gereformeerd leven in nederland

10 april 2018

Regenpak uit

“Wat is het opstaan van de nieuwe mens?
Antwoord: Hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven”[1].

Zo staat dat in Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus.
Een optimistische tekst is dat, vindt u ook niet?
De Catechismus is geen zwartboek, dat blijkt maar weer!

Nu is het mooi om een aangenaam leven te hebben. Natuurlijk, er is altijd wel wat om over te mopperen. Er zijn steeds dingen waar u en ik ons zorgen over kunnen maken.
Maar voor velen van ons heeft het leven nog heel wat plezierige kanten.

Maar het allerbelangrijkste is toch dit: door God uitverkoren zijn!
Gelovige mensen hebben te maken met Gods genadige besluit. “Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven”[2]. Herkent u de Dordtse Leerregels?
Na de zondeval is de wereld besmeurd. Vies. Niet om aan te zien.
Te midden van al die vuilheid zegt de God van hemel en aarde: ik buig uw leven om; u wordt een schoonheid!
Dat is ongelooflijk. Niettemin is het waar. Is het niet mooi dat op deze manier de druilerigheid uit ons leven verdwijnt?

Als die aanhoudende regenachtigheid verdwenen is, zou ik willen uitroepen: doe het regenpak maar uit!

Bovenstaande woorden noteer ik met een schuin oog op Colossenzen 3: “Kleedt u zich dan, als uitverkorenen van God, ​heiligen​ en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld. Verdraag elkaar en ​vergeef​ de een de ander, als iemand tegen iemand anders een klacht heeft; zoals ook ​Christus​ u ​vergeven​ heeft, zo moet ook u doen. En kleedt u zich boven alles met de ​liefde, die de band van de volmaaktheid is”[3].

Het valt op dat Colossenzen geen uitnodiging is om met een boekje in een hoekje te gaan zitten. Nee, het is een invitatie om ons rap om te kleden. En wel met kleding die zacht aanvoelt.
Gereformeerden worden – als het goed is – nooit harde mensen. Zij worden nooit ondoordringbare types, waar geen land mee te bezeilen is. De God van het verbond vernieuwt ons leven, om zo te zeggen, met zachte materialen.

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant J. Groen (1906-1968) heeft in verband met Colossenzen 3 eens gezegd: “Maar in gehoorzaamheid zullen wij ingaan tot Gods cultuurmandaat, ons bij de schepping meegegeven, om de aarde te ‘bouwen’. En waar wij haar niet meer ‘bewaren’ kunnen, daar wij in de eerste Adam haar Satan in handen speelden, haar van nu voortaan in de Geestkracht van de tweede Adam aan de overste van deze wereld ontworstelen.
Want het ‘zoeken van de dingen, die boven zijn’ wil niet zeggen zich in de binnenkamer terugtrekken om daar met gevouwen handen zich over te geven aan stille meditatie en contemplatie – hetgeen op zijn tijd ook goed en zelf onontbeerlijk is – maar dan alleen om des te beter tot zijn cultuurtaak in het midden van deze wereld in staat bevonden te worden”[4].

Vernieuwing van ons leven is iets van elke dag.
Als ik mij niet vergis, is Colossenzen 3 al jarenlang een tamelijk populair Schriftgedeelte te dienen als vervanger voor het lezen van de Tien Woorden van het verbond in de zondagse kerkdienst. Dan zegt men: het verbond van de Sinaï geldt niet meer voor ons. En: dat verbond is voorbij en afgeschaft. Alsof Gods Woord niet één boek is!
De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J. Francke (1908-1990) heeft daar al eens bij aangetekend: “De gehele zaak zit onzes inziens hierop vast, of wij al dan niet de eenheid van de Schriften, de eenheid van het verbond van God en de vervulling van Gods wet door de Christus willen handhaven”[5].
Vernieuwing is niet alleen iets van de zondag. De Heilige Geest werkt zeven dagen in de week. En dat is maar gelukkig ook!

In Colossenzen 3 staan opmerkelijke woorden: vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld.
Dat zijn woorden die oplichten in een agressieve samenleving.
Laatst was het in het nieuws: “De politie heeft vorig jaar 9101 gevallen van verbaal of fysiek geweld tegen agenten geteld. Dat betekent dat gemiddeld elke dag 25 agenten tijdens de uitoefening van hun werk worden beledigd, bedreigd of met fysiek geweld te maken krijgen.
‘De daders zijn niet alleen jongeren in moeilijke wijken, zoals je misschien zou verwachten’, zei Ruud Verkuijlen van de Nationale Politie in het NOS Radio 1 Journaal. ‘Het is ook de harde werker op weg naar zijn werk die een bekeuring krijgt en het daar heel erg mee oneens is’”[6].

