gereformeerd leven in nederland

27 november 2015

Francis A. Schaeffer over het christendom

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Vandaag vraag ik gaarne uw aandacht voor Francis A. Schaeffer.
Deze Amerikaanse theoloog, filosoof en predikant leeft van 1912 tot 1984.
Het meest bekend wordt hij, naar het mij voorkomt, door de oprichting van de L’Abri-gemeenschap in Zwitserland; dat was in 1955. Het Franse woord l’abri betekent: schuilplaats. Het is inmiddels een grote organisatie die actief is in verschillende werelddelen: Europa, Azië en de Verenigde Staten. L’Abri beheert studiecentra, waar geïnteresseerden enige tijd kunnen verblijven om antwoorden te zoeken op vragen over God en Bijbel, en de betekenis van het menselijk leven. Men organiseert themaweekenden, lezingen en filmavonden. De Nederlandse afdeling van l’Abri heeft zetels in het Gelderse dorp Eck en Wiel en in Utrecht[1].
Dr. Schaeffer schrijft tweeëntwintig boeken[2].
Eén van die boeken staat vandaag in de belangstelling. Het is het boek ‘De God die leeft: Bijbels christendom in de twintigste eeuw’[3].

In het Nederlands Dagblad van vrijdag 20 november 1970 staat een bespreking van deze publicatie[4].
Die recensent heeft als initialen ‘J.J.A.’. Zeer waarschijnlijk is dat de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant J.J. Arnold[5].

De recensent heeft veel goede woorden voor de publicatie over.
Hij schrijft:
“Het boeiende en bewogen werk is geschreven ‘om de belangrijkheid van het bijbelse christendom in deze tijd aan te tonen. Het is bedoeld als een uiteenzetting van het faillissement van de moderne theologie en het wereldse existentiële denken, maar geeft tevens een redelijke en gefundeerde hoop op iets dat de mens weer tot mens zal maken’”.
En verder:
“Aan de ene kant heeft dit werk van dr. Schaeffer iets indrukwekkends. Het is vol van diepe ernst. Hij wil laten zien ‘de lijn van de wanhoop’, de verschrikking van het existentialisme en ’t modernisme. Hij legt daarbij verbanden bloot, welke velen helaas niet (willen) zien. Het verband tussen de hedendaagse on- en anti-schriftuurlijke filosofieën en de kunst, de muziek, de algemene cultuur en de theologie. Hij laat daarbij zien de verwoestende en in onzekerheid jagende rol van de kunst, de destructieve rol van de algemene cultuur (…, muziek, literatuur, toneel, film, enz.) en de invloed van film en dusgenaamde goede televisieprogramma’s ook op de massa die nooit in een museum komt en van de verschuivingen binnen het moderne denken niets begrijpt”.
De recensent merkt terecht op:
“Dr. Schaeffer heeft in ieder geval de dienst bewezen anderen wakker te schudden, al is het zo, dat zijn werk geen lichte kost en in het bijzonder voor (jonge) intellectuelen bestemd is, gelijk eveneens veel jonge intellectuelen onder de bekoring zijn gekomen van schrijven, spreken en leven van de auteur. Hier is immers een auteur aan het woord, die maar niet wat schrijft, maar die wat dóet als hij schrijft en die doet ook overeenkomstig hetgeen hij schrijft”.

Dat klinkt heel goed.
Hier is een scribent aan het werk die wat te vertellen heeft.
Schaeffer pakt de zaak degelijk aan.

Maar er is meer.

“Is dit echter de ene kant van de zaak. Er is ook een andere kant. De schrijver wil vooral ‘rationeel’ het christendom en ‘de christelijke visie’ (…) aannemelijk maken voor de niet-christen, alsook de twijfelaar ‘rationeel’ van dit ‘christendom’ (soms afgewisseld met ‘bijbels christendom’ of ‘historisch christendom’) en deze ‘visie’ overtuigen. Juist door dit christendom en deze dusgenaamde visie tegenover allerlei ideologieën en andere visies te stellen is hij bijzonder zwak. Wat is immers het ‘christendom’ of ‘de christelijke idee van de ziel’ (…)? En is visie tegenover visie te stellen?”.

