gereformeerd leven in nederland

11 april 2018

De Verbondsgod doet de deur open

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

‘Het gaat in de kerk zo vaak over mensen!’.
Dat was de klacht van een oude broeder die lid is van een Gereformeerde kerk (vrijgemaakt). Met zijn vrouw was hij die avond – het was Goede Vrijdag – gaan shoppen in de eredienst van De Gereformeerde Kerk Groningen.
Deze zin sprak hij uit in een kort gesprek met mijn echtgenote. Hij karakteriseerde de kerkdiensten in ‘zijn’ GKv; kort, maar volstrekt duidelijk.
In het halfdonker klungelde de oude broeder wat met het slot van zijn fiets. De tranen stonden hem in de ogen; het vocht glinsterde even in het gele lamplicht.

Onderhand heeft schrijver dezes aardig wat tranen bij verontruste mensen gezien. En steeds weer snijdt dat door zijn hart.

Daags daarna had ik telefonisch contact met onze predikant.
Ik herinnerde hem aan de preek op Goede Vrijdag: ‘Er staat hier maar Eén centraal!’, had de predikant gezegd.
Wij realiseerden ons hoe belangrijk het is dat dat zo blijft.
‘Bidt maar veel voor je predikant’, zei hij.
De dominee heeft gelijk.
Trouwens, er moet voor alle ambtsdragers gebeden worden. Zij mogen nooit hun macht misbruiken. Altijd moeten zij beseffen dat zij gezanten van Christus zijn.

Zo kom ik vandaag bij Colossenzen 4: “Houd sterk aan in het ​gebed, en wees daarin waakzaam met dankzegging. Bid​ meteen ook voor ons dat God voor ons de deur van het Woord opent, om van het geheimenis van ​Christus​ te spreken, om welke oorzaak ik ook gebonden ben”[1].

Hou het bidden vol!, noteert de apostel.
In de Bijbel komen we wel voorbeelden tegen van de uitwerking van zulk bidden. Denkt u maar aan Handelingen 2: “Zij nu die zijn woord met vreugde aannamen, werden ​gedoopt; en ongeveer drieduizend zielen werden er op die dag aan hen toegevoegd. En zij volhardden in de leer van de ​apostelen​ en in de gemeenschap, in het breken van het brood en in de ​gebeden. En er kwam vrees over iedereen; en er werden veel wonderen en tekenen door de ​apostelen​ gedaan. En allen die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk”[2].

Maar ik hoor u twijfelen. Komen zulke dingen vandaag nog voor? Is hier niet de wens al te zeer de vader van de gedachte?
Het lijkt mij dat wij niet te klein van de God van het verbond moeten denken. Hij doet ook vandaag nog wonderen!
Hoe kan het anders dat er in Nederland nog zoveel kerkdiensten worden gehouden?
Hoe kan het anders dat die oude broeder bij zijn fiets zo onrustig was?

In Colossenzen 4 moeten we, om zo te zeggen, bij het bidden de ogen openhouden. Wij moeten waakzaam zijn. Gregoreo staat er: opletten!
We komen dat woord ook tegen in 1 Corinthiërs 16: “Wees waakzaam, sta vast in het geloof, wees manmoedig, wees sterk”[3].
Bidden op de automatische piloot, nee – dat is er niet bij. Bidden mag nooit een versuffende activiteit worden; gewoon, omdat het moet…

Thans komen wij tot de kern van de zaak in Colossenzen 4. Die kern is: de Here moet de deur opendoen.
Het is belangrijk om dat steeds voor ogen te houden.
Wederom denk ik terug aan die oude broeder uit het begin van dit artikel.
Wie zulke onrust ziet, heeft de neiging hardhandig en structureel in te grijpen.
Wie het verdriet van dergelijke mensen enigszins peilt, kan maar met moeite de uitroep binnen houden: ‘Kom maar gauw broeder en zuster; hier is de rust!’.
Maar hier geldt: de ingreep moet door de God van hemel en aarde geschieden.

Paulus is daar ook goed van doordrongen. En hij wil zijn lezers daar ook graag van overtuigen.
In 2 Corinthiërs 2 schrijft hij: “Toen ik nu in Troas kwam om het ​Evangelie​ van ​Christus​ te prediken, en daar een deur voor mij geopend was in de Heere, had ik geen rust voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond”[4].
De evangelist weet het heel goed: hij is een instrument van de Here, maar meer ook niet.

Trouwens, de Sleutelbewaarder zegt in Openbaring 3 Zelf: “Ik ken uw werken. Zie, Ik heb voor uw ogen een geopende deur gegeven en niemand kan die sluiten, want u hebt weinig kracht en toch hebt u Mijn Woord in acht genomen en Mijn Naam niet verloochend”[5].
De Here zegt: mensen, U ziet wel dat de deur door Mij open is gedaan.
De Here zegt: uw slagkracht is maar gering, en toch hebt u volop vertrouwd.
Als de Here de deur opendoet, gebeuren er grote dingen!

Wat moeten verontruste mensen doen?
Laten zij de Here maar vragen of Hij de deur open wil doen.
En de mensen daar omheen? Die mogen dat ook aan de Here vragen.
Niet één keer, maar misschien wel tot vervelens toe!

