gereformeerd leven in nederland

31 januari 2020

Het Woord voor eenvoudigen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“Het opengaan van Uw woorden geeft licht,
het schenkt eenvoudigen inzicht”.
Dat verklaart de dichter van Psalm 119[1].

Vandaag de dag zou men dat niet zeggen. Neem nu de situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken.

Daar verscheen een Open Brief.
Citaat uit het Nederlands Dagblad: “De brief is een reactie op het vergaande voorstel van een meerderheid van een synodecommissie over kerkelijke eenheid. Die wil, zo werd eerder deze week bekend, plaatselijke kerken die afwijken van landelijke afspraken hard aanpakken en zo nodig buiten het kerkverband plaatsen. De christelijk-gereformeerde synode spreekt daar komende week over. De open brief is overigens ook naar het synodebestuur gestuurd.
In de brief spreken de ondertekenaars hun zorg uit over de onderlinge verdeeldheid en het op de spits drijven van discussies zodat iedereen kleur moet bekennen. Daarvoor betaal je een hoge prijs, waarschuwen ze, die het christelijke getuigenis in de weg gaat staan.
‘Het lijkt ons dringend nodig recht te doen aan de verantwoordelijkheid van plaatselijke kerkenraden en hun ruimte te geven de lokale gemeente zo passend mogelijk geestelijk leiding te geven’, aldus de opstellers. Ze signaleren dat dominees die de landelijke besluiten nemen te weinig open staan voor hoe gewone gemeenteleden ‘geloven en samen kerk-zijn beleven’”[2].
Impliciet zegt men dus onder meer: ‘Mensen, maak de zaak niet zo scherp. Als het tegenzit spreken ongelovigen er schande van. Waar blijven we dan met onze evangelisatie en zending?’.

Daartegenover staat de dichter van Psalm 119. Hij zegt: wat is Gods wet toch mooi en duidelijk; daar kun je wat mee in het leven.
In de verzen 129-136 gaat het met name over Gods Woord als gids. De dichter spreekt over “het recht voor wie Uw Naam ​liefhebben”[3]. En over zijn eigen “voetstappen die vaststaan in Uw woord”[4]. De dichter wil Gods bevelen in acht nemen[5]. Hij wil de Goddelijke verordeningen leren[6][7].
Kijk, zegt de dichter, die kant wil ik op; zo wil ik de Here dienen. Voor de dichter is dat heel helder.

De schrijvers van de open brief willen recht doen aan verantwoordelijkheden van kerkenraden. Men moet, schrijven zij, ruimte geven om zo passend mogelijk geestelijk leiding te geven. Blijkbaar kan het zo zijn dat de woorden van Gods wet voor de één wel werken en voor de ander niet.
Alleen maar – de dichter van Psalm 119 rept daar met geen woord over. Terwijl hij te maken heeft met onrecht. Met onderdrukking zelfs.
Hoe kan dat? Antwoord: omdat hij eerst kijkt wat God wil en daarna beziet wat de wereld wenst. Zodra mensen de neiging hebben om dat om te keren ontstaan de problemen.

De dichter van Psalm 119 schrijft over “het opengaan van Uw woorden”. De kanttekenaars van de Statenvertaling noteren daarbij: “Of: ingang, dat is, wanneer men maar de eerste beginselen van Uw wet gesmaakt heeft, zo haast als men ze komt te lezen of te onderzoeken, zo krijgt men terstond grote kennis door de kracht en werking des Heiligen Geestes”[8].
De vraag is: zou het mogelijk zijn dat de Heilige Geest zich terugtrekt als de discussies steeds meer op de cultuur, en steeds minder op Gods Woord gericht zijn? Of ook: zou het mogelijk zijn dat de Heilige Geest zich terugtrekt als men in de discussies steeds meer op menselijke verhoudingen let, en steeds minder op datgene wat de Bijbel precies zegt?

Een Gereformeerd-vrijgemaakte predikant sprak in verband met Psalm 119 eens over ‘de langzame liefde van de langste psalm’. Hij noteerde: “Stel je voor: het voortdurend veranderende heuvellandschap waar je doorheen rijdt, het knapperende kampvuur waar je bijzit en de aanrollende golven op het strand… Is dat saai? Nee toch! Dan is Psalm 119 ook niet saai. Die naam heeft de psalm wel: een gebed zonder eind, steeds weer hetzelfde, inhoudsloos -een uitlegger uit 1899: ‘deze “psalm” is het meest inhoudloze product dat ooit het papier heeft zwartgemaakt’-. Maar de psalm vraagt wel tijd en concentratie. ‘Slow reading’ is nodig, langzaam en liefdevol lezen vanuit het verlangen om te groeien in gehoorzaamheid”[9].
Is dat liefdevol lezen van Gods Woord altijd aan de orde als het over allerlei problemen in de kerk gaat? Er zijn situaties waarin men de indruk wekt dat dat niet altijd zo is. Laten wij onszelf op dit punt beproeven!

