gereformeerd leven in nederland

23 mei 2022

De ijdelheid overwonnen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Terwijl wij door het leven wandelen, mogen wij weten: de God van alle genade neemt ons mee naar de voleinding van de wereld. Laat ons werk in de kerk intussen maar zo zijn, dat de adventsgemeente – de vergadering van Gods kinderen die Jezus Christus op aarde terug verwacht – steeds beter in beeld komt.
In dat kader besteden we in dit artikel aan de laatste woorden van de Prediker: “De slotsom van al wat door u gehoord is, is dit: Vrees God, en houd u aan Zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen. God zal namelijk elke daad in het gericht brengen, met alles wat verborgen is, hetzij goed, hetzij kwaad”[1].

Sommigen zeggen: het leven is volstrekt vruchteloos. Zij worden pessimist of nihilist. Er is niets dat werkelijk zin heeft. Anderen zeggen: we leven hier en nu, wij gaan ervan genieten.  
Prediker stuurt ons echter een andere kant op. Hij is een onderwijzer die wijsheid doorgeeft. Het kerkvolk krijgt, om zo te zeggen, les van hem: ‘zó moet u tegen het leven aankijken’. Zijn onderwijs vat hij samen in aansprekende spreuken. De lessen van Prediker prikkelen. Als vanzelf gaan we hoe en waar zijn onderwijs in de huidige wereld van toepassing zijn.
De lessen van Prediker gaan, als wij ze goed bestuderen, deel uitmaken van ons leven in kerk en maatschappij. We dragen ze mee. En wij benutten ze waar dat kan. Ja, dat is het allerbeste wat wij kunnen doen. Want die levenslessen zijn afkomstig van de goede Herder. In Prediker 12 staat het onomwonden: “De woorden (…) zijn gegeven door één Herder”.
Studeren is mooi. Dat kan ook vermoeiend zijn. Ja, dat ook. Maar als het onderwijs van de goede Herder komt, is het lespakket wel van hemelse kwaliteit![2]

Waar zien wij dat aan? Antwoord: wij worden metterdaad op de hemel gewezen. En op het einde van de dingen, bovendien. De Christelijke Gereformeerde predikant J. Jonkman omschreef het eens zo: “Gelovigen weten van de zonde en het oordeel van God over de zonde. Ze weten ook, dat het gericht verlossing zal brengen. God zal recht verschaffen. In het eindgericht wordt de ijdelheid van alle dingen voor de gelovigen voor eeuwig en altijd weggedaan. Het gericht betekent voor de gelovigen het definitieve einde van alle ijdelheid. Zo gezien eindigt Prediker geweldig positief”[3].

Zeker, in dit leven zijn heel veel dingen zinloos.
Wat komen wij boven deze situatie uit? Antwoord: door ons geloof in God.
Om met de apostel Paulus in 1 Corinthiërs 1 te spreken: “Want het woord van het kruis is voor hen die verloren gaan wel dwaasheid, maar voor ons die behouden worden, is het een kracht van God. Want er staat geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen verloren doen gaan en het verstand van de verstandigen zal Ik tenietdoen. Waar is de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze wereld? Heeft God niet de wijsheid van deze wereld dwaas gemaakt? Want omdat, in de wijsheid van God, de wereld door haar wijsheid God niet heeft leren kennen, heeft het God behaagd door de dwaasheid van de prediking zalig te maken hen die geloven”.
Zonder geloof gaat het leven inderdaad als een nachtkaars uit.
Dan leef je zonder God.
Dan is er geen hoop meer.
Dan wandelen de mensen, in de woorden van Efeziërs 4, als de heidenen “in de zinloosheid van hun denken, verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven dat uit God is, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding van hun hart”[4].

De opstanding van de Heiland geeft zin aan onze arbeid. Zo staat dat in 1 Corinthiërs 15. U weet wel: “Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus. Daarom, mijn geliefde broeders, wees standvastig, onwankelbaar, altijd overvloedig in het werk van de Heere, in de wetenschap dat uw inspanning niet tevergeefs is in de Heere”.
De hierboven al geciteerde dominee Jonkman schrijft: “In Christus hebben we eeuwig leven. In Christus zijn onze werken blijvend. In deze spanning op aarde kunnen we gerust en vertrouwend leven en al onze arbeid verrichten. In deze spanning vervallen we niet tot pessimisme en somberheid, tot nihilisme en oppervlakkigheid, maar Christus zet deze spanning om in een overvloedig bezig zijn in Zijn werk, altijd en overal. En dan hebben we aan de ijdelheid ten diepste geen boodschap meer.
Christus en de gemeenschap met Hem: overwinning van de ijdelheid!”.