Nog één keer ga ik terug naar die klacht van die oude broeder: ‘Het gaat in de kerk zo vaak over mensen!’.
Laat het maar duidelijk zijn: in de kerk worden mensen aangesproken.
Waarmee en hoe worden zij aangesproken?
Het Woord van God wordt geproclameerd. De inhoud van de belijdenis wordt de kerkgangers ingeprent.

Daarbij wijs ik graag op het onderwijs dat de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant J.M. Goedhart in de jaren ’70 van de vorige eeuw gegeven heeft: “De Bijbel wordt wel genoemd: de ’norma normans’, dat is: de normerende norm, de regel, die regelt, het richtsnoer, dat de richting aangeeft;
de belijdenis wordt wel genoemd: de ’norma normata’, dat is: de genormeerde norm, de regel, die vastgesteld is, het richtsnoer, dat gegeven is.
De belijdenis ontleent haar norm, haar regel, haar richtsnoer, aan de Bijbel. De belijdenis blijft altijd appèllabel op en examinabel aan de Bijbel. Dat wil zeggen: appèl op en toetsing aan de Heilige Schrift blijft altijd mogelijk en móét altijd mogelijk blijven”[6].
Ziet u dat het daar om gaat in de kerk?

Laten wij God bidden en Hem vragen de deur van het Woord nog heel vaak te openen.
Laten wij Hem vragen om harten die van nature hard zijn, mild en zacht te maken!

Noten:
[1] Colossenzen 4:2 en 3.
[2] Handelingen 2:41-44.
[3] 1 Corinthiërs 16:13.
[4] 2 Corinthiërs 2:12.
[5] Openbaring 3:8.
[6] J.M. Goedhart, “Met hart en mond”. – Enschede: Uitgeverij J. Boersma, [1978]. – p. 56.

15 november 2017

Reisroute met een omweg

Het is vandaag een niet geheel onbelangrijke dag in Gereformeerd Nederland.

Waarom?
Omdat ik las: “De al eerder aangekondigde tweede vergadering ‘En nu?’ is gepland op 15 november 2017, 20.00–22.00 uur. Plaats: Zalencentrum Balk, De Gast 39, 9801 AB Zuidhorn.
Welkom zijn GKv-ers die de GS-besluiten, de vorige keer in Bedum besproken, niet kunnen aanvaarden. Omdat het aantal zitplaatsen beperkt is, zijn we genoodzaakt te werken met een systeem van verplichte aanmelding”[1].

De conclusie ligt voor de hand: heel wat verontruste GKv-ers leven in moeilijke dagen.

Aan die ongeruste kerkmensen denk ik, nu ik Gods Woord open doe bij Exodus 13. Met name heb ik het oog op de volgende woorden: “Toen de ​farao​ het volk had laten gaan, is het gebeurd dat God hen niet leidde langs de ​weg​ door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was. Want God zei: Anders zal het het volk berouwen bij het zien van ​oorlog​ en wil het naar Egypte terugkeren”[2][3].

Dat is, als u het mij vraagt, een opvallend vers.

Eindelijk is het volk Israël bevrijd. Wij zouden zeggen: en nu maar gauw naar het nieuwe beloofde land! Langs de kortste weg, zonder omwegen.
Maar zo gaat het in Exodus 13 niet.
De Heer van hemel en aarde laat blijken het door Hem uitgekozen volk goed te kennen. Hij geeft een reisroute aan waar een flinke omweg in zit.
Wat is de reden daarvan? Antwoord: de Here weet zeker dat Zijn volk weer terug wil naar Egypte wil als het in het land van de Filistijnen wordt geconfronteerd met oorlogszuchtige lieden die van God en Zijn gebod niets willen weten.

Als wij in onze comfortabele huizen zitten, kunnen wij ons daar wellicht weinig bij voorstellen.
Onderdrukking was in Egypte aan de orde van de dag. Dat zo zijnde, willen de Israëlieten toch nooit meer in Egypte terugkomen?
Israël heeft te maken gehad met slavernij. Nu zijn zij vrij. Dat zo zijnde, willen zij toch nooit meer naar Egypte teruggaan?
De Here weet het echter zeker: als de Israëlieten terugkijken op het recente verleden, zullen zij hun vroegere bestaan gaan relativeren. Dat gaat dan bijvoorbeeld ongeveer zo:
* we moesten in Egypte dag en nacht werken, maar we leefden in ieder geval;
* we werden onderdrukt, maar ’t was in Egypte in ieder geval veilig
* het is mooi dat wij bevrijd werden, maar onze huidige situatie is weinig beter dan die in Egypte.

Daarom wijst de hemelse Heer dus een omweg.

Waarom doen die woorden uit Exodus 13 mij denken aan die vergadering in Zuidhorn, vanavond?

Omdat mensen van de eenentwintigste eeuw nog wel eens diezelfde redeneringen gebruiken als Gods kinderen in de tijd van Exodus 13.
Bijvoorbeeld:
* het Evangelie van Jezus Christus werd in de kerk die we verlieten maar half verkondigd, maar we werden in elk geval met rust gelaten
* we werden een beetje met de nek aangekeken, maar overigens leefden wij kalmpjes voort
* het is wel goed dat wij een kerkelijke overgang maken, maar op de ‘nieuwe’ kerk is ook wel het een en ander aan te merken.