In vers 105 van Psalm 119 zingt de dichter die bekende woorden:
“Uw woord is een ​lamp​ voor mijn voet
en een licht op mijn pad”.
Iemand noteerde daarbij: “In de tijd dat deze woorden werden opgeschreven kende men nog geen straatverlichting. Wie ’s avonds de deur uit moest, lichtte zichzelf bij met een olielampje dat net voldoende licht gaf om de weg een paar stappen vooruit te verlichten.
Zo is het ook met de Bijbel. Gods Woord is niet een schijnwerper die ons de hele omgeving laat zien, maar een lamp die ons pad verlicht in de nacht, ver genoeg om steeds een volgende stap te kunnen zetten. Jezus zegt van zichzelf dat Hij het licht voor de wereld is – zie Johannes 8 vers 12b.
Loop dus niet vóór Jezus uit, want dan loop je het Licht in de weg en kijk je in het donker.
Blijf ook niet te ver achterop, want dan is het Licht te ver weg en zie je nog niet waar je loopt. Maar ga je levensweg vlak bij het Licht, in Jezus’ voetstappen”[10].

De dichter zegt:
“Het opengaan van Uw woorden geeft licht,
het schenkt eenvoudigen inzicht”.
Laten wij dus vooral eenvoudig blijven!

Noten:
[1] Psalm 119:130.
[2] Geciteerd uit: “Schrijvers open brief keren zich tegen harde lijn in CGK”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 25 januari 2020, p. 2.
[3] Psalm 119:132.
[4] Psalm 119:133.
[5] Psalm 119:134.
[6] Psalm 119:135.
[7] Zie voor een mooie indeling https://www.amen.nl/artikel/1089/psalm-119 onder het kopje ‘Psalm 119 inhoudelijk’; geraadpleegd op maandag 27 januari 2020.
[8] Geciteerd van https://statenvertaling.nl/tekst.php?bb=19&hf=119&ind=1 ; geraadpleegd op maandag 27 januari 2020.
[9] Geciteerd van http://www.josdouma.nl/plantagekerk/preekkracht/PreekKracht%2020140810.pdf . De predikant in kwestie is dr. J. Douma, momenteel predikant te Zwolle.
[10] Geciteerd van https://www.vasteburcht.nl/vbstudie00.htm ; geraadpleegd op maandag 27 januari 2020.

18 juli 2019

Kerkelijke eenlingen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

We horen het vaak om ons heen: vader en moeder die problemen in de kerk verschillend taxeren. De één vindt het allemaal zo erg niet. De ander acht de problemen veel ernstiger.
Binnen een huwelijk kan dat zomaar verwijdering geven.
Dat is moeilijk.
Man en vrouw gaan op zoek naar een tussenweg die voor beiden aanvaardbaar is. Maar het blijft bijna altijd wringen. Want geloof en kerkkeus zijn, als het er op aankomt, heel persoonlijke dingen.

Laten we deze vader en moeder maar even in het oog houden. We noemen hen vader en moeder Van Hierboven.

Nu we deze situatie in beeld hebben, mogen we elkaar wijzen op Psalm 27:
“Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het ​huis​ van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut
op de dag van het onheil.
Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn ​tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots”[1].

Psalm 27 is gecomponeerd door David. En het valt meteen op: de psalmist spreekt hier in het enkelvoud. Wat anderen ook denken, hij wil naar de kerk. Hoe anderen de situatie ook taxeren, hij wil bij de Here wezen!
En hij weet: de Here ziet mij. Hij beseft: ik ben maar een eenling, maar de Here houdt mij wel degelijk in de gaten. Hij realiseert zich: er zijn allerlei drukdoenerige mensen om mij heen, maar de Here weet precies wat ik doe.
Laat dat ook maar een troost wezen voor de kerkelijke eenlingen van vandaag!

Nee, het is niet zo dat daarmee de problemen meteen geheel en al opgelost zijn.
We kunnen rustig zeggen dat vader Van Hierboven Psalm 27 zingt. Maar dat wil moeder Van Hierboven waarschijnlijk ook wel doen. Alleen maar – op zondag zingen zij Psalm 27 op verschillende plaatsen.
Zegt u nu zelf: samen zingen is veel mooier.
Echter – voor vader en voor moeder Van Hierboven geldt: de Here hoort Psalm 27 in stereo. Dat lukt mensen niet. Maar God lukt het wel. En Hij kan in harten kijken. Hij kent onze onzekerheden. Hij weet van de hobbels. Van de teleurstelling. Van het stille verdriet. En van de tranen.
Ook dat kan eenlingen tot troost strekken: de Here hoort ons loven, prijzen en bidden. Het maakt niet uit waar we ons bevinden; Hij hoort het altijd en overal!

Er staan twee heel belangrijke woorden in Psalm 27:
* zoeken
* onderzoeken.
Wie Psalm 27 zingt, laat daarmee blijken dat bij hem of haar werk in uitvoering is. Het geloof is geen status quo. Het geloof is geen unit die we ons hele leven met ons meedragen. Het is niet zo dat het geloof een talisman is – zolang je ‘m maar bij je hebt is er niks aan de hand. Zo zit het niet.
Nee, er moet gezocht worden. En er moet onderzocht worden.
Dat geldt voor vader Van Hierboven. En het geldt net zo goed voor moeder Van Hierboven. Beiden moeten zoeken en onderzoeken. En zij moeten elkaar in kennis stellen van de resultaten van hun speurtocht. Zij moeten met elkaar praten over de resultaten van hun research. Zij mogen elkaar blijven tonen wat de Here in hun leven doet.
David leert ons in Psalm 27: geloof is niet iets waarbij je voldaan achterover leunt.

