gereformeerd leven in nederland

10 mei 2022

Bidden is een verbondsactiviteit

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

De titel van dit artikel toont reeds welke kant het hier op gaat.
Wij gaan naar de God van hemel en aarde. Waarom? Hij heeft ons Zijn liefde verklaard. De profeet Jeremia spreekt erover in hoofdstuk 31: “Van verre tijden af is de Heere aan mij verschenen: Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid”. En de profeet Maleachi begint er zijn profetie mee: “Ik heb u liefgehad, zegt de Heere, maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad? Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de Heere. Toch heb Ik Jakob liefgehad”.
Bidden is een verbondsactiviteit. We spreken tot onze Geliefde![1]

Onze God heeft ons lief. Voor altijd. Dat verandert nooit meer. In aardse huwelijken zit wel eens een dip. Elk huwelijk schudt wel eens op zijn grondvesten. En God zou, om zo te zeggen, alle reden hebben om ons af te danken. Maar Gods liefde voor ons zit diep. En die liefde is er al van het begin.
Na de zondeval zoekt God de mensen op. Zie Genesis 3: “En zij – Adam en Eva – hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de Heere God te midden van de bomen in de hof. En de Heere God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u?”. In Genesis 17 sluit God een verbond met Abraham: “Wat Mij betreft, zie, Mijn verbond is met u! U zult vader worden van een menigte volken. U zult niet meer Abram heten, maar uw naam zal Abraham zijn, want Ik zal u vader van een menigte van volken maken. Ik zal u uitermate vruchtbaar maken: Ik zal u tot volken maken en er zullen koningen uit u voortkomen. Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u. Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn”. Gods liefde blijft eeuwig bestaan[2].

Hoe beantwoorden wij Gods oneindige liefde? Antwoord: door geloof. In het geloof zijn wij aan Abraham verwant. Dat blijkt in Romeinen 4. Paulus schrijft daar: “De wet brengt immers toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding. Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen, zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij er waren. En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn”.
Bidden doen we dus vanuit ons geloof.
Dat geloof is ons gegeven.
Wij behoren de Here te vragen om ons dicht bij Hem te houden: ‘blijf met uw Geest in onze harten werken’.
Daarom is de regel: bidt alleen samen met mensen die geloven in het verlossingswerk van Jezus Christus en in de beloften die Hij geeft.
Bidden met Jehova’s getuigen? Of met Mormonen? Niet doen[3].

Gods oneindige liefde stempelt ons leven. Wanneer heeft Hij dat stempel laten zien? Antwoord: op het moment van de doop.
W. van Vlastuin (thans hersteld hervormd) schreef daar in 1993 over: “We kunnen de doop nooit overwaarderen, wel op een verkeerde manier waarderen! (…) Wat denken de Joden? Als wij besneden zijn, dan is het wel in orde. Dan is boetvaardigheid overbodig, dan is een nieuw leven niet noodzakelijk, dan kunnen we blijven die we zijn. Dit komen we ook in de gereformeerde gezindte tegen. Aan de ene kant zijn er velen voor wie de doop eigenlijk geen betekenis heeft. Voor veel anderen betekent de doop dat ze zich niet zo druk behoeven te maken en als ze maar netjes leven dat ze dan wel mogen geloven dat ze een kind van God zijn”.
En:
“De doop verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Als we met een gedoopt voorhoofd op plaatsen komen waar we niet horen en boeken lezen die niet verantwoord zijn, dan breken we Gods verbond en halen Zijn verbondswraak over ons leven. Als we gedoopt zijn en leven zonder liefde tot Gods wet, dan hebben we van onze doop nooit iets begrepen”.
Gods eigendomsstempel heeft, als het goed is, ook invloed op onze levenshouding. Laten we het zo zeggen: wie niet wandelt met God, kan niet oprecht bidden[4].

Bidden is een verbondsactiviteit.
Maar we bidden ook in verbondenheid. De mensen in de kerk zijn vrijwel allen bidders. Om met 1 Corinthiërs 12 te spreken: “En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee. Samen bent u namelijk het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk Zijn leden”. Op heel veel andere plaatsen in de wereld zijn ook bidders. En wij moeten ons ook met hen verbonden weten. Dat zien wij bijvoorbeeld in Colossenzen 4: “Houd sterk aan in het gebed, en wees daarin waakzaam met dankzegging. Bid meteen ook voor ons dat God voor ons de deur van het Woord opent, om van het geheimenis van Christus te spreken, om welke oorzaak ik ook gebonden ben, opdat ik dit geheimenis mag openbaren zoals ik erover moet spreken”. Wij zien het bijvoorbeeld ook in 2 Thessalonicenzen 3: “Verder, broeders, bid voor ons dat het Woord van de Heere zijn loop mag hebben en verheerlijkt mag worden, zoals ook bij u”. Bidden gebeurt, om zo te zeggen, altijd en overal. Niet alleen voor gemeenteleden, maar voor al Gods kinderen, waar ook ter wereld[5].

