gereformeerd leven in nederland

26 september 2022

Toonsoort van ons bestaan

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Niet zo lang geleden hoorden we een preek over Psalm 116. Het was een preek ter voorbereiding op de viering van het Heilig Avondmaal. De dominee vatte zijn preek aldus samen:
“De drie grondtonen in het danklied van een Avondmaalsganger:
1. De ondertoon van de ellende
2. De hoofdtoon van de verlossing;
3. De boventoon van de dankbaarheid”.
Wie over dit thema en de aandachtspunten doordenkt, komt als vanzelf tot vragen als: wat is de toonaard van mijn bestaan? Wat is de toonsoort van ons bestaan?
Dat mag gerust de juichtoon van de overwinning zijn!
Wij horen die toon in Jozua 6. In dat hoofdstuk gaat het over de val van de stad Jericho. Wij lezen daar:  “Zeven priesters moeten voor de ark uit zeven ramsbazuinen dragen. En u moet op de zevende dag zeven keer rondom de stad gaan, en de priesters moeten op de bazuinen blazen. En het zal gebeuren, als men de langgerekte toon op de ramshoorn blaast, als u het bazuingeschal hoort, dat heel het volk een luid gejuich zal aanheffen. Dan zal de stadsmuur instorten en het volk moet eroverheen klimmen, ieder recht voor zich uit”.
Wij horen die juichtoon ook klinken in Psalm 109:
“Ik zal de Heere met mijn mond op luide toon loven,
te midden van velen zal ik Hem prijzen.
Want Hij zal aan de rechterhand van de arme staan
om hem te verlossen van hen die zijn ziel veroordelen”[1].

Het verhaal over de val van Jericho is wel bekend. Jericho wordt ingenomen. Alle stedelingen vinden de dood. Alleen Rachab, de hoer, wordt samen met haar familie gered. Waarom? Antwoord: zij heeft onderdak gegeven aan de verkenners die in opdracht van Jozua het gevechtsterrein geïnspecteerd hebben. 
Juist die hoer krijgt een voorname plaats in de heilshistorie. Denkt u maar aan Mattheüs 1: “Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï”. En aan Hebreeën 11: “Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen, omdat zij de verkenners met vrede had ontvangen”. En aan Jacobus 2: “En de Schrift is vervuld die zegt: “En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd. U ziet dus nu dat een mens uit werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit geloof. En is Rachab, de hoer, niet op dezelfde manier uit werken gerechtvaardigd, toen zij de boden heeft ontvangen en langs een andere weg heeft laten weggaan? Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood”[2].

Rachab heeft dus een voorname plaats in het plan dat God met deze wereld heeft.
Welnu, alle burgers van Gods koninkrijk hebben een plaats in dat Goddelijke plan.
Van al die burgers Gods kinderen wordt geloof gevraagd.
Van al die burgers wordt activiteit gevraagd.
In al ons werk behoren wij de God van het verbond te loven. Nee, wij hoeven niet de hele dag te lopen zingen. Wij kunnen de Verbondsgod ook eren achter onze bureaus, in de omgang met onze kinderen of bij het afwaswater. Juist in de gewone dagelijkse dingen blijkt de verbondenheid met onze God.
Vandaag de dag hebben velen de mond vol over verbinding. In allerlei variaties wordt te berde gebracht: ‘Zoek verbinding en ondersteun elkaar waar dat nodig is. Besteed aandacht aan de mensen in de kerk en zie, als het even kan, ook om naar de mensen die buiten de kerk zijn’.  En inderdaad, dat alles is een goede zaak. Maar de belangrijkste band die er in het aardse bestaan is, is die met de Verbondsgod!

Psalm 109 is een gebed van David. Hij wordt achternagezeten en zwaar bedreigd!
David bidt voor zijn vervolgers. Maar hij vraagt ook om Gods wraak. Hij wenst zijn vijanden toe dat zij gestraft worden. Hij wenst hen toe dat hun aardse bestaan wordt ingekort!
David windt er dus geen doekjes om.
Maar hij vraagt zelf om Gods goedertierenheid. Hij vraagt nadrukkelijk om Gods hulp. Want dan begrijpt iedereen: hier heeft de almachtige God de hand in! En Davids belagers? Zij schuiven beschaamd naar de achtergrond…
David weet het honderd procent zeker: dan is er alle reden voor een juichtoon. Dan is er reden voor muziek in majeure akkoorden.

