tijd waarin alles gaat gisten, de tijd van revolutie en afval. We lezen daar in de Hebreeënbrief uitgebreid van.
Die brief is één grote waarschuwing tegen afval en één klemmende oproep om bij Jezus Christus alleen te blijven, de Hogepriester van het nieuwe verbond. En via de ambtsdragers wil de Here Zijn volk bij Zijn Woord houden. Vandaar dat bevel in de tekst: Gehoorzaamt uw voorgangers. Je moet je laten overtuigen en voor hen wijken. Dat betekent: laat ze niet maar praten, maar laat je gezeggen.
Het is duidelijk dat de schrijver van deze brief alleen de trouwe ambtsdragers op het oog heeft, niet de ongehoorzame. De trouwe ambtsdragers zijn door God aangesteld. En daarom buig je ook niet voor mensen, maar je buigt voor het ambt, voor het Woord van God, voor Jezus Christus. Ambtsdragers geven Gods Woord vaak in gebrekkigheid door, maar het is het Woord van God”[3].

Ambtsdragers zijn instrumenten in de hand van de Here. Zij geven het Woord van de Here door. Niets anders dan dat. Als zij al een ‘eigen’ mening doorgeven, is die – als het goed is – steeds weer terug te voeren op Gods Woord. En nergens anders op.
Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn niet belangrijk omdat ze invloedrijk zijn, of iets dergelijks. Ze wijzen op de Bijbel, en op de toepassing daarvan in het dagelijks leven.
Die gehoorzaamheid en onderdanigheid hebben te maken met het zich schikken naar de inhoud van het Woord van God.
Dat blijkt trouwens ook Hebreeën 13. Want vlak vóór het citaat van hierboven lezen we: “Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden. En vergeet het weldoen en het onderlinge hulpbetoon niet, want aan zulke offers heeft God een welgevallen”[4].
De Hebreeënschrijver maakt volstrekt helder waar onze aandacht naar toe moet gaan: naar de God van hemel en aarde!

Misschien kijken we wel eens tegen ambtsdragers op.
Omdat zij zo wijs zijn.
Of omdat zij zo ijverig zijn.
Laten wij dan in gedachten houden wat de Gereformeerd-vrijgemaakte nieuwtestamenticus J. van Bruggen eens schreef: “Wij concluderen dat de apostelen één soort oudsten in elke gemeente hebben aangesteld met als taak de gemeente te weiden door woord en leer. Het feit dat sommigen daarmee intenser bezig konden zijn dan anderen en dat zij mogelijk ook met speciale, tijdeisende, opdrachten werden belast, wettigt niet het invoeren van twee ambten. Wanneer sommigen in de dienst van de oudsten meer belast worden dan anderen, blijft het één ambt en taak. Intensiever werken leidt alleen tot intensievere eer en waar nodig ook tot materiële steun. Dit onderscheid tussen oudsten en oudsten is gradueel en bijkomstig, het is niet structureel of wezenlijk”[5].

Trouwens, de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant en hoogleraar K. Deddens noteerde ooit: “Mensvergoding en mensverguizing liggen heel dicht bij elkaar, en het een kan heel makkelijk overslaan in het ander. Dat overkwam ook Paulus en Bamabas in Lystra. Het ene moment werden zij voor góden aangezien, maar het andere moment werd Paulus gestenigd en de stad uitgesleept (Handelingen 14:11, 12, 19). Maar men verstond niets van het ambt en de ambtelijke boodschap die zij brachten. Gehoorzaamheid en onderwerping waarvan in Hebreeën 13 sprake is, moet dan ook gezien worden als gehoorzaamheid en onderwerping aan het Woord der waarheid. Dat dwingt enerzijds de voorgangers, aan niets anders te binden dan aan Gods Woord, dat zij mogen ver­kondigen. Anderzijds verplicht het de hoorders, zich volledig aan dat gepredikte Woord te onderwerpen. Als zo wordt voorgegaan in de gemeente en als van haar kant de gemeente zo leeft, hoeven de voorgangers niet gebukt te gaan onder een zware last die zij niet kunnen tillen, maar kunnen zij hun werk met vreugde doen”[6].

