gereformeerd leven in nederland

7 januari 2019

Naar een hoger niveau

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Want ik ben door de wet voor de wet gestorven, opdat ik voor God zou leven. Ik ben met ​Christus​ gekruisigd; en niet meer ik leef, maar ​Christus​ leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de ​Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven”.

Hierboven staat het Evangelie in een notendop.
Het zijn woorden uit Galaten 2[1].
Een mens wordt niet zalig door zich netjes aan Gods wet te houden. Een mens wordt verzoend met God doordat Jezus Christus voor zijn zonden is gestorven. Dat moeten wij geloven. Niet meer en niet minder.
Dat geloof wordt door Gods Geest gegeven. De Geest van God woont in de harten van Gods kinderen. Daarom kunnen zij zonder terughoudendheid zeggen: Christus leeft in mij. En daarom kunnen zij ook met recht stellen: wij hebben perspectief op de hemel; want Christus is voor ons gestorven!

Dat geloof is in Nederland niet in de mode.
Maar dat is het in Galaten 2 ook al niet. In Jeruzalem zijn er heftige discussies over. De gemoederen raken verhit. Men staat strak tegenover elkaar – is de wet van Mozes zaligmakend, of niet? En er is nog een vraag: moet je onder de Joden blijven werken, of niet?
Zelfs de leiders zijn het over dat laatste niet met elkaar eens. Petrus wil niet met niet-Joden eten. Stel je toch voor dat je bevuild wordt met heidense smetten! Ja, Petrus heeft het moeilijk met de aanvaarding van de consequenties van Christus’ werk.
En gaandeweg wordt duidelijk: Paulus gaat onder de niet-Joden evangeliseren. Hij wordt niet moe om het uit te bazuinen: geen mens kan gered worden als hij zich keurig aan de Mozaïsche wet houdt[2].
Het leven wordt niet meer beheerst door de wet van Mozes, maar door onze Heiland.

Wat moeten we in onze tijd met Galaten 2 aanvangen?

De Dordtse Leerregels leren ons: “Wat geldt van het licht der natuur, geldt (…) ook van de wet van de Tien Geboden, die God door Mozes in het bijzonder aan de joden gegeven heeft. Want de wet legt wel de grootheid van de zonde bloot en ze overtuigt de mens steeds meer van zijn schuld, maar zij wijst het redmiddel niet aan en ook geeft zij geen kracht om uit deze ellende te komen. En doordat zij door het vlees krachteloos geworden is en de overtreder onder de vloek laat blijven, kan de mens door de wet de heilbrengende genade niet verkrijgen”[3].
Dus: wie zich netjes aan de Tien Geboden houdt, komt niet zomaar in de hemel.
Wie de Mozaïsche wetgeving naleeft, eindigt niet per definitie in de woonplaats van God.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis zeggen ons: “Wij geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus hebben afgedaan en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen. Daarom moeten de christenen die niet langer handhaven. Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zij hun vervulling hebben. Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer”[4].

Met andere woorden –
* Al die offers van het Oude Testament wijzen naar Christus.
* Heel die Mozaïsche wetgeving is gericht op de komst van Christus.
* Offerdienst en wetgeving werpen hun schaduw vooruit.
* En jazeker – Jezus Christus offerde Zijn leven, om eens en voor altijd voor onze zonden te betalen!

Dus –
als wij netjes leven komt ons tweede vaderland, de hemel, niet onmiddellijk dichterbij.
Wij komen niet in de residentie van God, omdat wij, anno Domini 2019, zo keurig binnen de lijntjes leven.
Men hoort heden ten dage wel eens: ‘ik leef best netjes; en dus kom ik vast wel in de hemel’. Maar het wachtwoord voor de hemel is niet ‘fatsoenlijk’. En ook niet ‘achtenswaardig’. En ook niet ‘beschaafd’.

Wij moeten eenvoudigweg geloven in de beloften die Jezus Christus geeft:
* vergeving van onze zonden
* een eeuwig leven.
Meer is niet nodig. Minder ook niet, trouwens.

Hebben de Tien Geboden geheel afgedaan?
Nee. Zeker niet.
Want ze bieden ons prachtige mogelijkheden om onze dankbaarheid voor Christus’ reddingswerk te tonen.
Zo verwijst onze manier van doen weer naar Jezus Christus, de Redder van het leven.

Hoe verhoudt het bovenstaande zich tot onze maatschappij?