Prediker 12 leert de mensen: vrees God en onderhoud Zijn geboden. Als het goed is zijn we daarmee voortdurend bezig terwijl we samen met God door de wereld wandelen, op weg naar het einde van de tijd. Onderweg mogen we, ten aanhoren van ieder die het horen wil, getuigen van de hoop die we hebben.
Over dat getuigen schrijft dominee G.W.S. Mulder, predikant van de Gereformeerde Gemeente te Ridderkerk, in een recent nummer van De Banier, het partijblad van de Staatkundig Gereformeerde partij. Als volgt.
“Wat is eigenlijk een getuigenis? Het is niet een persoonlijk gevoel of een eigen mening. Een getuigenis is een bevestiging van de waarheid. Denk bijvoorbeeld aan iemand die getuige is van een incident op straat. Deze persoon kan de werkelijke toedracht bevestigen. Een getuigenis is dus ook niet iets waarmee je je buiten de orde plaatst. Integendeel!
Het is eigenlijk een opmerkelijke gedachte: dat een getuigenis er niet zo toe doet. Het maakt duidelijk dat in onze samenleving het waarheidsbegrip problematisch is geworden. Het huidige genderdebat laat zien hoe deze crisis de mensen ontwricht tot in hun persoonlijke identiteit. Wie in onze tijd de waarheid wil bevestigen, zal met beleid te werk moeten gaan en standvastig moeten zijn.
Bevestigen van de waarheid is meer nodig dan ooit. Laten SGP’ers zeggen hoe het is. Leven in het licht van de Bijbel geeft de helderste en meest realistische kijk op de werkelijkheid. God is onze Schepper en de Onderhouder van ons leven. Wij geven Hem niet de erkentenis die hem toekomt en overtreden Zijn geboden. Maar in Zijn goedheid draagt en verdraagt Hij ons en onze werkelijkheid. Elke dag bevestigt Hij dit. Daarom schamen wij ons niet voor het Bijbelse getuigenis: ‘Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen’ (Prediker 12:13)”.
Daar zeggen we graag ‘Amen’ op![5][6]

Noten:
[1] Prediker 12:13,14.
[2] In deze alinea gebruikte ik Prediker 12:8-12.
[3] Dit citaat komt uit: J. Jonkman, “IJdelheid II”. In: De Wekker, jg. 100 nr 41, vrijdag 19 juli 1991, p. 341,342. Ook verderop in dit artikel maak ik gebruik van deze publicatie.
[4] In deze alinea citeer ik 1 Corinthiërs 1:18-21 en Efeziërs 4:17,18.
[5] In deze alinea citeer ik: ds. G.W.S. Mulder, “Getuige”. In: De Banier, mei 2022, p. 3.
[6] Dit artikel werd geschreven als voorbereiding op een vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Op woensdagavond 25 mei 2022 zal een vergadering worden gehouden waar Prediker 11 en 12 zullen worden bestudeerd.

18 mei 2022

Adventsgemeente in beeld

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“Werp uw brood uit over het water, want na vele dagen zult u het vinden. Verdeel het in zevenen of zelfs in achten, want u weet niet welk kwaad er over de aarde komen zal”.
Die woorden staan in Prediker 11.

Raadselachtige woorden zijn het. Wat betekenen ze?
De Engelse baptistenpredikant Charles Spurgeon (1834-1892) zei eens in een preek: “Enige van de mooiste dingen die in de hemel worden opgetekend, zijn de dingen die in ons hart aanwezig zijn, maar die wij, door gebrek aan kracht, niet ter hand kunnen nemen. Het is iets groots altijd een werk voor ogen te hebben dat je noodzaakt op je tenen te gaan staan om het te bereiken, totdat je het ten slotte verkrijgt, en je dan uitstrekt naar iets dat nog buiten je bereik ligt. Ik denk graag aan David, die neerzat voor de Heere en nadacht over het cederen huis, dat hem niet werd toegestaan te bouwen. De sterke jongeman zal veel plannen hebben die hem door het hoofd gaan, en hij zal zo lang hij nog jong is niet in staat zijn die te verwezenlijken, maar zij zullen hem zo dikwijls voor ogen zweven dat hij ten slotte moed zal grijpen. Schaam je niet, mijn beste jonge vriend. Doe alles wat je kunt, maar wijd al wat je hebt aan God”.
Kortom – ga de wereld maar ontdekken.
Laten wij met een gerust hart werken aan verwezenlijking van onze dromen.
Maar laten wij vooral ons leven aan God wijden[1].

“Werp uw brood uit over het water, want na vele dagen zult u het vinden”. Dat advies laat aan duidelijkheid weinig te wensen over.
Soms lijkt het net alsof ons werk nogal nutteloos is. Niets is echter minder waar. Als wij in ons leven wandelen met God mogen we zeggen dat onze activiteiten in Gods raadsplan passen. Hij zorgt ervoor dat wij de mogelijkheden krijgen om Hem te dienen. En Hij geeft ons vervolgens ook de verantwoordelijkheid om de geboden mogelijkheden te benutten.
Het woord van de Prediker past wonderwel op het werk van de oudtestamentische profeten. Neem bijvoorbeeld Jesaja. In hoofdstuk 53 heeft hij gezegd: “Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van de HEERE geopenbaard?”. Jesaja gaf woorden van zijn Opdrachtgever door. Hij wist niet hoe de toekomst eruit zou zien. Maar hij wist wel: ‘Ik spreek de waarheid. Want God zegt het Zelf!’.
Ook vandaag mogen we zeggen: we krijgen van God de energie om de dingen te doen die in Zijn plan passen. De Heilige Geest geeft ons de gelegenheid om in Gods dienst te staan. Kijk niet in eerste instantie naar de wereld om u heen en alle moeilijkheden die zich daar zoal voordoen. Richt u zoveel mogelijk op de Here![2]