De dominee gehoorzaam zijn…
Onderdanig zelfs…
Gewoon luisteren naar ambtsdragers…
Ja, dat past toch in deze tijd.
Zo lang ambtsdragers en gemeenteleden maar buigen voor het Woord dat God ook vandaag nog tot ons spreekt.

Noten:
[1] Gereformeerd Kerkboek-1986, p. 521.
[2] Hebreeën 13:17.
[3] M.J.C. Blok, “Gehoorzaamt uw voorgangers”. In: De Reformatie jg. 51, nr 29 (24 april 1976), p. 499 en 500.
[4] Hebreeën 13:15 en 16.
[5] J. van Bruggen, “Ambten in de apostolische kerk: een exegetisch mozaïek”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1984. – p. 105 en 106.
[6] Prof. dr. K. Deddens, “Een voortreffelijke taak: profielschets van de pastor”. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1989. – p. 28.

8 december 2017

Het horizontalisme van professor Kuitert

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Vrijdag 8 december 1972: in het Nederlands Dagblad worden uitspraken van professor Kuitert overgenomen. Die uitspraken heeft hij gedaan in het VU-magazine, een blad van de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Hij pleit er voor om studenten theologie de ruimte te geven. Dat gaat als volgt.

“Een paar woorden wil prof. Kuitert nog aan VU-magazine kwijt over de groeiende kloof tussen (een deel van) de gemeenten en de theologische studenten, zowel die van de VU als die van ‘Kampen’. ‘Het is echt niet zo, dat die jongens niet een pastorie in willen, maar velen denken: ik beantwoord niet aan het verwachtingspatroon. Wat ik zou willen, is dat men nu eens ophoudt de studenten in alle mogelijke bochten te wringen, zodat ze bij ’n gemeente passen, maar dat de gemeenten hen nu eens de ruimte geven. Er zitten fantastisch goeie jongens bij, met zoveel moed en met zoveel zicht op de zaken en met zoveel ideeën, die vorm kunnen krijgen, dat ik de kerk beklaag die dat niet ziet en die deze kans – de zoveelste kans – aan zich voorbij laat gaan en zulke jongens laat staan. Dat is, wat ik nog dolgraag kwijt wil’”[1].

De formulering van hierboven is vijfenveertig jaar oud.
Maar de zaak zelf komt in het Neêrlandse kerkelijke leven nog met zekere regelmaat langs: dominees die – naar men zegt – niet bij gemeenten passen.
Als u geen vreemde in Jeruzalem bent, kent u de trefwoorden wel die bij meningen van deze soort horen: ontplooiingsruimte, vernieuwing, communicatie, verandermanagement.

Als u het mij vraagt, hebben we hier met horizontalisme te maken.

Horizontalisme: dat woord komt ook voorbij in een preek die op zondag 26 november 2017 in een kerkdienst van De Gereformeerde Kerk Groningen gelezen wordt.
Na de eredienst wordt het al snel duidelijk: de meeste catechisanten begrijpen dat woord niet meer. Geen wonder: het woord ‘horizontalisme’ gebruiken we anno 2017 weinig.

In de gelezen preek wordt trouwens wel uitgelegd wat horizontalisme is: “Horizontalisme, daar zit het woord horizontaal in. Men bedoelt daarmee te zeggen: verticaal omhoog, is er heel weinig meer te doen in de religie.
Verticaal, in de richting van God en van de hemel. Want, wie is God en waar is de hemel? Wie zal dat zeggen? Nee, wie nog godsdienstig wil zijn en wil blijven, wie nog aan religie wil doen die moet maar volop horizontaal bezig zijn. Op deze aarde, onder de mensen. Daar moet hij medemenselijkheid betonen en naastenliefde plegen”[2].

Horizontalisme, dat is: kijk veel om je heen, maar niet teveel omhoog; vanuit de hemel krijg je namelijk geen hulp.