Bidden is een verbondsactiviteit die we midden in deze wereld uitvoeren.
Het Gereformeerde doopsformulier vat onze taak zo samen: wij moeten “deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, vertrouwen en liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel, met heel ons verstand en al onze krachten. Het betekent ook dat wij met de wereld breken, onze oude natuur doden en godvrezend leven”.
Wie in nauw contact met God blijft staan, wordt blijmoediger en zekerder van Zijn zaak. Want hij leeft in een voortreffelijk Verbondskader![6]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik Jeremia 31:3 en Maleachi 1:2.
[2] In deze alinea citeer ik Genesis 3:8,9 en Genesis 17:4-8.
[3] In deze alinea citeer ik Romeinen 4:15-18.
[4] In deze alinea citeer ik uit: W. van Vlastuin, “Heeft de doop geen waarde meer als je de wet niet houdt?”. In: Terdege, woensdag 22 september 1993 [rubriek: Jouw vragen], p. 19.
[5] In deze alinea citeer ik 1 Corinthiërs 12:26,27, Colossenzen 4:2-4 en 2 Thessalonicenzen 3:1. Verder gebruik ik: Drs. A.J. van der Toorn, “Bidden voor de ander – over voorbede”. In: De Wekker, vrijdag 27 februari 2009, p. 250.
[6] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen aanstaande donderdagavond, 12 mei 2022, onder meer spreekt over het thema ‘Bidden in het verbond’. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van enige voorstudie.
Bij de bespreking gebruikt men: H. Westerink, “Bidden in het verbond”. – Hoofdstuk 15 (pagina 83-89) in: ds. H.J. Boiten (redactie), “Het Onze Vader – het voornaamste van de dankbaarheid; Bijbelstudie in schetsen I”. – Groningen: Bond van Mannenverenigingen op Gereformeerde Grondslag in samenwerking met Scholma Druk te Bedum [1990].

16 november 2021

God is trouw, wij hopelijk ook

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

De kerk staat anno Domini 2021 in de schijnwerpers. Jan en alleman spreekt over iets hogers, over de hemel en over het mysterie. Niet dat kerkmuren er momenteel veel toe doen. Want geloof en gevoel voor religie zijn in deze periode van de geschiedenis heel persoonlijk.
Het is de moeite waard om, ook in deze tijd, over het christelijk geloof en de kerk na te denken.

In onze wereld zijn in het geloof tenminste vier zaken van eminent belang:
1. Gods voorzienigheid
2. Ons gebed.
3. Onze bekering.
4. Het verbond dat God met mensen gesloten heeft.

Laat het meteen maar duidelijk wezen: het gaat de kerk niet altijd voor de wind.
In de wereldhistorie is er bij tijd en wijle sprake van droogte. En van hongersnood. En van ziekte. Al die dingen gaan de kerkdeuren niet voorbij. Men kan vragen: waarom niet? Onze Here kan er toch voor zorgen dat moeilijke dingen niet bij de gelovigen terecht komen? Dat kan inderdaad heel goed. Maar we raken hier een zaak van geloof: namelijk het geloof in de voorzienigheid van God. Het is, zegt de Heidelbergse Catechismus, zo “dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen”[1].

De Here leert kerkmensen bidden. Paulus schrijft daarover aan de christenen in Philippi: “Wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; en de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus”.
Laten we elkaar ook wijzen op 1 Johannes 5: “En dit is de vrijmoedigheid die wij hebben in het toegaan tot God, dat Hij ons verhoort, telkens als wij iets bidden naar Zijn wil”.
In een gebed kan dus heel veel langskomen. Op ieder gewenst moment kunnen wij contact maken met onze Heiland die in de hemel troont. Het is kenmerkend: kerkmensen bidden veel. Zij weten dat hun kracht van boven komen moet…[2]

Kerkmensen weten het: zij moeten er zich iedere dag toe zetten om met het gezicht naar God toe te gaan staan. Zij moeten zich bekeren. Dat is geen kwestie van ‘dat doen we wel even’… Nee, bekering is een ernstige zaak! De Dordtse Leerregels leren ons op dit punt: “Zij die ernstig verlangen zich tot God te bekeren, Hem alleen te behagen en uit het lichaam des doods verlost te worden, maar toch nog niet zo ver in het gelovig leven voor de Here kunnen komen, als zij wel wilden, behoren voor deze leer van de verwerping al helemaal niet bevreesd te worden. De barmhartige God heeft immers beloofd, dat Hij de walmende vlaspit niet zal uitdoven en het geknakte riet niet zal verbreken. Maar deze leer is wel degelijk schrikaanjagend voor hen die met God en Christus de Verlosser geen rekening houden, opgaan in de zorgen van de wereld en zich laten beheersen door zondige begeerten – tenminste zolang zij zich niet ernstig tot God bekeren”.
Bekering is een serieuze zaak. Dat moeten wij met overtuiging doen!