Achterover leunen – dat doet de God van het verbond ook niet.
Hij biedt een schuilplaats. Hij biedt, om zo te zeggen, een safehouse[2].
Hij zet Zijn kinderen op een plek neer waar kwaadwillende mensen er niet bij kunnen; op een hoge rots namelijk
Kortom – de God van hemel en aarde staat garant voor de bescherming van de bevolking die Hij met Zijn eigen bloed gekocht heeft!

Bij dat alles moeten wij, wat betreft Psalm 27, nog tenminste één ding registreren.
Er is één huis van de Here.
Er is één tempel.
Er is één hut.
Er is één tent.
En dus is er ook maar één kerk.
Geen twee. Of drie. Of honderd.
Bij hun zoektocht mogen vader en moeder Van Hierboven nooit vergeten dat hun verschil in kerkkeus een gevolg is van de zonde op deze aarde. Natuurlijk – dat is een droevige conclusie. Maar het zou verkeerd zijn om op dit punt om de hete brij heen te draaien.

Laat de dichter van Psalm 27 vader en moeder Van Hierboven nu toch met alle moeilijkheden zitten? Zo van: we moeten samen naar de kerk; maar dat doen we niet en dat is zondig…?
Zeker – wij moeten onze zonden blijven benoemen. Maar dat is niet de hoofdboodschap van dit kerklied.
In Psalm 27 leert vader en moeder Van Hierboven wat het adres is waar zij altijd, hun hele leven lang, met hun problemen naar toe moeten gaan. De familie Van Hierboven, en wij allen, moeten leren bidden:
“HEERE, leer mij Uw weg,
leid mij op een geëffend pad”[3].
Laat de God van hemel en aarde onze Routeplanner maar wezen!

Laten wij ons even voorstellen dat vader en moeder Van Hierboven hun leven lang kerkelijk gescheiden blijven.
Hoe moet dat dan verder?
De dichter van Psalm 27 zegt:
“Wacht op de HEERE,
wees sterk
en Hij zal uw ​hart​ sterk maken;
ja, wacht op de HEERE”[4].
Wij allen – vader en moeder Van Hierboven incluis – moeten beseffen dat sommige problemen op deze aarde niet worden opgelost.
Maar de Here ziet al Zijn kinderen.
Hij ziet ook de gelovige mensen die, als gevolg van de zonde die op aarde rondwaart, kerkelijke eenlingen geworden zijn.
Laten wij in die situatie, samen met vader en moeder Van Hierboven en alle andere kerkelijke eenlingen, die prachtige woorden uit Openbaring 22 maar repeteren: “En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Boom des levens, en opdat zij door de ​poorten​ de stad mogen binnengaan”[5].

De God van hemel en aarde brengt Zijn kinderen eens bijeen.
Ja, ook als zij zich tot hun laatste dag op aarde in verschillende kerkverbanden bevinden!

Noten:
[1] Psalm 27:4 en 5.
[2] Dat is een huis dat gebruikt wordt om iemand te laten onderduiken.
[3] Psalm 27:11 a.
[4] Psalm 27:14.
[5] Openbaring 22:12, 13 en 14.

11 juli 2019

Bezonnen begin

Bezinning is een groot goed. In deze jachtige wereld is het goed om met een zekere regelmaat te reflecteren op onze daden.
Wat is het wijs van onze God dat Hij ons de zondag geeft! Gereformeerde mensen krijgen van hun Heer de eerste dag van de week om Gods Woord te horen en bij te tanken.
Bezinnen is goed. Aan de hand van Gods Woord wordt het leven weer op koers gebracht.

De Christelijke Gereformeerde generale synode gaat in oktober van start.
En hoe ziet die start eruit?
Het Nederlands Dagblad weet het al. Het betreft een bezonnen begin.
Men meldt: “De generale synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken belegt begin oktober een besloten dag voor bezinning en gebed. Deze dag vindt plaats voorafgaand aan de eerste ­synodeweek. Het kerkverband staat onder grote spanning sinds een aantal lokale gemeenten besloot dat vrouwen ouderling en diaken kunnen worden. Na een ‘bezinnend woord’ van synodevoorzitter Han Schenau gaan synodeleden met elkaar in gesprek. Het kerkverband laat weten dat de dag bedoeld is ‘om elkaar van hart tot hart te spreken en in alle openheid te kunnen delen wat in de huidige situatie van de CGK als kostbaar maar ook als kwetsbaar wordt ervaren’”[1].
Kortom: de CGK-synodeleden gaan zich ook bezinnen.

Het is bekend dat er in het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken grote verschillen zijn. Met betrekking tot de visie op de vrouw in het ambt. Rond de omgang met broeders en zusters met een homofiele geaardheid die willen samenleven met een vriend of vriendin. Met betrekking tot de leer zoals die in de belijdenis is geformuleerd. En over de vraag hoe je vandaag kerk en kerkverband kunt en moet zijn[2].