Dit alles zo zijnde is het niet zo dat wij altijd vrede hebben met onszelf. De omstandigheden in ons leven hebben natuurlijk wel invloed op onze ‘kerkelijke productiviteit’.
Zegt u nou zelf: we willen in de kerk vaak zoveel méér doen.
Maar daarvoor ontbreekt niet zelden de tijd.
Soms is er misschien ook wat te weinig energie.
Bij dat alles komt nog dat er bij tijd en wijle ziekte is: bij onszelf, in het gezin of in de familie. De zorg die daarom heen zit kost ook tijd, en niet zo’n klein beetje ook.
Laten we dergelijke dingen maar zo snel mogelijk loslaten. De Here zegt: de dingen die u moet doen, gebeuren op Mijn tijd. Hij leidt ons op de weg die Hij creëerde. En als het goed is wandelen wij met Hem door het leven, in het tempo dat Hij aangeeft. 

Terwijl wij door het leven wandelen, mogen wij weten: de God van alle genade neemt ons mee naar de voleinding van de wereld. In hoofdstuk 3 heeft de Prediker gezegd: “Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden”. God geeft ons Geestelijk inzicht, opdat wij altijd attent kunnen wezen op Zijn terugkomst.
Ds. M.J.C. Blok schreef in verband met Prediker 11 eens: “De verbinding van alpha en omega (…), ligt in dit heden, waar een adventsgemeente met haar kinderen haar ambt bedient in vreugde”.
Laat ons werk in de kerk maar zo zijn, dat die adventsgemeente – de vergadering van Gods kinderen die alles van Hem verwacht – steeds beter in beeld komt![3][4]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik Prediker 11:1,2. Verder citeer ik uit: C.H. Spurgeon, “12 preken voor jongeren” (uit 1868). Geciteerd via: Reformatorisch Dagblad, 22 juli 2021, p. 3.
[2] In deze alinea gebruik ik: ds. A. van Voorden, “Morgenstond” – in: Criterium (educatief blad voor school en gezin) jg. 50, nr 1 (maart 2021), p. 3. Uit Gods Woord citeer ik Jesaja 53:1.
[3] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Prediker 3:11. Verder citeer ik uit: Ds. M.J.C. Blok, “Het boek Prediker: de kerk onder het kruis”. – Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen in Nederland. – tweede druk, 1980. – p. 60.
[4] Dit artikel werd geschreven als voorbereiding op een vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Op woensdagavond 25 mei 2022 zal een vergadering worden gehouden waar Prediker 11 en 12 zullen worden bestudeerd.

6 april 2021

Na Pasen: kerkmensen blijven onvolmaakt

“’k Lag machteloos gebonden,
Gij komt en maakt mij vrij;
ik was bevlekt met zonden,
Gij komt en reinigt mij.
Het leven was mij sterven,
tot Gij mij op deedt staan;
Gij doet mij schatten erven,
die nimmermeer vergaan”.
Deze woorden – afkomstig uit een gezang dat opgenomen is in het Gereformeerd Kerkboek – passen naadloos op deze dag na Pasen[1].
“Het leven was mij sterven
tot Gij mij op deedt staan”.
Daarachter zit onder meer een boodschap uit 1 Corinthiërs 15: “Maar nu, Christus ís opgewekt uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn. Want omdat de dood er is door een mens, is ook de opstanding van de doden er door een Mens. Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Ieder echter in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna wie van Christus zijn, bij Zijn komst”[2]. De eerste opstanding heeft plaatsgevonden. Er komen nog meer opstandingen aan. Al Gods kinderen gaan een nieuw leven tegemoet.
Dat is de status van Gods kinderen vandaag!

In Jacobus 1 vinden we dat gegeven ook terug: “Dwaal niet, mijn geliefde broeders! Elke goede gave en elk volmaakt geschenk is van boven en daalt neer van de Vader der lichten, bij Wie er geen verandering is, of schaduw van omkeer. Overeenkomstig Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij in zeker opzicht eerstelingen van Zijn schepselen zouden zijn”[3]. Lees het maar zo: de kerk is het begin van de grote oogst. Oftewel: de kerk is het begin van de nieuwe schepping[4].
Gelovigen zijn daar dankbaar voor. Diep dankbaar. Daarom gaan zij op zondagen en op christelijke feestdagen naar de kerk.