Kerkmensen behoren te beseffen dat zij in een verbond leven. Dat is bij onze doop al gezegd: “Wanneer wij gedoopt worden in de naam van de Vader, verklaart en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade sluit. Hij neemt ons tot zijn kinderen en erfgenamen aan en zal ons daarom van al het goede voorzien en al het kwade van ons weren of voor ons doen meewerken ten goede”.
En:
“Omdat elk verbond twee delen heeft, namelijk een belofte en een eis, worden wij door God in de doop ook geroepen en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Dit betekent dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, vertrouwen en liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel, met heel ons verstand en al onze krachten. Het betekent ook dat wij met de wereld breken, onze oude natuur doden en godvrezend leven.
En wanneer wij soms uit zwakheid in zonden vallen, moeten wij aan Gods genade niet wanhopen en al evenmin in de zonden blijven liggen. Want de doop is een zegel en een volkomen betrouwbaar getuigenis dat wij een eeuwig verbond met God hebben”.
Van Zijn kant zweert God eeuwige trouw aan Zijn volk.
Hij laat de door Hem gekozen natie nimmer in de steek.
Nee, ook niet in 2021![3]

Wat zullen wij verder van deze dingen zeggen?

Wellicht is iemand geneigd op te merken dat in het bovenstaande een aantal tamelijk ‘klassiek-Gereformeerde’ notities op een rij gezet zijn.
En dat is ontegenzeglijk waar.
Sterker nog, veel het bovenstaande vinden wij al terug in een oud Bijbelboek. In het zevende hoofdstuk van 2 Kronieken namelijk.

Het Bijbelboek 2 Kronieken geeft onder meer een uitgebreid verslag van de tempelbouw. Gods huis wordt feestelijk ingewijd. Ja, heel het volk is aan God toegewijd.
Salomo spreekt in 2 Kronieken 6 een gebed uit. Dat begint zo: “Heere, God van Israël, er is geen God zoals U, in de hemel of op de aarde, Die het verbond en de goedertierenheid houdt tegenover Uw dienaren, die met heel hun hart wandelen voor Uw aangezicht, Die Zich tegenover Uw dienaar, mijn vader David, gehouden hebt aan wat U tot hem had gesproken. Want met Uw mond sprak U, en dat hebt U met Uw hand vervuld, zoals het op deze dag is. En nu Heere, God van Israël, houd U tegenover mijn vader David, Uw dienaar, aan wat U tot hem gesproken hebt: Het zal u voor Mijn aangezicht niet aan een man ontbreken die op de troon van Israël zal zitten, tenminste, wanneer uw zonen op hun weg letten door in Mijn wet te wandelen, zoals u voor Mijn aangezicht gewandeld hebt”.
En het eindigt zo: “Heere God, wijs het gebed van Uw gezalfde niet af. Denk aan Uw blijken van goedertierenheid aan David, Uw dienaar”.
De tempel – zeg maar even: de Oudtestamentische kerk – blijkt bij uitstek de plaats waar het verbondsverkeer gaat plaatsvinden. Gods volk dient de Here. En de God van het verbond luistert naar Zijn volk. Hij staat, om zo te zeggen, op scherp. Hij ziet en hoort precies wat Zijn volk doet en zegt.
De Here leert Zijn volk hoe het met Hem om moet gaan:
* ootmoedig
* bereid tot bekering.
De Here benoemt ook Zijn gaven:
* Hij luistert genadig
* Hij schenkt vergeving
* Hij geeft genezing.
In 2 Kronieken 7 klinkt dat als volgt: “Ik heb uw gebed gehoord en Ik heb voor Mijzelf deze plaats verkozen als offerhuis. Wanneer Ik de hemel sluit, zodat er geen regen valt, of wanneer Ik de sprinkhaan gebied om het land te verslinden, of wanneer Ik pest onder Mijn volk zend, en Mijn volk, waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in ootmoed buigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zij zich bekeren van hun slechte wegen, dan zal Ík vanuit de hemel horen, hun zonden vergeven en hun land genezen. Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkzaam zijn op het gebed van deze plaats. Want nu heb Ik dit huis verkozen en geheiligd, zodat Mijn Naam daar tot in eeuwigheid is. Alle dagen zullen Mijn ogen en Mijn hart daar zijn”.
De Here is trouw.
Ja, tot in eeuwigheid.
Die trouw vraagt hij vandaag ook van kerkmensen. Per slot van rekening is Gods verbond éénzijdig in zijn ontstaan, doch tweezijdig in zijn bestaan![4]

Noten:
[1] Zie: Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, antwoord 27.
[2] In deze alinea citeer ik Philippenzen 4:6, 7 en 1 Johannes 5:14.
[3] In deze alinea citeer ik uit het Formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen – Gereformeerd Kerkboek-1986. De citaten zijn te vinden op p. 513.
[4] In deze alinea citeer ik 2 Kronieken 6:14, 15, 16, 42 en 2 Kronieken 7:12-16.

19 oktober 2021

Als twijfel ons bevangt

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Soms staan wij in twijfel. Zo gaat dat bij mensen. Dat komt al in Gods Woord voor. Denkt u maar aan 2 Corinthiërs 4: “Wij worden in alles verdrukt, maar niet in het nauw gebracht; wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld”. Ook Paulus twijfelt blijkbaar wel eens. Waar het hem om gaat is dit: ons aardse bestaan is breekbaar; maar Gods geweldige kracht staat daar tegenover!1
Die zekerheid staat recht overeind. En dat is heel waardevol. Dat zal hieronder nog wel blijken.