In zo’n maatschappij is het niet altijd makkelijk om de hartelijke vreugde van Zondag 33 in de praktijk te brengen.
Laten we Colossenzen 3 daarom maar vaak repeteren: “Zing voor de Heere met dank in uw ​hart”[7]. En wees niet bang: als u niet zo mooi zingt, dan mag neuriën ook gerust.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 33, vraag en antwoord 90.
[2] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 6.
[3] Colossenzen 3:12, 13 en 14.
[4] Dat zei dominee Groen in een preek over Zondag 18 van de Heidelbergse Catechismus.
[5] Dat zei dominee Francke in een preek over Zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus. De betreffende preek is gedateerd op zondag 23 september 1962.
[6] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2224683-vorig-jaar-25-keer-per-dag-geweld-tegen-agent.html ; geraadpleegd op vrijdag 30 maart 2018.
[7] Colossenzen 3:16 b.

22 maart 2018

Overpeinzingen bij Psalm 139

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder ​geweven.
Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
en geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw ​boek​ beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond”.

Dat zijn woorden uit Psalm 139[1][2].

In het bovenstaande citaat gaat het over:
* Gods creatie
* onze laudatie
* hemelse registratie

Het gaat over Gods creatie: over Zijn schepping dus.

Het woord ‘laudatie’ betekent lofprijzing. In de academische wereld is het woord ‘laudatio’ bekend: de lof die een promovendus krijgt als zijn promotie achter de rug is. Het woord ‘laudatie’ gebruiken we niet vaak. Maar het is wel een Nederlands woord.

Al onze dagen zijn opgeschreven. Er is dus sprake van registratie in de hemel.

God kunnen we niet negeren, zegt David. Waar we ook zijn, altijd is Hij present. Reeds vanaf den beginne.
David leert ons dat we onze Schepper moeten eerbiedigen. Wij moeten Hem eren.
Maar David leert ons ook dat alle dagen van de wereld door de Here opgeschreven zijn. Hij weet precies wat er gebeurt, en wanneer!

Het Reformatorisch Dagblad schreef onlangs: “In zes dagen schiep God hemel en aarde in al zijn pracht. Die wonderschone schepping staat echter onder druk. Steeds vaker door toedoen van de mens. Zo trekken vervuiling, uitputting en de opwarming van de aarde diepe sporen op onze planeet”.
De boodschap die het RD wil geven is: “de mens dient de aarde als rentmeester op een verantwoorde, duurzame manier te bewaren”[3].

De hoofdredactie van voornoemd dagblad wees op woorden van Johannes Calvijn. Als volgt: “God heeft hem de aarde toevertrouwd ‘onder voorwaarde dat we tevreden zijn met een zuinig en matig gebruik ervan, we moeten ervoor zorgen dat er wat overblijft. Laat hij die beschikt over een akker, de jaarlijkse opbrengst daarvan zodanig gebruiken dat de grond geen schade lijdt door zijn verwaarlozing; maar laat hij zich inspannen om het te overhandigen aan zijn nageslacht zoals hij het ontvangen heeft, of zelfs beter’”[4].

Dit alles werpt, als u het mij vraagt, ander licht op Psalm 139.
Velen voelen bij het lezen van Psalm 139 ontroering opkomen. Wat zijn wij mooi gemaakt! Wat zijn wij toch kostbare schepselen!
En ja, dat laatste is ontegenzeglijk waar.
Maar in Psalm 139 gaat het niet in de eerste plaats over ons.
Alles draait om Gods macht.
Om Zijn scheppingsmacht.
Om de lof die Hij in onze monden legt.
Vanwege de leiding die Hij dagelijks heeft.

K. Schilder schreef eens: “…wanneer Genesis 1-3 een cultuuropdracht als Gods gebod voorstelt, dan gelooft een gereformeerde, dat dit een historische mededeeling is, bekleed met historische autoriteit. Dat derhalve een objectief gesproken Woord van God den wereldloop van den aanvang af heeft willen sturen en leiden ook door dit expresse bevel tot cultuur”[5].

In alle keuzes die wij maken, hebben wij te maken met Gods wijze leiding.
Bij alle dingen die wij doen, mogen wij bedenken dat God de wereld stuurt en ons tot activiteit stimuleert.

In dat kader moeten wij, anno Domini 2018, kijken naar de zorg voor onszelf en voor elkaar.

Een redacteur van het Nederlands Dagblad schreef onlangs met licht sarcasme: “We wisten dat het eraan zat te komen. De naoorlogse generatie heeft de leeftijd bereikt waarop de zorgvraag toeneemt. De afgelopen jaren stonden merkwaardig genoeg in het teken van de ‘herstructurering’ van de zorg – lees: bezuinigingen, reorganisaties. Er vlogen mensen uit, streekziekenhuizen werden opgedoekt, alles uit naam van Doelmatigheid.
En nu luidt het UWV de noodklok, ook daar kon je de klok op gelijkzetten. Komend jaar zijn er honderd- tot honderddertigduizend vacatures in de zorg te vervullen. Niemand weet hoe”.
En verder: “… dit los je dit niet op met regels, geld of scholing. Je gaat in de zorg werken als je je leven wilt wijden aan mensen die je nodig hebben. Waarom zou je je leven wijden aan een ideaal, als die wereld geregeerd wordt door rekenmachines en technocraten?”[6].

Wat is ons antwoord op de zorgen rond de zorg voor elkaar?

