gereformeerd leven in nederland

13 juni 2018

Mooi voor de bruiloft

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Vandaag begint de heerlijkheid. Vandaag doet de Here nog wonderen!
En dus moeten we er hard aan trekken. We moeten volmaakt worden. We moeten beter worden. Vromer. Godsdienstiger!

Dergelijke redeneringen hoor je nog wel eens in evangelische kringen.
Niet zelden krijg je de indruk dat protestanten – Gereformeerden inbegrepen – door christenen uit de evangelische hoek beschouwd worden als slapjanussen.
Want protestanten geven het veel te gauw op. Omdat er te weinig verandert blijven zij maar gewoon in hun stoel zitten. Dat zou verboden moeten worden!

Toegegeven – het bovenstaande is wat gechargeerd. Overdreven. Ietsje vertekend, wellicht.
Maar de vraag is duidelijk: moeten we in de Gereformeerde wereld vaker op jacht naar de volmaaktheid?

Wie die vraag beantwoorden wil, kan terecht in de Dordtse Leerregels.

Dat belijdenisgeschrift werd opgesteld in 1618/’19. Dat gebeurde in Dordrecht; te Dordt dus.
Daar werd de Gereformeerde leer nog eens opgeschreven. Het werden dus leer-regels.

Er werd bezwaar gemaakt tegen de redenering van de remonstranten. Die redenering hadden zij opgeschreven in de remonstrantie: dat is een bezwaarschrift, een verweerschrift.
De remonstranten zeiden:
* de mens is in staat om zichzelf te verlossen
* er zit nog wel iets van goede wil in hem
* als hij echt wil, krabbelt hij op eigen kracht wel weer een stukje omhoog, uit het dal.
De Gereformeerden zeggen: wij zijn helemaal afhankelijk van Gods redding, en van Zijn genade.

De Dordtse Leerregels zeggen ook: op eigen kracht word je niet volmaakt.
Dat klinkt bijvoorbeeld zo.

De zonde is niet uit het leven van Gods kinderen verdwenen.
“Hierdoor zondigen zij in hun zwakheid elke dag weer en zelfs aan de beste werken van de heiligen kleven gebreken. Dit geeft hun voortdurend reden zich voor God te verootmoedigen en hun toevlucht tot de gekruisigde Christus te nemen. Ook gaan zij daardoor steeds meer het vlees doden door de Geest der gebeden en door zich te oefenen in een godvrezend leven en zij verlangen vurig naar het bereiken van de volmaaktheid. Dit doen zij, tot zij, verlost uit het lichaam des doods, met het Lam van God in de hemelen zullen regeren”[1].

Het staat er dan toch maar: “zij verlangen vurig naar het bereiken van de volmaaktheid”.
Dat is rigoureus. Radicaal.
En ja, dat is de Bijbel ook.

De apostel Paulus schrijft aan de christenen in Colosse, Colossenzen 3: “Dood dan uw leden die op de aarde zijn: ontucht, ​onreinheid, hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht, die ​afgoderij​ is”[2].
Doden nog wel!

Paulus schrijft aan Timotheüs: “Maar verwerp de onheilige en onzinnige verzinsels en oefen uzelf in de godsvrucht”[3].
Onheilige en onzinnige verzinsels verwerpen – alsof het niks is!

Paulus wil, hoe dan ook, opstaan uit de dood. Net als Jezus Christus, de Eersteling. Aan de christenen in Philippi schrijft hij: “Niet dat ik het al verkregen heb of al volmaakt ben, maar ik jaag ernaar om het ook te grijpen. Daartoe ben ik ook door ​Christus​ ​Jezus​ gegrepen. Broeders, ikzelf denk niet dat ik het gegrepen heb, maar één ding doe ik: vergetend wat achter is, mij uitstrekkend naar wat voor is, jaag ik naar het doel: de prijs van de roeping van God, die van boven is, in ​Christus​ ​Jezus”[4].
Jagen, uitstrekken – er moet nogal wat gebeuren!

Maar de volmaaktheid bereiken we hier op aarde niet.
Wij blijven zondig.
Wij moeten steeds beseffen dat wij, vergeleken met God, slechts klein en onbetekenend zijn.
Steeds moeten wij ons realiseren dat Jezus Christus voor ons aan het kruis heeft gehangen en dat Zijn lijden en opstanding de enige basis vormen voor onze redding.

Nee, de volmaaktheid bereiken we hier op aarde niet.
Maar we bereiden ons er wel op voor. We willen er op ons mooist uit zien. In ons mooiste pak. In een schitterende trouwjurk, misschien wel met sleep. Lang van tevoren wordt iedereen die maar enigszins belanghebbend zou kunnen zijn, officieel ingelicht.

De toestand van Mattheüs 22 is volkomen onbestaanbaar.
U weet wel: “Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zeker ​koning​ die voor zijn zoon een bruiloft bereid had, en hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor de bruiloft te roepen. Maar zij wilden niet komen. Opnieuw stuurde hij dienaren eropuit, andere, en hij zei: Zeg tegen de genodigden: Zie, ik heb mijn middagmaal gereedgemaakt; mijn ossen en de gemeste dieren zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed. Kom naar de bruiloft. Maar zij sloegen er geen acht op en gingen weg, de één naar zijn akker, de ander naar zijn zaken”[5].

Nee, zo doen wij dat niet in de kerk.
In de kerk verwachten we Jezus Christus terug, onze Bruidegom.

Hosea heeft er al over geprofeteerd: “Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen: ja, Ik zal u tot Mijn bruid nemen in ​gerechtigheid​ en in recht, in goedertierenheid en in ​barmhartigheid. In trouw zal Ik u voor Mij als bruid nemen; en u zult de HEERE kennen”[6].

Volmaakt zullen we op aarde niet worden.
Maar in de hemel wel.
Daar bereiden we ons op voor.
Daarom geven wij het beste wat we hebben, in de kerk.
Ja, wij maken er hier het beste van.
Want in de hemel wordt het prachtig!