Soms staan wij in twijfel.
Bijvoorbeeld bij de volgende redenering.
Heel veel mensen zeggen dat je op Gods beloften moet blijven vertrouwen. Intussen zijn er echter ook gedoopte mensen die wel ongelovig worden. Dus: er zijn situaties waarin het, om zo te zeggen, niet meer goed komt. Uiteraard stelt dat laatste niet bepaald gerust.

Hoe zit het eigenlijk met het eeuwige verbond dat God de Vader met gedoopte kinderen sluit?
Wij kennen allen het Gereformeerde formulier voor de heilige doop: “Wanneer wij gedoopt worden in de naam van de Zoon, verzekert de Zoon ons ervan, dat Hij ons in zijn bloed wast en reinigt van al onze zonden. Hij maakt ons één met Zichzelf in zijn dood en opstanding, zodat wij van onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden.
Wanneer wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest, verzekert de Heilige Geest ons door dit sacrament ervan, dat Hij in ons wonen wil en ons tot levende leden van Christus wil maken. Want Hij eigent ons toe wat wij in Christus hebben, namelijk de afwassing van onze zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven. Zo zullen wij tenslotte volkomen rein in het eeuwige leven een plaats ontvangen te midden van de gemeente der uitverkorenen”.
Waar gaat het dan verkeerd?

Antwoord: het gaat verkeerd bij mensen.
Gedoopte kinderen leren Gods beloften kennen. Daarom mag van hen worden verwacht dat zij aanhangers van God zijn. Aangenomen mag worden dat zij op God vertrouwen. Wij mogen ervan uitgaan dat de liefde voor God diep zit. Hij redt ons! Hij laat ons niet in het moeras van ellende en zonde zitten.
En toch hecht een aantal gedoopte kinderen daar niet al te veel waarde aan. Hoe komt dat?
Zij zien niet goed wat er uiteindelijk gebeurt als zij God een beetje, of zelfs helemaal, aan de kant schuiven. Daar zijn zij blind voor.
Zij vormen hun eigen oordeel over mensen en gebeurtenissen in hun omgeving. Zij zien niet dat hun oordeel maar beperkt is. Hun opinie heeft alles te maken met de aarde, maar niets met de hemel. En niets met Gods wetten. Want, suggereren zij, zonder Gods wet komt het ook wel goed.
Zij beseffen best dat zij de perfectie nooit bereiken. Maar daar berusten zij in. Want zo gaat nu eenmaal in deze wereld. Want ontwikkelingen gaan langzaam. Soms zelfs heel langzaam; dan komt dat proces in de buurt van evolutie.
Gedoopte mensen die ongelovig zijn, zijn heus niet altijd obstinaat en dwars. Zij zijn best vredelievend. Echter – hoezeer zij ook hun best doen, zij kunnen nooit met iedereen vrede houden. Dat kan namelijk niemand. Zo komt het dat ook zij wel eens opstandig zijn. Zo komt het dat ook zij wel eens hardnekkig vasthouden aan hun eigen mening, ook al blijkt die heel kortzichtig te wezen.
Gedoopte mensen die ongelovig worden, zijn heus niet altijd loepzuiver. Hun manier van doen kan lang niet altijd door de beugel. En dat weten zij zelf ook best…
In de Dordtse Leerregels staat hoe ongelovige mensen leven en werken. Wat is de stand van zaken? Die is als volgt: “wat zijn verstand betreft, blindheid, verschrikkelijke duisternis en een onbetrouwbaar en verdorven oordeel; wat zijn wil en hart aangaat, slechtheid, opstandigheid en hardnekkigheid; en bovendien in al zijn verlangens onzuiverheid”2.

Op catechisatie leerden wij vroeger: Gods verbond is éénzijdig in zijn ontstaan en tweezijdig in zijn bestaan. Dat betekent in ieder geval: in het verbond hebben wij verantwoordelijkheid gekregen.
Debiteert Paulus in Philippenzen 2 dan een leugen als hij schrijft: “…het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen”? Nee, dat niet. Laten wij het zo zeggen: de God van hemel en aarde brengt onze dienst aan Hem op gang; na een enorme ombuigingsoperatie komen wij ook zelf zover dat wij Hem willen dienen!3

Wij hoeven er niet omheen te draaien: er zijn gedoopte mensen die ongelovig worden; en ja, er zijn situaties waarin het niet meer goed komt. Dat is des mensen eigen schuld.
Maar de God van hemel en aarde wil niets liever dan ons Zijn genade schenken. Laten wij daarom maar bidden: wilt U ons bij Uw les houden?

Noten:
1 In deze alinea citeer ik 2 Corinthiërs 4:8.
2 Zie Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 1.
3 In deze alinea citeer ik Philippenzen 2:13.