Graag accentueer ik die term christelijke visie.
Daar spreekt men ook vandaag de dag nogal eens over.
Men denkt na over het antwoord op de vraag hoe in de christelijke visie geloof en wetenschap zich tot elkaar verhouden.
Men ontwikkelt een christelijke visie op het menselijk lijden.
Er moet, zeggen sommigen, een christelijke visie op duurzaamheid komen.
Ja, men heeft het geweldig druk met die christelijke visie.

Maar ontwikkelen we in de kerk visies?
Goed, we kunnen zeggen dat we een weloverwogen mening hebben, op basis van Gods Woord.
We kunnen zeggen dat we, door het lezen van Gods Woord, een bepaalde kijk op het leven krijgen.
Maar nee, in de kerk wordt ons – naar ik meen – geen visie opgedrongen.
In de kerk wordt ons verkondigd hoe het leven totaal vernieuwd wordt door het verlossingswerk van Jezus Christus.
In de kerk veranderen we niet van mening.
In de kerk krijgen we op zondag niet een paar lesjes maatschappijleer, of onderwijs over goed Nederlands burgerschap.
Nee, in de kerk horen we geen logisch verhaal.
In de kerk horen we van ellende, verlossing en dankbaarheid. In de kerk horen we van Gods genade en barmhartigheid. Die zijn, op de keper beschouwd, nooit helemaal verstandelijk te verklaren.

Francis Schaeffer wil alles logisch uitleggen.
Hij zet visie tegenover visie.
Maar zo werkt dat niet, in de vergadering van ware gelovigen.
Ook vandaag niet, ook al willen sommigen ons dat wel doen geloven.

De recensent legt daar gelukkig de vinger bij.

“En hoewel de schrijver het rationele wil afgrenzen tegen het rationalisme (…) en zich ermee tegen het irrationalisme en ‘de sprong in het geloof’ (…) wil stellen, komt hij er toch toe meer op de wijze van de vroegere apologeten dan naar de schriften tewerk te gaan: ‘De christelijke apologiek moet in staat zijn op intellectueel niveau aan te tonen (!) dat het christendom van de werkelijke waarheid spreekt’ (…). Hij komt in deze weg zelfs tot een bepaalde soort van bewijzen, ‘dat de God die leeft bestaat’ al gebeurt dat niet alleen op een intellectuele manier (…) en dat ‘er ’n God is die persoonlijk is en Drieënig, die al het andere schiep’, en komt concluderend uit Gods persoonlijkheid tot de persoonlijkheid van de mens (…); welke conclusies z.i. volgen uit de schepping van de mens naar Gods beeld”.

U begrijpt het nu wel: Francis Schaeffer heeft de zaak rationeel op een rijtje, maar vliegt vervolgens toch uit de bocht.

Wie geloof en kerk rationeel verklaren wil, weet zeker dat hij zich binnen de kortste keren buiten de kaders van Schrift en belijdenis bevindt.
Dat zien we dus ook bij Francis Schaeffer gebeuren.
De recensent noteert: “Hij [Schaeffer dus, BdR] spreekt over de kerk niet overeenkomstig de Schriften (Johannes 10, 1 Timotheüs 3, e.a.) en de belijdenis (artikel 29), maar vervalt in subjectivisme (…); noemt alles kerk; heeft het over de (!) Westerse kerk en stelt dat zij, die in l’Abri werkzaam zijn de beginselen van de kerk in praktijk hebben gebracht, waarbij l’Abri feitelijk plaatsvervangend kerk is geworden (…). Wat de kerk is; dat deformatie, verlating van de reformatie, Evangelieverduistering, confessieverachting, tuchteloosheid zulk een katastrófale invloed hebben gehad valt (…) buiten het gezichtsveld van de schrijver. De toorn van God over Zijn volk komt niet ter sprake. Hangt dit samen met de titel van het boek, welke titel antithetisch wel verklaarbaar maar niet recht schriftuurlijk is? De Bondsgod wordt niet genoemd. Het verbond evenmin”.

De recensent wijst op de manier waarop Francis Schaeffer het woord ‘antithese’ gebruikt.
“De schrijver hanteert daarbij wel een filosofisch antithesebegrip (als iets waar is, is het tegendeel niet waar), maar de door God gestelde antithese komt niet aan bod, ja verdwijnt uit het gezicht. Het hangt eveneens samen met het feit, dat hij de geestelijke strijd niet recht tekent; dat hij (…) niet weet te spreken van de wereldomvattende strategie van de vorst der duisternis en de geestelijke boosheden in de hemelse gewesten”.

