gereformeerd leven in nederland

4 maart 2019

Rentmeestersritme

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Wij worden, naar het lijkt, allen verteerd door drukte. De ene agenda is nog blauwer dan de andere. Al dat gejaag en gejakker neemt heel wat arbeidsvreugd weg.

In zo’n situatie loont het om de Bijbel open te slaan.
En wat lezen we dan op de eerste bladzijde van die Bijbel? Onder meer dit: “Toen God op de zevende dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had, voltooid had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken”[1].

Eerst zet ik even een puntje op de i.
De Schepper heeft Zijn werk voltooid. Het is van den beginne blijkbaar niet zo dat de evolutie in Genesis 1 en 2 een aanvang neemt!

Hoe dat zij –
Gods scheppingswerk is in Genesis 2 af. Dan neemt God enige tijd voor rust.
Dat ziet er wat merkwaardig uit.
In Exodus 31 lezen we ook iets dergelijks: “Hij zal tussen Mij en de Israëlieten voor eeuwig een teken zijn, want de HEERE heeft in zes dagen de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag heeft Hij gerust en Zich verkwikt”[2].
Is God in Genesis 2 en Exodus 31 moe? Is Hij eraan toe om even met Zijn werk te stoppen, om de zaak van een afstandje te bekijken?

De grondtekst betekent: God houdt op met scheppen[3].
Dat wil vervolgens niet zeggen dat God zich helemaal terugtrekt. Er wordt aan hemel en aarde onderhoud gepleegd. Jezus zegt in Johannes 5: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook”[4].

Eén ding is wel duidelijk: het werk van God en de arbeid van mensen liggen dicht bij elkaar[5].
Ook wij mogen ophouden met werken. Wij doen dat op de eerste dag van de week, de zondag.
Het is zonneklaar: mensen hebben een weekritme. Mensen nemen pauze. Mensen nemen rust. Van den beginne is het zo geweest dat de mens zijn God op de voet volgt.
God slaat de maat.
Hij geeft ritme in het leven!

Er moet dus gewerkt worden. Niet als slaven. Niet als sloofjes die tot op de bodem van hun kunnen moeten gaan. Maar als mensen die dankbaar zijn dat God de maat van het leven aangeeft.
Binnen het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond is daarom vanouds terecht gezegd: staken is geoorloofd als doorwerken zonde is.

In december 1954 werd in het GMV-blad ‘Ambt en Plicht’ geschreven: “Wanneer wij alle geoorloofde middelen om in een verkeerde toestand in het arbeidsleven verbetering te brengen hebben aangewend en uitgeput. Dan zullen wij niet als laatste redmiddel tot de werkstaking de toevlucht nemen, doch dienen te berusten in God, Die naar Zijn wijsheid ons gehele leven beheerst en regeert en zonder Wiens wil ook deze dingen ons niet overkomen, met het aanhoudende gebed, dat Hij ons lot moge wenden, Hij, Die alle dingen machtig is en die ook het onrecht, dat mensen ons aandoen, kan breken”[6].

In Genesis 2 staat het zo eenvoudig: “daarop rustte Hij van al Zijn werk”. Er zit een grens aan het Goddelijk werk.
En daarin zitten een paar boodschappen voor ons:
* werken is nodig, maar rust is ook nuttig; zorg voor een goed evenwicht.
* God heeft de schepping zo gemaakt dat het voor mensen mogelijk is om te werken; van die mogelijkheden dient optimaal gebruik te worden gemaakt.
* in Genesis 2 wordt al duidelijk dat de geschapen mensen hun God volgen; anno Domini 2019 gaat de kerk achter de Heiland aan. Dat gebeurt in de gewone dingen van de dag. Zeker ook in het dagelijks werk.

De adjunct-hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad, Jurriën Dekker, schreef in november 2017 onder de kop ‘Goed werk’ goede woorden over werk.
Ik citeer: “Werk is er niet alleen om daarmee in je onderhoud te voorzien. Het is evenmin in de eerste plaats bedoeld om daarmee zin en betekenis aan je leven te geven. Ook werken christenen niet om almaar hoger te stijgen op de maatschappelijke ladder of steeds meer geld te verdienen. Werk is een roeping van God, waarmee Hij geëerd en gediend wil zijn, maar waarin we ook onze naasten dienen. God schiep de wereld. Hij onderhoudt die ook. En bij dat onderhouden schakelt Hij werkende mensen in. Ze moeten de aarde bebouwen en bewaren. Ze mogen heersen over Gods schepping, als rentmeesters”[7].

Laten we in de kerk maar arbeiden in het rentmeestersritme:
* werken zolang het kan en voor God verantwoord is
* rusten in Hem; dat is: loslaten, omdat na christelijke ontspanning het resultaat des te beter is.