Wie bij professor Kuitert tussen de regels door kijkt, ziet het woord ‘horizontalisme’ in neonletters oplichten.

Fantastisch goeie jongens… Zullen dat later Godvrezende ambtsdragers worden?
Jongens met moed… Hoe zullen die jongens hun dapperheid inzetten?
Jongens met goeie ideeën… Zijn dat Schriftuurlijke denkbeelden, eigenlijk?

Nu het om deze dingen gaat, wijs ik graag op de inzet van 1 Petrus 5: “De ouderlingen onder u roep ik ertoe op, als medeouderling en getuige van het lijden van ​Christus​ en deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden: Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig; ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Heere, maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn. En als de Opperherder verschijnt, dan zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen”[3].
Dat woord geldt zeker ook voor ouderlingen met een bijzondere opdracht: de Woordverkondiging!

Toezicht: daar zit bewaking in. Een dominee moet ‘zijn’ schapen beschermen tegen de gevaren van de wereld.
Toezicht: daar zit ook controle in. Een dominee moet antwoord kunnen geven op de vraag: hoe gaat het met ‘mijn’ schapen?

Ouderlingen en predikanten moeten voorbeelden zijn. Zij mogen het de hele dag uitstralen: wandelen met God, zo doe je dat!
Lopen: dat doen we alle dagen. We lopen naar de keuken. We lopen naar de koffietafel. We lopen naar kantoor. We lopen naar het kantoor of de fabriek waar we ons dagelijks werk doen. We lopen naar onze makkelijke stoel bij het raam.
Welnu, ouderlingen en predikanten mogen hun gemeenteleden voorhouden: u loopt nooit alleen.

Petrus schrijft over een erfdeel van de Here.
Een exegeet legt dat als volgt uit: “Kleros (lot, erfgoed) was voor de lezers van de brief een bekend woord. Het duidt op een stukje land dat, meestal via het lot, door de burgerlijke overheid aan een inwoner werd toegewezen. Hier heeft dit woord betrekking op de kudde, die elk van de herders is toevertrouwd. Het is te vergelijken met de verdeling van het land Kanaän, waarin elke stam een erfdeel kreeg toegewezen”[4].
De kerk is van Jezus Christus. De gemeente moet namens Hem geleid en verzorgd worden. Gods kinderen moeten achter Christus aan. Met de blik op Hem gericht. De kerk wandelt dwars door de wereld, maar is volkomen geconcentreerd op de Redder, de Heiland. En daarbij gaat de dominee voorop. Zijn functieaanduiding zegt het al: voor-ganger.

Terug nu naar professor Kuitert.
Hij bekijkt in 1972 de zaken helemaal horizontaal.
De jongens moeten zicht op de zaken hebben, zegt hij.
Wel wel – waar dat alles toe leiden kan hebben we in de afgelopen decennia gezien!

Horizontalisme – wat is dat?
Komaan, ik noteer het nog eens.
Horizontalisme, dat is: kijk veel om je heen, maar niet teveel omhoog; vanuit de hemel krijg je namelijk geen hulp.

En laten wij maar eerlijk zijn: zulke opinies komen wij, mutatis mutandis, vandaag in het Nederlandse kerkelijk leven vaak tegen. Wij horen vaak over ontplooiingsruimte. Men heeft de mond vol over vernieuwing. Men praat over communicatie. Er wordt gesproken over verandermanagement.

In 1 Petrus 5 worden de lezers gemaand om wel naar boven te kijken.
Waarom?
Omdat de Opperherder aan de horizon verschijnen zal. Hij is de Herder die boven alle herders staat!

Daarom noteer ik tenslotte: let op de tekenen van de komst van de Opperherder; weg met het horizontalisme!

Noten:
[1] “Kuitert: synode-uitspraak was dubbelzinnig”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 8 december 1972, p. 2. Ook te vinden via www.delpher.nl .
[2] De betreffende preek is van de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee G. Zomer (1925-1982). De preek handelt over Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus en is gedateerd: september 1971.
[3] 1 Petrus 5:1-4.
[4] Dit citaat komt uit de Studiebijbel, https://www.studiebijbel.nl/ ; commentaar bij 1 Petrus 5:3.