Dat antwoord vinden we alleen als we onszelf niet centraal zetten. We dienen te beseffen dat de mensen om ons heen hoofd voor hoofd schepselen van God zijn. Hij heeft alles gemaakt. Hij geeft ons een taak in de wereld, of wij nu 25 of 95 zijn. Natuurlijk, de ene klus is groot, de andere aanzienlijk kleiner. De God van het verbond belast ons niet boven vermogen. Maar onze taak ligt er. De cultuuropdracht mogen wij niet vergeten!

De lof op God is niet alleen een zaak van de zondagse kerkdienst.
Na de eerste dag der week volgen er nóg zes andere dagen. Dagen waarop we allerlei mensen en dingen kunnen verzorgen. Ieder op onze eigen plaats. Ieder met zijn eigen taak. Misschien is het, vanwege de omstandigheden, maar een klein taakje meer. Maar in al ons werk, of: in onze werkjes, kan de lof op God glanzen. Hij geeft ons de kracht om Hem te dienen. Op school. Bij het vakken vullen in de supermarkt. Bij een al of niet geslaagde deal in het zakenleven. In tijden van gezondheid. En in periodes van ziekte.
Altijd mogen we blijven zeggen: wij zijn in Gods hand.

Van dag tot dag zet Hij ons in, om Zijn schepping uiteindelijk klaar te maken voor een paradijselijke eeuwigheid.
Hoe zal die heerlijkheid er uit zien? Aardse woorden schieten te kort om die te beschrijven. Maar één ding is zeker: iedere dag brengt Gods kinderen een stap dichter bij die luisterrijke eeuwigheid.

Laten we daarom Psalm 71 maar meezingen, of desnoods meeneuriën:
“Ik hoop op U en zal U loven,
uw recht van dag tot dag
vermelden met ontzag.
Uw heil gaat elk begrip te boven.
Ik kan die grote schatten
niet tellen of bevatten”[7].

Noten:
[1] Psalm 139:13-16.
[2] Dit artikel is een uitwerking van gedachten na het beluisteren van een preek over Psalm 139:13-16. De preek werd gehouden door dominee M. Dijkstra uit Mariënberg, in een dienst van De Gereformeerde Kerk Groningen op zondagmorgen 11 maart 2018.
[3] Reformatorisch Dagblad, maandag 12 maart 2018, voorpagina.
[4] “Schepping” – commentaar in Reformatorisch Dagblad, maandag 12 maart 2018, p. 5.
[5] K. Schilder, “Over de Algemeene Genade – Antwoord aan Dr. O. Noordmans”. In: De Reformatie, jg. 16. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre. 1935-1936. – IV.
[6] Rien van den Berg, “Zorgzorgen” – redactioneel commentaar in: Nederlands Dagblad, dinsdag 13 maart 2018, p. 3.
[7] Psalm 71:8, Gereformeerd Kerkboek-1986.

19 maart 2018

Arme wijsgeer

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien en voor mij was zij groot:  Er was een kleine stad met weinig mensen erin. Een groot ​koning​ trok ertegen op en ​omsingelde​ die. Hij bouwde er grote bolwerken tegenaan. Daar trof men een arme, wijze man aan. Hij redde de stad door zijn wijsheid, maar geen mens dacht aan die arme man”.

De woorden die hierboven staan, zijn terug te vinden in Prediker 9[1].

Wie die woorden leest, kan zomaar vervuld worden van een zekere triestheid. Immers: er zijn mensen op de wereld, die heel wijs zijn. Maar die wijsheid valt niet op. Er is niemand die er gebruik van maakt.
Voor u en ik het weten zijn we totaal verbijsterd. Notabene, er is wijsheid in de nabijheid en iedereen – ja werkelijk iedereen – is er volledig blind voor. Dat is toch ergerlijk? Dat is toch ongelooflijk? Daar moet je iets aan doen. En wel zo snel mogelijk!

Ziet u de deplorabele, de zondige toestand van de wereld? Er zijn intelligente en verstandige burgers op deze wereld. En men kijkt gewoonweg langs hen heen.

Moeten wij vandaag bij die deprimerende conclusie blijven?

Driewerf neen!
Zeker niet!

Want de geschiedenis van die arme wijsgeer bepaalt ons er bij dat wij ons leven in de handen van de Here moeten leggen. Het is de Here die ons onze positie in het leven geeft.

Misschien zegt u wel: als ik terugkijk op mijn leven, dan had ik best nog wel wat meer kunnen doen.
Of: als ik mijn leven over kon doen, zou ik minder taken op mij nemen.
Wij moeten echter wel beseffen dat de Here ons inzet op de plaats waar Hij ons hebben wil. Onze Here is onnavolgbaar wijs. Hij telt alle omstandigheden mee: de situaties van vroeger, nu en later. Hij overziet ons ganse leven. Hij weet wat goed voor ons is!
De historie van de arme wijsgeer leert ons om tevreden te zijn met de plek die de God van hemel en aarde ons op aarde geeft.
Laten wij het ons maar eens realiseren:
* Het is goed dat wij in deze tijd leven
* Het is goed dat wij in Nederland leven. Of in Canada. Of in Suriname. De plek waar u woont is, als het puntje bij het paaltje komt, door de Here voor u gereserveerd.
* Het is goed dat wij talenten hebben gekregen. Voor het technische werk. Voor cijfermatige arbeid. Of voor schrijfwerk.
Ook hier geldt Psalm 118:
“Dit werk is door Gods alvermogen,
door ’s HEREN hand alleen geschied.
Het is een wonder in onz’ ogen.
Wij zien het, maar doorgronden ’t niet”[2].