Wat is de toonsoort van ons bestaan?
Laat ons bestaan maar de boventoon van de dankbaarheid hebben. Wij mogen blij wezen dat wij een machtige God die ons dag aan dag beschermt. Wij mogen blij zijn dat Gods Zoon ons door Zijn lijden, sterven en opstanding verlost heeft van de zondeschuld.
De apostel Paulus wijst daar nadrukkelijk op in Romeinen 8: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? Zoals geschreven staat: Want omwille van U worden wij de hele dag gedood, wij worden beschouwd als slachtschapen. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad. Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere”.
Als gelovigen dat beseffen blijven zij niet steken in de donkere tonen van het pedaal.
Integendeel. Dan wordt hun handel en wandel één langgerekte juichtoon![3]

Noten:
[1] De in deze alinea aangeduide preek werd gehouden door dominee M. Dijkstra, predikant van De Gereformeerde Kerk Assen en omstreken. Dominee Dijkstra hield de preek op zondag 18 september 2022 in de morgendienst van De Gereformeerde Kerk Groningen. DGK Groningen komt bijeen in de Goede Herderkerk te Bedum. 
In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Jozua 6:4,5 en Psalm 109:30.
[2] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Mattheüs 1:5, Hebreeën 11:31 en Jacobus 2:23-26.
[3] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Romeinen 8:35-39.

Een bewerking van dit artikel zal het voorwoord (‘Allereerst’) zijn in het Gereformeerd familieblad De Bazuin, editie 16-09 (oktober 2022).

9 september 2022

Voor eeuwig gekroond

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Er komt een moment dat ons de kroon van het leven aangereikt zal worden. Het is een grote troost dat wij dat mogen weten. De dichter van Psalm 8 – dat is David – maakt er al iets van duidelijk. De onbetekenende sterveling heeft een positie die weinig minder is dan de engelen. De mens is zelfs “met eer en glorie gekroond”.
Daar is die kroon.
Wij bladeren vandaag wat verder in de Psalmen. Wij komen uit bij Psalm 21. Ook daar is David aan het woord:
“Heere, de koning verblijdt zich over Uw macht.
Hoezeer is hij verheugd over Uw heil!
De wens van zijn hart hebt U hem gegeven;
het verzoek van zijn lippen hebt U hem niet onthouden.
Want U komt hem tegemoet met rijke zegeningen;
op zijn hoofd zet U een kroon van zuiver goud[1].

De koning is heel blij dat Hij de Verbondsgod kent. Die God was er altijd. Die God is ook nu present en volop actief. En ook in de toekomst zal God steeds aanwezig wezen. Die God is, om het met een oude term te zeggen, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. Dat alles kan niemand overzien; ook de koning niet. Niettemin is het een magnifieke waarheid. En het is ook een troostrijke werkelijkheid.

Koning David spreekt over een gouden kroon.
Wellicht is hier de kroon bedoeld die van de koning van de Ammonitische stad Rabba is afgepakt. Daarover lezen we in 2 Samuel 12: “En hij nam de kroon van hun koning van diens hoofd, waarvan het gewicht, mét het edelgesteente, een talent goud was, en die werd op Davids hoofd gezet”[2].

Die kroon is nog maar het begin.
David spreekt over eeuwig leven.
David spreekt over majesteit, eer en glorie die Hem gegeven is door de God van hemel en aarde.
David over de grote zegen die Hem tot in eeuwigheid beschoren is.
David spreekt zijn vertrouwen in de Here uit. De God die in het verleden heel rijke zegeningen gegeven heeft, zal ook in de toekomst onvoorstelbare dingen doen. Jezus Christus, de Heiland, zal komen om te betalen voor onze zonden. Hij is de grote Koning die tot in eeuwigheid leven zal! De apostel Petrus schrijft over Hem in zijn tweede algemene brief: “Want wij zijn geen kunstig bedachte verzinsels gevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Heere Jezus Christus bekendmaakten, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit. Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, toen een stem als deze van de verheven heerlijkheid tot Hem kwam: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb”.
Laten wij het zo zeggen: omdat Jezus Christus in Zijn lijden een doornenkroon gedragen heeft, kunnen wij voor eeuwig gekroond worden. Wij behoren, om zo te zeggen, bij de Koninklijke Familie[3].