Francis Schaeffer is een begaafd theoloog geweest, die veel goeds heeft gedaan.
Hij bezat ook een gedrevenheid die in de Gereformeerde wereld soms node wordt gemist.
De ND-scribent formuleert dan ook: “Het is onaangenaam tegen een dergelijk boek van zulk een auteur doorslaggevende bezwaren te moeten inbrengen. Het zou trouweloos zijn dit niet te doen. Overigens is ons wel geboden na het lezen van ‘De God Die Leeft’ ons af te vragen: wordt bij ons soms niet gemist wat dr. Francis A. Schaeffer in zijn spreken en handelen wèl heeft?”.

Nu ga ik graag nog even naar 2015.
We hebben in de afgelopen jaren gezien hoe de Gereformeerde wereld overspoeld werd met Amerikaanse godsdienstige lectuur.
In al die boeken zat vaak wel wat goeds. Maar op beslissende punten werd in die lectuur gezwegen. Bijvoorbeeld
* als het over de door de God van hemel en aarde gestelde antithese moest gaan
* als over de kerk moest worden geschreven
* als het verbond in beeld moest komen.
Als ik mij niet vergis heeft die overvloed van Amerikaanse lectuur de Gereformeerden in Nederland niet echt vooruit geholpen.
En dat, geachte lezer, is ten diepste een droevige constatering.

Hier geldt dat bekende woord uit Mattheüs 26: “Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak”[6].

Het is echter een groot geluk dat in ons leven altijd het lichtpunt van Gods trouwe zorg zichtbaar kan blijven!
Het is enkel en alleen aan die zorg te danken dat we in de kerk – ja, met lidwoord – kunnen blijven zingen:
“Mijn voeten bleven in uw spoor
en nimmer wankelden mijn schreden.
Ik roep U aan in mijn gebeden,
want Gij, o God, geeft mij gehoor.
Maak wonderbaar uw gunstbewijzen,
hoor hen die Gij voor tegenstand
doet schuilen bij uw rechterhand
en U als hun verlosser prijzen”[7].

Noten:
[1] Zie http://www.labri.org/ en http://www.labri.nl/wp/ . Geraadpleegd op vrijdag 6 november 2015.
[2] Zie voor meer informatie over Schaeffer https://nl.wikipedia.org/wiki/Francis_Schaeffer . Geraadpleegd op donderdag 5 november 2015.
[3] De gegevens van dit boek zijn: Francis A. Schaeffer, “De God die leeft: Bijbels christendom in de twintigste eeuw”. – Amsterdam: Buyten & Schipperheyn, 1970. – 199 p.
[4] “De God, die leeft” – boekbespreking. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 20 november 1970, p. 5. Ook te vinden op www.delpher.nl .
[5] Dominee Arnold leefde van 1916 tot 2008.
[6] Mattheüs 26:41.
[7] Psalm 17:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

3 september 2014

Het beleidsplan van Efeziërs 3

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Heeft u een beleidsplan in de kerk? Niet lang geleden kwam die vraag tijdens een vergadering voorbij[1].
De vragen die daar aan vastzitten liggen voor de hand.
Heeft de kerk ook een visie? Die vraag gaat over het toekomstbeeld dat de kerk van zichzelf heeft. Bij het antwoord op die vraag formuleren we wat onze wensen zijn. Wij geven een beschrijving van het plaatje dat we in ons hoofd van de kerk getekend hebben.
Heeft de kerk ook een missie? Die vraag gaat over de strategie die nodig is om bepaalde doelen te verwezenlijken. En over ons gedrag.

Heeft u een beleidsplan in de kerk?
Als het om het antwoord op die vraag gaat haal ik graag woorden uit Efeziërs 3 naar voren.
Ik bedoel deze: “…opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods”[2].

Het moet, denk ik, eerst en vooral duidelijk zijn met Wie de bovenstaande woorden beginnen.
Alles start bij Vader.
Paulus is namelijk in gebed naar Vader toe gegaan. “Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader”, staat er[3].
Om welke reden, eigenlijk? De hemelse God is heel genadig voor Paulus geweest. Hij heeft hem de prachtige opdracht gegeven om het Evangelie te gaan verkondigen. Gods heerlijke wijsheid, en de uitvoering van het reddingsplan door Jezus Christus, hebben de positie van de apostel in de wereld veranderd. Sterker nog: alle ware gelovigen staan nu heel anders in de wereld. Niet dat de praktijk zo makkelijk is – voor Paulus in ieder geval niet. Maar de mensen in Efeze moeten bedenken dat Paulus’ moeilijke praktijk een goed teken is. Het is immers al voorspeld dat de verkondiging van Gods blijde Boodschap tegenstand zal ondervinden? Voor de mensen in Efeze moet het duidelijk zijn dat ze aan de goede kant staan. Dat geloof moet in Efeze geleidelijk sterker worden[4].
Dat is de reden dat Paulus in gebed gaat.
Hij gaat naar zijn Vader. Want Paulus weet dat geloof een gave van God is. Hij heeft het net genoteerd: “Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God”[5].