Het bovenstaande is belangrijk.
Voor wij het weten horen wij tot de categorie der dwazen die alles zelf willen regelen, en geen gebruik wensen te maken van denkvermogen en intellect.  Iemand schreef in verband met Prediker 9 eens: “…dáár kan de Prediker niet bij. Dat je af en toe wegloopt voor de realiteit – begrijpelijk. Dat je de wijsheidsprediker deprimerend vindt en al dat gepieker zat bent, ook logisch. Maar dat je zelfs wijsheid weigert als die je echt kan helpen, dat slaat nergens op. En dat je dat dan ook nog zo slim van jezelf vindt! Hoe blind kun je wezen?
Hoe blind wil je wezen?”[3].

Laten wij ons leven maar vol vertrouwen in Gods hand leggen!

Hij is Degene die Zijn oordeel over al onze arbeid geven zal.
Dat lezen wij in Prediker 3: “De rechtvaardige en de goddeloze zal God oordelen”[4].
En in Prediker 11: “Verblijd u, jongeman, in uw jeugd, en laat uw ​hart​ vrolijk zijn in de dagen van uw jeugd. Ga in de wegen van uw ​hart en volg wat uw ogen zien, maar weet dat God u over dit alles in het gericht zal brengen”[5].
En in Prediker 12: “God zal namelijk elke daad in het gericht brengen, met alles wat verborgen is, hetzij goed, hetzij kwaad”[6].

Het moment van Gods oordeel – dat is het ogenblik waarop openbaar wordt wie er in de wereld werkelijk wijs gehandeld heeft.

Vandaag de dag worden wij door de media bestookt met nieuws over criminaliteit en misdaad.
Daarnaast horen wij van alles over voetbal op allerlei niveaus.
En verder een beetje schaatsen en de trainingen van  autocoureur Max Verstappen… – ach, u kent het recept waarschijnlijk wel zo ongeveer.

In de kerk zitten aardig wat arme wijsgeren.

Niet zelden worden zij overschreeuwd door de wijsheid der wereld.
De Prediker zegt: “Wijsheid is beter dan wapentuig, maar één zondaar bederft veel goeds”[7]. En: “Een dode vlieg doet de zalf van de zalfbereider stinkend gisten. Zo doet ook een kleine dwaasheid met kostbare wijsheid en eer”[8].

Zo gaat dat in deze wereld.
Zo werkt dat op deze aarde.
Maar in de kerk kijken we verder. Daar zien wij het perspectief van Openbaring 7: “En alle ​engelen​ stonden rondom de troon, de ouderlingen en de vier dieren. Zij wierpen zich vóór de troon neer met hun gezicht ter aarde en aanbaden God, en zeiden: ​Amen. De lofprijzing, de heerlijkheid, de wijsheid, de dankzegging, de eer, de kracht en de sterkte is aan onze God tot in alle eeuwigheid. ​Amen”[9].
Er komt een moment dat al Gods kinderen mogen schuilen bij Hem, die al onze zonden vergeeft. Dan zal Goddelijke wijsheid ons overkoepelen!
Wederom citeer ik Openbaring 7: “En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun gewaden gewassen en ze hebben hun gewaden wit gemaakt in het bloed van het Lam. Daarom zijn zij vóór de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel. En Hij Die op de troon zit, zal Zijn ​tent​ over hen uitspreiden”[10].

Arme wijsgeren zullen rijke hemelburgers worden!

Noten:
[1] Prediker 9:13, 14 en 15.
[2] Psalm 118:8, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[3] Rubriek ‘Stilgezet’. In: Nederlands Dagblad, donderdag 22 september 2016, p. 24.
[4] Prediker 3:17.
[5] Prediker 11:9.
[6] Prediker 12:14.
[7] Prediker 9:18.
[8] Prediker 10:1.
[9] Openbaring 7:11 en 12.
[10] Openbaring 7:14 b en 15.

9 maart 2018

Blij door Gods kracht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

De kerk: dat is een bron van vreugde.
De kerk: daar worden u en ik blij van!

Geachte lezers, ik zie u fronsen.
En ik zie u tevens denken: beste weblogschrijver, rustig aan maar… Want het leven is niet zo makkelijk. En in de kerk is het geen koekoek eenzang. Er is altijd wel wát: wrijving, gedoe… – ach, de daverende ruzies laten wij maar ongenoemd.