7 oktober 2021

Tegen de stroom in

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

‘Ik ben niet religieus’, zei een jonge vrouw onlangs tegen schrijver dezes. ‘Van huis uit heb ik wel iets meegekregen. Maar toen ik in Groningen kwam wonen is het verwaterd’.
Vanuit de mens bezien is het wel logisch dat dat zo gaat. In de wereld is het immers voortdurend een kwestie van geven en nemen.
Jacobus past niet zo goed in de sfeer van vandaag. In hoofdstuk 5 schrijft hij namelijk: “Zie, wij prijzen hen gelukzalig die volharden. U hebt gehoord van de volharding van Job, en u hebt de uitkomst van de Heere gezien, dat de Heere vol ontferming is en barmhartig”1.

Het verhaal van Job is wel bekend. Hij bezit 7000 schapen, 3000 kamelen, 500 span runderen, 500 ezelinnen en een zeer groot aantal slaven. Geen keuterboer dus!
In een vergadering met de engelen, waar ook de satan aanwezig is, wordt gesproken over Jobs godsvrucht. De satan suggereert nadrukkelijk: dat Job zo vroom is, is terug te voeren op zijn rijkdom. ‘Maak Job maar eens arm, dan praat hij wel anders’.
De Heer van hemel en aarde weet dat satan ongelijk heeft. En dat zal Hij bewijzen ook!
En inderdaad, ook als Job op één dag alles kwijtraakt, blijft hij een vrome man. ‘Niet alleen het goede, maar ook het kwade ontvangen we uit Gods hand!’.
Job is zijn bezit kwijt.
En ja, ook zijn gezondheid wordt aangetast. Hij wordt melaats.
Maar zelfs dat verandert niets aan zijn godsvrucht.
Nog is het einde niet.
Drie vrienden komen Job troosten. Maar hun samenzijn ontaardt in allerlei discussies. Job wordt beschuldigd van ongerechtigheid. Hij wordt zelfs opgeroepen om zich te bekeren!
In dat alles blijft Job oprecht, trouw en standvastig.
Uiteindelijk krijgt Job zijn rijkdom en aanzien weer helemaal terug: “En de Heere zegende het latere leven van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen. Hij kreeg zeven zonen en drie dochters”2.

Jacobus vraagt: u weet toch wel hoe het met Job afgelopen is? Nou dan! God is vol ontferming. God is barmhartig!
De God van hemel en aarde is Degene die ons geluk in het leven geeft. Die God geeft ons vrede. Ja, tot in eeuwigheid.
Die heilige God biedt ons Zijn verbond aan. Als ons leven in dat kader wordt gezet, dan doen wij toch niets liever dan leven volgens Zijn wetten?
Daar volharden we in. Dat houden we vol. Desnoods tegen de stroom in!

In dat Verbondskader staat, bijvoorbeeld, ook een christelijk huwelijk.
Paulus schrijft daarover in Efeziërs 5: “Daarom, zoals de gemeente aan Christus onderdanig is, zo behoren ook de vrouwen in alles hun eigen mannen onderdanig te zijn. Mannen, heb uw eigen vrouw lief, zoals ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zich voor haar heeft overgegeven, opdat Hij haar zou heiligen, door haar te reinigen met het waterbad door het Woord, opdat Hij haar in heerlijkheid voor Zich zou plaatsen, een gemeente zonder smet of rimpel of iets dergelijks, maar dat zij heilig en smetteloos zou zijn. Zo moeten de mannen hun eigen vrouwen liefhebben als hun eigen lichamen. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en koestert het, zoals ook de Heere de gemeente”.
Ziet u? Christelijke huwelijken staan in een Verbondskader!
Seks vóór het huwelijk staat buiten dat kader. In Exodus 22 wordt er niet om heen gedraaid: “Wanneer iemand een maagd verleidt die niet in ondertrouw is, en hij met haar slaapt, moet hij haar voor zichzelf tot vrouw nemen door volledige betaling van de bruidsschat. Maar als haar vader beslist weigert haar aan hem te geven, moet hij een geldsom afwegen die overeenkomt met de bruidsschat voor een maagd”3.

Seks voor het huwelijk?
Dat doen Gereformeerde mensen niet. Zij blijven binnen de grenzen van dat Verbondskader.
Zou je zeggen.

Des te opvallender is een uitlating van kandidaat M.J. Hagg, die – Deo Volente – binnenkort wordt bevestigd als predikant van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) in de Utrechtse wijk Leidsche Rijn: “Laat het over aan geliefden om het juiste moment te zoeken voor de lichamelijke eenwording’”.
Je moet vrij wezen.
Je moet je eigen keuzes maken.
Dat klinkt, wat schrijver dezes betreft, alsof het Verbondskader in het voorbijgaan wordt afgedankt.
Er komt een ander kader voor in de plaats. Een D66-kader, zeg maar. D66-kamerlid Paul van Meenen omschrijft dat als volgt: “Een school mag Bijbelse opvattingen over het huwelijk meegeven. ‘Zolang er óók wordt verteld: je bent vrij om jezelf te zijn’”4.
Je moet vrij wezen.
Je moet je eigen keuzes maken.
Ziet u de overeenkomst?