De Israëlieten waren indertijd zondig. Zij waren bevrijd, maar aan dankbaarheid ontbrak het nogal eens.
Maar vandaag de dag is het weinig anders. Kerkmensen zijn tot op de huidige dag niet zo verheugd als zij behoren te zijn. Want het zou idealer zijn als… – vult u maar in: minder ruzie, minder formeel gedoe, meer blijdschap in de kerk. En wat daar verder volgt.
Ziet u dat de zonde de dankbaarheid in een ommezien wegvreten kan?

Thans zie ik u bijna protesteren.
In dit stuk denken we aan die vele ongeruste, ontevreden en roerige kinderen van God die zich afvragen hoe het verder moet. Moeten we al die zoekende mensen nu opzadelen met Exodus 13? Moeten we hen opzadelen met zonde en zwarigheid? Moeten we hen ervan overtuigen dat het ten principale nooit meer anders wordt?
Ja, ik zie u bijna protesteren.
Zo van: had die weblogschrijver niet een wat bemoedigender Bijbeltekst kunnen kiezen vandaag? Zo van: op deze manier trek je toch geen mensen? Misschien zegt u zelfs: dit werkt toch heel erg afstotend?

Laten we nog even naar Exodus 13 kijken.
Wat gebeurt daar?
De Here leidt Zijn volk. Jazeker, Hij kent de situatie.
Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten,
Hoe zwak van moed, hoe klein zij zijn van krachten,
En dat zij stof, van jongs af, zijn geweest[4].
Maar de Here zegt niet: dat ondankbare gepeupel zoekt het maar uit.
Hij zegt niet: als het zo staat, dan gaat u maar terug naar Egypte.
Hij zegt niet: ik verbreek Mijn verbond, want met de mensen op aarde kan ik niets beginnen.
Hij zegt niet: waar ben Ik aan begonnen? Ik had nooit met de schepping moeten starten.
Hij blijft Zijn volk leiden.
Via een omweg, jazeker.
Maar Hij laat Zijn volk niet in de steek.

Anno Domini 2017 ligt de zaak niet anders.
De Schepper en Onderhouder van deze wereld gaat met Zijn volk verder. Zelfs als zij tegenstribbelen. Zelfs als zij op allerlei manieren tegenspartelen.

Het wordt vanavond vast een nogal bewogen, misschien zelfs ronduit emotionele vergadering, daar in Zuidhorn.
Maar één ding is daarbij zeker: onze Vader in de hemel laat Zijn kinderen nooit in de steek!

Zullen wij dat samen goed onthouden?

Noten:
[1] Geciteerd van http://eeninwaarheid.info/index.php?rub=9&item=1502 ; geraadpleegd op donderdag 2 november 2017.
[2] Exodus 13:17.
[3] Deze keuze houdt ook verband met het feit dat vanavond de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vergadert; die vergadering hoop ik bij te wonen. Tijdens die bijeenkomst wordt Exodus 13:17-15:21 besproken. Dat zal gebeuren aan de hand van: Ds. B. van Zuijlekom, “God komt tot Zijn volk; schetsen over het boek Exodus”. – Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, 1986. – schetsen 15 en 16, p. 53-59.
[4] Dit is een enigszins bewerkte versie van Psalm 103:7 in de berijming-1773.

1 augustus 2017

Het brood en onze keuzes

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Leer ons daardoor ook ons vertrouwen niet langer op enig schepsel, maar op U alleen te stellen”. Dat is de laatste zin van Zondag 50 van de Heidelbergse Catechismus.
In die Zondag wordt de vierde bede van het ‘Onze Vader’ uitgelegd: “Geef ons heden ons dagelijks brood”[1].

Daarbij wordt onder meer verwezen naar woorden uit Jeremia 17. Die woorden citeer ik in hun context:
“Zo zegt de HEERE:
Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,
en die een schepsel tot zijn arm stelt,
terwijl zijn ​hart​ van de HEERE afwijkt.
Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte,
die het niet ziet wanneer het goede komt:
hij verblijft op de droogste plekken in de woestijn,
in zilt en onbewoond land.
Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is”[2].

Wij moeten dus op de Here vertrouwen. Wie het van mensen verwacht, wordt altijd beschaamd.

De zonde is in uw harten gegraveerd, zegt Jeremia[3]. De Tien Geboden waren indertijd op twee stenen tafels gegraveerd. Maar die geboden hebben de harten niet bereikt. Want de zonde is in onze harten gegraveerd.
Graveren: dat doet u met zorg. U kerft niet zomaar wat in een wand. Welnee. U maakt een mooie afbeelding. U schrijft mooie letters. Het moet duidelijk zijn wat u wilt overbrengen. Zo wordt, zo zegt Jeremia impliciet, zorg aan de zonde besteed.

Vaders en moeders zorgen goed voor hun kinderen[4]. Zij zorgen er, als het even kan, voor dat er kleding en voedsel is. Vaders en moeders stoppen daar heel wat energie in. Zo nodig gaan zij voor hun kinderen door het vuur.
Welnu, zo wordt de zonde gekoesterd.