Het vorenstaande houdt op z’n minst in dat wij, Efeziërs 3 lezende, niet ons uitgangspunt moeten nemen bij mensen en hun visies. Het startpunt ligt bij God die geschenken geeft.
Die cadeaus pakken wij uit. We gaan ze dankbaar gebruiken. Het leven wordt er mooier van. En in zekere zin een beetje makkelijker. Er is immers toekomstperspectief?

Paulus spreekt in zijn gebed over de Heilige Geest. Wij lezen namelijk: “Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in uw harten woning make”[6].
De Heilige Geest maakt een sterke persoonlijkheid van mensen. De moedeloosheid wordt bestreden.
Natuurlijk hebben kinderen van God ook wel eens een dip. Maar als zij weten dat Gods Geest in hun leven is, zien zij hun hoop nimmer helemaal vervliegen.
Het werk van de Geest is niet alleen te zien in individuele levens, maar ook zichtbaar in de kerkelijke gemeente. Wat dit betreft wijs ik ook op Handelingen 9: “De gemeente dan door geheel Judea, Galilea en Samaria had vrede; zij werd opgebouwd en wandelde in de vreze des Heren, en zij nam in aantal toe door de bijstand van de heilige Geest[7] .
Het werk van de Heilige Geest is blijkbaar in de kerk aan te wijzen.
Ik vraag: als dat Geestelijke werk niet te zien is, kan het dan zó zijn dat de Geest zich terugtrekt? En ik vraag: als dat Geestelijke werk volgens ons niet te zien is, kan het dan zó zijn dat wij de Geest in de verkeerde dingen zoeken?

Paulus spreekt in zijn gebed over de inwendige mens.
Waar heeft hij het eigenlijk over?
Misschien moeten wij hier denken aan de wedergeboorte. Zoals in Romeinen 7: “…naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods”[8].
Wellicht denkt Paulus aan de vele aanvallen van buitenaf die gelovigen te verduren hebben.
Het is, hoe dan ook, duidelijk dat het gaat over zaken die niet met ons uiterlijk te maken hebben. De Heilige Geest werkt in ons hart. Hij is druk aan het werk in onze ziel. Dat zien wij niet. Maar zo is het wel.
Op een bepaald moment gaan wij dat ook zien.
Bijvoorbeeld omdat wij eenvoudigweg Jezus Christus willen volgen. Bijvoorbeeld omdat wij, al was het maar door een enkel woord, laten blijken te geloven in Gods beloften van vergeving en eeuwig leven. Bijvoorbeeld doordat wij ons in moeilijke omstandigheden vanuit Gods Woord laten troosten.

Als het gaat over de wedergeboorte, spreken we over een “verborgen en onuitsprekelijke werking”[9]. Zo staat dat in de Dordtse Leerregels. Volgens mij betekent dat onder meer dat er niet al te veel aan valt uit te leggen.

Paulus spreekt in Efeziërs 3 de hartelijke wens uit dat “Christus door het geloof in uw harten woning make”.
Met nauw verholen vreugde wijs ik u op het meervoud.
Het gaat niet maar over mijn hart. Of over mijn ziel.
Het is geen zaak van een simpel enkelvoud. Ik hoef het allemaal niet zelf te doen.
De Here God verzamelt zich een volk.

Vraag: wat gebeurt er als Christus in onze harten woont?
Antwoord: geworteld en gegrond in de liefde zult gij dan de liefde van Christus kennen.
Het komt mij voor dat we nuchter moeten blijven. Bovendien moeten wij, denk ik, even rustig lezen.
Die liefde is geen plant waar we tegen moeten praten. Die liefde is geen bloem die we blijmoedig dienen te bewonderen. Wij vragen niet: heb je die liefdesknop gezien? Wij roepen niet: wat is de kleur van de liefde van mijn buurvrouw in de kerk toch prachtig.
In Efeziërs 3 lees ik wat anders.
Ons leven is, om zo te zeggen, geplant in de vruchtbare tuinaarde van Christus’ liefde. Wij worden, als u mij permitteert, niet gevoed met Pokon. En ook niet met Chrysal. Wij ontvangen ons voedsel van Hem. Want wij worden “geworteld en gegrond in de liefde”.