Noten:
[1] Dordtse Leerregels, hoofdstuk V, artikel 2.
[2] Colossenzen 3:5.
[3] 1 Timotheüs 4:7.
[4] Philippenzen 3:12, 13 en 14.
[5] Mattheüs 22:2-5.
[6] Hosea 2:18 en 19.

10 januari 2017

Alles in allen

Zegt u het wel eens: ‘Dat maak ik niet meer mee. Althans, niet hier op aarde’?
Wat zit er achter een dergelijke manier van spreken? Daar zit achter dat gelovigen het eeuwige leven verwachten.
Toegegeven, het is een nogal populaire formulering.
Hoe dan ook – die uitspraak maakt wel duidelijk dat de spreker erop rekent dat zijn leven op een heel ander niveau verder gaat.

Die uitspraak maakt het duidelijk: nee, ik ben niet klaar met leven. En dat zal ik nooit zijn ook.
Het leven van een gelovig mens is hier op aarde permanent in een voorbereidende fase. Het leven wordt één groot feest!

Dat feest begint nu al.
Weet u waarom?
Omdat Gods kinderen in Christus rechtvaardig zijn. Leest u maar mee in Zondag 23.
“Hoe bent u rechtvaardig voor God?
Antwoord:
Alleen door waar geloof in Jezus Christus. Al klaagt mijn geweten mij aan, dat ik tegen alle geboden van God zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb en dat ik nog altijd uit ben op elk kwaad, toch schenkt God mij, zonder enige verdienste van mijn kant, alleen uit genade, de volkomen voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus. Hij rekent mij die toe, alsof ik nooit zonde had gehad of gedaan, ja, alsof ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht had die Christus voor mij volbracht heeft. Aan deze weldaad heb ik alleen deel, als ik die met een gelovig hart aanneem”[1].

Dat werkt bevrijdend.
Dat geeft kracht om tegen de zonde te strijden.
Op deze aarde zit de zonde in ieder schepsel. Die zonde is in allerlei vormen zichtbaar. In gedragingen. En in omgangsvormen. En in allerlei gewoontes.
Gelovige mensen slagen er echter in om die zonde steeds meer te mijden. Nee, heilige boontjes worden zij hier op aarde nooit. Maar steeds meer valt waar te nemen dat zij zich vastklampen aan hun Here Jezus Christus. In Hem is hun redding. Met Hem gaan zij een schone toekomst tegemoet.

Het bovenstaande accentueer ik vanwege een publicatie van werk van dichter en theoloog Huub Oosterhuis. “Alles voor allen” heet die ‘nieuwe catechismus’.
De uitgever deelt ons mee: “De bijbel wordt in dit boek gelezen als één groot verhaal van bevrijding, met alle persoonlijke consequenties en politieke vergezichten van dien. En met als ‘laatste wil’ een wereld van recht en vrede waar ‘alles voor allen’ is”[2].
In het eerste hoofdstuk lezen we dat in het boek “wordt geprobeerd, zonder aanspraak op systematische volledigheid, aan de hand van het ‘Grote Verhaal’ van de Joodse en van de ‘messiaanse’ (‘oerchristelijke’) traditie, antwoorden te vinden op de eeuwige vragen van vandaag. Voorbij aan het onderscheid katholiek-protestant. Voor alle mensen van goede wil”[3].

U merkt het ongetwijfeld: het bovenstaande ruikt sterk naar remonstrantisme.
Over dat remonstrantisme staat in een internetencyclopedie te lezen: “In 2003 heeft het Convent van remonstrantse predikanten een voorstel geformuleerd voor een nieuwe ‘proeve van belijden’. Deze belijdenis is aanvaard op de Algemene Vergadering van Bestuur van de Remonstrantse Broederschap (de jaarvergadering) op 10 juni 2006. In de tekst wordt niet begonnen met God de Vader (zoals te doen gebruikelijk is) maar met de mens die beseft en aanvaardt ‘dat het bestaan oneindig groter is dan wij kunnen bevatten’. Vervolgens wordt verwezen naar de inspiratie door de Heilige Geest; deze voert ons naar Jezus en Jezus verwijst naar God. Deze verandering in de klassieke volgorde van de christelijke belijdenis is opmerkelijk maar kenmerkt ook de remonstranten: geloof begint bij de mens”[4].

Op één der eerste pagina’s van de nieuwe catechismus wordt 1 Corinthiërs 15 geciteerd: “Opdat God zij: alles in allen”.
Wat?
Heeft Huub Oosterhuis toch gelijk?
Maar wat moeten wij dan met de belijdenis van afhankelijkheid in Zondag 23?

Laten wij beginnen met de constatering dat in die nieuwe catechismus alleen maar het laatste deel van een vers uit 1 Corinthiërs 15 wordt aangehaald.
Ik citeer de woorden in hun verband, en doe dat vanuit de Herziene Statenvertaling.
“En als Christus niet is opgewekt, is uw geloof zinloos; u bent dan nog in uw zonden.
Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren.
Als wij alleen voor dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen.
Maar nu, Christus ís opgewekt uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn.
Want omdat de dood er is door een mens, is ook de opstanding van de doden er door een Mens.
Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.
Ieder echter in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna wie van Christus zijn, bij Zijn komst.
Daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God en de Vader heeft overgegeven, wanneer Hij alle heerschappij en alle macht en kracht heeft tenietgedaan.
Want Hij moet Koning zijn, totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd.
De laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood.
Immers, alle dingen heeft Hij aan Zijn voeten onderworpen. Wanneer Hij echter zegt dat aan Hem alle dingen onderworpen zijn, is het duidelijk dat Hij Die Zelf alles aan Hem onderworpen heeft, hiervan is uitgezonderd.
En wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem Die alle dingen aan Hem onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn”[5].

In het bovenstaande staat onder meer dit.
God de Vader heeft het offer van Zijn Zoon aangenomen. Daar is de opstanding het bewijs van. Christus is gerechtvaardigd. En in die rechtvaardiging worden alle gelovigen meegenomen. Ja, ook de kinderen van God die reeds overleden zijn.
Als zogenaamd gelovige mensen op aarde blijven staan, en geen hemel meer verwachten, moeten zij er hier op aarde wat van maken.