Toch laat ik die vreugde staan.
Midden in de ellende.
In Lucas 6 gebeurt dat namelijk ook. Kijkt u maar mee: “Zalig bent u, wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u uitstoten en u smaden en uw naam als slecht verwerpen omwille van de Zoon des mensen. Verblijd u op die dag en spring op van vreugde, want zie, uw loon is groot in de hemel. Hun vaderen deden immers evenzo met de profeten”[1].

In Lucas 6 gaat het over de haat van mensen die wrok koesteren tegen Jezus’ discipelen. En over de mensen die tegen volgelingen van Jezus zeggen: ik wil niets met u te maken hebben. En over de mensen die zeggen: zij lopen achter Jezus aan, met die mensen kun je beter geen zaken doen. En over de mensen die zeggen: die volgelingen hebben oogkleppen op.

Wie merkt dat er zo over hem gepraat wordt, moet geweldig blij wezen.
En waarom?
Omdat er een luisterrijk hemelleven aan komt!

Vandaag de dag is er nog wel eens sprake van schade, schande en smaad. Denkt u maar aan die affaires rond het seksuele misbruik bij internationale hulporganisaties als Oxfam Novib en het Rode Kruis.
Maar al die zaken wordt door het gepeupel maar al te vaak snel vergeten.
Uit het Nederlands Dagblad citeer ik: “Bij recente affaires laten de cijfers zien dat de Nederlander redelijk snel vergeet welke organisatie de commotie heeft veroorzaakt’, vertelt de adviseur. Als voorbeeld noemt hij KWF Kankerbestrijding. In 2013 kwam aan het licht dat de voorzitter van de KWF-wieleractie Alpe d’HuZes in het verleden betaald werd met geld uit het Alpe d’HuZes-fonds. De onthulling veranderde echter niets aan de populariteit van KWF, dat sinds 2010 altijd op de eerste plaats van de honderd sterkste merken heeft gestaan. Ook recente financiële schandalen bij stichting ALS en KNGF Geleidehonden leverden geen deuk in hun imago op”[2].
In deze kortzichtige wereld zijn schade, schande en smaad zaken die van relatief korte duur zijn.

In Lucas 6 worden we gewaarschuwd: de haat tegen christenen blijft altijd bestaan. In alle tijden blijven er mensen die zeggen: wij blijven het liefst bij die kerkmensen vandaan; bij hen moet je niet wezen.
Immer en overal moeten we rekening houden met afkeer en minachting.

Nu kunnen we zeggen: ach, met die haat valt het een beetje mee.
Wij moeten ons daar echter niet op verkijken. Want:
1.
De koopzondagen worden hoe langer hoe meer gemeengoed. SGP-kamerlid Bisschop zei niet zo lang geleden: “Onderzoeken over de kwetsbaarheid van winkeliers en werknemers worden eenvoudig weggewuifd omdat ‘het’ zo goed is voor de economie en omdat ‘men’ het zo graag wil”. En: “De SGP laat zich niet meeslepen door argumenten als: je kunt het toch niet tegenhouden. Laat mensen maar eens zien onder wat voor juk (kleine) ondernemers doorgaan en hoeveel werknemers tegen hun zin op zondag werken”[3].
Voorstanders van koopzondagen stellen gestreng: u mag niet bepalen of op zondag gewerkt mag worden en of winkelen al dan niet geoorloofd is.
2.
Ook op christelijke scholen wordt het lijden en sterven van Jezus Christus naar ons toe gebracht in musicals, passiespelen en wat daar verder volgt.
Dat Gereformeerden hard roepen dat dat niet de bedoeling kan zijn maakt klaarblijkelijk weinig uit. Het gebeurt toch.
Kortom: onder de dekmantel van beschaafde antipathie worden allerlei dingen die de meerderheid des volks goed acht, in alle rust uitgevoerd.
Ook in onze tijd is de haat tegen Gods kinderen aan de orde van de dag. Het mag alleen niet zo heten. Men noemt dat bijvoorbeeld: mening van de meerderheid. De argumenten klinken soms reuze redelijk, maar de weerzin druipt er bij tijd en wijle van af.

Gereformeerden zijn soms geneigd om treurig hun hoofd te schudden om vervolgens op droevige toon te vragen: in welke wereld leven wij?
Uit Lucas 6 leren wij dat dat de verkeerde vraag is.
Want de vraag zou moeten zijn: in welke wereld zullen wij leven? Het staat er immers: “uw loon is groot in de hemel”.

Maar er is toch wel meer.
Want in Lucas 18 zegt Jezus tegen zijn discipelen: “Voorwaar, Ik zeg u dat er niemand is die huis of ouders of broers of vrouw of ​kinderen​ verlaten heeft om het ​Koninkrijk van God, die niet het veelvoudige zal terugontvangen in deze tijd, en in de wereld die komt, het eeuwige leven”[4].