Niet zo lang geleden deed minister-president Rutte een klemmend beroep op de burgers in de Nederlandse samenleving.
In een paginagrote advertentie schreef hij onder meer: “In Nederland zien we ook een grote groep die zich niet verantwoordelijk voelt om er met elkaar iets moois van te maken. Mensen die alleen met zichzelf bezig zijn en altijd eerst denken aan hun eigenbelang. (…)
Het is gemakkelijk om verschillen uit te vergroten tot harde tegenstellingen. Maar je kunt je ook realiseren dat dit land juist zo mooi is geworden omdat we altijd hebben geprobeerd om dat tere bezit, dat mooie Nederland, zo goed mogelijk te beschermen. Door met elkaar compromissen te sluiten waarbij we ook lastige problemen op een verstandige manier oplossen. Waar niemand echt helemaal zijn zin krijgt. (…)
Daarom wil ik met deze brief de onuitgesproken afspraak die we met elkaar hebben – om samen dat broze bezit te beschermen – eens uitspreken.(…)
Ik ben ontzettend trots op al die mensen die er op hun eigen manier iets van maken met elkaar. Die omkijken naar een ander. Een arm om iemand heen slaan. Zij maken Nederland mooier. Sterker nog: zij zijn Nederland”[5].

De oproep van de Neêrlandse premier is goed.
De oproep klinkt mooi.
Die oproep streelt het hart.
Sta naast elkaar, zegt minister-president Rutte. Zorg ervoor dat je niet voortdurend tegenover elkaar blijft staan.

Alleen maar –
in de kerk zeggen we meer. En ten diepste zeggen wij iets heel anders.
Daar staan we niet slechts naast elkaar om het samen prettig te hebben. Daar zijn we niet simpelweg bezig om ons bezit op een verantwoorde wijze te beheren. Daar werken wij niet louter aan een jofele maatschappij, waarbij zo ongeveer iedereen zich senang voelt.
In de kerk werken we niet aan een correct leven in een eerlijke en elegante gemeenschap.
We leven daar in de gemeenschap der heiligen.
“De gelovigen hebben allen samen en ieder persoonlijk als leden gemeenschap met de Here Christus en hebben deel aan al zijn schatten en gaven”. Herkent u de Heidelbergse Catechismus?[6].
In de kerk zijn we in alles gericht op de Here Jezus Christus, onze Heiland. Van daaruit leveren we een bijdrage aan een mooie aardse maatschappij. Maar voor de kerk is dat nog maar het begin.
Want er komt een hemelse toekomst aan. Die toekomst gaat open door het werk van “de ​Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven”.

Met dat laatste citaat wij weer terug bij Galaten 2.
Het moge duidelijk zijn: in Galaten 2 brengt de apostel Paulus onze maatschappelijke activiteiten op een hoger niveau!

Noten:
[1] Galaten 2:19 en 20.
[2] Zie voor het bovenstaande Galaten 2:1-16.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 5.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 25.
[5] De brief is te vinden op https://www.vvd.nl/brief-van-mark-rutte-aan-alle-nederlanders/ ; geraadpleegd op dinsdag 1 januari 2019. De brief verscheen op maandag 17 december 2018 in een paginagrote advertentie in het Algemeen Dagblad.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 55. Om de zin in het verband van het artikel te laten passen, werd de woordvolgorde in het citaat iets veranderd.

3 januari 2019

Draag Gods vrede mee!

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Wat staat de kerk te doen in het nieuwe kalenderjaar?
Het Evangelie moet verkondigd worden – dat is nogal logisch.
Maar waar mensen bij elkaar zijn ontstaan al snel meningsverschillen. Als het daarom gaat, geeft de apostel Paulus in Colossenzen 3 een goede raad: “En laat de ​vrede​ van God heersen in uw ​harten, waartoe u ook in één lichaam geroepen bent; en wees dankbaar”[1].

Een exegeet schrijft over die tekst: “Paulus roept de gelovigen op om deze harmonie door niets te laten verstoren. De vrede van God (…) moet ‘scheidsrechter’ zijn”.
Dat daar eensklaps een scheidsrechter in beeld komt is niet zo gek. In het Grieks staat er namelijk een vorm van het woord brabeuo.
De bovenbedoelde exegeet noteert daarbij: dat woord “is de omschrijving van de taak van de scheidsrechter in sportwedstrijden en houdt beslissen, bevelen, besturen en leiden in. Daar waar bitterheid of boosheid in de harten van de gelovigen opkomt, daar waar de eenheid in gevaar wordt gebracht, moet de vrede van de Heer bepalend zijn. De gelovigen zijn in het éne lichaam geroepen en moeten daar trachten in de vrede van God met elkaar te blijven leven”[2].

Er moet een sfeer van vrede om ons heen hangen.
En mét dat wij dat constateren, realiseren we ons ook hoe vaak die vrede nog ver te zoeken is. In ons persoonlijk leven, en in de kerk.
Vrede in het kerkelijk leven – zou dat een goed doel zijn voor het komende jaar? De vraag stellen is haar beantwoorden.
Ons handelen in de kerk moet erop gericht zijn dat we de vrede niet verstoren. Dat kan als wij met een zekere regelmaat benadrukken hoe dankbaar we zijn voor ons leven met de Here en hoe erkentelijk we zijn voor de liefde en attentie die wij in de kerk van elkaar ontvangen.