En ja, dat ziet u bij Huub Oosterhuis metterdaad gebeuren.
In het Reformatorisch Dagblad stond niet zo lang geleden een analyse van deze nieuwe catechismus. Daarin werd beschreven hoe Huub Oosterhuis redeneert: “In de Bijbel gaat het (…) over de ‘bevrijding van hele mensen’. De Bijbel staat vol van verhalen over mensen die in opstand komen tegen onrecht, vernedering en onderdrukking. ‘Het grote thema van de Joods-christelijke bijbel is niet verzoening met God, maar verzoening tussen mensen’”[6].
Kijk, dat komt ervan als men op aarde blijft steken!

In 1 Corinthiërs 15 bemoedigt de apostel Paulus de kerk van 2017.
Hij betoogt: wat er met Jezus Christus is geschiedt, zal ook met ons gebeuren. Het plan daarvoor ligt klaar. De orde van dienst is gereed gemaakt.
Paulus zegt: Jezus Christus gaat ervoor zorgen dat alles en iedereen onderworpen wordt aan God. Ja, zelfs de dood wordt bedwongen. De Redder der wereld krijgt zelfs de dood klein!
Als iedereen en iedereen beteugeld is, zal ook Gods Zoon Zich aan Vader onderwerpen.
Dan is er alleen hemelse vrede te vinden.
Een geweldig perspectief is dat!
Een magnifiek vooruitzicht is dat!

Ziet u hoe die woorden uit 1 Corinthiërs 15 – “opdat God zij: alles in allen” – in feite door Huub Oosterhuis omzichtig uit hun verband worden gerukt?
Ziet u dat Huub Oosterhuis een evangelie brengt dat helemaal geen evangelie is?

Laten wij Zondag 23 maar blijven belijden.
Laten wij maar volharden in ons geloof.
Laten wij, hier op aarde, maar van de Goddelijke weldaden genieten.
Al genietend mogen wij ons dan realiseren dat de eeuwigheid nadert!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 23, vraag en antwoord 60.
[2] Huub Oosterhuis (samenstelling Kees Kok), “Alles voor allen. Een nieuwe katechismus”. – Utrecht: Uitgeverij Kok, 2016. – 181 p.
[3] Alles voor allen, p. 7.
[4] https://nl.wikipedia.org/wiki/Remonstranten ; geraadpleegd op woensdag 28 december 2016.
[5] 1 Corinthiërs 15:17-28.
[6] “Oosterhuis publiceert sterk aards gerichte catechismus”. In: Reformatorisch Dagblad, dinsdag 27 december 2016, p. 2.

4 april 2013

Het vooruitzicht bij ons voedsel

Zondag 50 van de Heidelbergse Catechismus kunnen wij zonder bezwaar ten principale anti-remonstrants noemen. In die Zondag belijden wij namelijk dat al het goede alleen van God afkomstig is.
Het staat er zó.
Met de bede ‘geef ons heden ons dagelijks brood’ bidden wij: “Wil ons zó verzorgen met alles wat wij voor ons lichaam nodig hebben, dat wij daardoor erkennen dat U de enige oorsprong van al het goede bent en dat onze zorg en inspanning en ook uw gaven ons niet baten zonder uw zegen. Leer ons daardoor ook ons vertrouwen niet langer op enig schepsel, maar op U alleen te stellen”[1].
We kunnen zelf niets bedenken dat helemaal goed is. Volmaaktheid, dat is er bij gewone stervelingen niet bij.
De Here profileert ons. Ons bestaan wordt namelijk getypeerd door permanente thuiszorg van Vader in de hemel.

Goede dingen hebben maar één Afzender. Jacobus leert ons dat in hoofdstuk 1 ook. Alle goede gaven en volmaakte geschenken komen uit de hemel.
Dat behoren wij, zegt Jacobus, te gelóven. Elk spoor van twijfel zal zo snel mogelijk uitgewist moeten worden. Anders lijken we op golven in de zee, die voortdurend door de wind voortgedreven worden[2].
Kinderen van God moeten in hun geloof volharden. Impliceert de voorgaande zin dat wij een zekere mentale hardheid moeten hebben? Moeten wij rondlopen met een ‘je-krijgt-mij-niet-stuk’-houding? Dat laatste is, denk ik, juist het tegengestelde van de bedoeling van de Catechismusschrijvers. We moeten in alles op de Here vertrouwen. Als we dat doen, mogen we ons – om zo te zeggen – voorbereiden op een inhuldiging. Wij worden gekróónd. De hechte verbondsband tussen de Here God en Zijn volk kan nóóit meer verbroken worden[3].

Slechte dingen komen nooit en te nimmer van God. Wij kunnen niet zeggen: deze ellende overkomt mij omdat God mij niet mag. We mogen niet uitdagend vragen: zie je nu wel dat de Hemelheer mij in de steek laat? De Here heeft werkelijk niets met het kwaad uit te staan.

Het lijkt er op dat Jacobus een vergelijking maakt met het draaien van de zon[4]. Als die hoog aan de hemel staat is het licht in de wereld. Alle burgers koesteren zich in de warmte die over de aarde uitgestrooid wordt. Wanneer de zon echter weg draait, ontstaat er schaduw. Tegen de avond worden die schaduwen steeds langer. In bepaalde omstandigheden kan er zelfs een zonsverdúistering optreden.
De zon komt. En de zon gaat. Het wordt dag. En het wordt nacht. De ene dag is het zonnig. De volgende dag is het echter bewolkt. Welnu, bij God is zulke wisselvalligheid volstrekt onbekend. God is geen Man van schaduw. De Here is geen God van duisternis en nacht.