Ziet u dat?
De God van hemel en aarde geeft ook vreugde in deze tijd.
In Gods Woord zien wij dat ook terug.
In Handelingen 5 bijvoorbeeld: “Zij dan – dat zijn de apostelen – gingen weg uit de tegenwoordigheid van de Raad en waren verblijd dat zij waardig geacht waren, omwille van Zijn Naam schandelijk behandeld te worden”[5].
Die blijdschap is gegeven. Voor de kerkelijke rechtbank staan, daar wordt niemand blij van. Maar in Handelingen 5 zijn de discipelen verheugd dat zij, ondanks alles, het Evangelie hebben kunnen verkondigen.
Dat de kracht van God afkomstig is, blijkt nog wat duidelijker in Handelingen 16. Ik citeer: “En omstreeks middernacht baden ​Paulus​ en Silas en zongen lofzangen voor God. En de gevangenen luisterden naar hen. En er vond plotseling een grote aardbeving plaats, zodat de fundamenten van de ​gevangenis​ bewogen werden; en onmiddellijk gingen alle deuren open en raakten de boeien van allen los”[6].
Vanuit de hemel worden kinderen van God krachtig ondersteund!

De kerk: dat is een bron van vreugde.
De kerk: daar worden u en ik blij van!
Nee, die blijdschap krijgen we niet als we op onze eigen geloofsenergie rekenen.
Ja, die vreugde ontvangen wij wel als wij, ook in de concrete situatie anno Domini 2018, op onze God blijven vertrouwen!

Noten:
[1] Lucas 6:22 en 23.
[2] “Gever vergeet affaires snel”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 2 maart 2018, p. 2.
[3] Hannah Neele, “Shoppen op zondag steeds normaler”. In: katern Accent, onderdeel van het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 24 februari 2018, p. 12 en 13.
[4] Lucas 18:29 en 30.
[5] Lucas 5:41.
[6] Handelingen 16:25 en 26.

27 februari 2018

Schuilplaats van de kerk

Het Heilig Avondmaal vieren wij, als regel, op zondag in de eredienst.
Maar die viering heeft vervolgens ook alles te maken met de manier waarop wij in de maatschappij staan.
Dat zal hieronder alras blijken.

Als wij “het gekruisigd lichaam van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken” betekent dat onder meer “dat wij door de Heilige Geest, die tegelijk in Christus en in ons woont, steeds meer met zijn heilig lichaam verenigd worden, en wel zo, dat wij, hoewel Christus in de hemel is en wij op aarde zijn, toch vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente zijn; en ook zo, dat wij door één Geest eeuwig leven en geregeerd worden, zoals de leden van het lichaam door één ziel”.
Zo belijden wij dat in Zondag 28 van de Heidelbergse Catechismus[1].

Wie dat Catechismusantwoord tot zich door laat dringen, is wellicht geneigd om te vragen: dit kan toch helemaal niet?
Eén worden met zijn heilig lichaam – hoe kan dat?
Vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente – hoe is dat mogelijk?
Dat is toch te groot en te groots voor aardse mensjes?

Welnu, de Catechismus verwijst naar woorden uit Johannes 6: “Want Mijn vlees is het ware voedsel en Mijn bloed is de ware drank. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Zoals de levende Vader Mij gezonden heeft, en Ik leef door de Vader, zo zal ook wie Mij eet, leven door Mij”[2].

Door Gods Heilige Geest worden wij verbonden met Jezus Christus.
Om het met de Dordtse Leerregels te zeggen: de mensen “willen noch kunnen terugkeren tot God en evenmin kunnen zij in hun verdorven natuur verbetering brengen of zich daarop richten, zonder de genade van de Heilige Geest, die opnieuw geboren doet worden[3].
En:
“Wat dan het licht der natuur en de wet niet tot stand kunnen brengen, dat doet God door de kracht van de Heilige Geest en door het woord of de bediening van de verzoening: het evangelie van de Messias. Het heeft God behaagd de gelovigen zowel onder het oude als onder het nieuwe verbond daardoor te behouden”[4].
Wij leven samen met Hem.
De Heiland en Zijn kinderen – samen trekken zij door de wereld van de eenentwintigste eeuw.

Met hun God aan het hoofd zijn Gods kinderen onderweg naar de toekomst. Op pad naar een toekomst die nooit ophoudt.
Er is immers sprake van eeuwig leven? De Geest blijft hen ook dan voortdurend regeren. Zodoende is er altijd perfecte harmonie. Overal heerst steeds weldadige rust.
Die kant gaat het met Gods kinderen op!

Het is, in dit verband, niet overdreven om over verbondstrouw te spreken. De Geest van God komt in ons leven; en in het verbond zijn wij onlosmakelijk aan Hem verbonden. Jezus zegt in Johannes 14: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem ​liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen”[5].
Er is sprake van innige wederzijdse liefde.
Een liefde voor het Leven.
Verbondenheid waarvan wij, hier op aarde, de intimiteit niet geheel kunnen aanvoelen.
Verbondenheid die nog veel vuriger is dan wij verlangen!