Wie de Heiland aan zijn zijde heeft weet zeker dat alle tegenstanders van de hoge God overwonnen worden. Als het erop aan komt blijken de opponenten van de hoge God maar bitter weinig tot stand te brengen. Geen wonder – wie een doelwit is van Gods toorn wordt uiteindelijk weggevaagd![4]

Als het over het tweede deel van Psalm 21 gaat is het leerzaam om dichter en theoloog Huub Oosterhuis in beeld te schuiven.
Hoe luidt dat tweede deel precies?
“Uw hand zal al Uw vijanden vinden,
Uw rechterhand zal hen die U haten, vinden.
U zult hen als een vurige oven maken,
ten tijde dat U Uw aangezicht laat zien.
De Heere zal hen in Zijn toorn verslinden,
het vuur zal hen verteren.
Want zij hebben kwaad tegen U beraamd;
zij hebben een listig plan bedacht,
maar zijn tot niets in staat.
Want U zult hen tot een doelwit maken,
met Uw boog zult U op hun gezicht richten”.
Huub Oosterhuis vindt deze psalm nationalistisch. Uit een editie van het Nederlands Dagblad citeren we: “Moeilijk had de dichter het ook met Psalm 21. ‘Ik heb erboven gezet: Zang en tegenzang. Het eerste deel gaat over een god waarover ik niet zingen wil. Hij is nationalistisch en wreed. Dat past niet bij de God van Psalm 103. Daarom begint de tegenzang met de woorden ‘Zing dit liedje niet verder’. Er is in de bijbel sprake van een soort godsverwarring. Het is een boek door mensen geschreven en ze hebben daarin geprobeerd hun ervaring, vermoeden, intuïtie en hoop vorm te geven. Dat is gebeurd met zo’n kracht aan vertroosting, dat ik wil zeggen dat het een goddelijk boek is, een boek van de geest”.
Oosterhuis meent dus dat de Psalmen niet Goddelijk geïnspireerd zijn. Het zijn liederen van mensen. Hoger dan de aarde komen die mensen slechts met grote moeite. Als zij heel erg hun best doen…, ja dan hebben zij misschien iets van een godservaring[5].

Echter – ook voor Psalm 21 geldt dat bekende woord uit 2 Petrus 1: “Dit moet u allereerst weten, dat geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat; want de profetie is destijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mensen van God, door de Heilige Geest gedreven, hebben gesproken”.
Met andere woorden: de Here geeft David de gelegenheid om ver vooruit te kijken.
En jazeker, de Here geeft ook ons alle ruimte om in de toekomst te kijken.
Nee, meer dan contouren zien wij niet.
Wij zien niet meer dan nodig is voor ons behoud.
En wij weten het: wij ontvangen te Zijner tijd de kroon van het leven. De Here heeft het laten opschrijven in Openbaring 2: “Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven”.
Laten wij het maar vasthouden: de hemelse God geeft Zijn kinderen de kroon op het levenswerk![6] 

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Psalm 8:6 en vervolgens Psalm 21:1-4.
[2] 2 Samuel 12:30.
[3] In deze alinea citeer ik 2 Petrus 1:16,17. Verder gebruik ik Marcus 15:17 en Johannes 19:15.
[4] In deze alinea gebruik ik Psalm 21:9-14.
[5] In deze alinea citeer ik Psalm 21:9-13. Verder citeer ik uit: “Oude godservaringen voor nu – Huub Oosterhuis’ vrije interpretatie van de Psalmen”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 9 november 2011, p. 7.
[6] In deze alinea citeer ik 2 Petrus 1:20,21.

6 september 2022

De heilshistorie belicht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

In de brief aan de Hebreeën gaat het over het Hogepriesterschap van de Here Jezus.
Wij worden gemaand om ons te concentreren op Jezus, de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis. Hij is de echte Rust-brenger.
Hij is de grote Hogepriester in de hemel, die medelijden heeft met de zwakheden van de zijnen.
Hij is meer dan Aäron, de oudtestamentische hogepriester. In volmaakte gehoorzaamheid heeft Hij voor onze zonden betaald.
Dat is de kern van de brief aan de Hebreeën.
En waar begint het dan mee in Hebreeën 1? Een Gereformeerde dominee vat dat hoofdstuk aldus samen: de heerlijkheid van haar Heer verplicht de gemeente om acht te slaan op Zijn Woord[1].

In de brief aan de Hebreeën wordt vaak naar het Oude Testament verwezen. De briefschrijver wil duidelijk maken: het Oude en Nieuwe Testament horen bij elkaar. In beide delen van de Bijbel wordt iets duidelijk van de manier waarop Gods heil tot stand komt. De lijn van de heilshistorie wordt scherp getrokken.