Het beleidsplan van Efeziërs 3 vind ik, als het erop aan komt, verrassend duidelijk.

Heeft u een beleidsplan in de kerk? Dat vroeg iemand laatst tijdens een vergadering.
Nee. Dat hebben we in onze kerk niet.
Iemand in de vergadering antwoordde iets als: ons beleidsplan staat in Genesis 1 tot en met Openbaring 22.
Wij hoeven er niet omheen te draaien dat het soms goed kan zijn om eens op te schrijven hoe wij de zaken aan willen pakken.
Maar laten wij, als het hier om gaat, voorzichtig zijn.
Immers – als het gaat over visies, missies, gemeenteopbouw enzovoort moet er, zo lijkt het, tegenwoordig veel worden gepraat. De conversatie cirkelt zomaar rond onze eigen belevenissen. Soms komt het geloof even langs. En wij moeten vooral lief voor elkaar zijn. Heel lief.
Jaja.
Laten we vooral niet vergeten dat het in de kerk over de liefde van Christus gaat. En over het werk van Zijn Heilige Geest.
Als we ons dat bij tijd en wijle realiseren, kunnen we weer nuchter aan de arbeid. In en buiten de kerk.
Als we ons dat realiseren, blijft het lekker rustig in de kerk.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een artikel dat ik in maart 2010 schreef.
[2] Efeziërs 3:16-19.
[3] Efeziërs 3:14.
[4] Zie Efeziërs 3:8-13.
[5] Efeziërs 2:8.
[6] Efeziërs 3:14-17a.
[7] Handelingen 9:31.
[8] Romeinen 7:22.
[9] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 12.

21 mei 2012

Veranderende visie?

Het schijnt dat u en ik vandaag een voortdurend veranderende visie op de kerk moeten hebben.

Op Hemelvaartsdag – donderdag 17 mei jongstleden – bracht de Evangelische Omroep op Nederland 2 het televisieprogramma Nederland Zingt op Hemelvaartsdag. De presentator, dominee A. van der Veer, stelde als centrale vraag: wat is uw visie op de kerk?

Het Diaconaal Steunpunt van de Gereformeerd-vrijgemaakte kerken start “met een frisse, nieuwe cursus voor diakenen: ‘de barmhartige kerk’”. Eén van de doelen van de cursus is: “Je eigent je een inspirerende visie toe op een diaconale, Barmhartige Gemeente”[1]. Daar is dat woord ‘visie’ weer. En die visie is inspirerénd, ook nog. Toe maar…!

Laat ik het maar eerlijk zeggen: dat woord ‘visie’ klinkt mij te aards.
Dat woord houdt in dat u en ik een mening over de kerk moeten hebben. Het wordt tijd dat wij bepaalde inzichten over de kerk verwerven. Het woord impliceert dat wij de kerk op onderscheiden punten kunnen en mogen beoordelen. Als het een beetje meezit kunnen wij vanuit een verschillende optiek naar de kerk kijken. We kunnen er, na uitgebreide studie, een andere kijk op krijgen. ‘Visie’ betekent ook: ‘de psychische interpretatie van iets wat is waargenomen’; onze geestelijke gezondheid heeft derhalve alles te maken met onze kijk op de kerk[2].
Volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis is hét overheersende kenmerk van de kerk “dat men zich richt naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd”[3].
Jezus Christus is dus het Hoofd van de Kerk. Daarmee wil in ieder geval gezegd zijn dat onze, zich immer ontwikkelende, visie op de kerk niet het allerbelangrijkste is. Lijkt mij althans.