Bij de Here is geen zonde. Bij Hem is geen donkerte. Bij Hem is er alleen maar licht.
En dus is er ook groei. En als er groei is in het koren op het land, breekt uiteindelijk ook het moment van de oogst aan.
Zo komt Jacobus er bij om te schrijven: “Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepselen”[5].
Eerstelingen – in het Grieks staat daar het woord aparche. He aparche is de eerste vrucht van de oogst die aan de Here gewijd is. De regelingen daaromtrent kunt u terugvinden in Exodus 23: “Het beste der eerstelingen van uw bodem zult gij in het huis van de HERE, uw God, brengen”. En in Exodus 34: “Alles wat het eerst uit de moederschoot voortkomt, is mijn eigendom, en al uw vee van het mannelijk geslacht, dat de eerstgeboorte is van een rund of van een stuk kleinvee”. En in Deuteronomium 18: “Dit nu is het recht der priesters ten opzichte van het volk, van hen die een slachtoffer brengen, hetzij een rund hetzij een stuk kleinvee: men zal de priester geven de schouder, de beide wangstukken en de maag. De eerstelingen van uw koren, uw most en uw olie en de eerste wol van uw schapen zult gij hem geven”[6].
Welnu, zo is de kerk het begin van de oogst. Daar is het startpunt van de nieuwe schepping. De Here God verkondigt dáár hoe hij werkt aan de ongekende perfectie van de aarde, de heerlijke volmaaktheid van de wereld.

In Zondag 50 van de Heidelbergse Catechismus gaat het over de bede ‘geef ons heden ons dagelijks brood’.
Dat dagelijkse brood bepaalt ons er, als het goed is, bij dat er momenteel druk wordt gewerkt aan een structurele renovatie, een allesomvattende réstauratie van Gods schepping.
Dat paaseitje dat nog overgebleven is…
De koffie en de thee die wij vandaag drinken…
Het brood, de melk…
dat alles herinnert ons eraan dat de Here God ook vandaag een buitengewoon drukke agenda heeft.

Waartoe zijn wij op aarde?
Die vraag klinkt allerwegen op.
En als we – ten langen leste en met frisse tegenzin – bezig gaan met onze identiteit, stellen we een profiel op. Instellingen en individuele mensen schrijven netjes op waar zij mee bezig zijn, en hoe zij de toekomst zien. Bij dat alles is er tenminste één probleem: niemand wordt werkelijk blij van een profiel. Het dagelijks leven krijgt geen grote stimulans van aardige karakteristieken of treffende typeringen.
Het gaat in onze tijd vaak om wat wij zien. Alles draait om het zicht.
In de kerk mogen en moeten we de zaak echter preciezer formuleren: het volhardende geloof in de Goddelijke Vaderzorg geeft ons uitzicht. Er is perspectief op het nieuwe uiterlijk van hemel en aarde, op het herstel van héél de schepping.

Wie deze gedachte voedt en versterkt, blijft niet zo snel steken in de gewoontes van de dag of in de sleur van de tijd.
Als wij ons dit alles blijven realiseren wordt de rumoerige routine van de welgevulde week gaandeweg getransformeerd tot een rustige reis naar de excellente eeuwigheid.

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 50, antwoord 125.
[2] Jacobus 1:6-8: “Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt. Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Here zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen”.
[3] Jacobus 1:12: “Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben”.
[4] Met name in deze alinea gebruik ik de webversie van de Studiebijbel.
[5] Jacobus 1:18.
[6] Achtereenvolgens citeer ik Exodus 23:19, Exodus 34:19 en Deuteronomium 18:3 en 4.

20 maart 2013

Menselijke schranderheid versus Goddelijke uitverkiezing

Vandaag schrijf ik iets over hoofdstuk III/IV van de Dordtse Leerregels[1].

Welke redenering wordt aldaar bestreden?
En hoe gebéurt dat eigenlijk?
Vandaag teken ik in elf paragraafjes de denklijn van dat hoofdstuk uit. Voor mijzelf. En voor allen die willen meegenieten.

1
De opbouw van deze Leerregels is gebaseerd op de vijf artikelen van de remonstrantie[2]. Hoofdstuk III/IV gaat logischerwijs terug op de artikelen 3 en 4.
Die luiden als volgt.
Artikel 3
“Dat de mens het zaligmakende geloof van zichzelf niet heeft, en ook niet door de kracht van zijn wil, omdat hij in de stand van de afwijking en van de zonde, niets goeds, dat waarlijk goed is (zoals inzonderheid het zaligmakend geloof), uit en van zichzelf kan willen, denken of doen. Maar dat het nodig is, dat hij door God in Christus door de Heilige Geest herboren wordt en vernieuwd, in verstand, gevoel of wil en in alle krachten, opdat hij hetware goed recht moge verstaan, bedenken, willen, en volbrengen naar het woord van Christus in Johannes 15:5 (…)”.
Artikel 4
“Dat deze genade van God is het begin, de voortgang en de voltooiing van alle goeds, ook zo ver, dat de wedergeboren mens zelf, zonder deze voorgaande of toekomende, opwekkende, volgende en medewerkende genade, noch het goede kan denken, willen of doen en ook geen enkele verzoeking ten kwade kan weerstaan. Zodat alle goede daden of werkingen die men maar bedenken kan, toegeschreven moeten worden aan de genade van God in Christus. Maar als het gaat om de manier van de werking van deze genade, deze is niet onwederstandelijk, want er staat van velen geschreven, dat zij de Heilige Geest wederstaan hebben, Handelingen 7 en elders op vele plaatsen”.

2
Natuurlijk weet ik niet hoe het u vergaat.
Maar persoonlijk lijkt mij op artikel 3 niet zoveel aan te merken.
Wel word ik argwanend als ik bekijk hoeveel soorten genade er volgens artikel 4 van de remonstrantie zijn. Voorgaande genade, toekomende genade, opwekkende genade, volgende genade, meewerkende genade… : waar haalde men dat eertijds toch allemaal vandaan? Het klonk allemaal wat gezwollen. Een beetje opgeschroefd. Alsof men iets te verbergen had.

3
Wie het kluwen touw uit elkaar wil halen, moet – als u het mij vraagt – beginnen bij de ‘vrije wil van de zondaar’. Zo noemden de remonstranten dat. Die vrije wil is de spil van van het hele systeem. Van daaruit redeneerde men naar het besluit van God toe. Vanuit de ‘vrije wil’ praatte men richting de uitverkiezing. Vanuit de ‘vrije wil’ legde men Gods genade uit.