Omgaan met verschillen – meer in het algemeen is dat in het Nederlandse kerkelijke leven een heet hangijzer.

Nu het hierom gaat wijs ik graag op de algemene brief van de apostel Judas.
Ik citeer: “Maar u, geliefden, herinnert u zich de woorden die voorzegd zijn door de ​apostelen​ van onze Heere ​Jezus​ ​Christus, dat zij u gezegd hebben dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun eigen goddeloze begeerten wandelen. Zij zijn het die scheuringen veroorzaken, natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben. Maar u, geliefden, bouw uzelf op in uw allerheiligst geloof en ​bid​ in de ​Heilige​ Geest, bewaar uzelf in de ​liefde​ van God en verwacht de ​barmhartigheid​ van onze Heere ​Jezus​ ​Christus, tot het eeuwige leven”[3].

Dat is harde taal.
Spotters, eigen goddeloze begeerten, scheuringen, mensen die de Geest niet hebben – dat is in de CGK toch niet aan de orde?
Bij het omgaan met verschillen op het kerkelijk terrein is dit, wat je noemt, een keiharde insteek. Er zijn enorme verschillen. Niet alleen in CGK-kringen, maar ook elders.
Je zou denken: kan dat niet wat rustiger, wat tactischer, wat milder?
Judas vindt van niet.
En de Heilige Geest vindt blijkbaar ook van niet. Het is immers niet voor niets dat dit korte briefje in Gods Woord opgenomen is.

Waar gaat het in deze algemene brief om?
Een bekende internetencyclopedie leert ons: “De brief is geadresseerd aan de christenen in het algemeen. Het hoofdthema van de brief vinden we in de verzen 20-23: een oproep om vast te houden aan het geloof zoals de apostelen dat doorgegeven hebben. De dwaalleraars in de gemeente die er een andere leer op nahouden, namelijk dat Gods genade zo groot is dat zij de redding van Jezus niet nodig hebben, zullen veroordeeld en gestraft worden. De auteur onderbouwt dit in vers 5-19 met verwijzingen naar onder andere Bileam, Sodom en Gomorra en een aantal gebeurtenissen uit buitenbijbelse Joodse geschriften…”[4].
Op een andere plaats staat nog wat nadere uitleg: “Waarschijnlijk schreef Judas zijn brief tussen 40 en 46 na Christus, rond de tijd van Handelingen 9 tot en met 13. Dit was een turbulente periode waarin vele wonderen en tekenen gebeurden, maar waarin ook vervolging was. Het bevreemdt daarom niet dat Judas de gelovigen vermaant om vast te houden aan een godvruchtig leven en waarschuwt voor verkeerde invloeden. Daarnaast verkondigt hij het oordeel over de ongelovigen”[5].
Geen wonder eigenlijk dat Judas voor een heel duidelijke aanpak kiest.

En het is ook goed als wij, in onze tijd, voor een duidelijke aanpak kiezen.
Wij leven in een tijd waarin Gods Woord flink ondergraven wordt.
Denk maar aan de genderideologie. En aan de evolutietheorie. En aan de felle discussies over de positie van vrouwen in de samenleving. En aan de manier waarop op sociale media met mensen wordt omgegaan.

Wat moet men in de CGK doen?
Meer in het algemeen – wat moeten alle christenen doen, Gereformeerden inbegrepen?

Wij moeten blijven geloven in Gods beloften over de toekomst.
Paulus schrijft aan de christenen in Thessalonica: “…God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus ​Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, samen met Hem zouden leven. Bemoedig elkaar daarom, en bouw de één de ander op, zoals u trouwens al doet”[6].
Wij moeten het oog op de hemelse toekomst gericht houden.

Wij moeten de Here vragen of hij ervoor zorgen wil dat de Heilige Geest permanent in onze harten blijft wonen.
De Here geeft ook de garantie dat de Heilige Geest in ons leven actief blijft als we Hem daarom vragen. Denk maar aan Lucas 11: “Als u die slecht bent, uw kinderen dus goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die tot Hem bidden?”[7].
Trouwens – Paulus schrijft ook aan de christenen te Rome: “En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp, want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen”[8].

Wij moeten de broeders en zusters liefhebben.
Johannes schrijft daarover: “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft. Als iemand zou zeggen: Ik heb God lief, en hij zou zijn broeder haten, dan is hij een leugenaar. Want wie zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, hoe kan hij God ​liefhebben, Die hij niet gezien heeft? En dit gebod hebben wij van Hem, dat wie God liefheeft, ook zijn broeder moet ​liefhebben”[9].
Wie bij God begint, heeft zijn broeders en zusters lief. Dat kan niet anders.

Wij moeten rekenen op Gods genade.
In Gods Woord worden wij daar voortdurend op gewezen. De Bijbel sluit er zelfs mee af: “De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen”[10].

Bezinning is goed. Het is goed om elkaar van hart tot hart te spreken en bedachtzaam te handelen.
Zeker wel. Natuurlijk.
Maar waar bestaat die bezinning uit?
Uit zorgvuldige Schriftlezing en aanhoudend bidden, mogen we hopen!