Het is nuttig om dat goed tot ons door te laten dringen.
De kerk staat er in deze tijd niet zo goed op. In deze tijd waart het COVID 19-virus rond. De samenleving is in lock-down. Kerkdiensten gaan echter vaak door. Dat wekt nieuwsgierigheid van journalisten. Die nieuwsgierigheid wekt soms de woede van kerkgangers. Het Reformatorisch Dagblad berichtte op maandag 29 maart: “Bij de kerken in Urk en Krimpen aan den IJssel die zondagochtend ondanks de coronacrisis de deuren weer openden voor alle leden zijn verslaggevers aangevallen. In Krimpen aan den IJssel sloeg en schopte een kerkganger bij het kerkgebouw van de oud gereformeerde gemeente in Nederland een verslaggever van RTV Rijnmond”. En: “In Urk belaagden twee jongeren een verslaggever en cameraman van PowNed. De verslaggever werd geschopt en geslagen. Ook werd de verslaggever aangereden. De politie noemt die aanrijding het meest opvallende incident. De gegevens van de betrokkenen daarbij zijn bekend, aldus een politiewoordvoerder. ‘We onderzoeken wat er is gebeurd en hoe dat is gegaan, en nemen daarna eventuele vervolgstappen’”[5].
Er stond niet bij hoe het journaille zich gedragen heeft.
Hoe opdringerig was de pers eigenlijk?
Afgezien van het antwoord op die vraag kan opgemerkt worden dat kerkvolk dat zich zo gedraagt niet bepaald een dankbare indruk maakt.

De pers haast zich om het beeld van toornige kerkgangers uit te vergroten. Kijk, dat zijn nou kerkmensen. Kijk, zo gaat dat nou met die vrome lieden!
Overigens is dat geen nieuws.
De journaliste Jolyn van der Garde schrijft op zondag 28 maart 2021 in een serie tweets onder meer:
“Randstadjournalisten walgen van gereformeerde opvattingen over vrouwen, vaccinaties en homo’s en bejegenen deze mensen daarom met een nauwelijks verholen afkeer. Die houding werkt door in de vooringenomenheid van berichtgeving”.
En:
“Vervolgens verschijnen ongefundeerde en tendentieuze stukjes in de krant of op TV. Mishandeling, misbruik, incest, sociale achterstand, een onflatteuze vergelijking met tolerante moslims; het kan allemaal want niemand vergt dat je neutraal verslag doet van deze groep”.
En:
“Journalisten komen naar zo’n dorp terwijl ze het artikel eigenlijk al geschreven hebben. Ze komen om stereotypen te bevestigen – niet om open onderzoek te doen. Een daadwerkelijk voorval ter onderbouwing is vaak optioneel. En gereformeerden protesteren niet, dus dat komt goed uit”.
En:
“Ziet nou helemaal niemand dat hier een snelkookpan aan spanningen ontstaat met gereformeerden in een machteloze positie ten opzichte van oneerlijke verslaggeving en de samenleving als geheel? Week in, week uit?”
En:
“Het is heel erg dat een journalist nu maken heeft gekregen met fysiek geweld. Dat is 100% onacceptabel, je moet altijd met je tengels van anderen afblijven. Maar konden we echt onmogelijk zien aankomen dat iemand uit die gemeenschap op enig moment zou knappen?”[6]

Achter het beeld dat thans ontstaan is ligt een levensgroot misverstand. Namelijk dit: kerkmensen gaan anders leven, en gedragen zich bijna altijd voorbeeldig. Laat duidelijk zijn dat het eerste waar is, maar het laatste niet.
Niet voor niets staat in de Heidelbergse Catechismus: “…zelfs de allerheiligsten hebben in dit leven niet meer dan een klein begin van deze gehoorzaamheid , maar wel zo, dat zij met een ernstig voornemen niet slechts naar sommige, maar naar alle geboden van God beginnen te leven”[7]. Het is nog maar een beginnetje. Het is allemaal verre van perfect. De volmaaktheid wordt niet eens benáderd.                 
Trouwens, Jacobus schrijft in hoofdstuk 1 ook nog: “Zo dan, mijn geliefde broeders, ieder mens moet haastig zijn om te horen, maar traag om te spreken en traag tot toorn. De toorn van een man brengt immers geen gerechtigheid voor God teweeg”[8].
Jacobus acht die vermaning dus nodig: luister nauwlettend, praat niet teveel en wordt niet te snel boos. Jacobus kent zijn pappenheimers. Kerkmensen worden nooit heilige boontjes.   

Daags na Pasen gaan wij het gewone leven weer in. Laten wij eens te meer beseffen dat er naar ons gekeken wordt. Ons dagelijkse doen en laten moet in overeenstemming zijn met datgene wat wij in de kerk belijden. Als daar iemand van doordrongen is, dan is het Jacobus wel. Want hij schrijft ook: “Leg daarom af alle vuilheid en elke uitwas van slechtheid en ontvang met zachtmoedigheid het in u geplante Woord, dat uw zielen zalig kan maken. En wees daders van het Woord en niet alleen hoorders. Anders bedriegt u uzelf”[9].
Laten gelovige kerkmensen zich ervan bewust zijn dat er in hun omgeving talloze mensen zijn die de christelijke levensstijl-van-alledag met grote belangstelling beschouwen!