19 oktober 2017

Durf nee te zeggen

Ruim een week geleden stond het in de krant: als er een Gereformeerde Theologische Universiteit komt, zullen de Christelijke Gereformeerde Kerken daarin niet mee doen.

De CGK trapt op de rem.

De kerken krijgen namelijk te weinig te zeggen.
En de Gereformeerde Bond krijgt te weinig invloed.
Het feit dat de GKv van Gods Woord wegschuifelt speelt ook mee.

Het Reformatorisch Dagblad verwoordde het zo.
“De generale synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) is gisteren niet akkoord gegaan met de vorming van de Gereformeerde Theologische Universiteit (GTU).
De landelijke kerkvergadering, bijeen in Nunspeet, besloot ‘de medewerking aan de totstandkoming’ van de GTU te beëindigen. Het besluit betekent dat de Theologische Universiteit Apeldoorn van de CGK, de Nederlands Gereformeerde Predikantsopleiding (NGP) in Apeldoorn en de Theologische Universiteit Kampen (TUK) van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) zelfstandig verder gaan.
De belangrijkste reden voor de CGK-synode om niet akkoord te gaan, was het zogenoemde verenigingsmodel. Daardoor zou de band met de kerken te los worden. De vergadering vond daarnaast de inbreng van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland niet substantieel genoeg.
Ook het gebrek aan vertrouwen in de GKV, die recent groen licht gaven voor de vrouw in het ambt, speelde mee in de besluitvorming. Volgens tweede voorzitter (assessor) ds. J.G. Schenau nam het vrijgemaakte besluit over vrouwelijke ambtsdragers echter ‘geen prominente rol in de vergadering in’.
Het besluit van de CGK-synode riep bij de beoogde partners teleurgestelde reacties op. TUK-rector prof. dr. Roel Kuiper spreekt van ‘een gemiste kans’ voor de gereformeerde theologiebeoefening in Nederland”[1].

Dit lijkt mij een moedig synodaal besluit binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken.

Waarom zijn er theologische opleidingen?
Antwoord: om dominees op te leiden.
Niet om primair wetenschap te beoefenen. Niet om mee te tellen in de wetenschappelijke wereld. Niet om invloed te hebben op universiteiten in binnen- en buitenland.
Natuurlijk, als die invloed er wel is, is dat mooi meegenomen. Sterker nog: dat is prachtig. Maar daar gaat het niet om.
Het gaat om het Gereformeerde leven in Nederland. Om de gewone kerkleden die steeds weer en steeds meer over Gods Woord moeten leren. Daarom zijn er predikanten nodig. Degelijk opgeleide dominees. Om hen draait het op Gereformeerde theologische opleidingen; als het goed is tenminste.

Het CGK-besluit stimuleert ons: mensen, durf ‘nee’ te zeggen!

Vandaag de dag lijken veel christenen te denken dat je voortdurend maar concessies met doen. Want de gebrokenheid is veel te groot. Wij moeten eenheid uitstralen. Wij moeten elkaar respecteren. Wij moeten elkaar opzoeken. Wij moeten samen optrekken. Kortom: wij moeten heel veel.

Zal ik u eens wat vertellen?
Wij behoren maar één ding te doen: naar Gods Woord te leven.
Nee, bij heel veel mensen tellen we dan niet mee. Dat is droevig. Maar zeker niet onoverkomelijk.

Naar Gods Woord en wil leven: dat moeten wij in gezamenlijkheid doen.
En laten we het daarbij maar bedenken: in het Neêrlandse alfabet komt het woord ‘christelijk’ vóór het woord ‘concessies’. In een alfabetisch rijtje komt ‘christelijk’ boven ‘compromis’ te staan.

‘Nee’ zeggen in kerkelijk Nederland, dat is niet leuk. Maar het is wel nodig. Dat wel.

Noot:
[1] “Generale synode CGK zegt nee tegen GTU”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 11 oktober 2017, p. 1.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.