God sluit een verbond met ons. Als ons leven in dat kader wordt gezet, dan doen wij toch niets liever dan leven volgens Gods wetten?
Wie midden in de maatschappij staat, kan het christelijk geloof zomaar laten verwateren. Dat gebeurt dus bij die jonge vrouw waarmee dit artikel begon.
Mensen die werkelijk Gereformeerd willen zijn volharden in het geloof. Dat houden zij vol. Desnoods tegen de stroom in.
En inderdaad, in de hedendaagse maatschappij is het geen luxe om de stelling van Jacobus nog eens te repeteren: “U hebt gehoord van de volharding van Job, en u hebt de uitkomst van de Heere gezien, dat de Heere vol ontferming is en barmhartig”.
Gelukkig zijn zij die Gods ontferming en Zijn barmhartigheid op de juiste waarde schatten!

Noten:
1 Jacobus 5:11.
2 In deze alinea gebruikte ik https://www.christipedia.nl/wiki/Job_(persoon) . Het citaat is te vinden in Job 42:12 en 13.
3 In deze alinea citeer ik achtereenvolgens Efeziërs 5:24-29 en Exodus 22:16 en 17.
4 Het eerste citaat in deze alinea komt uit Onderweg – een “inspirerend en eigentijds magazine dat zich richt op christenen die God en de kerk liefhebben en midden in het leven staan” – , 11 september 2021. Het tweede citaat komt uit: “Omdat ik van artikel 23 houd, wil ik het aanpassen”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 30 september 2021, p. 3.

20 juli 2021

Blauwe draad

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Onze almachtige God houdt in alle eeuwen altijd en overal de regie. Hij houdt heel de wereld in Zijn hand. Dwars door allerlei lijden heen. God houdt de wereld in stand door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid. Ook vandaag.

Reeds in oude tijden moest het volk van God dat altijd vóór in het geheugen houden. Dat kunnen wij bijvoorbeeld zien in Numeri 15. Daar staat: “De Heere sprak tot Mozes: Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen dat zij voor zichzelf, al hun generaties door, kwastjes moeten maken aan de hoeken van hun kleren. Aan de kwastjes aan de hoek moeten zij een blauwpurperen draad bevestigen. Die zal voor u aan de kwastjes zitten, opdat u, wanneer u hem ziet, aan al de geboden van de Heere denkt en die doet, zodat u niet uw eigen hart en uw eigen ogen zult onderzoeken, waar u als in hoererij achteraan gaat”1.

Die blauwpurperen draad kwam laatst langs in een preek die de schrijver van dit artikel beluisterde: “De Israëlieten moesten volgens Numeri 15 bij Gods geboden bepaald worden door kwastjes te dragen aan de hoeken van hun kleren met een blauwpurperen draad. Die draad moest hen steeds helpen om aan Gods geboden te denken om die te doen, en niet als in hoererij hun eigen hart en hun eigen ogen volgen. Ook de Israëlieten hadden Gods Woord om te onderscheiden tussen goed en kwaad. Zo zullen ook wij niet de begeerte van ons zondige hart mogen volgen, maar wel de lust van ons vernieuwde hart, dat gehoorzaam is aan Gods Woord”2.

Het loont de moeite om die blauwe draad eens wat beter te bekijken en de betekenis ervan tot ons door te laten dringen.
Die blauwpurperen draad geeft, als het goed is, richting aan het denken van Gods kinderen. De waarschuwing is duidelijk: denk goed na bij wat u doet. De vraag is: is dit handelen ter ere van de Here? Is de keuze die wij maken in lijn met het leven voor God?

Die kwastjes van hierboven komen ook elders in Gods Woord voor.
Zie bijvoorbeeld Deuteronomium 22. Daar gaat het over de omgang met de schepping. En daar staat dan bij: “Aan de vier hoeken van het bovenkleed waarin u zich hult, moet u voor uzelf kwastjes maken”.
In het Nieuwe Testament – in Mattheüs 23 – laat Jezus blijken dat men die kwastjes misbruiken kan. De Farizeeërs doen dat: “Al hun werken doen zij om door de mensen gezien te worden, want zij maken hun gebedsriemen breed en de kwastjes aan hun kleren groot. Zij zijn zeer gesteld op de ereplaatsen tijdens de maaltijden en op de voorste plaatsen in de synagogen; zij zijn ook belust op de begroetingen op de markten, en om door de mensen ‘rabbi, rabbi’ genoemd te worden. Maar u mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders”.
Er zijn geen mensen die heel belangrijk zijn in de kerk. In de kerk is geen rangorde. En ook geen ongeschreven pikorde. Iedereen is in dienst. In dienst van de God van hemel en aarde, namelijk. Gewone kerkmensen, ouderlingen, diakenen, kosters… en wie daar verder volgt3.