Tenslotte nog dit.
Laten wij niet de illusie hebben dat wij hier op aarde uiteindelijk volmaakte kerkmensen zullen worden. Dat is namelijk niet het geval. Dat wij tegenspoed en tegenstand zullen overwinnen is ten langen leste alleen maar te danken aan onze Heiland. Hij triomfeerde over de dood. De woorden van 1 Corinthiërs 15 mogen, ook nu Pasen 2021 voorbij is, echoën in ons hoofd: “Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning? De prikkel nu van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet. Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus. Daarom, mijn geliefde broeders, wees standvastig, onwankelbaar, altijd overvloedig in het werk van de Heere, in de wetenschap dat uw inspanning niet tevergeefs is in de Heere”[10].

Noten:
[1] Dit is Gezang 10:2 uit het Gereformeerd Kerkboek-1986.
[2] 1 Corinthiërs 15:20-23.
[3] Jacobus 1:16, 17 en 18.
[4] Zie ook de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Jacobus 1:18.
[5] Geciteerd van https://www.rd.nl/artikel/920706-verslaggevers-belaagd-bij-kerkdiensten-urk-en-krimpen ; geraadpleegd op maandag 29 maart 2021.
[6] Geciteerd van https://threadreaderapp.com/thread/1376189899334942722.html ; geraadpleegd op maandag 5 april 2021.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 44, antwoord 115.
[8] Jacobus 1:19 en 20.
[9] Jacobus 1:21 en 22.
[10] 1 Corinthiërs 15:55-58.

22 september 2020

Belangrijk werk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Op de website van het Reformatorisch Dagblad staat op zaterdag 12 september een interview met Bianca Buurman. Zij is hoogleraar acute ouderenzorg aan de faculteit der geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam en lector transmurale ouderenzorg aan de Hogeschool van Amsterdam.
Citaat:
“[vraag:] U hebt geen christelijke achtergrond?
[antwoord:] Nee. Wel ging ik met een oma die een grote rol in mijn leven speelde vaak mee naar de katholieke kerk. Ik genoot van de rust. Nu kom ik er niet meer, maar de vragen over de zin van het menselijk bestaan zijn me altijd bezig blijven houden. Heb je, als je komt te overlijden, de dingen gedaan die werkelijk belangrijk zijn?”[1].

Die laatste vraag is er één die heel wat mensen bezighoudt. Ouderen, mensen van middelbare leeftijd, maar ook jongeren denken nogal eens na over de vraag: doe ik de dingen die er echt toe dóen?

Het antwoord op die vraag wordt in dit artikel belicht vanuit 1 Samuël 26.
In dat hoofdstuk krijgt David de kans om koning Saul te doden. Dat is trouwens niet voor de eerste keer.
David stuurt eerst verkenners uit. Daarna besluipt hij zelf, vergezeld door een tweetal kompanen, het kamp waar Saul en diens legeraanvoerder liggen te slapen. Het komt er op neer dat de drie mannen Saul zonder veel moeite om het leven kunnen brengen. Eén welgemikte dreun met een speer is genoeg. Maar David grijpt in. Hij voorkomt een moordaanslag. ‘Ieder die een gezalfde van de Here doodt blijft niet ongestraft!’.
Sauls speer en zijn waterkruik nemen ze als trofeeën mee. Zo kunnen ze bewijzen dat ze bij de slapende koning geweest zijn.
Eenmaal terug in zijn eigen kamp volgt er een gesprek tussen David en Saul. Op afstand weliswaar, maar toch.
En dan zegt David: “Moge de HEERE ieder zijn gerechtigheid en trouw vergelden, want de HEERE had u vandaag in mijn hand gegeven, maar ik heb mijn hand niet naar de gezalfde van de HEERE willen uitstrekken. En zie, zoals uw leven deze dag belangrijk in mijn ogen was, zo moge mijn leven belangrijk zijn in de ogen van de HEERE, en moge Hij mij uit alle nood redden”[2].
Daar valt twee keer dat woord: belangrijk.
David spreekt de wens uit dat zijn leven voor de Heer van hemel en aarde belangrijk is. David hoopt dat de Here hem daarom uit alle nood zal redden.

Waar het om gaat is het antwoord op de vraag: vindt de Here het belangrijk wat David gedaan heeft?
Daarin zit een duidelijke aanwijzing, ook voor de kerk van 2020. De vraag is niet: doe ik de dingen die werkelijk belangrijk zijn in het leven? maar: vindt de Here het belangrijk wat ik in mijn leven gedaan heb, en wellicht nog ga doen?