Noten:
[1] “Synode CGK start met dag van bezinning”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 9 juli 2019, p. 7.
[2] Zie hierover ook https://www.rd.nl/kerk-religie/verhoudingen-in-cgk-staan-op-scherp-1.1558238 ; geraadpleegd op dinsdag 9 juli 2019.
[3] Judas verzen 17-21.
[4] Geciteerd van https://nl.wikipedia.org/wiki/Brief_van_Judas ; geraadpleegd op dinsdag 9 juli 2019.
[5] Geciteerd van https://www.amen.nl/artikel/69/de-brief-van-judas ; geraadpleegd op dinsdag 9 juli 2019.
[6] 1 Thessalonicenzen 5:9, 10 en 11.
[7] Lucas 11:13.
[8] Romeinen 8:26.
[9] 1 Johannes 4:19, 20 en 21.
[10] Openbaring 22:21.

13 december 2018

Gekrakeel in de kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

In en rond de kerk is niet zelden een hoop geharrewar. Er wordt druk heen en weer gepraat. Soms gaat het fel tekeer. Kerkleden zijn, om het met licht sarcasme te zeggen, net echte mensen.
Omdat die kerkmensen ervan overtuigd zijn dat Gods Woord sturing aan heel het leven geeft, worden heel wat dingen principieel geladen. Ja, dat gebeurt soms ook als de zaken vooral praktisch van aard zijn.
Waarom gebeurt dat?
Omdat de tegenstander van God, de satan, nog altijd veel kracht heeft.

Dat is niet iets van 2018. Dat is niet iets dat eigen is aan onze hectische tijd.
Dat blijkt wel uit 2 Timotheüs 2.
Daar schrijft de apostel Paulus: “Een dienstknecht van de Heere moet geen ruzie maken, maar vriendelijk zijn voor allen, bekwaam om te onderwijzen, en iemand die de kwaden kan verdragen. Hij moet met zachtmoedigheid hen onderwijzen die zich verzetten. Misschien geeft God hun eens bekering, zodat zij tot erkenning van de waarheid komen en zij weer mogen ontwaken uit de strik van de ​duivel, door wie zij levend gevangen waren om zijn wil te doen”[1].

De strekking van Paulus’ statement is duidelijk. Hinderlijk duidelijk, wellicht zelfs.

Paulus laat zien dat achter al dat geharrewar vaak een verwoestende kracht schuil gaat. De energie van de duivel namelijk. Bekering is een vereiste. Epignosis staat er in het Grieks – er is diepe, doorleefde kennis van de waarheid nodig.
Met die waarheid is niet bedoeld: een afspraak met de gemeenschap om ons heen[2]. Het gaat om de waarheid die in Johannes 17 wordt aangeduid: “Heilig​ hen door Uw waarheid; Uw woord is de waarheid”[3].
Met andere woorden – in allerlei discussies moeten we steeds weer terug naar de Bijbel. Wat staat daarin? Hoe moeten wij dat Woord toepassen in onze gedachtewisseling?
Ten diepste moet het ons altijd om Gods eer te doen zijn. Dan gaat het er dus niet meer om dat wijzelf gelijk krijgen.

In dit verband mogen we elkaar ook op 1 Thessalonicenzen 5 wijzen[4]. Daar schrijft Paulus onder meer: “Laten wij dan niet, evenals de anderen, slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn. Want zij die slapen, slapen ’s nachts en zij die dronken zijn, zijn ’s nachts dronken. Maar laten wij, die van de dag zijn, nuchter zijn, bekleed met het borstharnas van geloof en ​liefde, en met de hoop op de zaligheid als ​helm”[5].
De duivel sust ons graag in slaap.
De duivel ‘kneedt’ ons brein graag net zo lang tot er een tunnelvisie ontstaat: dit of dat kan alleen maar zus of zo zijn; een andere conclusie is er niet.
Wij blijven wakker als we gelovig blijven leven en werken.
Wij houden een brede blik als wij broeders en zusters liefdevol blijven bejegenen.
Wij worden voor kleinzieligheid behoed als wij het oog gericht houden op ons tweede vaderland: de hemel. We behoren verder te kijken als onze neus lang is!

Het is ook goed om de bladwijzer nog even bij 1 Petrus 4 te leggen. En wel met name bij deze woorden: “En het einde van alle dingen is nabij; wees daarom bezonnen en nuchter in de ​gebeden”[6].
Houdt uw hoofd erbij, schrijft Petrus. Oftewel: laten we met z’n allen beseffen waar het naar toe gaat. De Here Jezus Christus, onze Heiland, komt terug!
Wij moeten rustig aan het werk blijven.
Wij behoren attent te blijven.
Met zo’n houding mogen we gerust naar de troon van God gaan. Wij mogen Hem bidden om voortdurende oplettendheid. Wij mogen Hem danken voor alle energie die Hij geeft. Wij mogen bidden om spoedige terugkomst van de Heiland.

Wie aan het werk is, heeft relatief weinig tijd om ruzie te maken.
Wie gaat bidden heeft geen tijd om zich met allerlei strubbelingen te bemoeien.
Daar wordt het een stuk rustiger van.