Laten wij ons oog opnieuw richten op die blauwe draad. Over de kleur van die draad kunnen tenminste drie opmerkingen gemaakt worden.
1.
Blauwpurper verwijst naar het hemels blauw. En naar de hemel – de woonplaats van God.
Wij zien een dergelijke kleur bijvoorbeeld in Exodus 24. Daar gaat het over de verbondssluiting: “Vervolgens klommen Mozes en Aäron naar boven, en ook Nadab en Abihu met zeventig van de oudsten van Israël. En zij zagen de God van Israël. Onder Zijn voeten was er iets als plaveisel van saffier, zo helder als de hemel zelf”.
Wij weten het waarschijnlijk wel: de basiskleur van saffier is blauw.
2.
In Exodus 28 gaat het over de efod: een schouderkleed of korte mantel van de hogepriester. Daar staat bij: “U moet ook het bovenkleed van de efod geheel van blauwpurperen wol maken”. We mogen in onze tijd zeggen dat de kleur van de efod verwijst naar onze hemelse Hogepriester. U weet wel – de Hogepriester van Hebreeën 7: “…Hij, omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft een Priesterschap dat niet op anderen overgaat. Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. Want zo’n Hogepriester hadden wij nodig: heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven”.
3.
In Numeri 4 komen wij blauwpurperen kleden tegen. De Here geeft daar de volgende instructies: “Dit is de dienst van de nakomelingen van Kahath in de tent van ontmoeting: de zorg voor het allerheiligste. Bij het opbreken van het kamp moeten Aäron en zijn zonen komen en het voorhangsel ter afscherming losmaken, en daarmee moeten ze de ark van de getuigenis bedekken. Zij moeten er een deken van zeekoeienhuid overheen leggen, en daarover een geheel blauwpurperen kleed uitspreiden en zijn draagbomen aanbrengen. Ook over de tafel van de toonbroden moeten zij een blauwpurperen kleed uitspreiden, en daarop de schotels en de schalen zetten, de kommen en de kannen voor het plengoffer; ook het brood dat voortdurend aanwezig is, moet daarop liggen”.
Die blauwpurperen kleden laten het zien: God is heel dichtbij!4

De blauwpurperen draad hebben wij vandaag niet meer. Waarom niet? Omdat de kerkgeschiedenis verder is gegaan. God woont nu Zelf in ons. Jezus zegt in Johannes 14 tegen Zijn discipelen: “Als u Mij liefhebt, neem dan Mijn geboden in acht. En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid, namelijk de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe”. Let wel: zo spreekt Jezus tegen Zijn discipelen; de mensen die het fundament van de kerk zullen vormen. Die belofte doet Jezus derhalve aan heel Zijn kerk!
Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de christenen in Thessalonica: “Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot leven in heiliging. Daarom, wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, Die ook Zijn Heilige Geest in ons heeft gegeven”.
En om niet meer te noemen – Paulus noteert in zijn tweede brief aan Timotheüs: “Houd u aan het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus zijn. Bewaar door de Heilige Geest, Die in ons woont, het goede pand, dat u toevertrouwd is”5.

De Heilige Geest woont in de harten van Gods kinderen. Wij dragen Hem, om zo te zeggen, elke dag met ons mee. En dat is het mooiste dat er in ons leven gebeuren kan.
Maar ook in reeds lang voorbije eeuwen had de Koning van de kosmos een prominente plaats bij Zijn volk. De blauwpurperen draad bewijst het!

Noten:
1 Numeri 15:37, 38 en 39.
2 De passage komt voor in een preek van de Gereformeerde predikant S. de Marie over Prediker 11:7-12:1. De ongedateerde preek is genummerd als 587. De preek werd gehouden in de morgendiensten van De Gereformeerde Kerk Groningen op zondag 11 juli 2021.
3 In deze alinea citeer ik achtereenvolgens Deuteronomium 22:12 en Mattheüs 23:5-8.
4 In deze alinea citeer ik achtereenvolgens Exodus 24:10, Exodus 28:31, Hebreeën 7:24-26 en Numeri 4:4-7. Zie over de efod https://www.christipedia.nl/wiki/Efod en over de blauwpurperen kleden https://www.oudesporen.nl/Download/HB413.pdf ; geraadpleegd op maandag 12 juli 2021.
5 In deze alinea gebruik ik achtereenvolgens Johannes 14:15-18, 1 Thessalonicenzen 4:7 en 8, 2 Timotheüs 1:13 en 14.

13 juli 2021

Verbond en verzoening

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

In 2 Corinthiërs 5 schrijft Paulus over “God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft. God was het namelijk Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd”1.
Onze zonden worden ons niet toegerekend. God komt in Christus naar ons toe. Hij wil ons onze zonden vergeven.

Heden ten dage zeggen heel wat mensen: ‘Ik doe geen vlieg kwaad. Conflicten en ruzies moeten wij in liefde oplossen’. Maar dat is te makkelijk. De Christelijke Gereformeerde predikant N.C. Smits zegt daarover in het Nederlands Dagblad: “Je geeft elkaar een hand, je kijkt elkaar in de ogen. Het doet pijn. Je gaat over een drempel heen. Dat doe je niet zomaar. Vergeven is samen sterven, en weer opstaan. Dat is iets anders dan in je eentje voor jezelf een mentale knop omzetten. Moslims zeggen bijvoorbeeld: God kan ook zo vergeven, het staat in de Koran. Maar dat is een papieren belofte, want hoe weet je dat het ook echt plaatsvindt? Dat samen sterven en weer opstaan gebeurt tussen God en mens concreet in Christus, in zijn kruis en opstanding”.