Mensen willen graag een beetje belangrijk zijn. Wij moeten toch iets vóórstellen in dit leven, nietwaar? Wij mogen best ambities hebben, zeggen we tegen elkaar.
En nee, daar is niets tegen. Als maar duidelijk is dat wijzelf naast de Here niet belangrijk zijn. Dat Hij ons in Zijn dienst neemt en een plaats geeft, is niets anders dan genade.
In Marcus 10 zegt Jezus tegen Zijn discipelen: “U weet dat zij die geacht worden leiders te zijn van de volken, heerschappij over hen voeren, en dat hun groten macht over hen uitoefenen. Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u belangrijk wil worden, die moet uw dienaar zijn”[3]. En in Lucas 9 zegt Hij: “Wie dit kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft. Want wie de minste onder u allen is, die zal belangrijk zijn”[4].
Wij zijn, kortom, in dienst van God en van elkaar!

Laten wij terugkeren naar 1 Samuël 26.
Saul zegt tegen David: “Gezegend ben je, mijn zoon David; wat je ook doet, je zult ertoe in staat zijn”[5]. Saul erkent impliciet dat David de door God uitverkoren koning is. David is door God belangrijk gemaakt.
Ja – belangrijk gemaakt.
In onze tijd vragen wij vaak: doen wij de dingen die echt belangrijk zijn? Als wij dat vragen, moeten wij er eerst en vooral van doordrongen zijn dat God ons werk belangrijk maakt. Hij leidt ons door de wereld naar Zijn toekomst toe. Hij geeft ons de plaats die Hij in gedachten heeft. Wij verrichten de taken die Hij ons geeft.

Wij werken dus tot Zijn eer. Dat kost soms moeite, maar we zetten door. En al die noeste arbeid komt, om zo te zeggen, uiteindelijk weer bij de Here terug. Denk maar aan die bekende woorden uit Openbaring 14: “Hier zien we de volharding van de heiligen. Hier komen openbaar die de geboden van God en het geloof in Jezus in acht nemen. En ik hoorde een stem uit de hemel tegen mij zeggen: Schrijf: Zalig zijn de doden die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten van hun inspanningen, en hun werken volgen met hen”[6].
Ons door God geheiligde werk gaat mee de hemel in.
En laten wij nu, hier op aarde, maar met een gerust hart de wens uitspreken: mijn leven moge belangrijk zijn in de ogen van de HEERE, en moge Hij mij uit alle nood redden!

Noten:
[1] Geciteerd van https://www.rd.nl/meer-rd/samenleving/bianca-buurman-is-eerst-verpleegkundige-dan-pas-hoogleraar-1.1694314 ; geraadpleegd op vrijdag 18 september 2020.
[2] 1 Samuël 26:23 en 24.
[3] Marcus 10:42 en 43.
[4] Lucas 9:48.
[5] 1 Samuël 26:25.
[6] Openbaring 14:13.

17 september 2020

Ellebogenwerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Ellebogenwerk helpt niet. Uw carrière wordt er niet beter van. Toegegeven – dat is een boude stelling. En een alerte lezer zal wellicht vragen: weet u dit wel zeker, beste blogger?
Maar u moet weten: dit is op universitair niveau uitgezocht. Het Nederlands Dagblad meldt op dinsdag 15 september: “Wie aardig, behulpzaam en genereus is voor zijn collega’s maakt net zo snel carrière als onaangename mensen met, spreekwoordelijke, losse ellebogen. Dat is althans de conclusie van een studie van de universiteit van Berkeley”.
En:
“De uitslag was verrassend eenduidig, zegt hoogleraar leiderschap en communicatie Cameron Anderson op de website van de universiteit. ‘Onaangenaamheid geeft mensen geen voordeel in de strijd om machtsposities. Het werkveld maakt daarbij niet uit. Ook binnen een competitieve cultuur zagen we geen verschil’. Mensen met egocentrische en manipulatieve karakters hadden niet méér en vaker machtsposities vergaard dan de aardige, genereuze en betrouwbare mannen en vrouwen uit de controlegroep.
Dat wil dus niet zeggen dat horken geen managers of directeuren worden, maar dat hun gedrag niet voor een voorsprong zorgt op anderen. Volgens de onderzoekers kan hun intimiderende gedrag zorgen voor een ‘powerboost’, maar wordt dat vanzelf weer teniet gedaan door hun slechte relaties met collega’s”[1].

Het bovenstaande betreft degelijk wetenschappelijk onderzoek. Er ligt veertien jaar noeste arbeid aan ten grondslag.
Edoch, Gereformeerden kijken niet alleen om zich heen. En zij lezen niet alleen de rapportage van diepgaande research. Zij lezen ook in het Woord van God. En zij richten hun oog op de Here, hun God.
Wat lezen zij in de Bijbel?
Welnu – geïnspireerd door de Heilige Geest schrijft Jacobus in hoofdstuk 3: “Want waar afgunst en eigenbelang is, daar heersen wanorde en allerlei kwade praktijken. Maar de wijsheid die van boven is, is ten eerste rein, vervolgens vreedzaam, welwillend, voor rede vatbaar, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd”[2].  
Daar staat nogal wat! Onkreukbaar, vredelievend, verstandig, barmhartig…

In zijn brief doet Jacobus zijn best om misstanden in de christelijke gemeenschap te corrigeren. Blijkbaar is er een tendens om geloof en praktijk te scheiden. En laten wij eerlijk zijn: is dat eigenlijk niet van alle tijden? Altijd weer dreigt het gevaar dat we netjes leven, keurig naar de kerk gaan – als COVID-19 ons tenminste niet tegenhoudt…– en volgens afspraak onze vaste vrijwillige bijdrage aan de kerk betalen, en verder gewoon verder leven. Net als de buurman. Soms een beetje bescheiden, maar als het zo uitkomt opdringerig en nogal schreeuwerig.
Opzichtig geschetter brengt ons uiteindelijk echter niet veel verder.