Gods volk heeft zich, zo blijkt uit Jeremia 17, geheel en al aan de afgoderij overgegeven[5].
Zelfs de tempelberg zal buit worden. Het wordt door anderen geannexeerd, veroverd.
De vrijheid is weg, de slavernij is terug. Het volk gaat in ballingschap!

Als dat alles gezegd is, worden in Jeremia 17 twee wegen getekend:
* vertrouwen op mensen
* vertrouwen op de God van het verbond.

In Jeremia 17 wordt gesproken over een kale struik in de vlakte.
Een uitlegger noteert daarbij: “De mens die verkeerd handelt, wordt vergeleken met een kale struik in de steppe (…). Deze struik is waarschijnlijk een jeneverbesachtige, die geen bladeren, maar naalden heeft en op de droge plaatsen in en rond Israël gevonden wordt. Met ‘het goede’ in de beeldspraak zal de regen bedoeld zijn, maar de struik ‘ziet’ het niet, dat wil zeggen: merkt er niets van, maar blijft kaal en droog. De plaats van de struik is namelijk in de droge plaatsen die onbewoond zijn en zout. Zout in de grond is een vloek omdat het landbouw onmogelijk maakt”[6].

Dit alles overpeinzend, kom ik uit bij de verontrusting op het kerkplein. In verband met mensen in de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt), met name. Maar ook bij alle andere verontrusting die er in het kerkelijk leven vaak is.

Men kan zich voorstellen dat u vraagt: hoor eens, is dat niet wat overdreven? En ook: we kunnen, anno 2017, toch niet alles zo maar afgoderij noemen?

Welnu, volgens de Heidelbergse Catechismus is afgoderij: “in plaats van de enige ware God, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen stelt”[7]. De cultuur, bijvoorbeeld. Of: de eigen beleving, bijvoorbeeld.

Aan zulke afgoderij kunnen we zomaar, ongewild, meedoen.
Soms is het nodig om heel duidelijk te zeggen: wij willen hier vrij van blijven! En dat geldt vandaag niet minder dan vroeger.

Laat ik van dat laatste een voorbeeld geven.

Ik denk aan de Gereformeerd-vrijgemaakte emerituspredikant H.G. Gunnink. Hij was één van de initiatiefnemers van een enkele weken gehouden bijeenkomst in het Groningse Bedum. Aldaar kwamen mensen bijeen die verontrust zijn over de besluiten die door de recent gesloten generale synode van de GKv genomen zijn ten aanzien van de vrouw in het ambt[8].
Op die avond kwam het begrip ‘vrijmaken’ nadrukkelijk aan de orde.
In een interview met een verslaggever van het Reformatorisch Dagblad legt dominee Gunnink uit wat hij met ‘vrijmaken’ bedoelt: “Met vrijmaken bedoel ik dat de kerkenraden heel nadrukkelijk, en vooral aan de eigen gemeente, bekend maken dat zij niet instemmen met deze besluiten. En dat dat dan consequenties zal hebben… – ja, maar elke kerkenraad zal ook weer voor zichzelf moeten bekijken hoe dat consequenties heeft en welke consequenties er zullen zijn”. Er is voor kerkenraden heel veel werk te doen, zegt dominee Gunnink. Aan de gemeenteleden moet duidelijk gemaakt worden wat er op het spel staat en waar het om draait[9].
Ziet u?
Op momenten als deze moeten gelovige mensen zeggen: hier wil ik vrij van blijven! Oftewel: hier wil ik niet bij horen!

Nu ga ik weer terug naar Zondag 50, en naar de bede “geef ons heden ons dagelijks brood”.
Die bede betekent eigenlijk: geef ons, door het voedsel uit Uw hand, de rust en de kalmte om de juiste keuzes te maken.
Die bede betekent, als ik het goed zie, eigenlijk: geef ons, door het voedsel uit Uw hand, de energie om achter U aan te gaan, en niet onze eigen zin te doen. Wie dat laatste doet, zal uiteindelijk geestelijk verdrogen en kaal worden; dat kan even duren, maar toch.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat betekent ook: geef ons dagelijks het levende brood. U weet wel – dat brood dat in Johannes 6 bedoeld wordt: “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld”[10].
Van dat brood moeten we blijven eten. De voedende kracht van dat brood kan ons redden.

Van zelfgebakken brood blijven wij honger houden.
Begrijpt u wel?

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 50, antwoord 125.
[2] Jeremia 17:5, 6 en 7.
[3] Jeremia 17:1: “De ​zonde​ van Juda is opgeschreven / met een ​stift​ van ijzer, / met een punt van diamant / ingegrift op de schrijftafel van hun ​hart / en op de ​horens​ van uw ​altaren”.
[4] Jeremia 17:2: “Zoals zij aan hun ​kinderen​ denken, / denken zij aan hun ​altaren​ en hun gewijde palen, / bij bladerrijke bomen, op de hoge heuvels”.
[5] Jeremia 17:3 en 4: “Mijn berg in het veld, / uw vermogen, al uw schatten, / zal Ik als buit geven – uw hoogten vanwege de ​zonde / in heel uw gebied. Dan zult u – en dat om uzelf – uw erfelijk bezit, dat Ik u gegeven heb, / met rust moeten laten, / want Ik zal u uw vijanden doen dienen / in een land dat u niet kent. / U hebt immers in Mijn toorn een vuur aangestoken, / dat tot in eeuwigheid zal branden”.
[6] Geciteerd uit de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Jeremia 17:5-13.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 34, antwoord 95.
[8] Die bijeenkomst vond plaats op woensdagavond 12 juli 2017 in de Maranathakerk te Bedum.
[9] Geciteerd van de video behorend bij https://www.rd.nl/kerk-religie/bezinningsavond-bedum-synodebesluiten-gkv-gaan-in-tegen-het-woord-1.1415921 ; geraadpleegd op vrijdag 14 juli 2017.
[10] Johannes 6:51.