De term ‘vrede van God’ gebruikt Paulus trouwens vaak. En die term specificeert hij dan ook bijna altijd. En wel als volgt: “onze Vader, en van de Heere Jezus Christus”[3].

Onze Vader – die aanduiding gaat onder meer terug op Exodus 4. Mozes moet tegen de farao zeggen: “Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn ​eerstgeborene, is Israël. Daarom zeg Ik tegen u: Laat Mijn zoon gaan, zodat hij Mij kan dienen”[4].
De term ‘Vader’ heeft dus te maken met de uittocht uit Egypte, en met bevrijding.
Jezus leert Zijn discipelen, en ook ons, om God aan te roepen als Vader. Gods kinderen worden definitief bevrijd. De sores van deze aarde mogen zij achter zich laten.

Maar voor die bevrijding moet het volk van God bevrijd worden van zonde en egoïsme. Daarvoor moest de Here Jezus Christus Zijn leven geven. Zo zou Hij betalen voor onze zonden, voor onze onvrede, voor onze oorlogszucht, voor onze harde hoofden en koude harten.
Jezus bidt in Johannes 17: “Ik heb U verheerlijkt op de aarde. Ik heb het werk volbracht dat U Mij gegeven hebt om te doen. En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat de wereld er was”[5].

Vrede van God – die uitdrukking duidt op het feit dat er altijd perspectief is op de toekomst.
Met andere woorden: er is bevrijding uit Egypte, uit de ballingschap en uiteindelijk ook uit in aardse moeiten en zorgen; de hemel is ons tweede vaderland.

Vrede van God – die uitdrukking duidt op het feit dat kinderen van God op weg zijn naar een hemels glorieus leven. Daar zijn zij zondeloos, onberispelijk en volmaakt. Daar komt aan aards gefröbel en geklungel een definitief einde.

Mag je dan nooit eens boos of narrig zijn in 2019?
Zeker wel. Natuurlijk wel. Daar ontkomen wij trouwens ook niet aan.
Maar laten uitbarstingen van onze toorn nooit te lang duren. Immers – ten diepste weten wij: al dat gedoe in ons aardse leven heeft slechts een beperkte houdbaarheidsdatum.

In de maatschappij van 2019 is die geloofskennis ook van groot belang.
In een analyse van de Volkskrant, gedateerd op zondag 23 december 2018, staat te lezen: “Steeds meer gevoelige thema’s – groot en klein – worden op het bord van de samenleving geschoven. Omdat de overheid er geen raad mee weet”.
En: “Politici zien zich geconfronteerd met wisselende humeuren en maatschappelijke prioriteiten. Als partner van een ‘sociaal contract’ is het electoraat te grillig geworden. In dit krachtenspel is geen beleid te voeren dat gericht is op het welzijn van toekomstige generaties. Al helemaal niet als de huidige generatie daar nadeel van meent te ondervinden”[6].

In de samenleving van vandaag heerst, over het algemeen genomen, een diep gevoel van onvrede. Een groot misnoegen waart door Nederland. Conflicten zijn aan de orde van de dag. Trammelant en twist – de lage landen lijken er niet zonder te kunnen.
Gereformeerden mogen, middenin al die heibel, de vrede van God met zich mee dragen. Laat die vrede, ook dit jaar, tot vreugde van onze omgeving mogen wezen!

Noten:
[1] Colossenzen 3:15.
[2] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Colossenzen 3:15.
[3] Zie Romeinen 1:7, 1 Corinthiërs 1:3, 2 Corinthiërs 1:2, Galaten 1:3, Efeziërs 1:2, Philippenzen 1:2, Colossenzen 1:2, 1 Thessalonicenzen 1:1, 2 Thessalonicenzen 1:2 en Filemon vers 3.
[4] Exodus 4:22 en 23 a.
[5] Johannes 17:4 en 5.
[6] Geciteerd van https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/waarom-de-overheid-gevoelige-thema-s-op-het-bordje-van-de-samenleving-legt~bad445e6/?utm_source=VK&utm_medium=email&utm_campaign=20181228
|lunch&utm_content=Weer%20geen%20vuurwerkverbod:%20waarom%20de%20overheid%20gevoelige%20thema%27s%20op%20het%20bordje%20van%20de%20samenleving%20legt&utm_term=76735&utm_userid=&ctm_ctid=
4069b3b27239ca6103486f29ba52277a&ctm_ctid=4069b3b27239ca6103486f29ba52277a
; geraadpleegd op vrijdag 28 december 2018.