De les van Jacobus – wees vreedzaam en welwillend, enzovoort – is in lijn met de rest van Gods Woord.
Laten wij elkaar, in dat verband, wijzen op Spreuken 21:
“Gerechtigheid en recht te doen
is voor de HEERE verkieslijker dan een offer”[3].
En op 1 Johannes 1: “Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben en wij toch in de duisternis wandelen, liegen wij en doen de waarheid niet”[4].
En op 1 Johannes 3: “Mijn lieve kinderen, laten wij niet liefhebben met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid”[5]

De academische wereld zit niet stil.
En het is een feit: wetenschappelijke onderzoeken lijken elkaar nogal eens tegen te spreken, of tegen elkaar aan te ‘schuren’.
Een paar jaar geleden – het was in mei 2018 – meldde de Belgische krant Het Laatste Nieuws: “Mensen die hoog scoren op de psychologische persoonlijkheidstrek ‘agreeableness’ (‘vriendelijkheid’), blijken zo begaan met hun collega’s dat het hun loopbaan negatief beïnvloedt. Vriendelijke medewerkers krijgen minder betaald dan werknemers die niet zo vaak een ander voor laten gaan. Ook krijgen ze minder vaak promotie. Waarom? Aardige collega’s zijn eerder geneigd eigen succes op te offeren om een ander te plezieren. Ook zijn ze minder snel geneigd hard te onderhandelen over hun loon of hun positie”. Dat was ook in Berkeley onderzocht[6].
Te vriendelijk? Dat is ook weer niet goed…

Hoe dat zij – het Goddelijk onderwijs gaat boven alles uit!
Laten wij nog eens in Jacobus 3 lezen: ”En de vrucht van de gerechtigheid wordt in vrede gezaaid voor hen die vrede stichten”[7]. Die woorden zijn ergens geparafraseerd als: “Mensen die leven zoals God het wil, zaaien als het ware vrede. Daardoor zullen ze ook vrede oogsten”[8].
Jacobus 3 gaat verder dan aardse vrede. Het is daar iets horizontaals. Nee, het gaat daar over activiteit van Gods Heilige Geest. Het is, om zo te zeggen, Pinksteractiviteit. Wij horen de echo van Jesaja 32: “Totdat over ons uitgegoten wordt de Geest uit de hoogte. Dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden en het vruchtbare veld zal als een woud beschouwd worden. Het recht zal wonen in de woestijn en de gerechtigheid zal verblijven op het vruchtbare veld. De vrucht van de gerechtigheid zal vrede zijn, en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid”[9].
Jacobus 3 markeert een vervulling van die vrede. Want dat is vrede die van boven komt. Zowel Jacobus als wij beseffen het: wij zijn op weg naar de hemelse samenleving. Wij gaan naar boven. Wij gaan naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar rust en veiligheid is – voor altijd.

Ellebogenwerk helpt niet. Onze carrière wordt daar niet beter van. Dat heeft wetenschappelijk onderzoek uitgewezen. Dat is mooi. En dat is goed.
Maar Gereformeerden weten dat al lang. Want de Pinkstergeest woont bij in. Zij kijken verder dan Berkeley. Veel verder.

Noten:
[1] Zie: “Na 14 jaar studie is het duidelijk: ellebogenwerk baat carrière niet”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 15 september 2020.
[2] Jacobus 3:16 en 17.
[3] Spreuken 21:3.
[4] 1 Johannes 1:6.
[5] 1 Johannes 3:18.
[6] Zie https://www.hln.be/nina/carriere/ben-jij-te-aardig-voor-je-collega-s-slecht-voor-je-carriere~a3e34db43/ ; geraadpleegd op dinsdag 15 september 2020.
[7] Jacobus 3:18.
[8] Geciteerd van https://www.basisbijbel.nl/boek/jakobus/3 ; geraadpleegd op dinsdag 15 september 2020.
[9] Jesaja 32:15, 16 en 17.

24 juni 2020

Roeping in het verbond

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

In het Woord van God wordt nogal eens gesproken over een eeuwig verbond. In Genesis 9 bijvoorbeeld: “Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en denken aan het eeuwig verbond tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is”[1].
Dat is bijzonder. Immers – God ziet toch alles? Hij heeft zogezegd Zijn ogen overal. En toch is daar die boog. Heeft onze God een geheugensteun nodig? Nee, dat niet. Als Hij die boog ziet, denkt Hij aan Zijn verbond met alles en iedereen op aarde. Het is – met andere woorden – niet zo dat de aarde in een opwelling van Gods toorn opeens ten onder gaat. In onzekere tijden als de onze is dat een grote geruststelling!