9 juni 2017

Drastische maatregelen nodig

In de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) is men, zoals bekend, druk doende met besluitvorming inzake de vrouw in het ambt.
Op zaterdag 20 mei bood het Nederlands Dagblad een artikel over de beraadslagingen van de GKv-synode over dit onderwerp.

“Als de synode ervoor kiest dat vrouwen in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt ook dominee, ouderling en diaken mogen worden, ligt de vraag open hoe dat in de gemeenten uitwerking moet krijgen. Dominee Kees van Dijk merkte op hoe diep het verzet tegen vrouwelijke ambtsdragers kan zitten. ‘Die gewetensnood zit soms al bij het lid zijn van een kerk waar dat mogelijk is.’ Dat kan ingewikkelde situaties opleveren. ‘Mag een voorganger het oude standpunt blijven uitdragen? Mag een voorganger het publiekelijk blijven betreuren dat de kerken in zijn ogen afglijden? Mogen kerkleden vrouwelijke ouderlingen weigeren? En wat doen bezwaarde predikanten als zij in een classis (vergadering van regiokerken) samenwerken?’ Synodevoorzitter Melle Oosterhuis benadrukte dat die vragen allemaal nog uitgebreid aan bod komen. ‘Wat we ook besluiten, het gaat niet pardoes naar de kerken toe”[1].

Het echoot in mijn hoofd: wat we ook besluiten, het gaat niet pardoes naar de kerken toe.
Dat kan heel wijs zijn.
Het is goed om moeilijke en zwaarwegende besluiten aan het kerkvolk toe te lichten.

Dat woord ‘pardoes’ blijft echter bij mij hangen.
Als u het mij vraagt, wordt dat vrouw en ambt-besluit helemaal niet pardoes genomen. Er wordt al heel lang over nagedacht. Zo plotsklaps is dat allemaal niet.

Het zijn, naar mijn smaak, bovendien heel suggestieve vragen:
* Mag een voorganger het oude standpunt blijven uitdragen?
* Mag een voorganger het publiekelijk blijven betreuren dat de kerken in zijn ogen afglijden?
* Mogen kerkleden vrouwelijke ouderlingen weigeren?
* En wat doen bezwaarde predikanten als zij in een classis (vergadering van regiokerken) samenwerken?

In het onderstaande wil ik daar een enkel woord over zeggen.

In de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland uit 1978 is onder meer te lezen:
“De uitspraak die bij meerderheid van stemmen gedaan is, zal als bindend worden aanvaard, tenzij bewezen wordt dat zij in strijd is met het Woord van God of met de kerkorde”[2].

In de nieuwe kerkorde van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) uit 2014 lees ik onder meer:
“F72.1 Een besluit van een kerkelijke vergadering heeft bindende rechtskracht.
F72.2 Een besluit treedt direct in werking, tenzij het besluit zelf een andere termijn vermeldt.
F72.3 De kerkenraden dragen zorg voor de uitvoering van de besluiten van de meerdere vergaderingen.
F72.4 De uitvoering van een besluit kan niet van iemand worden verlangd, als dit hem persoonlijk in zijn geweten in strijd brengt met Gods Woord. De betrokkene dient bereid te zijn zich te verantwoorden volgens art. F73, F76 en F77”.
En:
“F73.1 Tegen een besluit van de kerkenraad staat bezwaar open bij de kerkenraad voor een gemeentelid en voor degene die persoonlijk belanghebbende is bij het besluit, indien de betrokkene van oordeel is dat het besluit:
in strijd is met het Woord van God of het kerkelijk recht, of
de opbouw van de gemeente schaadt, of
hem persoonlijk onrecht aandoet waarin hij niet kan berusten”[3].

De door mij gecursiveerde woorden maken het duidelijk: het Woord van God is bindend.
Maar daarbij geldt dan wel het criterium van de persoonlijke mening dan wel de persoonlijke beleving.
Hoezo ingewikkeld?
Een bepaald besluit is Schriftuurlijk. Of on-Schriftuurlijk.
En als de meningen over de Schriftuurlijkheid van een te nemen besluit sterk verdeeld zijn, is het belangrijk een ander besluit te nemen. In een dergelijk geval kan het overigens ook heel verstandig zijn om alles bij het oude te laten.
Ik bedoel maar: waar is de Schriftuurlijke (!) wijsheid gebleven?

Mag een voorganger het oude standpunt blijven uitdragen?
Ik zou toch denken van niet. Daar raken kerkleden van in de war. En kerkleiders ook.