De viering van het Heilig Avondmaal geschiedt op zondag.
Maar de vreugde van die viering trilt in het gewone leven door.
Steeds weer mogen we, met woorden uit Efeziërs 3, vragen: wilt u, geliefde Heiland, in onze harten wonen en ons in de liefde wortelen en funderen?[6]
Over Efeziërs 3 schreef ik op deze pagina al eens: “Geworteld en gefundeerd: dat woordenpaar is, wat mij betreft, heel nuttig.
Want dat woordenpaar roept het beeld van het kerkhuis op. Een schitterend huis waarin iedereen en alles goed verzorgd is. De kerk – daar moet u wezen!
Dat beeld is echter geen plaatje waar u en ik vrijblijvend naar kunnen kijken.
Dat beeld is ook een oproep: laat u door de ontwerper en bouwmeester van het kerkhuis inmetselen in het kerkhuis.
In een huis moet worden geleefd. Een huis dat niet bewoond wordt, vervalt. Het wordt er stoffig. Het wordt een paradijsje voor ongedierte.
Laten wij er voor zorgen dat de kerk levend blijft. Wees maar actief in de kerk…”[7].

In die kerk verzamelt de God van het verbond de mensen die hun vastheid alleen bij Hem zoeken.
Zij worden hoe langer hoe meer één met Hem.
Zij volgen Hem waar Hij gaat.
Zij luisteren naar Zijn liefdevolle stem.
De activiteiten die zij op aarde ontplooien, voeren zij uit op Zijn gezag.

Daar valt het woord ‘gezag’.
Dat is in Nederland heel vaak tamelijk ver te zoeken. Wetshandhavers bij de politie en bij de rechterlijke macht hebben het bijzonder moeilijk. Vorige week kwam het bericht dat rechercheurs bij de politie hun werk niet half aan kunnen; tweeduizend (2000!) collega’s erbij, dat zou geen luxe wezen.
Nederland is een narcostaat geworden, zeggen sommigen. Dat is behoorlijk overdreven, roepen anderen. Maar dat er iets grondig mis is, dat staat wel vast.

In zo’n samenleving viert de kerk met enige regelmaat het Heilig Avondmaal.
En kerkmensen weten het: wij worden steeds meer met zijn heilig lichaam verenigd. Niet door eigen inspanning. Niet door eigen passie. Maar door de Heilige Geest, die ons steeds weer op de Heiland wijst.
De Avondmaalstafel in de eredienst: voor de kerk is dat de schuilplaats in een wereld waarin ‘gezag’ veelal een leeg en onbetekenend woord geworden is.
Daarom zingen we, met de dichter van Psalm 2:
“Kust toch de zoon, opdat gij niet te gronde
gaat op uw weg. Te licht wordt hij getart
en kan zijn gramschap tegen u ontbranden.
maar zalig zijn die schuilen aan zijn hart”[8].

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 28, vraag en antwoord 76.
[2] Johannes 6:55, 56 en 57.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 3.
[4] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 6.
[5] Johannes 14:23.
[6] Zie Efeziërs 3:17.
[7] Geciteerd uit mijn artikel ‘Waardevol woordenpaar’, hier gepubliceerd op vrijdag 7 juli 2017. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2017/07/07/waardevol-woordenpaar/ .
[8] Psalm 2:4, Gereformeerd Kerkboek-1986.

26 februari 2018

Activiteit aan God toegewijd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Het lezen van de Bijbel is soms een nogal verrassende bezigheid. Er zijn momenten waarop je denkt: waar gaat dit over?

Laatst kwam ik bij het lezen van Spreuken 27 zo’n tekst tegen. Het was deze:
“Zorg ervoor dat u uw schapen goed kent,
richt uw ​hart​ op de kudden.
Want rijkdom is er niet voor eeuwig,
of zal een ​diadeem​ van generatie op generatie blijven?
Als het eerste gras verdwenen is, het tweede gras verschijnt,
en de kruiden van de bergen verzameld zijn,
dan zult u lammeren hebben voor uw ​kleding
en bokken als koopprijs voor een akker.
Bovendien zult u genoeg geitenmelk hebben als uw voedsel,
als voedsel voor uw ​huis,
en als leeftocht voor uw dienstmeisjes”[1].

Als u – net als schrijver dezes – geen agrarische achtergrond heeft, staan deze woorden waarschijnlijk tamelijk ver van u af.
Niettemin staan ze zomaar onder elkaar:
* kudden schapen
* een diadeem
* kleding
* voedsel
* dienstmeisjes – zeg maar even: het personeel.
Wat wil de opsteller van de Spreuken ons leren?

Besteed, zegt de Spreukenleraar, goede aandacht aan uw bedrijf. Misschien waant u zich rijk. Maar als het er op aankomt, kunnen rijkdom en luxe ook zomaar weer verdwenen zijn. De ene generatie draagt dure juwelen, maar een volgend geslacht moet het vaak met veel eenvoudiger sieraden doen.
Late regenbuien geven nieuw groen als het eerste gras verdwenen is. Welnu, zorg dan dat dat gras verzameld wordt om het vee te voederen. Met andere woorden: wees ijverig doende in uw bedrijf!
Want wie goed en efficiënt werkt, genereert voldoende inkomen om voor zijn gezin te zorgen en bovendien zijn personeel een goed loon te geven.

Wat heeft het bovenstaande ons te zeggen, anno Domini 2018?
Laat ik het zo mogen samenvatten:
* ons werk is aan de Here toegewijd
* ons werk staat in het kader van Gods voorzienigheid.