Laten wij elkaar wijzen op Psalm 2. De psalmist zegt:
“Ik zal het besluit bekendmaken:
De Heere heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
Eis van Mij en Ik zal U de heidenvolken als Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit”.
Door het werk van de Heilige Geest wijst de schrijver op Jezus Christus, de Heiland. De psalmist begrijpt waarschijnlijk zelf niet wat hij opschrijft. Maar het stáát er. De Heilige Geest verheldert dat Jezus Christus een grote greep heeft. Het werk van onze Heiland is wereldomvattend![2]

Laten wij elkaar wijzen op 2 Samuel 7.
De profeet Nathan moet namens de Here tegen David zeggen: “Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen. Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat wil zeggen: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok als van mensen en met slagen als van mensenkinderen. Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw ogen weggenomen heb. Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn”.
Uit David zal dus een complete dynastie voortkomen.
De hemelse Heer sluit een verbond.
Jezus Christus is de Zoon die uiteindelijk de grote Tempelbouwheer wordt[3].

Laten wij elkaar wijzen op Psalm 97.
Wij lezen daarin:
“Beschaamd moeten zijn allen die beelden dienen
en zich op de afgoden beroemen.
Buig u voor Hem neer, alle goden.
Sion heeft het gehoord en zich verblijd,
de dochters van Juda hebben zich verheugd
vanwege Uw oordelen, Heere”.
De God van hemel en aarde ontvangt alle hulde. Gezaghebbers uit de hele wereld zullen Hem bij Zijn terugkomst eerbiedig tegemoet treden. Alle machthebbers zullen het beseffen: hier is onze Meerdere[4].

Laten wij elkaar wijzen op Psalm 104. Daar zingt de psalmschrijver:
“Hij maakt Zijn engelen tot hulpvaardige geesten,
Zijn dienaren tot vlammend vuur”.
De Koning van de kosmos heeft een heel leger van paleispersoneel dat Hem ten dienste staat![5]

Laten wij elkaar wijzen op Psalm 45. In dat kerklied staat:
“Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd;
de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid.
U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,
met vreugdeolie, boven Uw metgezellen”.
Dat kerklied bezingt de heerlijke relatie van de Gezalfde van de Here met Zijn bruid, de kerk.
Dat is ook het niveau van Hebreeën 1![6]

Laten wij elkaar wijzen op Psalm 102:
“Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;
zij alle zullen verslijten als een kleed.
U zult ze verwisselen als een gewaad
en zij zullen verdwijnen.
Maar U blijft Dezelfde,
aan Uw jaren zal geen einde komen.
De kinderen van Uw dienaren zullen veilig wonen,
hun nageslacht zal voor Uw aangezicht bevestigd worden”.
De aarde, en alles wat daarin en daarop woont, ontwikkelt zich voortdurend. Er worden nieuwe ontdekkingen gedaan. Maar God is al volmaakt. Er valt niets meer te ontwikkelen. Er valt niets meer te verhogen. Want Hij is al de hoogste God. Hij blijft altijd op dezelfde hoogte![7]

Laten wij elkaar wijzen op Psalm 110.
David proclameert daar:
De Heere heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
tot een voetbank voor Uw voeten”.
En:
“De Heere is aan Uw rechterhand,
Hij verplettert koningen op de dag van Zijn toorn”.
De Here Jezus Christus is dus de grote Overwinnaar![8]

Hebreeën 1 tekent een lijn uit. Dat is de lijn van de heilshistorie. Die heilshistorie wordt werkelijkheid. Waarom? Omdat de God van hemel en aarde almachtig en genadig is.
Dat is de achtergrond van Hebreeën 1.

Noten:
[1] In deze alinea refereer ik aan Hebreeën 3:1, Hebreeën 4:14,15 en Hebreeën 5:1-10. Verder gebruik ik https://www.christipedia.nl/wiki/Hebreeënbrief ; geraadpleegd op woensdag 31 augustus 2022. En: Ds. L. Selles (samensteller), “De brief aan de Hebreeën – schetsen voor behandeling op Gereformeerde J.V.”. – [Zaltbommel:] Nederlandse Bond van Gereformeerde J.V., z.j., p. 7,8. Van de laatstgenoemde publicatie heb ik ook verderop in dit artikel dankbaar gebruik gemaakt.
[2] In deze alinea citeer ik Psalm 2:7,8.
[3] In deze alinea citeer ik 2 Samuel 7:12-16.
[4] In deze alinea citeer ik Psalm 97:7,8.
[5] In deze alinea citeer ik Psalm 104:4.
[6] In deze alinea citeer ik Psalm 45:7,8.
[7] In deze alinea citeer ik Psalm 102:27-29.
[8] In deze alinea citeer ik Psalm 110:1 en Psalm 110:5.