4
Belangrijk is ook het antwoord op de vraag: wat betekent het dat de eerste mens naar Gods beeld geschapen is?
Gereformeerden zeiden: de mens kreeg prachtige mogelijkheden van God. Iemand typeerde die eens als “hoge, heerlijke, geestelijke gaven”[3]. Wie die hoge gaven ziet, begrijpt hoe diep de mens gevallen is.
Nee, zeiden de remonstranten. Adam kréég helemaal geen gaven van God. Die moest hij nog ontwikkelen.

5
De remonstranten spraken wel over erfzonde.
Maar die zonde is, zo beweerden de remonstranten, niet te karakteriseren als schuld. Erfzonde is een aangeboren zwakheid, zo werd gesteld. En ach, met die zwakheid viel het meestal reuze mee. Men sprak graag over de ‘stand van afwijking’. Dat hield eigenlijk in: het staat allemaal wel een beetje scheef, maar intussen blijft de mens nog aardig overeind. De mens is niet ‘standaard’ dood door overtredingen en zonden, zo concludeerde men; hooguit heeft de zonde dodelijke kracht.

6
Gereformeerden zeiden: de mens heeft zijn natuurlijke vermogens gehouden. Daar bedoelden ze mee: hij is mens gebleven. De mens is geen dier geworden. En ook geen duivel. Dus:
* alles is wel bedorven
* maar er heeft geen evolutie plaats gevonden; tot zoogdier, of iets dergelijks.
Remonstranten zeiden: de mens kan kiezen voor het goede.
Gereformeerden zeiden: je kunt nog wel zien hoe Gods gaven er bij Adam uit moeten hebben gezien; maar die gaven zélf zijn weg. Gereformeerden zeiden: de mens heeft nog wel gevoel voor fatsoen. Maar de door God geschonken schittering van gaven zien we niet meer. Alles is dof. Bevuild. Smerig en, menselijkerwijs gesproken, niet meer schoon te krijgen.

7
Remonstranten zeiden: de mens kan altijd kiezen voor het goede. Daarom, concludeerden de remonstranten vervolgens, kunnen slimme mensen best bij Gods genade uit komen. Als mensen een beetje logisch redeneren, dan komt alles goed.
Gereformeerden zeiden: ons leven is vuil. Het is zó erg dat we ons zelfs niet eens meer aan Gods wet kunnen houden; en dat terwijl die wet zó goed is!

8
Gereformeerden zeiden: hier is de heilige Geest nodig. Hij zet Zijn kracht in. De verkondiging van Gods Woord is Zijn middel om mensen weer bij God te roepen. De kracht van de Heilige Geest is ongelooflijk groot. Gods Geest is onoverwinnelijk. Als de Heilige krachtdadig ingrijpt, dán kan geen mens dat negeren.
Remonstranten zeiden: er blijft altijd de mogelijkheid om op eigen kracht bij God te komen. We beschikken over intelligentie en denkkracht, nietwaar?

9
Het Evangelie van verlossing wordt in de wereld geproclameerd.
De remonstranten zeiden: iedereen hoort die Boodschap, maar het gedrag dat de mensen er op na houden zorgt er voor dat de Boodschap hen niet bereikt. Zij doen de deur dicht. Zij sluiten zich er voor af.
Gereformeerden wezen op Schriftgedeelten als Romeinen 9. U herkent die woorden wel als u ze leest: “Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil? Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?”[4].

10
Het is dus geen zaak van de vrije wil van mensen, maar van Gods liefde; die liefde toont Hij in de uitverkiezing.
Daarbij is gegarandeerd dat de Heilige Geest mensen verandert tot in de wortel van hun bestaan. Hij maakt harde harten zacht. Zó komt dat mensen ook zelf in beweging komen, en zich naar God toe keren.
De kracht van Gods Heilige Geest is – om met Efeziërs 1 te spreken – “overweldigend groot”. Wij moeten, zegt 2 Thessalonicenzen 1, welgevallen hebben in al het goede; het werk van het geloof moet volmaakt worden. Wij worden geroepen met Goddelijke heerlijkheid en macht[5]. Zo zeiden Gereformeerden dat. En zo zeggen zij dat nóg.

11
Daarbij is geen sprake van dwang.
Het christelijk geloof is geen doctrine.
Uitverkoren mensen mogen weten dat Gods barmhartigheid de stabiele factor in hun leven is.
Dat is de stijl van Mattheüs 20: “Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?”[6].

Tenslotte nog dit.
Wie de zaken rond menselijke verdorvenheid en bekering eens op een rij zet, merkt hoeveel daar aan vast zit. Goed beschouwd is het niet zo’n wonder dat hoofdstuk III/IV als één stuk leerstof wordt aangeboden; in artikel 4 van de remonstrantie wordt de achtergrond van het dérde artikel uit die verklaring getekend.
De remonstranten klonken in vroegere tijden reuze vredelievend. En realistisch.
Door de jaren is gebleken hoe belangrijk het is om aan de Gereformeerde leer vast te houden.
Wie aan menselijke redeneringen de voorrang geeft, komt uiteindelijk in een mistig gebied terecht.

Noten:
[1]
Vanavond, woensdag 20 maart 2013, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Daar zal hoofdstuk III/IV van de Dordtse Leerregels centraal staan. Dit artikel is het tweede deel van enige voorstudie over dat onderwerp.
[2] In het onderstaande gebruik ik: Ds. J. Faber, ds. H.J. Meijerink, ds. C. Trimp, ds. G. Zomer, “Tot prijs zijner heerlijkheid: schetsen bij de behandeling van de Dordtse Leerregels”. – Utrecht: Bond van Gereformeerde M.V., vierde druk 1978. – p. 41-54.
[3] Dat was de Gereformeerd-vrijgemaakte ds. H.J. Meijerink (1903-1983). A.w., p. 42.
[4] Romeinen 9:18-21.
[5] Zie Efeziërs 1:19: wij moeten weten “hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht”. En 2 Thessalonicenzen 1:11 en 12: “Hiertoe bidden wij ook te allen tijde voor u, dat onze God u de roeping waardig achte en met kracht alle welgevallen in het goede en het werk des geloofs volmake, opdat de naam van onze Here Jezus in u verheerlijkt worde, en gij in Hem, naar de genade van onze God en van de Here Jezus Christus”. En 2 Petrus 1:3: “Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door zijn heerlijkheid en macht”.
[6] Mattheüs 20:15.