Wat is hier het probleem[4]?
In de Heidelbergse Catechismus leren we dat de Here Jezus Christus Zich een kerk vergádert[5]. Daar is Hij dus nu mee bezig.
K. Schilder heeft eens geschreven: “Het is dus de weg tot voltooiing der wereld, men is alleen dán Zijn medearbeider, en dus ook alleen dan sociaal, als men den concreten kerk-vergaderingsarbeid, zover het geloof zien kan, in gehoorzaamheid aan Zijn gebod volbrengt”[6]. In de vorenstaande zin staan twee woorden centraal: ‘kerk-vergaderingsarbeid’ en ‘gehoorzaamheid’. Die gehoorzaamheid heeft Schilder niet zelf bedacht. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat het in artikel 28 over Gods bevel[7]. En een dienstorder moet je opvolgen.

Er zijn veel mensen die zeggen dat we in onze tijd een beetje bescheiden moeten zijn over de kerk. Christus trekt, zo leerden wij vroeger, een spoor in de kerkgeschiedenis. Maar voor ons is dat spoor op dit moment amper meer te zien. Gereformeerden zitten her en der, ze leven overal en nergens.

In verband met de relevantie van artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis schreef de Gereformeerd-vrijgemaakte dr. A.N. Hendriks eens: het komt aan “op gehoorzame trouw aan wat zijn kerk [= de kerk van Jezus Christus, BdR] kenmerkt: het onderhouden van de zuivere prediking, de zuivere bediening van de sacramenten en de rechte handhaving van de kerkelijke tucht”[8].
Op zichzelf ben ik dat met de dominee eens.
Maar de vraag is natuurlijk waarin we die trouw dan zien. In prediking waarin de eigen geloofsbeleving geregeld meer aandacht krijgt dan Gods Woord? In een Avondmaalsbediening waaraan bijvoorbeeld ook leden van de Protestantse Kerk deelnemen? In het zwijgen rond situaties waarin kerkleden samenwonen?
Laat ik eerlijk zijn: in de GKv – en overigens ook in heel wat andere kerken – zie ik, als het over deze dingen gaat, een tendens van ontrouw. Een tendéns: in de gegeven omstandigheden kan men niet meer over incidenten spreken. Óntrouw: mensen en hun gevoelens krijgen, voor zover ik dat zien kan, maar al te vaak voorrang op het oordeel dat God in Zijn Woord geeft.

We moeten bescheiden zijn als we over de kerk spreken, zo wordt gezegd.
Daar ben ik het mee eens.
Waarom? Omdat mensen zondig zijn.
Die zonde is er ten diepste de oorzaak van dat er soms ook dwaalleer in de kerk voorkomt. In Openbaring 2 lezen we zelfs dat in de gemeente van Pergamum een troon van de Satan stond[9]. Uit datzelfde Schriftgedeelte kunnen we afleiden dat er in Thyatíra van alles mis was met de tuchtoefening[10].
Nee – de kerken in Pergamum en Thyatíra worden, bij mijn weten, in Gods Woord niet ‘vals’ genoemd.
Maar daar is niet alles mee gezegd.

Want de Here zegt tegen de kerk van Pergamum óók: “Bekeer u dan; maar zo niet, dan kom Ik spoedig tot u en Ik zal strijd tegen hen voeren met het zwaard mijns monds. Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt”[11].
En tegen Thyatíra zegt Hij óók: “Doch Ik zeg tot u allen, die voorts te Thyatíra zijt, en deze leer niet hebt en die niet, gelijk zij zeggen, de diepten des satans hebt leren kennen: Ik leg u geen andere last op. Maar wat gij hebt, houdt dat vast, totdat Ik gekomen ben”[12].
Dus: volgelingen van Christus mogen niet in de zonde blijven hangen; zij moeten zich bekéren.
En: volgelingen van Christus mogen misstanden niet in hun midden laten staan; ze moeten het ware Evangelie helemaal blijven verkondigen.

Nu keer ik weer terug naar het startpunt: wij moeten een flexibele visie op de kerk hebben.
Welnu, als ik Gods Woord lees, zeg ik: wij hóeven die visie niet steeds te veranderen. Dat zou namelijk betekenen dat we heel vaak naar onszelf moeten kijken. En dat is nergens voor nodig.
De Here zegt: kijk naar Mij! De Here zegt tegen ons: keer u om naar naar Mij; ga met uw gezicht naar Mij toestaan.
De Here zegt: verkondig het Woord; en leef er naar – overal en altijd. En als er dan een zonde in uw midden is, dóe er dan wat aan!
Nee, dan is die bescheidenheid van hierboven niet eensklaps verdwenen. Maar dan wandelen wij wél met God – in alle omstandigheden van het leven.