Mag een voorganger het publiekelijk blijven betreuren dat de kerken in zijn ogen afglijden?
Nee. Er zal een moment moeten komen dat de voorganger zich afscheidt van de kerken die volgens hem een on-Schriftuurlijke koers gaan.

Mogen kerkleden vrouwelijke ouderlingen weigeren?
Nee. Er zijn twee mogelijkheden:
* men accepteert de vrouwelijke ouderling;
* men reformeert zich en sluit zich aan bij een Gereformeerde kerk.

En wat doen bezwaarde predikanten als zij in een classis samenwerken?
Mede gelet op de overige ontwikkelingen in het kerkverband van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) bereiden zij hun afscheiding voor en vertrekken met de gemeenteleden die hen, na een oproep van hun herder en leraar, volgen.

Schrijver dezes realiseert zich dat het bovenstaande behoorlijk kort door de bocht gaat.
De lezer van dit artikel zou kunnen denken: de blogger is vandaag tamelijk kort voor de kop.
En nee, dat valt niet te ontkennen.
Maar het lijkt mij toch terecht om de zaak op dit moment scherp te stellen.
Pappen en nathouden levert alleen maar overbodige rommel op.
Neemt u mij niet kwalijk.

Noten:
[1] Geciteerd uit: Eline Kuijper, “Gelovige mannen heersen niet”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 20 mei 2017, p. 7.
[2] Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, editie 1978, artikel 31.
[3] Zie http://www.gkv.nl/kerkorde/f-besluitvorming-en-rechtsmiddelen/. De betreffende kerkorde is ook te vinden via http://kerkrecht.nl/node/1101 . Geraadpleegd op maandag 22 mei 2017.

8 mei 2017

Vervreemding

Daags na Pasen 2017, zeg maar even: op derde Paasdag, staat in het Nederlands Dagblad een artikel van de hand van professor dr. C.J. de Ruijter, Kees voor intimi. De Ruijter is emeritushoogleraar aan de Theologische Universiteit te Kampen.
Het artikel gaat over vervreemding in de kerk.

Iemand heeft tegen De Ruijter gezegd: de vrijgemaakte kerken zijn mijn kerken niet meer.
Waarop De Ruijter repliceert dat hij hoopt dat zijn kleinkinderen ook nog kerklid zullen wezen: “Toch kon ik het niet laten er ook iets naast te zetten. Ik hoop en bid dat die kerk ook een herberg mag zijn voor mijn kleinkinderen. Zou de kerk in honderd jaar tijd niet moeten meegroeien met volgende generaties?”.
Het verhaal van De Ruijter eindigt met de constatering: “Mijn kerk bestaat niet. De kerk is van Christus. En Christus is van God”[1].

Dat verhaal over die kleinkinderen lijkt heel aandoenlijk. Maar volgens mij schuift daar ergens een adder in het gras. En die willen we liever niet tegenkomen. De hoogleraar schrijft namelijk: “Zou de kerk in honderd jaar tijd niet moeten meegroeien met volgende generaties?”. Het antwoord daarop is, wat mij betreft, helder: ja, dat moet.
Maar dat is het punt niet.
Want de veranderingen in de GKv voltrekken zich niet in honderd jaar, maar in – pak ‘m beet – dertig of veertig jaar.
En daarbij komt: de preek wordt in de GKv steeds minder belangrijk. Oftewel: het Woord van de Here wordt zoetjes aan naar de achtergrond geschoven. Daar zit het probleem.

Misschien zijn sommige lezers geneigd te zeggen dat vervreemding van de kerk niet per definitie verwijdering van Gods Woord betekent.
Dat lijkt wellicht zo. Maar Gods Woord leert ons anders.

Leest u maar even mee.
Psalm 58:
“De goddelozen zijn van God vervreemd vanaf de baarmoeder;
de leugenaars dwalen vanaf de moederschoot.
Zij hebben vurig vergif, het lijkt op vurig slangengif;
zij zijn als een dove adder, die zijn oren dichtstopt”[2].
Jesaja 1:
“Wee het zondige volk,
volk van zware ongerechtigheid,
nageslacht van kwaaddoeners,
kinderen die verderf aanrichten!
Zij hebben de HEERE verlaten,
de Heilige van Israël verworpen,
zij zijn vervreemd, van achter Hem vandaan”[3].
Efeziërs 2:
“Bedenk daarom dat u die voorheen heidenen was in het vlees en die onbesnedenen genoemd werd door hen die genoemd worden besnijdenis in het vlees, die met de hand gebeurt,
dat u in die tijd zonder Christus was, vervreemd van het burgerschap van Israël en vreemdelingen wat betreft de verbonden van de belofte. U had geen hoop en was zonder God in de wereld”[4].
Efeziërs 4:
“Dit zeg ik dan en getuig ervan in de Heere, dat u niet meer wandelt zoals de andere heidenen wandelen, in de zinloosheid van hun denken,
verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven dat uit God is, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding van hun hart”[5].
Colossenzen 1:
“En Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend,
in het lichaam van Zijn vlees, door de dood…”[6].