14 maart 2013

De ernst van de erfzonde

Is de erfzonde nou zo erg?

Dat is een oude vraag. In de Veroordeling der dwalingen onder hoofdstuk III/IV van de Dordtse Leerregels komt die vraag ook aan de orde[1]. Daar wordt verwezen naar woorden uit Romeinen 5: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben”[2].
Waarom is door één zonde meteen alles kapot?
Het antwoord op die vraag kan worden geïllustreerd met een bevuild kledingstuk. Wie een nieuwe broek of een nieuwe rok koopt gaat daarmee pronken. Maar zodra er één vlek op die broek of die rok komt, is het met paraderen afgelopen.
Het antwoord op die vraag is voor zondige wereldburgers overigens buitengewoon moeilijk te verteren. Dat komt omdat zij zich niet kunnen indenken wat Goddelijke zuiverheid inhoudt. Wie praat over God, heeft het meteen ook over volmaaktheid. Hij spreekt over perfectie in haar uiterste consequentie. Als die wereld op één plek bevlekt wordt, is heel de de wereld vuil – dat is consequent, systematisch, stelselmatig.
Dat kunnen wij ons, zondig als wij zijn, niet meer voorstellen. Wij hebben daar geen beeld meer bij.  Met geen mogelijkheid kunnen wij nagaan hoe God redeneert en werkt. Alleen dáárom al zit er niets anders op dan gelovig aan te nemen wat God ons zegt: één zonde bederft de ganse wereld.
Wie zegt: ‘die erfzonde is zo erg niet’, poneert eigenlijk: ik kan wel nagaan hoe God Zijn werk vorm geeft. Zo iemand zegt eigenlijk: ik weet wel hoe volmaaktheid er uit ziet; en met één vlekje is die onberispelijkheid heus niet aangetast. Zo iemand zegt impliciet: ik kan net zo logisch redeneren als God; daarin ben ik gelijk aan Hem.
Voelt u hoe merkwaardig zo’n betoog is?
Voelt u dat de Here God met zo’n redenering naar beneden wordt gehaald? Immers, een mens gaat bepalen hoe God de zonde moet beoordelen!

In de ontstaanstijd van de Dordtse Leerregels hingen veel mensen de volgende redenering aan.
Die mensen zeiden: bij de schepping van de mens waren zijn goede eigenschappen nog niet aanwezig. Die goede karaktertrekken werden later pas goed ontwikkeld. Daar moest Adam zélf zijn best voor doen.
Zij zeiden: als dát zo is, dan is de zondeval toch niet het scheidingsmoment van goed en kwaad? Die goede kwaliteiten waren nog niet volgroeid. Dan kun je toch niet zeggen dat vanaf de zondeval geen mens meer werkelijk goede dingen kan doen?
Die argumentatie rammelt.
In Efeziërs 4 schrijft Paulus over de mens “die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid”[3]. Met andere woorden: de Schepper legde bij de creatie van de mens alle goede karakteristieken al in zijn bestaan. Van stonde aan wist de mens precies wat goed en kwaad was.
Dat doorzag de mens ook volledig. Daarin was hij een beeld van God. Het diepe inzicht van de mens deed, om zo te zeggen, erg aan God denken.
En ondanks dat scherpe inzicht, ondanks die heldere kijk op hemel, aarde en kosmos, gaven Adam en Eva toe aan de verleiding van de duivel.
Zo kwam de zonde in de wereld. Zo werd heel de wereld vuil. Onvolmaakt. Zondig.

De remonstranten zeiden:
* de wil van de mens is in principe goed
* het probleem is alleen dat die wil bedorven wordt door de beperktheid van ons verstand, en de achtbaan van onze emoties.
Oplossing: als wij heel ijverig gaan studeren, heel verstandig leven, en ons gevoel netjes in toom houden kunnen wij nog heel ver komen.
Dat klinkt aantrekkelijk. Want aldus kunnen wij toch zélf een beetje regelen dat wij God goed dienen.
Maar intussen legt men zo de profeet Jeremia het zwijgen op. Want in hoofdstuk 17 zegt hij: “Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen?”[4]. In ons hart neigen we voortdurend naar oneerlijkheid. In principe zijn wij – zo leert Gods woordvoerder ons – boosaardig en geniepig.
Van nature zijn mensen kinderen van de toorn, schrijft Paulus in Efeziërs 2[5]. De Here God kan permanent woedend op Zijn kinderen wezen. En het is aan Zijn genade te danken dat dat niet zo is. Die genade is geculmineerd in Christus’ komst naar de aarde.
Voor Gereformeerden is het zaak
* om te beseffen dat wij niets – maar dan ook helemaal niets – volmaakt kunnen doen
* om te beseffen dat Jezus Christus onze Redder is, en dat wij zonder Hem ten dode opgeschreven zouden zijn geweest.

De remonstranten zeiden: mensen zijn reuze intelligent, en daarom kunnen zij zichzélf wel redden. Zij zeiden: eigenlijk wil de hemelse God Jezus Christus best aan alle mensen openbaren. Als iedereen nou een beetje z’n best doet, komt elke wereldburger in de hemel.
Toen men dat beweerde ging men voorbij aan het feit dat de Here Zijn regels en wetten aan Zijn volk bekend moest maken. Als Hij dat niet zou hebben gedaan, was dat volk er nooit uit zichzelf op gekomen om door God geautoriseerde normen en waarden toe te passen. In Psalm 147 staat dat zo:
“Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt,
Israël zijn inzettingen en zijn verordeningen.
Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan,
en zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja”[6].
De God van hemel en aarde proclameerde het Evangelie. Hij verkondigde Zijn wet. Hij koos mensen uit om Zijn kinderen te zijn!
Als dat niet gebeurd was, zouden mensen hun eigen pad gekozen hebben. Paulus riep indertijd in Lystra: “Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan”. U kunt dat in Handelingen 14 na lezen[7]. Als mensen hun eigen zin mogen doen, wandelen zij subiet bij God vandaan.