19 september 2018

Tumult om twee tieners

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Lili en Howick – de namen van die kinderen kent u wel. Zij dreigden te worden uitgezet naar Armenië. Op het allerlaatste moment werd dat voorkómen. De kinderen zijn al tien jaar in Nederland.
Er is een lang verhaal aan vooraf gegaan. Een heel lange historie. Een veel te lange geschiedenis.

Schrijver dezes is niet op de hoogte van asielprocedures. Het is zijn vak niet. Hij weet er te weinig van.

Maar hij weet wel dat in Leviticus 19 staat: “Wanneer een ​vreemdeling​ bij u in uw land verblijft, mag u hem niet uitbuiten. De ​vreemdeling​ die bij u verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u. U moet hem ​liefhebben​ als uzelf, want u bent zelf ​vreemdelingen​ geweest in het land Egypte. Ik ben de HEERE, uw God”[1].
De vreemdeling als ingezetene; zo ver moet het gaan. Dat is de taak van de kerk in het Oude Testament.

Het gaat in Leviticus 19 ook over respect voor ouderen: “U moet opstaan voor iemand met grijze haren en eer bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE”[2].
Vlak daarna wordt die bepaling over vreemdelingen vermeld.
De boodschap is helder: ondersteun kwetsbare groepen zoveel mogelijk.
De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat we, wat dat betreft, in de laatste jaren te vaak geconfronteerd zijn met negatieve berichtgeving: de overheid laat heel wat steken vallen.
De kerk moet echter vooral ook kritisch naar zichzelf blijven kijken. Het welzijn van kwetsbare groepen moet in de werkplaats van de Heilige Geest een ‘hot issue’ wezen!

Wij leven momenteel in de Nieuwtestamentische tijd.
Kunnen en mogen wij die regel over de opvang van vreemdelingen in Leviticus 19 vandaag nog toepassen?
Zeker wel.
Jezus zegt in Mattheüs 5 zelfs: hebt uw vijanden lief. Met andere woorden: ga nog een stap verder!
In het verlengde daarvan mogen we ook opmerken: wees niet te bang dat u die gastvrijheid niet meer vol kunt houden; loop gerust een stap harder.
Waarom is dat zo belangrijk?
Omdat christenen, Gereformeerde mensen inbegrepen, ervan uit moeten gaan dat de verzorging van vreemdelingen alles te maken heeft met het eren van Jezus Christus.

Dat blijkt uit Mattheüs 25.
Daar wijst Jezus op de gang van zaken bij het laatste oordeel. De mensen zullen van elkaar worden gescheiden. En wat is de reden voor die scheiding? Jezus zegt: “Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een ​vreemdeling​ en u hebt Mij gastvrij onthaald. Ik was naakt en u hebt Mij gekleed; Ik ben ​ziek​ geweest en u hebt Mij bezocht; Ik was in de ​gevangenis​ en u bent bij Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en te eten gegeven? Of dorstig en te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als een ​vreemdeling​ gezien en gastvrij onthaald, of naakt en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ​ziek​ gezien of in de ​gevangenis​ en zijn bij U gekomen? En de ​Koning​ zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan”[3].
Christenen werken voor hun Heiland als zij met vluchtelingen bezig zijn.
Christenen werken voor Jezus Christus als zij hun best doen om kwetsbare groepen te ondersteunen.

Dit alles overziende past het niet om vluchtelingen voortdurend maar aan het lijntje te houden. Het is niet goed om hen, gedurende lange jaren, een strohalm te geven waar zij zich aan vast kunnen houden.

Lili en Howick – vrijwel iedereen kent die voornamen. Hun achternamen zijn niet zo bekend. De reden daarvan ligt, mogen wij aannemen, in de sfeer van de privacy. En dat is goed.
Intussen zijn beide kinderen echter een symbool geworden.
Het volk ging mee in een soort positieve emotie waar alle nuances allengs uit verdwenen. ’Houdt de kinderen in Nederland; wat er ook gebeurt’ – dat was het algemeen gevoelen.
In zo’n situatie is de verleiding groot om niet teveel te gaan nadenken en simpelweg in te stemmen met de geëmotioneerde natie.
Laten we daar voorzichtig mee wezen.
Gereformeerden moeten zich maar eenvoudig houden aan de leefregel die Micha ons in hoofdstuk 6 leert: “Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God”[4].

Noten:
[1] Leviticus 19:33 en 34.
[2] Leviticus 19:32.
[3] Mattheüs 25:35-40.
[4] Micha 6:8.

27 augustus 2018

Zekerheid in het leven

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Er is niets zeker in het leven.
Die wijsheid houdt Tim Vreugdenhil, predikant binnen de Protestantse Kerk en ondernemer te Amsterdam, ons voor in het Nederlands Dagblad.