Met andere woorden: vervreemding wordt in verband gebracht met
* goddelozen
* met de zonden van Gods volk
* Godverlaters
* mensen zonder hoop
* wereldburgers die zonder God leven
* mensen die leven in een gedachtewereld die, ten diepste, zinloos is; en dat weten zij zelf vaak ook heel goed
* mensen met een hart dat verhard is; het is slechts toegankelijk voor eigen interesses en eigen redeneringen
* mensen die slechte dingen doen.

Vervreemding van de kerk is dus ernstig. Want dat betekent maar al te vaak dat mensen op zoek moeten. En die zoektocht levert lang niet altijd mooie resultaten op.
Als in de manier van spreken de Gereformeerde herkomst nog te horen is, dan is dat meegenomen. Maar niet zelden is er ook sprake van afkerigheid; men wil er niets meer te maken hebben.

Professor De Ruijter schrijft: “Mijn kerk bestaat niet. De kerk is van Christus. En Christus is van God”.
Dat klinkt prachtig. Heel vroom, bovendien.
Maar de kerk is pas echt kerk als zij Gods Woord werkelijk helemaal honoreert. Om het met Zondag 44 uit de Heidelbergse Catechismus te zeggen: “…de allerheiligsten hebben in dit leven niet meer dan een klein begin van deze gehoorzaamheid, maar wel zo, dat zij met een ernstig voornemen niet slechts naar sommige, maar naar alle geboden van God beginnen te leven”[7].
Let op: daar staat dat er wordt geleefd naar alle geboden van de Here. Daar past geenszins nonchalance bij! Dat steekt nauw!

De kerk moet meegroeien met de generaties, meent professor De Ruijter.
Daar kan ik het wel mee eens zijn.
Voor zover dat althans betekent dat Gods Woord, het Evangelie voor alle tijden, moet worden gebracht in de taal van de verschillende generaties.
En voor zover dat althans betekent dat er verantwoorde groei plaatsvindt. Groei in de zin van Efeziërs 4: “Van Hem uit wordt het hele lichaam samengevoegd en bijeengehouden door elke band die ondersteuning geeft, overeenkomstig de mate waarin ieder deel werkzaam is. Zo verkrijgt het lichaam zijn groei, tot opbouw van zichzelf in de liefde”[8]. Groei in de zin van Colossenzen 2: “Laat u niet de prijs ontzeggen door iemand die behagen schept in nederigheid en engelenverering, intreedt in wat hij niet gezien heeft, zonder reden gewichtig doet door zijn vleselijke denken,
en zich niet houdt aan het hoofd, waaruit het hele lichaam, dat van banden en pezen voorzien is en daardoor samengevoegd, opgroeit door de groei die van God komt”[9].
Groei moet van God komen.
Groei moet van Hem uit komen.
Met eigen bedenksels komt niemand echt verder.

Het komt mij voor dat professor De Ruijter de diepgang van de opmerking die zijn gesprekspartner maakte onvoldoende heeft gepeild.

Voor Gereformeerden geldt: het is belangrijk dat wij niet aan de oppervlakte van het aardse leven blijven steken!

Noten:
[1] “Als het jouw kerk niet meer is”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 18 april 2017, p. 11.
[2] Psalm 58:4 en 5.
[3] Jesaja 1:4.
[4] Efeziërs 2:11 en 12.
[5] Efeziërs 4:17 en 18.
[6] Colossenzen 1:21 en 22 a.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 44, antwoord 114.
[8] Efeziërs 4:16.
[9] Colossenzen 2:18 en 19.

3 mei 2017

Afscheiding in de Schrift

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

“God heeft mij daar geplaatst. Dan kan ik niet zomaar weggaan”.
Een goede kennis van mij, die met zijn gezin een dienst bijwoont van De Gereformeerde Kerk Groningen, zegt dat na de dienst tegen mij. Hij is nog Gereformeerd-vrijgemaakt. “Maar ik ben zoekende”, verklaart hij.

Ach, hoe herkenbaar is zo’n stelling!
Zulke dingen spelen vaak een grote rol bij broeders en zusters die, al of niet twijfelend, op het kerkplein rondkijken.

Eind vorig jaar verscheen een boekje van een zevental emerituspredikanten van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt)[1].
In dat boekje klinkt de oproep Gods Woord serieus te nemen en de cultuur niet de boventoon te laten voeren.
Er wordt geschreven over het verbond, over belofte en eis.
Er zijn hoofdstukjes over het belang van de prediking.
In het boekje gaat het ook over het belang van de Heidelbergse Catechismus als leerboek. En over het catechetisch onderwijs, waar – onder meer – de basis wordt gelegd voor het latere ambtsdragerswerk.
Er wordt gewaarschuwd tegen de Nationale Synode, alwaar een veelvoud aan geloofsopvattingen opgeld doet.
Er wordt geschreven over het Schriftgezag.
Over de plaats van man en vrouw in de kerk.
En over de nieuwe hermeneutiek. Men maakt, zo blijkt, zelf uit wat Gods wil in deze tijd is.
In dat kleine boekje komt, kortom, heel wat langs.

Een buitenstaander kan denken: als er zoveel zaken zijn waarmee u het niet eens bent, waarom gaat u dan niet weg?
Misschien wordt wel gezegd: God heeft mij hier geplaatst.
Of: ik krijg nog de ruimte om het Evangelie op mijn manier te brengen. Als ik die ruimte niet meer krijg, ja dan
Wellicht speelt het verwachte verlies van contacten mee.
Dat verschilt, naar het mij voorkomt, nogal per persoon.