Materiaal uit dit dit artikel zal, zo de Here wil, gebruikt worden in een inleiding over Hebreeën 1. De inleiding wordt gelezen tijdens een vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering is gepland op woensdagavond 28 september 2022.

22 augustus 2022

Troost bij veel onrechtvaardigheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Men kan moeilijk volhouden dat het op alle fronten een rustige zomer is. Het is al vaak opgemerkt: we gaan in Nederland van crisis tot crisis steeds voort. Het is zelfs voorstelbaar dat soms de vraag opkomt: zullen we emigreren?
Onder meer onze agrariërs hebben te maken met een situatie waarin weinig perspectief is. In de bouwwereld is het ook al niet makkelijk. En zo zijn er heel veel sectoren waar de zaken nogal ingewikkeld liggen.  Miscommunicatie en onwil van overheidswege maken de bedrijfsvoering soms buitengewoon moeilijk. En laten we er niet omheen draaien: er is vaak ook regelrechte onrechtvaardigheid aan de orde.

Wat moeten wij met al die onrechtvaardigheid beginnen? Het bederft ons werkplezier. Wij worden er knap narrig van. En wellicht schreeuwen wij in ons binnenste: Here God, doe er toch wat aan! U ziet toch wel dat het zo niet verder kan?

Die onrechtvaardigheid komt in Psalm 82 uitgebreid in beeld. Kijkt u maar mee in vers 1 en 2:
“God staat in de vergadering van God,
Hij oordeelt te midden van de goden:
Hoelang zult u onrechtvaardig oordelen
en de goddelozen bevoordelen?
Doe recht aan de geringe en de wees,
bewijs de ellendige en de arme gerechtigheid.
Bevrijd de geringe en de arme,
ontruk hem aan de hand van de goddelozen”[1].

De hemelse God staat dus tussen de goden. Wie zijn die goden? In een Studiebijbel wordt geschreven: “Het is voor ons moeilijk om een beeld te vormen hoe het precies zit met de ‘goden’. God blijkt macht te hebben gedelegeerd aan hemelse wezens, maar houdt zelf de eindverantwoordelijkheid. Hij kan de macht van de goden afnemen wanneer Hem dat goeddunkt. Wanneer de goddelijke wezens niet doen wat God wil, namelijk het recht handhaven, trekt Hij de bevoegdheden in. Het kan zelfs zover gaan dat ze niets goddelijks overhouden en hun onsterfelijkheid verliezen”.
Maar wie zijn die hemelse wezens dan? Engelen, wellicht? Het blijft allemaal wat vaag.
Professor J. Douma houdt het erop dat het om mensen gaat die door Hem tot koninklijke macht verheven zijn. Men kan in dit verband ook wijzen op Exodus 4, waar duidelijk wordt dat Mozes bij Aäron een god is. God zegt tegen Mozes: “En híj – dat is Aäron –  zal voor u tot het volk spreken. Dan zal het zó zijn: Híj zal voor u tot een mond zijn en ú zult voor hem tot een god zijn”. Natuurlijk – dat is een god met een kleine letter. Maar het is duidelijk dat God Zijn macht en kracht op Mozes laat afstralen.
Hoe dat ook zij: de oppermachtige God spreekt in deze psalm de machthebbers op aarde aan[2].

Hoe lang gaat dat nog door met die onrechtvaardigheid? Blijft de situatie zo dat mensen die God stelselmatig negeren bevoordeeld worden? Er moet recht gedaan worden aan mensen die oorlogsgebieden ontvluchten. Mensen die in deze harde maatschappij niet sterk staan moeten geholpen worden. Mensen die onrechtvaardig behandeld worden moeten krijgen waar zij recht op hebben; alsnog, en zo snel mogelijk.
Daarmee zijn de klachten en verzuchtingen in deze psalm samengevat.