Hoe kan het dat Jezus op Golgotha de schuld van onze tijd op zich nam?
Dominee Smits maakt dat als volgt duidelijk: “Jezus is niet iemand tussen mens en God, een derde partij of iets dergelijks. Nee, hij is God én mens en zo brengt Hij Gods vergeving in contact met onze schuld. Het blijft onze schuld waar wij zelf verantwoordelijk voor zijn, maar het is God die vergeeft. Het werk van Christus is dat Hij ons op onze plaats brengt bij God om ons met onze schuld te confronteren. Wij ontlopen dat, zoals Adam zich verbergt wanneer God hem ter verantwoording roept in het paradijs. Maar Christus brengt ons op onze plaats voor God”2.

Die verzoening is een bevestiging van het verbond dat God met mensen heeft. Ds. Cl. Stam schrijft in zijn boek ‘Het verbond van Gods liefde’: “Door het vloeien van zijn bloed aan het kruis van Golgota bevestigde Hij het nieuwe en eeuwigdurende verbond. Het evangelie van de verzoening door Christus wordt nu overal in de wereld gepredikt, en allen die in Hem geloven, worden in het nieuwe verbond opgenomen”3.

Zijn het oude en het nieuwe verbond aan elkaar verbonden? Jazeker.
In Exodus 24 zien we het oude verbond: “Mozes nam het boek van het verbond en las dit ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen en Hem gehoorzamen. Toen nam Mozes het bloed, sprenkelde het op het volk en zei: Zie, dit is het bloed van het verbond dat de Heere met u gesloten heeft op grond van al die woorden”4.
In Mattheüs 26 geeft Jezus, om zo te zeggen, een geheel nieuwe uitwerking van dat oude verbond. Het wordt geheel nieuw: “En terwijl zij aten, nam Jezus het brood en toen Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het aan de discipelen en Hij zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam. Hij nam ook de drinkbeker en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die, en zei: Drink allen daaruit, want dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden”5. In de weergave van Lucas staat er: “En Hij zei tegen hen: Ik heb er vurig naar verlangd dit Pascha met u te eten, voordat Ik ga lijden”6. Het paaslam in het oude verbond en het Paaslam in het nieuwe verbond zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden!

In Jezus Christus vindt de realiteit van het verbond zijn volkomen vervulling en afronding. Door dat verzoeningswerk is de band tussen Christus en Zijn uitverkoren volk alleen nog maar hechter geworden. Dat blijkt bijvoorbeeld in Johannes 15: “U bent Mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied. Ik noem u niet meer dienaren, want een dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, bekendgemaakt heb. Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren”7. Het verbond is niet zomaar een contract. Nee, het is een intieme relatie waarin mensen in het verbond heel concreet een samenleving vormen met hun Heiland!

Het woord ‘verzoening’ mag in de kerk nimmer uit de mode raken.
Laten we daarom instemmen met de hierboven reeds geciteerde dominee Stam die in ‘Het verbond van Gods liefde’ ook schrijft: “Het verbond met God mag nooit een uiterlijke, formele en traditionele overeenkomst worden, maar moet altijd gezien worden als een levende relatie waarin wij uit dankbaarheid ons volledig wijden aan God. Dit wordt ons zowel in het oude als het nieuwe verbond geleerd. En daarom kan Paulus aan de Romeinen schrijven: ‘Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u’ (Romeinen 12:1). God wil dat wij met lichaam en ziel aan Hem toegewijd zijn. Al sinds de tijd van Abraham leren we dat het verbond een volkomen geestelijke relatie is, gebaseerd op geloof in het verzoenend offer van Jezus Christus”8.

Noten:
1 2 Corinthiërs 5:18 en 19.
2 De citaten komen uit: “Verzoening is het beste medicijn”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 3 juli 2021, p. 6 en 7. Op vrijdag 2 juli 2021 promoveerde dominee Smits aan de Theologische Universiteit Apeldoorn tot doctor in de theologie. De titel van zijn proefschrift is: ‘Plaatsbereiding. Verzoening in Christus bij Hans Joachim Iwand en Eberhard Jüngel’.
3 Ds. Clarence Stam, “Het verbond van Gods liefde”. – Uitgeverij Woord en Wereld, 2006 [Bedum: Scholma Druk]. – Woord en Wereld; 69. – p. 7.
4 Exodus 24:7 en 8.
5 Mattheüs 26:26, 27 en 28.
6 Lucas 22:15.
7 Johannes 15:14, 15 en 16 a.
8 In het bovenstaande gebruik ik onder meer: Ds. Clarence Stam, a.w., pagina’s 19, 32, 91, 92 en 102.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.