Hij spreekt onder meer over de vrijgemaakte wereld “met al die zekerheden. Daarin ben ik opgegroeid. Intuïtief wist ik echter: niks is zeker in het leven. Dat is mijn geloofsovertuiging. Mijn geloof in God is nooit weg geweest, maar tegelijk weet ik dat ik het morgen kwijt kan zijn. Ik kan een boek tegenkomen dat me overtuigt, of er gebeurt iets in mijn leven.
Zekerheid vind ik een stom woord. In de wereld van mijn jeugd hadden we de NAVO. De banken en de kerken leken er voor eeuwig te zijn. Dat is niet zo en dat is niet erg. De kerk is veranderd, maar als theoloog zie ik dat die verandering er altijd is geweest. Het gaat fout als je een bepaalde situatie gaat verabsoluteren”[1].

Vreugdenhil wil graag mensen raken.
Dat is hem gelukt.
Hij heeft schrijver dezes getroffen.

Is er niks zeker in het leven?
Zeker wel!

God is er.
Hij is mijn Beschermer. En mijn Verzorger. Alles wat ik nodig heb komt bij Hem vandaan.
Vreugdenhil zegt: “Mijn geloof in God is nooit weg geweest, maar tegelijk weet ik dat ik het morgen kwijt kan zijn. Ik kan een boek tegenkomen dat me overtuigt, of er gebeurt iets in mijn leven”.

In 1 Petrus 2 kunnen wij lezen: “Zie, Ik leg in Sion een ​hoeksteen​ die ​uitverkoren​ en kostbaar is; en: Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Voor u dan, die gelooft, is Hij kostbaar; maar voor de ongehoorzamen geldt: De steen die de bouwers verworpen hebben, die is de ​hoeksteen​ geworden, en een steen des aanstoots en een struikelblok; voor hen namelijk die zich aan het Woord stoten, door ​ongehoorzaam​ te zijn, waartoe zij ook bestemd zijn. Maar u bent een ​uitverkoren​ geslacht, een koninklijk priesterschap, een ​heilig​ volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, u, die voorheen geen volk was, maar nu Gods volk bent; u, die zonder ontferming was, maar nu in ontferming aangenomen bent”[2].
Hier staat in ieder geval dit:
* gelovigen zijn geroepen mensen
* God is trouw
* God is niet wispelturig; Hij is onveranderlijk.
* mensen die eenmaal geroepen zijn, zet God niet aan de kant.

Dat geeft toch zekerheid?
Inderdaad – als je ongehoorzaam en ontrouw bent struikel je, om zo te zeggen, over de inhoud van Gods Woord. En ook over allerlei geloofszekerheden, wellicht.
Maar bij God geldt: eens gekozen, blijft gekozen!

Vreugdenhil zegt: “De kerk is veranderd, maar als theoloog zie ik dat die verandering er altijd is geweest. Het gaat fout als je een bepaalde situatie gaat verabsoluteren”.
Hoe komt het dat de kerk veranderd is?
Dat komt omdat mensen ontrouw zijn.
Maar steeds mogen we met Psalm 34 zeggen:
“Proef en zie dat de HEERE goed is;
welzalig de man die tot Hem de toevlucht neemt”[3].
U en ik – wij mogen altijd bij God aankloppen. Juist ook als wij vol vragen zitten. Dat is absoluut waar; ja, dat mogen wij gerust absoluteren!

Wat moeten jongeren in deze wereld doen?

Vreugdenhil zegt daarvan: “Oefen met commitment. Als je nu jong bent, ligt alles open. Je ouders zijn aardig, ruimdenkend, je mag doen wat je wilt. Mensen krijgen stress van al die opties en al die leegte. Dus is mijn advies: oefen met commitment. Verbind je ergens aan. Dan leer je hoe dat is, wat je zelf wilt. Je hebt dat ook nodig in de relaties die je aangaat met andere mensen. Spreek met jezelf af dat je drie keer op bezoek gaat bij een ouder iemand en kijk wat dat met je doet”.

Er zit veel goeds in dat advies.
Maar daarbij moeten wij niet vergeten dat God Zich eerst aan ons verbonden heeft.
Leest u maar mee in Efeziërs 1: “In Hem zijn wij ook een erfdeel geworden, wij, die daartoe voorbestemd waren, naar het voornemen van Hem Die alle dingen werkt overeenkomstig de raad van Zijn wil[4].
Wij hebben te maken met Gods raadsbesluit. De bestemming van kinderen van God is reeds vastgelegd!
Het is inderdaad goed om gaandeweg te ontdekken wat je zelf wilt.
En jazeker, dat is hard nodig.
Maar alles begint bij God. Bij Hem kun je terecht, dag en nacht.
In de wereld om ons heen kom je veel onzekerheid tegen. Teleurstellingen zijn er in overvloed. Onrecht is bijna overal. Massa’s mensen lopen rond met al of niet verwerkt verdriet.
Maar uiteindelijk komt alles goed – is het niet op aarde, dan zal het in de hemel gebeuren. Paulus schrijft in Philippenzen 4: “Maar mijn God zal u, overeenkomstig Zijn rijkdom, voorzien van alles wat u nodig hebt, in heerlijkheid, door ​Christus​ ​Jezus”[5].