Ondanks alles lopen wij het gevaar dat dit kerklied tamelijk ver van ons af staat. Wij kunnen de handelwijze van machtige functionarissen meestentijds niet beïnvloeden. Koningen wonen in kastelen, gewone mensen domiciliëren vaak in een rijtjeshuis. Het verschil is volkomen helder.
Maar wat moeten wij dan wel doen?
Wat is onze taak in deze wereld?
Wij behoren de wereldpolitiek te volgen. Het belangrijkste daarbij is dat wij steeds beter gaan zien hoe en waar onze goede God werkt.
Laten wij onze medemensen waardig behandelen. Mensen zijn, zegt Psalm 8, weinig minder dan de engelen. Mensen zijn zelfs met eer en glorie gekroond.
Wij zullen mensen die van God gezag hebben ontvangen moeten respecteren. Dat valt niet altijd mee. Overheden doen niet altijd recht. Door hen uitgevaardigde wetten gaan soms recht tegen het Woord van God in. Er zijn in Nederland legio mogelijkheden om te protesteren. Indien nodig mogen wij daar gebruik van maken.
Onze God heeft ons de opdracht gegeven om te bidden voor koningen en andere gezagsdragers. Denkt u maar aan 1 Timotheüs 2: “Ik roep er dan vóór alles toe op dat smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen, voor koningen en allen die hooggeplaatst zijn, opdat wij een rustig en stil leven zullen leiden, in alle godsvrucht en waardigheid”.
Wij mogen getuigen van de hoop die in ons is[3].

En er is één ding dat wij eerst en vooral moeten doen. Wij moeten in ons gebed naar God toe gaan, en Hem dringend vragen om rechtvaardig handelend tussenbeide te komen:
“Sta op, o God, oordeel de aarde,
want Ú bezit alle volken”.
Onze God is oppermachtig. Hij staat boven alle machthebbers van deze wereld. Hij is, goed beschouwd, de Koning van de kosmos.
Wie zijn klachten, smekingen en wanhopige vragen bij de hoge God neerlegt mag er op vertrouwen dat er wat gedaan wordt aan de problemen die wij Hem voorleggen. Misschien gebeurt dat niet op de manier die wij voor ogen hebben. Wellicht komt het Goddelijk ingrijpen veel later dan wij gedacht hadden. Maar het is zeker: de Here zal handelend optreden. Hij is volop actief! Ook in 2022[4].

Noten:
[1] Psalm 82:1-4.
[2] In deze alinea citeer uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Psalm 82 (‘Boodschap’). Uit Gods Woord citeer ik Exodus 4:16. Verder gebruik ik: Dr. Jochem Douma, “Psalmen – commentaar op Psalm 76-110”. – p. 88.
[3] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord 2 Timotheüs 2:1,2. Verder gebruik ik: Douma, a.w., p. 91.
[4] In deze alinea citeer ik Psalm 82:8.

Een bewerking van dit artikel zal het voorwoord (‘Allereerst’) zijn in het Gereformeerd familieblad De Bazuin, editie 16-08 (september 2022).

19 augustus 2022

Ga met ons en doe als wij

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“Ik was verheugd, toen men mij zei:
Laat ons naar ’t huis des Heren gaan,
om voor Gods aangezicht te staan.
Kom ga, met ons en doe als wij”.
Dat zijn populaire woorden uit Psalm 122. In de Heilige Schrift klinken die woorden als volgt:
“Ik ben verblijd, wanneer zij tegen mij zeggen:
Wij zullen naar het huis van de Heere gaan!
Onze voeten staan
binnen uw poorten, Jeruzalem!”[1]

De meeste verklaarders van Psalm 122 zijn van mening dat deze psalm niet van David kan zijn. In zijn tijd was Jeruzalem geen imposante stad. De tempel was er nog niet. In de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint, ontbreekt de aanduiding ‘Van David’ ook.
Professor Jochem Douma situeert het lied in de tijd van of na Nehemia[2].

Wie reizen er in deze psalm naar Jeruzalem? En ter gelegenheid waarvan vindt die reis plaats? Heel duidelijk wordt dat in dit lied niet.
Er is wel blijdschap over het arriveren binnen de poorten van Jeruzalem.
Dat gevoel van vreugde komt wellicht wat overdreven over. Is dit niet te theatraal? Jazeker, het is een goede gewoonte om naar de kerk te gaan. Daar horen wij Gods Woord. Dat Woord is enthousiasmerend. Of ontroerend, misschien. Maar om nu te zeggen dat het ons telkenmale een vreugde is om ter kerke te tijgen – dat gaat wat te ver…
Als wij aannemen dat dit lied ons naar Nehemia’s tijd brengt, of misschien zelfs naar de periode die daarop volgt, wordt de situatie van deze psalm al snel wat duidelijker. Professor Douma noteert daaromtrent: “De tijd gaat verder, ook de tijd van de heilsopenbaring. De ballingschap was niet slechts een intermezzo. Zij betekende het einde van Davids dynastie met haar politieke invloed. Nu wordt het volk van God meer naar binnen toegekeerd, zonder zich nog op enige grootheid in de toenmalige wereld te kunnen beroemen. Hoe is haar verhouding tot ‘het huis van Jahwe’? Hoe is het met de onderlinge verhoudingen gesteld?”.
Op dit punt wordt ook onze attentie gevraagd[3].