Werken is belangrijk. Het is niet zo dat wij van vakantie naar vakantie huppelen. Nee, met name in ons dagelijks werk eren we de Here. Daarom moeten we daarvoor gáán. En daarom moeten we ook een beroep kiezen waar perspectief in zit.
Perspectief – vooral in die zin dat wij de Here daarin kunnen dienen met de gaven die wij van Hem hebben ontvangen.

Bij nadere beschouwing blijkt het slot van Spreuken 27 alles te maken te hebben met het achtste gebod: u zult niet stelen.
Het gaat in dat Schriftgedeelte namelijk ten diepste om goede zorg voor onszelf en voor onze naasten. Als het een beetje wil houden we van het geld dat we verdiend hebben, nog wat over om arme mensen te kunnen ondersteunen[2].

De Grote Catechismus van Westminster geeft bij dat achtste gebod de volgende uitwerking:
“Welke plichten worden er in het achtste gebod vereist?
Antwoord: De plichten die in het achtste gebod vereist worden zijn: waarachtigheid, betrouwbaarheid en rechtvaardigheid in onderlinge overeenkomsten en handel, aan iedereen geven wat hem toekomt, schadeloosstelling voor goederen die op onwettige wijze van de rechtmatige eigenaars zijn ontvreemd, aan anderen mild geven en lenen, al naar onze mogelijkheden en hun noden zijn; gematigdheid in onze oordelen, wensen en genegenheden wat betreft aardse goederen; goede zorg en ijver om te verwerven, te houden, gebruiken en te regelen de dingen die noodzakelijk en geriefelijk zijn voor het onderhoud van ons natuurlijke leven, en die in onze omstandigheden passen; het uitoefenen van een wettig beroep en ijver in het vervullen ervan, zuinigheid, het vermijden van onnodige processen, borgstellingen en dergelijke verplichtingen; en het streven om met alle rechtvaardige en wettige middelen de welvaart en materiële bezittingen zowel van anderen als van onszelf te verschaffen, te bewaren en te bevorderen”[3].
Bij het hierboven gecursiveerde zinsdeel wordt door de Grote Catechismus verwezen naar Spreuken 27:23-27. Het wordt eens te meer duidelijk: Spreuken 27 staat midden in het leven van alledag. De verantwoordelijkheden die we doordeweeks hebben, staan rechtstreeks in verbinding met de zorg die de God van het verbond dagelijks voor ons heeft. Hij geeft ons krachten om de taken te verrichten die wij in kerk en maatschappij gekregen hebben!

Soms is ons werk niet meer beroepsmatig. Bijvoorbeeld omdat wij afgekeurd zijn voor het verrichten van werk in de samenleving.
In dergelijke gevallen is er altijd wel iets in de kerk te doen.
Trouwens, de kerk wordt ook een kudde genoemd; een kudde die verzorgd moet worden. Denkt u maar Handelingen 20: “Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde, te midden waarvan de ​Heilige​ Geest​ u tot ​opzieners​ aangesteld heeft om de ​gemeente​ van God te weiden, die Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed”[4].
Of ook aan 1 Petrus 5: “De ouderlingen onder u roep ik ertoe op, als medeouderling en getuige van het lijden van ​Christus​ en deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden: Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig; ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Heere, maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn. En als de Opperherder verschijnt, dan zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen”[5].

Al ons werk mag gerust een passie heten.
Hoewel gelovige kinderen van God beter van Geest-drift kunnen spreken. Het is immers de Heilige Geest die ons dagelijks aanstuurt.
Daarom mogen wij met Psalm 90 zingen:
“Zie op ons neer met vriendelijke ogen.
O God, bescherm ons in ons onvermogen.
Bevestig wat de hand heeft opgevat,
het werk van onze hand, bevestig dat”[6].

Dat gebed is voor de kerk niet omgeven met allerlei vraagtekens. Ons werk is niet vol van onbestendigheid, onzekerheid en twijfelmoedigheid.
Waarom niet?
Omdat wij het onderwijs van Zondag 10 der Heidelbergse Catechismus kennen. U weet wel:
Gods voorzienigheid, dat is: “de almachtige en tegenwoordige kracht van God, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen”[7].

Laten wij maar gewoon aan het werk gaan.
Op de boerderij. Op kantoor. In het laboratorium. In het bedrijfsleven. Of gewoon thuis, achter ons bureau.
En laten wij er wat máken.
Tot eer van onze God.

Noten:
[1] Spreuken 27:23-27.
[2] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, vraag en antwoord 111.
[3] “De Grote Catechismus zoals deze werd overeengekomen door de vergadering der Godgeleerden te Westminster”, goedgekeurd in 1648; vraag en antwoord 141. Opgenomen in: “De Westminster Confessie met de Grote en de Kleine Catechismus”. – vertaald en ingeleid door drs. G. van Rongen, met medewerking van dr. M.J. Arntzen. – tweede druk. – Barneveld: De Vuurbaak, 1986.
[4] Handelingen 20:28.
[5] 1 Petrus 5:1-4.
[6] Psalm 90:8, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, antwoord 27.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.