Er is niets zeker in het leven.
Aldus dominee Tim Vreugdenhil.
Dat klopt – althans voor zover dat over mensen gaat.

Toch is er één zekerheid in het leven.
Jezus Christus verkondigt die in Marcus 13: “De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan”[6].
Dat, geachte lezers, is een garantie die nooit wordt ingetrokken.

Noten:
[1] “Trigger-theoloog”. In: NDZeven, bijlage bij het Nederlands Dagblad, zaterdag 11 augustus 2018, p. 6 en 7.
[2] 1 Petrus 2:6-10.
[3] Psalm 34:9.
[4] Efeziërs 1:11.
[5] Philippenzen 4:19.
[6] Marcus 13:31.

10 april 2018

Regenpak uit

“Wat is het opstaan van de nieuwe mens?
Antwoord: Hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven”[1].

Zo staat dat in Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus.
Een optimistische tekst is dat, vindt u ook niet?
De Catechismus is geen zwartboek, dat blijkt maar weer!

Nu is het mooi om een aangenaam leven te hebben. Natuurlijk, er is altijd wel wat om over te mopperen. Er zijn steeds dingen waar u en ik ons zorgen over kunnen maken.
Maar voor velen van ons heeft het leven nog heel wat plezierige kanten.

Maar het allerbelangrijkste is toch dit: door God uitverkoren zijn!
Gelovige mensen hebben te maken met Gods genadige besluit. “Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven”[2]. Herkent u de Dordtse Leerregels?
Na de zondeval is de wereld besmeurd. Vies. Niet om aan te zien.
Te midden van al die vuilheid zegt de God van hemel en aarde: ik buig uw leven om; u wordt een schoonheid!
Dat is ongelooflijk. Niettemin is het waar. Is het niet mooi dat op deze manier de druilerigheid uit ons leven verdwijnt?

Als die aanhoudende regenachtigheid verdwenen is, zou ik willen uitroepen: doe het regenpak maar uit!

Bovenstaande woorden noteer ik met een schuin oog op Colossenzen 3: “Kleedt u zich dan, als uitverkorenen van God, ​heiligen​ en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld. Verdraag elkaar en ​vergeef​ de een de ander, als iemand tegen iemand anders een klacht heeft; zoals ook ​Christus​ u ​vergeven​ heeft, zo moet ook u doen. En kleedt u zich boven alles met de ​liefde, die de band van de volmaaktheid is”[3].

Het valt op dat Colossenzen geen uitnodiging is om met een boekje in een hoekje te gaan zitten. Nee, het is een invitatie om ons rap om te kleden. En wel met kleding die zacht aanvoelt.
Gereformeerden worden – als het goed is – nooit harde mensen. Zij worden nooit ondoordringbare types, waar geen land mee te bezeilen is. De God van het verbond vernieuwt ons leven, om zo te zeggen, met zachte materialen.

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant J. Groen (1906-1968) heeft in verband met Colossenzen 3 eens gezegd: “Maar in gehoorzaamheid zullen wij ingaan tot Gods cultuurmandaat, ons bij de schepping meegegeven, om de aarde te ‘bouwen’. En waar wij haar niet meer ‘bewaren’ kunnen, daar wij in de eerste Adam haar Satan in handen speelden, haar van nu voortaan in de Geestkracht van de tweede Adam aan de overste van deze wereld ontworstelen.
Want het ‘zoeken van de dingen, die boven zijn’ wil niet zeggen zich in de binnenkamer terugtrekken om daar met gevouwen handen zich over te geven aan stille meditatie en contemplatie – hetgeen op zijn tijd ook goed en zelf onontbeerlijk is – maar dan alleen om des te beter tot zijn cultuurtaak in het midden van deze wereld in staat bevonden te worden”[4].

Vernieuwing van ons leven is iets van elke dag.
Als ik mij niet vergis, is Colossenzen 3 al jarenlang een tamelijk populair Schriftgedeelte te dienen als vervanger voor het lezen van de Tien Woorden van het verbond in de zondagse kerkdienst. Dan zegt men: het verbond van de Sinaï geldt niet meer voor ons. En: dat verbond is voorbij en afgeschaft. Alsof Gods Woord niet één boek is!
De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J. Francke (1908-1990) heeft daar al eens bij aangetekend: “De gehele zaak zit onzes inziens hierop vast, of wij al dan niet de eenheid van de Schriften, de eenheid van het verbond van God en de vervulling van Gods wet door de Christus willen handhaven”[5].
Vernieuwing is niet alleen iets van de zondag. De Heilige Geest werkt zeven dagen in de week. En dat is maar gelukkig ook!