Als de mens zich bekeert, komt dat – zo stelden de remonstranten – voort uit zelf gegenereerd geloof.
En dat terwijl de Here in Jeremia 31 duidelijk en zonder omwegen meedeelt: “Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn”[8]. Het initiatief komt dus vanuit de hémel.
En dat terwijl de Here in Jesaja 44 zegt: “Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen”. Alweer is het de Hére die in actie komt!

Tenslotte nog dit.
Het is belangrijk de Gereformeerde leer over de erfzonde goed voor ogen te houden.
Waarom?
Bijvoorbeeld omdat Rooms-katholieken een heel ander verhaal over de erfzonde hebben.
Bij de Roomsen wordt de erfzonde door het doopsel vergeven; de vóór het doopsel begane zonden zijn daar bij inbegrepen. De neiging tot zondigen blijft, zo zegt men, bestaan. Gelukkig is er dan de biecht. De priester legt een boetedoening op, en verleent kwijtschelding. Meestal verkrijgen zondaars die door het bidden van een aantal gebeden[9].
Met dit voorbeeld voor ogen is de conclusie bijna onontkoombaar: over de erfzonde kunnen we vrij snel ons ‘eigen verhaal’ maken.
Gereformeerden moeten het vasthouden: verlossing van de zondesmet wordt door de Schepper Zelf bewerkt. Zijn verlossingswerk is onze redding!

Noten:
[1]
Op woensdag 20 maart aanstaande vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Daar zal hoofdstuk III en IV van de Dordtse Leerregels centraal staan. Dit artikel is het eerste deel van enige voorstudie over dat onderwerp.
[2] Romeinen 5:12.
[3] Efeziërs 4:24.
[4] Jeremia 17:9.
[5] Efeziërs 2:1-7: “Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden, waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid, – trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns –, God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus”.
[6] Psalm 147:19 en 20.
[7] Handelingen 14:16.
[8] Jeremia 31:33.
[9] Klaas van der Zwaag, “Eerste hulp bij rooms-katholieke begrippen”. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 28 juli 2012, p. 2. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013c6a12adad1610c0ba1f30/eerste-hulp-bij-rooms-katholieke-begrippen/3 . Van der Zwaag schreef zijn artikel naar aanleiding van: Eric van den Berg, Frank Bosman, Peter van Zoest, “Het geel-witte boekje; eerste hulp bij katholieke begrippen”. – Heeswijk: Uitgeverij Abdij Van Berne, 2012. – 140 p.

31 oktober 2012

Redeneren vanuit Gods redding

De Dordtse Leerregels? Die gaan, zoals bekend, met name over de uitverkiezing[1].
En dat is geen wonder. Want ze zijn in de zeventiende eeuw opgesteld in reactie op de remonstrantie.

Wij gaan een ogenblik terug in de tijd.

De geschiedenis
1.
Die remonstrantie is een in 1610 opgestelde verklaring van de remonstranten[2]. In deze uit vijf artikelen bestaande uitspraak wordt gezegd dat de mens een eigen vrije wil heeft[3]. Die mens kan dus zelf kiezen voor de Here Jezus. Hij kan er zelf voor kiezen om zich bij God aan te sluiten, en achter Hem aan te gaan. Als mens kun je, zo wordt gesteld, een zekere invloed hebben op je eindbestemming.
Overigens waren die Remonstranten, die onder leiding stonden van Arminius, van mening dat je niet alles moet vastleggen in belijdenisgeschriften.
2.
Het gezag van de remonstranten moeten we niet uitvlakken. Ook bijvoorbeeld de toenmalige hofpredikant, ds. Uytenbogaart, was een remonstrant. Deze leer werd dus tot in de hoogste kringen beleden!
De discussie liep hoog op.
In 1588 was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ontstaan[4]. De heftige heibel omtrent de bovengenoemde geloofszaken bedreigde de stabiliteit van de nog jonge republiek. Om die reden werd in 1618 en 1619 de Synode van Dordrecht gehouden. Op verzoek van de Generale Staten van de Verenigde Nederlanden werd over het leergeschil een uitspraak gedaan.
Tijdens die kerkvergadering werd een geschrift aanvaard waarin de aanwezigen de leer van de remonstranten verwierpen. Als reactie werd in 1619 te Antwerpen de Remonstrantse Broederschap opgericht.
3.
Hoe verhit de gemoederen in vroegere eeuwen waren, kunnen we opmaken uit de Inleiding op de Dordtse Leerregels. Ik citeer een passage: “Vooraf was op gezag van de hoge overheid in alle Nederlandse kerken een algemene vast- en bededag uitgeschreven en gehouden, om door gebed Gods toorn af te wenden en zijn genadige hulp te verkrijgen. De synode heeft de belangrijkste voorstanders van deze leerstellingen (de dogma’s uit de remonstrantie dus, BdR) gedagvaard en zij heeft met grote ijver en veel geduld zich moeite gegeven, om hen te bewegen hun opvattingen ten aanzien van de bekende vijf hoofdstukken van de leer met argumenten daarvoor zonder terughouding uiteen te zetten.
Maar zij ontkenden het recht van de synode om te oordelen en zij weigerden op gestelde vragen op een redelijke manier te antwoorden. Geen vermaningen van de synode, geen opdrachten van de welgeboren, edele Gedeputeerden van de Generale Staten, ja zelfs geen bevelen van de doorluchtige, hoogmogende Heren van de Generale Staten richtten iets bij hen uit. Daarom was de synode genoodzaakt op last van de hoogmogende Heren en volgens de gewoonte van synoden uit het verleden een andere weg in te slaan.
Vanaf dat moment heeft zij de beoordeling van de genoemde vijf leerstukken gebaseerd op de geschriften, belijdenissen en verklaringen, die voor een deel al waren gepubliceerd, voor een deel aan de synode waren voorgelegd.
Dit onderzoek is nu door Gods bijzondere genade met grote ijver, door trouwe en gewetensvolle arbeid en met algemene overeenstemming voltooid”[5].
4.
Prins Maurits was een felle contra-remonstrant.
Toen de prins in 1625 overleed, keerden de remonstranten zoetjes aan weer naar de republiek terug.
Officieel was de remonstrantse kerk verboden; de kerk werd pas in 1795 erkend. In de praktijk hield men er tot die tijd een gedoogbeleid op na.