Eén citaat nog uit 2 Timotheüs 2: “En verwerp de dwaze en onverstandige strijdvragen, in het besef dat zij conflicten voortbrengen”[7].
Vandaag zouden we zeggen: waar zijn wij nou helemaal mee bezig?
Van een afstandje naar jezelf kijken – dat is soms zo gek nog niet.
Dat advies geldt, gelet op 2 Timotheüs 2, met name voor de ambtsdragers: de predikanten, ouderlingen en diakenen.
Daarmee wil niet gezegd zijn dat in de kerk een geitenwollen-sokken-sfeer moet ontstaan; zo nu en dan mogen en moeten er heus wel wat puntjes op de i worden gezet.
Maar onze opwinding moet wel proportioneel zijn. Als mensen het fundament dat gelegd is – dat is Jezus Christus – beschadigen, is het tijd voor actie[8]. Dan moeten we, met gebruik van deugdelijke argumenten, pal staan voor de Gereformeerde leer. Maar in heel veel andere situaties is het beter om eerst tot tien te tellen. In de kerk zouden wij dat laatste wat vaker moeten doen.

Noten:
[1] 2 Timotheüs 2:24, 25 en 26.
[2] Zie hiervoor mijn artikel ‘Uw wil doen is mijn lust’, hier gepubliceerd op 22 augustus 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/08/22/uw-wil-doen-is-mijn-lust/ .
[3] Johannes 17:17.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 2 Timotheüs 2:24, 25 en 26.
[5] 1 Thessalonicenzen 5:6, 7 en 8.
[6] 1 Petrus 4:7.
[7] 2 Timotheüs 2:23.
[8] De formulering van deze zin preludeert op 1 Corinthiërs 3:11: “Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat gelegd is, dat is ​Jezus​ ​Christus”.

23 november 2017

Luisteren met een half oor?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Protestanten verlegen met verschillen”.
Dat staat boven een lang artikel op de website van het Reformatorisch Dagblad[1].

Het bericht gaat over een inspiratie-event van de Evangelische Omroep. De EO bestaat namelijk vijftig jaar.

Wij moeten zoeken naar datgene wat ons bindt, zo wordt tijdens die bijeenkomst gezegd.
En:
Wij moeten jongeren meer aanspreken; theologische verschillen interesseren hen niet zo veel. De praktijk is heel belangrijk!
Maar ook:
Verschillen moet je benoemen. Praat met elkaar, en niet alleen maar over elkaar. Juist tijdens die gesprekken moet je de zaken scherp stellen.
En:
Wie aan de rand van de samenleving werkt, merkt dat er veel verbondenheid is met allerlei christenen. Richt je op de kern, dan wordt het allemaal veel duidelijker.
En:
Wij kunnen eenheid vinden in de geloofsbelijdenis van Nicea, toegespitst op het leven, sterven en opstanding van Christus.

U ziet het, de meningen over de omgang met verschillen zijn nogal verschillend.
Sommigen negeren ze gewoon.
Anderen zeggen dat het met het benoemen van verschillen duidelijk wordt waar je zelf staat.
Weer anderen zeggen dat allerlei theoretisch geneuzel uit de tijd is en dat slechts de praktijk onze aandacht hebben moet.
Anderen vinden dat we niet moeilijk moeten doen over details, en terug moeten naar de kern van het Evangelie: Jezus Christus.

Ik zou willen zeggen: er is weinig nieuws onder de zon. Er wordt veel gepraat en niet al te veel in de Bijbel gelezen.

Het bovenstaande brengt mij bij 2 Kronieken 12.

In dat hoofdstuk gaat het, in eerste instantie althans, nogal goed met koning Rehabeam. Het gaat hem voor de wind. Maar als hij eenmaal een gevestigd regent is, verlaten hij – en heel Israël met hem – de Here.
Er komt meteen een straf op de zonde. Koning Sisak, de koning van Egypte, trekt tegen Israël ten strijde. Nee, dat is geen toeval. Want de Here zegt: “Ú hebt Mij verlaten, daarom heb Ík u ook overgelaten in de handen van ​Sisak”[2].
Dat begrijpen de leiders van Israël best. En ja, zij bekennen schuld. De Here heeft eigenlijk wel gelijk, zeggen ze. Zijn maatregel is, op de keper beschouwd, heel rechtvaardig.
Daarop verzacht de hemelse Here de straf. De Israëlieten zullen niet om het leven komen. Nee, zij zullen in dienst komen bij Sisak en de zijnen. De Here zegt: “Zij zullen hem echter tot dienaren zijn, zodat zij het verschil tussen Mijn dienst en de dienst van de koninkrijken van de landen leren kennen”[3].

Laten wij even goed kijken wat hier gebeurt.
Het is niet zo dat de Israëlieten de Here niet kennen. Zij weten best wel wie Hij is. En ze weten heel goed wat Hij wil.
Echter, de dienst aan de Here wordt niet meer zo serieus genomen. In de praktijk van het leven werkt het volk van God aan eigen inbreng. Zij werken ook heel wat eigen ideeën uit.
De God van hemel en aarde voert een lik op stuk-beleid.
Maar het is niet zo dat Hij in blinde drift alles wat met Israël te maken heeft kort en klein slaat. Als de Israëlieten ootmoedig en deemoedig de Goddelijke rechtvaardigheid erkennen, voert God een beleidswijziging door. Zijn volk blijft in leven.
Hier zien wij dat God trouw is aan Zijn verbond. Eenmaal uitgekozen blijft uitverkoren.
Maar de Here zegt wel: ik zal Mijn volk confronteren met de verschillen tussen de dienst aan Sisak en de gehoorzaamheid aan Mij!