In Colossenzen 3 staan opmerkelijke woorden: vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld.
Dat zijn woorden die oplichten in een agressieve samenleving.
Laatst was het in het nieuws: “De politie heeft vorig jaar 9101 gevallen van verbaal of fysiek geweld tegen agenten geteld. Dat betekent dat gemiddeld elke dag 25 agenten tijdens de uitoefening van hun werk worden beledigd, bedreigd of met fysiek geweld te maken krijgen.
‘De daders zijn niet alleen jongeren in moeilijke wijken, zoals je misschien zou verwachten’, zei Ruud Verkuijlen van de Nationale Politie in het NOS Radio 1 Journaal. ‘Het is ook de harde werker op weg naar zijn werk die een bekeuring krijgt en het daar heel erg mee oneens is’”[6].

In zo’n maatschappij is het niet altijd makkelijk om de hartelijke vreugde van Zondag 33 in de praktijk te brengen.
Laten we Colossenzen 3 daarom maar vaak repeteren: “Zing voor de Heere met dank in uw ​hart”[7]. En wees niet bang: als u niet zo mooi zingt, dan mag neuriën ook gerust.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 33, vraag en antwoord 90.
[2] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 6.
[3] Colossenzen 3:12, 13 en 14.
[4] Dat zei dominee Groen in een preek over Zondag 18 van de Heidelbergse Catechismus.
[5] Dat zei dominee Francke in een preek over Zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus. De betreffende preek is gedateerd op zondag 23 september 1962.
[6] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2224683-vorig-jaar-25-keer-per-dag-geweld-tegen-agent.html ; geraadpleegd op vrijdag 30 maart 2018.
[7] Colossenzen 3:16 b.

22 maart 2018

Overpeinzingen bij Psalm 139

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder ​geweven.
Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
en geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw ​boek​ beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond”.

Dat zijn woorden uit Psalm 139[1][2].

In het bovenstaande citaat gaat het over:
* Gods creatie
* onze laudatie
* hemelse registratie

Het gaat over Gods creatie: over Zijn schepping dus.

Het woord ‘laudatie’ betekent lofprijzing. In de academische wereld is het woord ‘laudatio’ bekend: de lof die een promovendus krijgt als zijn promotie achter de rug is. Het woord ‘laudatie’ gebruiken we niet vaak. Maar het is wel een Nederlands woord.

Al onze dagen zijn opgeschreven. Er is dus sprake van registratie in de hemel.

God kunnen we niet negeren, zegt David. Waar we ook zijn, altijd is Hij present. Reeds vanaf den beginne.
David leert ons dat we onze Schepper moeten eerbiedigen. Wij moeten Hem eren.
Maar David leert ons ook dat alle dagen van de wereld door de Here opgeschreven zijn. Hij weet precies wat er gebeurt, en wanneer!

Het Reformatorisch Dagblad schreef onlangs: “In zes dagen schiep God hemel en aarde in al zijn pracht. Die wonderschone schepping staat echter onder druk. Steeds vaker door toedoen van de mens. Zo trekken vervuiling, uitputting en de opwarming van de aarde diepe sporen op onze planeet”.
De boodschap die het RD wil geven is: “de mens dient de aarde als rentmeester op een verantwoorde, duurzame manier te bewaren”[3].

De hoofdredactie van voornoemd dagblad wees op woorden van Johannes Calvijn. Als volgt: “God heeft hem de aarde toevertrouwd ‘onder voorwaarde dat we tevreden zijn met een zuinig en matig gebruik ervan, we moeten ervoor zorgen dat er wat overblijft. Laat hij die beschikt over een akker, de jaarlijkse opbrengst daarvan zodanig gebruiken dat de grond geen schade lijdt door zijn verwaarlozing; maar laat hij zich inspannen om het te overhandigen aan zijn nageslacht zoals hij het ontvangen heeft, of zelfs beter’”[4].

Dit alles werpt, als u het mij vraagt, ander licht op Psalm 139.
Velen voelen bij het lezen van Psalm 139 ontroering opkomen. Wat zijn wij mooi gemaakt! Wat zijn wij toch kostbare schepselen!
En ja, dat laatste is ontegenzeglijk waar.
Maar in Psalm 139 gaat het niet in de eerste plaats over ons.
Alles draait om Gods macht.
Om Zijn scheppingsmacht.
Om de lof die Hij in onze monden legt.
Vanwege de leiding die Hij dagelijks heeft.