Want onze kerkgang is een gewoonte. Maar ach, wij kunnen zomaar denken: van een keer overslaan wordt niemand minder Gereformeerd.
Op zichzelf is dat waar.
Maar als dat overslaan met een zekere regelmaat gebeurt worden wij nonchalanter in de eerbied voor onze God.
Gods blijde Boodschap wordt binnen de kortste keren minder belangrijk. Toegegeven: een beetje minder belangrijk. Maar toch.
In ons persoonlijke leven is de drie-enige God al snel wat minder prominent aanwezig.
Op de keper beschouwd is het bovendien zo dat de kerk zich anno 2022 niet kan beroemen op enige macht of grootsheid. Op dit punt is Psalm 122 dus reuze actueel.

Vroeger zeiden de mensen: ‘Als het zo uitkomt wil ik best nog eens naar een kerkdienst toe. En zéker wel als die dienst wat toegankelijker is’. Maar dat besef is weg. Kerkdiensten slaan niet meer aan, of het nu reguliere bijeenkomsten of laagdrempelige diensten zijn. Naar de kerk gaan is in de huidige maatschappij iets dat onder de buitenissige activiteiten wordt gerubriceerd.
Echter – juist in een dergelijke samenleving is het belangrijk dat gelovige kerkmensen samenkomen. Wij weten toch dat de drie-enige God ons wil ontmoeten?
Als wij naar de kerk gaan dienen we ons te realiseren dat we op de schouders van onze voorvaderen staan. Wij volgen hun voorbeeld. Wij zijn met hen verbonden.

Daar komt nog wat bij.
In de afgelopen jaren leefden wij in de coronacrisis. Het COVID 19-virus ging rond. Maanden lang waren kerkgang en onderling contact niet mogelijk. Momenteel heeft dat virus veel minder invloed. Maar niemand weet wanneer het de kop weer opsteekt.
COVID-19 heeft er ook voor gezorgd dat wij voorzichtiger zijn geworden. Wij melden ons sneller ziek en blijven vaker thuis.
Thuiswerken is tamelijk gewoon geworden.
En kerkgang? Nu ja, de kerk heeft meestentijds online beeld en geluid geregeld. Thuisblijven is dus ook op het terrein van de kerk gemakkelijker geworden.
In die omstandigheden weerklinkt Psalm 122 des te dringender. Laat de betrokkenheid op de kerk en op elkaar groot blijven. En laten we elkaar maar stimuleren: “Laat ons naar ’t huis des Heren gaan!”.

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik regels uit Psalm 122:1 – Gereformeerd Kerkboek-1986. En uit Gods Woord Psalm 122:1,2.
[2] In deze alinea en ook verderop in dit artikel maak ik gebruik van: Dr. Jochem Douma, Psalmen – commentaar op Psalm 111-150”. – p. 115 en volgende.
[3] In deze alinea citeer ik uit Douma, a.w., p. 119. Zie verder noot 2.

9 augustus 2022

Welzalig is het kerkvolk!

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Welzalig het volk dat de Heere tot zijn God heeft,
het volk dat Hij Zich als eigendom verkozen heeft”.
Aldus Psalm 33.
Even verderop in die psalm staat:
“Zie, het oog van de Heere is over wie Hem vrezen,
op hen die op Zijn goedertierenheid hopen,
om hun ziel te redden van de dood
en hen in het leven te behouden, wanneer er honger is”.
Dat zijn nog ês troostrijke woorden voor het kerkvolk!
Mensen die door God zijn uitgekozen zijn altijd en overal beschermd. Niets kan ons deren.
De God van het verbond houdt altijd het oog op ons. Hij houdt ons de gaten. Hij is voortdurend bij ons. Wij leven met Hem in een prachtige leefgemeenschap. Een Verbondsgemeenschap. Wat is dat? Het Gereformeerde formulier voor de doop omschrijft die zo: “de afwassing van onze zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven. Zo zullen wij tenslotte volkomen rein in het eeuwige leven een plaats ontvangen te midden van de gemeente der uitverkorenen”[1].   