Nu schrijf ik iets over de Dordtse Leerregels vandaag.
Hoe functioneert dit belijdenisgeschrift in 2012?

De genade van de uitverkiezing
5.
De kernvraag die, als het over Gereformeerd leven gaat, aan de orde komt is de volgende: beginnen wij bij de diep doorvretende zonde die ons leven bederft en die ten laatste tot de dood leidt? Mensen zijn al snel geneigd om dat vraagstuk wat te verzachten. Er zit, zo zeggen ze dan vergoelijkend, nog veel goeds in de mens. Wij moeten, zo stellen zij verder, een beetje van de harde lijn af.
Feit is dat men in Dordrecht bij erfschuld en erfsmet begon. De eerste zin van de D.L., hoofdstuk I, artikel 1 luidt: “Alle mensen hebben in Adam gezondigd en verdienen Gods vloek en de eeuwige dood”.
Het is belangrijk om te blijven zien dat wij geheel afhankelijk zijn van Gods keuze. Zelf brengen wij slechts lege briefjes mee. Van de God van het Verbond krijgen wij de garantie van die uitverkiezing. “Die zekerheid ontvangen de uitverkorenen niet, wanneer zij de verborgenheden en diepten van God nieuwsgierig doorzoeken. Maar zij ontvangen haar, wanneer zij met een geestelijke blijdschap en heilige vreugde de onmiskenbare vruchten van de uitverkiezing, die Gods Woord aanwijst, bij zichzelf opmerken, zoals bijvoorbeeld het ware geloof in Christus, kinderlijk ontzag voor God, droefheid naar Gods wil over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid”.
6.
De hersteld hervormde predikant K. Veldman zette, wat dit betreft, eens de puntjes op de i. Hij zei: “God zoekt het verlorene. Waar onze deur dicht gaat, gaat God die openen”.
De dominee zei erbij: “De droefheid naar God is een smartelijke en blijde droefheid. Wie niet heeft leren klagen, kan niet zingen. Die twee horen bij elkaar”.
Met andere woorden:
* Gods kinderen hebben een hekel aan de zonde
* zij ergeren zich eraan, en klagen er soms over dat zij de strijd tegen de zonde vaak verliezen
* maar zij zijn ook blij over de keuzes die de hemelse God maakte en de redding die Hij in Christus gaf.
Klacht en geloofsblijdschap lopen naadloos in elkaar over[6].
7.
Even zo goed zijn vloek en verkiezing geen zaken die wij, anno 2012, met gemak op een rijtje krijgen[7].
Wij hebben soms vragen over Gods keuze, over kerkverlating en geloofszwakte.
Er zijn momenten waarop we teleurstelling voelen over de wegen die onze kinderen gaan, of over de paden die onze familie en vrienden kiezen.
Iets van die teleurstelling kunnen we ook proeven bij Paulus. Leest u maar mee in Romeinen 9: “Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn”[8].
Paulus blijft niet bij die pijn staan. Wij hebben, zo betoogt de apostel, te maken met de Here Gód. En die God kneedt Zijn klei op een manier die Hij wil. Daarbij past het niet dat wij commentaar leveren. Want zegt u nou zelf: een schaaltje kan toch niet onverhoeds tegen zijn maker roepen dat hij zo graag een bloempot had willen wezen?
In de taal van Romeinen 9 klinkt dat zo: “Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?”[9].
De Here God heeft het recht om Zijn eigen manieren te kiezen om onze redding te bewerkstelligen!
Altijd weer zullen wij, als wij vragen omtrent deze zaken hebben, moeten bedenken aan wie Gods Woord gericht is. R.J. Vreugdenhil, predikant van één der Gereformeerd-vrijgemaakte kerken, zei daar eens over: “De bijbel is Gods boodschap voor mensen die tegen God in gekozen hebben. De bijbel is het evangelie voor mensen die in Adam gezondigd hebben en Gods vloek verdienen. Mensen die in de eeuwige dood liggen”.
De Heilige Schrift is er dus niet voor redelijk denkende mensen die een antwoordboekje zoeken bij hun levensvragen. Het Woord van God richt zich tot mensen die hulpeloos en verloren zijn.
Wie zijn eigen positie eerlijk bekijkt, en Gods recht erkent, die realiseert zich hoe groot de genade van de uitverkiezing is.
8.
Wat is Gereformeerd?
De Dordtse Leerregels leren het ons.
Gereformeerd, dat is: altijd redeneren vanuit Gods reddende activiteit.

Noten:
[1] Vandaag vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. In de vergadering staat hoofdstuk I van de Dordtse Leerregels centraal. Dit artikel is het tweede deel van enige voorstudie daaromtrent. Het eerste deel werd gepubliceerd op woensdag 24 oktober 2012; zie https://bderoos.wordpress.com/2012/10/24/verborgen-bedrijvigheid/ .
[2] Zie voor de tekst van deze verklaring http://nl.wikipedia.org/wiki/Vijf_artikelen_van_de_remonstranten .
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.ebenhaezer.nl/Bijbelstudie/Ehmagazines/dec2005/EHM17p06DordtseLeerregels.pdf .
[4] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Republiek_der_Zeven_Verenigde_Nederlanden .
[5] Zie http://www.gkv.nl/data/styleit/files/Dordtse_Leerregels(4).pdf .
[6] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/dordtse_leerregels_zijn_bevindelijk_1_645557 .
[7] In het onderstaande maak ik gebruik van http://www.pauwenburg.nl/Verdieping/Preken/PrekenserieUitverkiezingDL1/tabid/926/language/nl-NL/Default.aspx (preek van dominee R.J. Vreugdenhil, genummerd als RJV-P548).
[8] Romeinen 9:6 en 7.
[9] Romeinen 9:20 en 21.

Blog op WordPress.com.