K. Schilder schreef eens: “…wanneer Genesis 1-3 een cultuuropdracht als Gods gebod voorstelt, dan gelooft een gereformeerde, dat dit een historische mededeeling is, bekleed met historische autoriteit. Dat derhalve een objectief gesproken Woord van God den wereldloop van den aanvang af heeft willen sturen en leiden ook door dit expresse bevel tot cultuur”[5].

In alle keuzes die wij maken, hebben wij te maken met Gods wijze leiding.
Bij alle dingen die wij doen, mogen wij bedenken dat God de wereld stuurt en ons tot activiteit stimuleert.

In dat kader moeten wij, anno Domini 2018, kijken naar de zorg voor onszelf en voor elkaar.

Een redacteur van het Nederlands Dagblad schreef onlangs met licht sarcasme: “We wisten dat het eraan zat te komen. De naoorlogse generatie heeft de leeftijd bereikt waarop de zorgvraag toeneemt. De afgelopen jaren stonden merkwaardig genoeg in het teken van de ‘herstructurering’ van de zorg – lees: bezuinigingen, reorganisaties. Er vlogen mensen uit, streekziekenhuizen werden opgedoekt, alles uit naam van Doelmatigheid.
En nu luidt het UWV de noodklok, ook daar kon je de klok op gelijkzetten. Komend jaar zijn er honderd- tot honderddertigduizend vacatures in de zorg te vervullen. Niemand weet hoe”.
En verder: “… dit los je dit niet op met regels, geld of scholing. Je gaat in de zorg werken als je je leven wilt wijden aan mensen die je nodig hebben. Waarom zou je je leven wijden aan een ideaal, als die wereld geregeerd wordt door rekenmachines en technocraten?”[6].

Wat is ons antwoord op de zorgen rond de zorg voor elkaar?

Dat antwoord vinden we alleen als we onszelf niet centraal zetten. We dienen te beseffen dat de mensen om ons heen hoofd voor hoofd schepselen van God zijn. Hij heeft alles gemaakt. Hij geeft ons een taak in de wereld, of wij nu 25 of 95 zijn. Natuurlijk, de ene klus is groot, de andere aanzienlijk kleiner. De God van het verbond belast ons niet boven vermogen. Maar onze taak ligt er. De cultuuropdracht mogen wij niet vergeten!

De lof op God is niet alleen een zaak van de zondagse kerkdienst.
Na de eerste dag der week volgen er nóg zes andere dagen. Dagen waarop we allerlei mensen en dingen kunnen verzorgen. Ieder op onze eigen plaats. Ieder met zijn eigen taak. Misschien is het, vanwege de omstandigheden, maar een klein taakje meer. Maar in al ons werk, of: in onze werkjes, kan de lof op God glanzen. Hij geeft ons de kracht om Hem te dienen. Op school. Bij het vakken vullen in de supermarkt. Bij een al of niet geslaagde deal in het zakenleven. In tijden van gezondheid. En in periodes van ziekte.
Altijd mogen we blijven zeggen: wij zijn in Gods hand.

Van dag tot dag zet Hij ons in, om Zijn schepping uiteindelijk klaar te maken voor een paradijselijke eeuwigheid.
Hoe zal die heerlijkheid er uit zien? Aardse woorden schieten te kort om die te beschrijven. Maar één ding is zeker: iedere dag brengt Gods kinderen een stap dichter bij die luisterrijke eeuwigheid.

Laten we daarom Psalm 71 maar meezingen, of desnoods meeneuriën:
“Ik hoop op U en zal U loven,
uw recht van dag tot dag
vermelden met ontzag.
Uw heil gaat elk begrip te boven.
Ik kan die grote schatten
niet tellen of bevatten”[7].

Noten:
[1] Psalm 139:13-16.
[2] Dit artikel is een uitwerking van gedachten na het beluisteren van een preek over Psalm 139:13-16. De preek werd gehouden door dominee M. Dijkstra uit Mariënberg, in een dienst van De Gereformeerde Kerk Groningen op zondagmorgen 11 maart 2018.
[3] Reformatorisch Dagblad, maandag 12 maart 2018, voorpagina.
[4] “Schepping” – commentaar in Reformatorisch Dagblad, maandag 12 maart 2018, p. 5.
[5] K. Schilder, “Over de Algemeene Genade – Antwoord aan Dr. O. Noordmans”. In: De Reformatie, jg. 16. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre. 1935-1936. – IV.
[6] Rien van den Berg, “Zorgzorgen” – redactioneel commentaar in: Nederlands Dagblad, dinsdag 13 maart 2018, p. 3.
[7] Psalm 71:8, Gereformeerd Kerkboek-1986.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.