Ach, het is allemaal zo herkenbaar.

Wat zeggen we in zulke situaties?
Men kan natuurlijk heel wat aspecten van deze kwestie belichten.
Laten wij eens door de Bijbel bladeren, en enkele Schriftgedeelten op een rij zetten.
Dan blijkt dat met name Paulus zich over deze zaken druk heeft gemaakt.

De apostel is in Romeinen 16 misschien wel hinderlijk duidelijk: “En ik roep u ertoe op, broeders, hen in het oog te houden die onenigheden teweegbrengen en struikelblokken opwerpen tegen het onderricht dat u hebt ontvangen, en keer u van hen af”[2].
Nee, dat wil niet zeggen dat we bij de eerste ruzie op topsnelheid moeten wegrennen. Wij moeten de ruziemakers immers in het oog houden? Maar uiteindelijk moeten wij hen toch de rug toekeren.

En dan is er die strak aangezette formulering uit het zesde en zevende hoofdstuk van Paulus’ tweede brief aan de Corinthiërs: “Vorm geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met wetteloosheid, en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis?
En welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial? Of wat deelt een gelovige met een ongelovige?
Of welk verband is er tussen de tempel van God en de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God, zoals God gezegd heeft: Ik zal in hun midden wonen en onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn.
Ga daarom uit hun midden weg en zonder u af, zegt de Heere, en raak het onreine niet aan, en Ik zal u aannemen,
en Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige.
Omdat wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bezoedeling van vlees en geest, en de heiliging volbrengen in het vrezen van God”[3].
Bij deze Schriftwoorden noteer ik gaarne dat het zich verwijderen van ongelovigen, van mensen die zich niet aan God wijden, niet alleen maar leegte en eenzaamheid oplevert. Want Vader zal zich over zijn weglopende kinderen ontfermen!

Ook in zijn brief aan de christenen in Efeze besteedt Paulus aandacht aan afwijkingen die zich in de kerk kunnen manifesteren. In hoofdstuk 5 schrijft hij over “de vrucht van de Geest, [die] bestaat in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid –
en beproef wat de Heere welbehaaglijk is.
En neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmasker ze veeleer”[4].
Het valt hier op dat de apostel kinderen van God stimuleert om zich vooral niet stil te houden. Als er wat scheef gaat, is het belangrijk om uw stem te verheffen!

Paulus schrijft in het derde hoofdstuk van zijn brief aan Titus: “Verwerp een ketters mens na een eerste en tweede terechtwijzing.
Weet dat zo iemand het spoor bijster is en dat hij zondigt en het oordeel al in zich draagt”[5].
Mensen die – door het rondbazuinen van on-Schriftuurlijke leringen – allerlei scheuringen veroorzaken, moeten een en andermaal gewaarschuwd worden. En daarna moet die ketter worden buitengesloten. Niet omdat er zo nodig een hard oordeel moet worden geveld, maar omdat de betrokkene de kans moet krijgen om zich te bezinnen.

De schrijver van 1 Petrus 1 plaatst ook een rake opmerking. Het is deze: “Maar zoals Hij Die u geroepen heeft, heilig is, word zo ook zelf heilig in heel uw levenswandel,
want er staat geschreven: Wees heilig, want Ik ben heilig”[6].
Dat betekent in ieder geval: zorg dat u niet bevuild wordt door allerlei drek en troep die niet bij Gods Woord past. Blijf daar maar verre van. Voor u ’t weet hebt u toch vlekken op uw kleren!

De vragen zijn: wanneer zien mensen in de kerk te weinig licht? Wanneer gaat in de kerk het licht uit?
Die vragen stel ik met een schuin oog op 1 Johannes 1: “En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en aan u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.
Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben en wij toch in de duisternis wandelen, liegen wij en doen de waarheid niet”[7].
Als ik het goed weet, staat in 1 Johannes 1 een dubbele ontkenning. In God is absoluut geen duisternis. Nee, daar is werkelijk geen sprake van[8]!
Als de lichten in de kerk stuk voor stuk uit gaan, wordt het tijd om weg te wezen.

“Ik ben zoekende”.
Persoonlijk hoor ik dat vaak.
Alleen al het feit dat dat zo is, geeft aan dat het tijd wordt met spoed en zonder dralen een Gereformeerde Kerk op te zoeken. Een echt Gereformeerde Kerk, bedoel ik.

Noten:
[1] De gegevens van dat boekje zijn: Alko Driest e.a., “HIJ en wij – Oriëntatie in de actuele situatie van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)”. – Groningen: A.H. Driest, 2016. – 65 p.
De zeven predikanten zijn A.H. Driest, G.E. Geerds, A. de Jager, J. Kruidhof, P.F. Lameris, P.K. Meijer en J. van de Wetering.
[2] Romeinen 16:17.
[3] 2 Corinthiërs 6:14-7:1.
[4] Efeziërs 5:9, 10 en 11.
[5] Titus 3:10 en 11.
[6] 1 Petrus 1:15 en 16.
[7] 1 Johannes 1:5 en 6.
[8] Zie hiervoor de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Johannes 1:5-7.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.