Vandaag de dag menen de mensen dat je in alle rust moet omgaan met verschillen. Je moet er, zo stelt men nuchter vast, kalm mee omgaan. Niet te veel forceren. En niet teveel traineren.
Dat de Here wil dat wij nauwkeurig nagaan wat Hij in de omstandigheden van 2017 van Zijn volk vraagt, dat komt niet eens in de mensen op. Zij praten over veelkleurigheid. En over verschillende gaven. Over de manieren waarop zij dingen aanpakken en de keuzes die zij maken.
Maar wie vraagt wat de Here vandaag precies wil, wordt met een scheef oog aangekeken. Je wordt beschouwd als iemand die extreem is, en overdreven moeilijk loopt te doen.

Over koning Rehabeam wordt gezegd: “En hij deed wat slecht was, omdat hij zijn ​hart​ er niet op richtte om de HEERE te zoeken”[4].
Met andere woorden: de koning demonstreerde een zekere halfslachtigheid.

Maar nu hoor ik u vragen: kun je nou zeggen dat sommigen bij de Evangelische Omroep halfslachtig zijn? Dat is toch beledigend? Die mensen doen toch oprecht hun best?
Die vragen begrijp ik wel.
Maar weet u, het is niet zo dat Rehabeam gedacht heeft: het is nu beter om van Gods weg af te wijken. Hij doet dat, om zo te zeggen, niet met voorbedachten rade. Nee, de praktijk van het leven brengt hem ertoe om hier en daar wat water bij de wijn te doen. Omdat dat politiek beter uitkomt. Omdat dat de stabiliteit in zijn land ten goede lijkt te komen.
Diezelfde systematiek zie ik bij de EO: aanpassen is het parool, want wij mogen de aansluiting niet missen.

Het lijkt goed om aansluiting te zoeken bij de wereld.
Het lijkt goed om elkaar de ruimte te geven.
Het lijkt goed om als kerklid een zekere flexibiliteit te tonen.
Als u het mij vraagt, is dat laatste de bron van veel verschillen in de kerkelijke wereld van vandaag.

Het lijkt goed om over heel veel dingen na te denken.
Blijven er verschillen?
Nu ja, dat zij dan zo.
Typisch EO, als u het mij vraagt.

Rehabeam richt zijn hart er niet op om de Here te zoeken. De Bijbel in Gewone Taal is hier wat meer rechttoe-rechtaan: “Hij wilde niet naar de Heer luisteren”.
In de BGT is de filosofie klaarblijkelijk: met een half oor naar de Here luisteren, dat kan echt niet.
Dat is in ieder geval duidelijk.
Vindt u ook niet?

Noten:
[1] Zie https://www.rd.nl/kerk-religie/protestanten-verlegen-met-verschillen-1.1445073 ; geraadpleegd op dinsdag 14 november 2017.
[2] 2 Kronieken 12:5.
[3] 2 Kronieken 12:8.
[4] 2 Kronieken 12:14.

8 september 2016

Alleszins anders

Het is in onze tijd enigszins in de mode om anders te zijn. Ook in de kerk[1].
Als het daarom gaat zijn gelovigen net gewone mensen. Zij willen geen grijze muizen wezen.

Het brengt mij bij een uitlating van een synodepreses. De betreffende predikant sprak de hoop uit dat ‘zijn’ synode besluiten zou nemen ‘tot heil van de kerken’. Maar hij zei er meteen bij: “Maar daar heeft wel iedereen z’n eigen invulling bij”[2]. Voor ieder kerklid is dat blijkbaar weer anders.

Wij willen allen liefst een beetje anders zijn.
Opvallend.
Individueel.
Uniek.

Het deed mij ook denken aan regels van de dichter/schrijver Hans Andreus (1926-1977):
“Je bent zo
mooi
anders
dan ik

Natuurlijk
niet meer of
minder
Maar

zo mooi
anders,

Ik zou je
nooit
anders dan
anders willen”[3].
Het werk van Andreus gaat overigens niet over de kerk. Hij schrijft vaak over licht, over liefde en dood, over schuld en over identiteit.
Maar wat mij betreft kan het bovenstaande gedicht toch wel de sfeer in vele ‘kerkgenootschappen’ tekenen: de kerk lijkt verloren als daar heel veel dingen te gewoon zijn. In de kerk moet, zo suggereren de mensen, alles anders zijn.

Hier staat, als we niet heel attent zijn, binnen de kortste keren een levensgroot misverstand in de weg. Namelijk dit: wij moeten als Gereformeerden de aandacht trekken. Oftewel: christelijke wereldburgers moeten zichzelf op velerlei gebied profileren. Kortom: wij hebben het nog heel druk.
Alles begint echter bij Iemand anders.
God is namelijk anders. Hij is heilig, groot en goed.
En wij hebben Jezus Christus gekregen. Daarom spreken we in de Heidelbergse Catechismus over “onze Here Jezus Christus, die ons door God geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing”[4].