Psalm 33 bezingt Gods almacht.
Een paar woorden waren genoeg om de aarde te scheppen, compleet met alles wat daarop en daarin is.
Hoe groots en krachtig menselijk spreken en handelen ook is, onze God was en is altijd groter. En dat zal ook altijd zo blijven. Dat wil niet zeggen dat God altijd ingrijpt op de manier die mensen zouden wensen. Maar het is duidelijk dat de hemelse God de Zijnen verlossing aanbiedt.

De volksgenoten van die natie bevinden zich overal ter wereld. Mensen uit verschillende culturen, die verschillende talen spreken, behoren bij dat volk dat God zich verkiest. Hij zorgt er Zelf voor dat mensen bij Hem komen. Psalm 65 spreekt daar ook van:
“Welzalig is hij die U verkiest en doet naderen,
die mag wonen in Uw voorhoven;
wij worden verzadigd met het goede van Uw huis,
met het heilige van Uw paleis”.
Iemand schreef eens: “God kiest ons voor Zich uit opdat geen ander ons zou kiezen. Dat is werkelijk de troost van de verkiezing. Het hangt uiteindelijk niet van mijn keus af maar van Gods keus. Ik kan zo vaak de draad van het geloof niet in mijn handen vasthouden, het slipt er soms doorheen, maar in Gods hand is die draad veilig en vast!”. Ja, zo is het[2].

De alziende God houdt Zijn welwillende en vriendelijke blik op ons gericht. De Christelijke Gereformeerde professor W.H. Velema (1929-2019) schreef daarover: “Gods ogen spreken de taal van Zijn hart, zowel in ontferming als in boosheid over zonden van mensen. Wat een voorrecht dat God ons in de Bijbel getekend wordt als de God met een gezicht. Dat wil zeggen dat Hij ogen, oren en een mond heeft. Op tal van plaatsen lezen we dat God ziet, luistert en spreekt. Hij is de levende God, wat uitkomt in Zijn blik en in Zijn aangezicht”.
Professor Velema spoorde zijn lezers aan “om te bedenken en te betrachten dat we ook in onze blik beeld van God mogen zijn. Dat wil zeggen, mogen weerspiegelen wat Hij met Zijn oog tot ons zegt. Dat kan alleen door de Heilige Geest. Zo hebben we aan de psychologie van de blik een hogere dimensie ontdekt”[3].     

“Zie, het oog van de Heere is over wie Hem vrezen”, zingt Psalm 33.
Wij moeten de God die ons redding geeft eerbiedigen.
Wij behoren Zijn leiding in ons leven te respecteren.
Het is onze taak Hem te aanbidden. Niet alleen in ons gebed, maar ook in de kwaliteit van ons werk en de liefde voor onze naasten. Daarbij kunnen wij niet volstaan met half werk.
Heel veel wereldburgers denken dat dat laatste best kan.
Wilt u daarvan een voorbeeld? Vooruit dan.
Neem nu CDA-politicus Pieter Heerma. In het Reformatorisch Dagblad memoreerde hij onlangs dat hij ten strijde trekt tegen de doorgeslagen individualisering. “Als je alles relativeert, eindig je in procespolitiek die alleen uitgaat van het nut. Ik heb een natuurlijke neiging tot agnostiek, het niet weten of er een hogere macht bestaat. Ik hoop dat onze lieve Heer me dat vergeeft. De afgelopen jaren ben ik wel religieuzer geworden. (…) Ik kan niet in de toekomst kijken, maar ik sluit niet uit dat ik ooit weer in de kerk beland. Het is een zoektocht”.
Die natuurlijke neiging tot agnostiek hebben alle mensen.
Een lied als Psalm 33 wijst ons echter met nadruk op de Verbondsgemeenschap met God. En nee, dat is geen leefgemeenschap waar wij naar believen naar binnen en naar buiten kunnen lopen. Als er één ding in de drieëndertigste psalm duidelijk wordt is het dat wel[4].

Noten:
[1] Uit Psalm 33 citeer ik de verzen 12,18 en 19.
[2] In deze alinea citeer ik Psalm 65:5. Verder citeer ik uit: M.J. Middelkoop, “Een gelukwens van hoger hand”. In: Alle den volcke – blad van de Gereformeerde Zendingsbond (GZB) –, zondag 1 september 1991, p. 3.
[3] Dit citaat komt uit: W.H. Velema, “Psychologie van de blik”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 25 september 1999, p. 24.
[4] In deze alinea citeer ik uit: “C.S. Lewis inspiratiebron voor Heerma”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 3 augustus 2022, p. 24,25.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.