Jezus Christus trekt een spoor door de kerkgeschiedenis.
Het was K. Schilder die daarover schreef: “Men moet integendeel met vreze en beven vragen: waarheen trekt de levende Christus? Waarheen gaat Hij? Waarheen gaat Hij vóór? Voorop? Waarheen mòet men zijn eigen menselijken, levenden, actuelen gang achter Hem aan gaan?” [13].
Dat spoor is, zo klagen wij anno Domini 2012, zo moeilijk te zíen. En dat is waar. Maar ik heb nog nergens gelezen dat wij – vanwege alle wereldse problemen, de overweldigende complicaties en ons ingewikkelde geestelijke bochtenwerk – dat spoor dan maar links moeten laten liggen.
Wij zijn gehouden die lijn te zoeken en ‘m dan ook te volgen.

Het spoor van Christus door de kerkgeschiedenis: dat is er nog altijd.
Alleen maar: dat wordt door weinigen gevolgd.
De kerk lijkt net een met water gevulde ballon die uit elkaar spat: de spetters vliegen overal. Laten we er maar niet omheen draaien: dat is de schuld van ménsen.

Gereformeerde mensen hebben geen evoluerende visie op de kerk.
Hun eenduidige visie op het Goddelijke vergader-werk is:
* Jezus Christus gaat door de wereld
* vanwege Zijn presentie mogen wij de kenmerken van de kerk nooit scheiden van Zijn aanwezigheid.
* de kerk is overal ter wereld
* de situatie waarin de kerk zich bevindt, verschilt per plaats: in Nederland is die anders dan in Noord-Korea, en in Australië zijn de omstandigheden dan in Amerika.
* maar altijd en overal geldt: de Here Jezus zet alle ware gelovigen bij elkaar!
In de woorden van K. Schilder klinkt dat, tenslotte, als volgt: “Maar HIJ gaat over de wereld; onzichtbaar, doch steeds actueel, waaràchtig. Men mag dáárom de ‘notae’, de kenmerken, van de kerk, nimmer scheiden van ZIJN actuelen, dagelijks zich voltrekkenden, nooit op één plekje van de wereld gelijke toestanden vindenden, maar in alle ongelijke toestanden één wet stellenden, en die ENE wet aan ons opdragenden kerk-vergaderings-rondgang, -voortgang”[14] .

Noten:
[1] Zie http://www.diaconaalsteunpunt.nl/informatie/de-barmhartige-kerk/11208/#.T7YVT0W0BBR .
[2] Zie http://www.woorden-boek.nl/index.php?woord=visie .
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer: Dr. A.N. Hendriks, “Naar de kerk: waar en waarom – populair-theologische bijdragen” (= Woord & Wereld; 92). – Uitgeverij Woord en Wereld, 2012. – p. 14-17 en 29-34.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 54.
[6] K. Schilder, “De Kerk”, deel II, p. 247. Ook te vinden op http://dbnl.nl/tekst/schi008kerk04_01/schi008kerk04_01_0021.php .
[7] Daarin belijden we over de kerk: “Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen, in strijd met Gods bevel”.
[8] Hendriks, a.w., p. 34.
[9] Openbaring 2:12-15: “En schrijf aan de engel der gemeente te Pergamum: Dit zegt Hij, die het tweesnijdende scherpe zwaard heeft: Ik weet, waar gij woont, dáár waar de troon des satans is; en gij houdt vast aan mijn naam en hebt het geloof in Mij niet verloochend, ook niet in de dagen van Antipas, mijn getuige, mijn getrouwe, die gedood werd bij u, waar de satan woont. Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat gij daar sommigen hebt, die vasthouden aan de leer van Bileam, die Balak leerde de kinderen Israëls een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en hoereren. Zo hebt ook gij sommigen, die op gelijke wijze aan de leer der Nikolaïeten vasthouden”.
[10] Openbaring 2:20: “Maar Ik heb tegen u, dat gij de vrouw Izebel laat begaan, die zegt, dat zij een profetes is, en zij leert en verleidt mijn knechten om te hoereren en afgodenoffers te eten”.
[11] Openbaring 2:16 en 17.
[12] Openbaring 2:24 en 25.
[13] K. Schilder, “De Kerk”, deel I, p. 206. Ook te vinden op http://dbnl.nl/tekst/schi008kerk03_01/schi008kerk03_01_0040.php .
[14] K. Schilder, “De Kerk”, deel I, p. 206.

Blog op WordPress.com.