Daarom is de kerk anders.
De kerk moet niet meer anders worden. Want de kerk is al anders. En de kerkleden worden door Christus’ werk helemaal anders gemaakt.

Daarom geldt in de kerk: wij hoeven niet meer alles doen om in beeld te komen.
Wij hoeven niet meer op te vallen.
Want wij zijn zo al gek genoeg. Daarmee bedoel ik: de wereld vindt ons dwaas. Om met 1 Corinthiërs 1 te spreken: “… het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods”[5].

De Schepper van hemel en aarde heeft unieke schepselen gemaakt. Wij hebben allemaal onze eigen gaven.
Het kleurrijke palet van al die verschillende mensen wordt gebruikt door de Vader in de hemel. Hij zet die onderscheiden gaven in. En samen zijn wij, door Zijn genade, Gods instrumentarium.

Al onze gaven dienen in feite maar één doel: Godsdienst. Met een hoofdletter, inderdaad.

Tegenwoordig moeten wij, zegt men in de maatschappij en op het kerkplein vaak, leren omgaan met verschillen.
U kent de termen die daarbij horen waarschijnlijk wel. Men spreekt over veelkleurigheid en veelvormigheid naar godsdienst, huidskleur, cultuur, etniciteit, leeftijd en seksuele voorkeur.
En inderdaad is het heel goed om in onze omgang met medemensen die verschillen in rekening te brengen.
Onderhand lijken die verschillen echter bijna heilig.
U en ik moeten verschillen eerbiedigen.
En als u en ik dat niet zo goed kunnen, dan moeten we er in ieder geval mee leren leven.

Intussen blijft gelden: de kerk is al anders. En de kerkleden worden door Christus’ werk helemaal anders gemaakt.
Gereformeerden willen niet anders zijn omdat dat in de mode is.
Gereformeerden willen niet zo nodig anders zijn omdat ze hun eigen identiteit willen behouden.

Kent u Efeziërs 4 nog? “Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen”[6].
Wij moeten goed zien waar hier de nadruk ligt. Dat gaat nog wat makkelijker als wij enkele vertalingen van deze tekst onder elkaar zetten.
* Herziene Statenvertaling: Maar u hebt Christus zo niet leren kennen
* Statenvertaling: Doch gij hebt Christus alzoo niet geleerd.
* Canisiusvertaling: Maar zó hebt gij Christus niet leren kennen.
* Leidse vertaling: Maar gij hebt zoo Christus niet leeren kennen.
* Voorhoeve-vertaling: Maar zo hebt u Christus niet geleerd.
* Willibrordvertaling: Maar zo hebt u Christus niet leren kennen!
De levensstijl van Gereformeerde mensen is anders, omdat zij onderwezen zijn over het reddingswerk van Jezus Christus.

Het reddingswerk van onze Heiland zorgt voor een ander perspectief in het leven.
Want wie onderwezen is in het hoe en waarom van Christus’ lijden, sterven en opstanding kijkt ook anders aan tegen de ontwikkelingen in de wereld.
Mensen vragen: waarom is er zoveel oorlog in de wereld? Op basis van Gods Woord kunnen wij wijzen op de zondeval.
Mensen vragen: waarom staan mensen zo machteloos bij de huidige spiraal van terreur? Op basis van Gods Woord kunnen we wijzen op het negeren van Gods wetten.
Mensen klagen: waarom zijn instanties als de Europese Unie zo krachteloos? Antwoord: omdat de mensen zelf alles anders willen doen; zij vertrouwen niet meer op God.

Wie een poging doet om – in discussies bijvoorbeeld – dat nieuwe perspectief te beschrijven, stuit op een muur van onbegrip.
De gesprekspartners praten er, in hun ijver om hun eigen opinie over te brengen, maar snel omheen en overheen.
Een gelovig mens voelt zich in zo’n situatie ongemakkelijk. Machteloos zelfs, misschien. Wat valt er nog te doen?

Paulus geeft daarover aan de Efeziërs instructies die verrassend concreet zijn.
Laat ik enkele verzen citeren: “Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; en geeft de duivel geen voet. Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige. Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed woord hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen. En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft”[7].

Het leven van een kind van God ziet er – wanneer hij zich aan deze aanwijzing houdt – heel anders uit dan dat van iemand die zichzelf wil redden.
Ach, misschien lijkt het een druppel op een gloeiende plaat.
Maar het is in ieder geval geheel anders. En toekomstgericht – ja, dat ook.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 4 september 2007.
[2] De woorden zijn van dominee D. Quant, die in 2007 preses was van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerken.
[3] Dit gedicht is bijvoorbeeld te vinden op http://www.scholieren.com/gedichtbespreking/20205 . Zie over de dichter Hans Andreus https://nl.wikipedia.org/wiki/Hans_Andreus . Deze internetpagina’s raadpleegde ik op donderdag 18 augustus 2016.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 6, antwoord 18.
[5] 1 Corinthiërs 1:18.
[6] Efeziërs 4:20.
[7] Efeziërs 4:26-32.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.