God sluit een verbond met een geweldig groot volk. In Genesis 17 zien wij er de basis van: “Ik zal u uitermate vruchtbaar maken: Ik zal u tot volken maken en er zullen koningen uit u voortkomen. Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u”. Dat zegt God tegen Abram.
Paulus schrijft er in Romeinen 8 over: “Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van aanneming tot kinderen ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader! De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn. En als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; wanneer wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden”[2].     

In dat verbond zijn in principe alle dopelingen opgenomen. Echter – dat verbond kent een belofte en een eis. In het Gereformeerde formulier voor de doop wordt dat zo samengevat: wij worden “door God in de doop ook geroepen en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Dit betekent dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, vertrouwen en liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel, met heel ons verstand en al onze krachten. Het betekent ook dat wij met de wereld breken, onze oude natuur doden en godvrezend leven. En wanneer wij soms uit zwakheid in zonden vallen, moeten wij aan Gods genade niet wanhopen en al evenmin in de zonden blijven liggen. Want de doop is een zegel en een volkomen betrouwbaar getuigenis dat wij een eeuwig verbond met God hebben”[3].

Van al Gods kinderen wordt dus activiteit gevraagd!
De hervormde predikant J.C. Sikkel (1855-1920) schreef daar in zijn tijd al  over: “De Christenen zijn niet geroepen, om als het Israël des Ouden Verbonds binnen een muur des afscheidsels te leven. Ze zijn niet geroepen door het Evangelie, om in woestijn en klooster weg te schuilen uit de levensbeweging der menschheid. Hun roeping is niet, zonder kennis der aarde en zonder aanraking met de wereldbeweging hun dagen te slijten op de plek, waar ze geboren werden, en in den vorm van hun overgrootouders, genietend alleen het leven waar het bij het vee of op den akker zoo genoeglijk voortrolt, of zooals vader of moeder het hebben gemaakt.
Eer integendeel. Voor den Christen wordt door het Woord Gods heel de aarde ontdekt, en heel het menschenleven, waarmee alle menschen te maken hebben; het menschenleven, dat heel de aarde vervullen moet, waarin de Raad des Heeren ten volle moet worden uitgevoerd en waarin de belijders des Heeren in elke richting hun roeping hebben. Het Woord Gods onthult ons ook de beteekenis van al onze gaven en krachten, en onze roeping om die alle te ontwikkelen en dienstbaar te maken aan en in heel het veelvoudig leven en in heel de levensbeweging en levensberoering. Daarom geldt ook voor den Christen, naar ieders gaven, omstandigheden en krachten, de roeping, om de poort uit en den weg op te gaan”[4].

De weg op? Naar buiten? Daar zijn we in deze tijd – in letterlijke zin althans – een beetje voorzichtig mee.
Maar de bedoeling is in het bovenstaande citaat wel duidelijk: benut uw mogelijkheden in de wereld! En doe dat als Verbondskind!
In die situatie doen afkomst, ras en woonplaats er niet meer toe. Overal ter wereld domiciliëren deelnemers in het verbond, bondelingen. En zij hebben allemaal hun eigen werk: van journalist tot kledingverkoper, van schrijver tot tuinman, van schilder tot slager.
Dominee Sikkel heeft er al op gewezen: wij hebben allen een roeping. Dat is dus niet zomaar een taak. Wij mogen en moeten dienstbaar zijn aan de komst van Gods Koninkrijk. Het Hoofd van de kerk, de Here Jezus Christus, beschermt ons. En Hij zegt het ons: hoe raar het ook klinkt, alles wat u meemaakt brengt u bij de volmaking van uw leven.  Oftewel: al onze belevenissen in dit aardse leven brengen ons dichter bij het eeuwig heil.

Laten wij het dus maar vasthouden: het verbond dat God met ons sloot is eeuwig; het houdt nooit meer op.
We mogen Hem bidden om ons toe te rusten voor de roeping waaraan wij moeten beantwoorden. Om het tenslotte met Hebreeën 13 te zeggen: “De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, onze Heere Jezus Christus, uit de doden heeft teruggebracht, op grond van het bloed van het eeuwige verbond, moge u toerusten tot elk goed werk om Zijn wil te doen, en in u werken wat in Zijn ogen welbehaaglijk is, door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen”[5].

Noten:
[1] Genesis 9:16.
[2] Romeinen 8:15, 16 en 17.
[3] “Formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen”. Gereformeerd Kerkboek – citaat van p. 513.
[4] J.C. Sikkel, “Daders des Woords – overdenking van den brief van den apostel Jacobus voor onzen tijd”. –   Amsterdam, H.A. van Bottenburg N.V. – tweede druk,  [1937]. – Citaat van p. 187 en 188.
[5] Hebreeën 13:20 en 21.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.