Noten:
[1] Genesis 2:2 en 3.
[2] Exodus 31:17.
[3] Zie de onlineversie van de Studiebijbel. Commentaar bij Genesis 2:2, noot 49.
[4] Johannes 5:17.
[5] Zie hierover de onlineversie van de Studiebijbel. Commentaar bij Exodus 31:17.
[6] Geciteerd via: Joh. Francke V.D.M., “Over het recht en de plicht tot werkstaking – Een historisch overzicht”. – [Rotterdam]: Gereformeerd Sociaal en Economisch Verband, 1968. – p. 49.
[7] Jurriën Dekker, “Goed werk”. In: Accent, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 18 november 2017, p. 7; rubriek: Welbeschouwd.

14 februari 2019

Staken werkt niet

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

Gereformeerden gaan niet zo gauw demonstreren[1].
Waarom niet?
Antwoord: zij geloven niet in de macht van het getal.
Met andere woorden: “…een doel is niet pas de moeite waard als je er met veel mensen voor gáát. De macht van de meerderheid levert lang niet altijd goede resultaten op”.
Gereformeerden beseffen nog meer.
Dit: “de Here heeft de wereld in de hand; met alles wat daarin en erop is. Hij is erbij, vanaf het begin”. En het is zeker: Zijn Heilige Geest blijft bij ons.
Mag je dan nooit je mening zeggen? Natuurlijk wel.
Maar dat doe je dan aan onderhandelingstafels.
Immers – bij demonstraties met spandoeken en leuzen verdwijnen alle nuances vrijwel altijd als sneeuw voor de zon.
In debatten en in regelmatig overleg bereik je, op een doelmatige manier, veel meer[2].

Men ziet Gereformeerde mensen ook niet snel staken.
Waarom niet?

Vanouds is het zo dat we werken op initiatief en in opdracht van de Here[3].
Wij kunnen daarbij denken aan Genesis 2: “De HEERE God nam de mens, en zette hem in de hof van ​Eden​ om die te bewerken en te onderhouden”[4].
De God van het verbond acht het wijs dat mensen aan het werk zijn. Vanaf het begin wijst ledigheid ons blijkbaar een verkeerde kant op. De mensen heeft energie en gaven gekregen om die tot eer van Zijn Schepper te gebruiken.

Na de zondeval is dat trouwens beslist niet gemakkelijk. Werken is zwaar. Omgaan met de schepping en met de schepselen is vaak moeilijk.
Genesis 3 spreekt daar ook over: “En tegen ​Adam​ zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten, is de aardbodem omwille van u vervloekt; met zwoegen zult u daarvan eten, al de dagen van uw leven; dorens en distels zal hij voor u laten opkomen en u zult het gewas van het veld eten. In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en u zult tot stof terugkeren”[5].

Nee – werken is meestal niet het pleziertje van de week.
Op een internetpagina die aan onze psyche gewijd is stelde iemand eens nuchter vast: “Werk is gewoon niet altijd leuk. Soms zijn er dagen waar je gewoon even doorheen moet omdat er ook gewoon een hypotheek betaald dient te worden. Maar het feit dat je even de plezier in je werk kwijt bent, betekent niet direct dat het roer rigoureus om moet en je je om moet laten scholen tot barista. Want zelfs als je een goed lopend koffietentje op hebt gezet met leuke gasten en perfecte lattes zullen er dagen tussen zitten dat je met jaloezie kijkt naar ambtenaren die gewoon om vijf uur klaar zijn met werken en dan echt weekend hebben”[6].
Een paar jaar geleden debiteerde iemand de volgende wijsheid: “Een baan moet tegenwoordig vooral uitdagend zijn, maar als iedereen zijn hart volgt, daalt de welvaart. Ambitie is enkel een deugd als zij gepaard gaat met een flinke scheut realiteitszin”[7].
Wie ’s morgens aan het werk gaat, hangt lang niet altijd de vlag uit. Gelet op Genesis 3 is dat ook niet nodig.

Intussen is er in de verhoudingen tussen werkgevers en werknemers met een zekere regelmaat sprake van uitbuiting. En ook van opstand en verzet.
Het is daarom belangrijk dat iedere werknemer gelijke rechten heeft. De apostel Paulus schrijft aan de christenen in Colosse: “Maar wie ​onrecht​ doet, zal het ​onrecht​ dat hij gedaan heeft, terugkrijgen; en er is geen aanzien des persoons. Heren, behandel uw ​slaven​ ​rechtvaardig​ en op gelijke wijze. U weet immers dat ook u een Heere hebt in de hemelen”[8].

Het is wel duidelijk dat er regelmatig en ijverig gewerkt moet worden.
Paulus schrijft bovendien aan de christenen in Thessalonica: “Want ook toen wij bij u waren, bevalen wij u dit: als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten. Want wij horen dat sommigen onder u ongeregeld wandelen; zij werken niet, maar zijn bezig met nutteloze dingen. Zulke mensen bevelen wij en sporen wij namens onze Heere Jezus ​Christus​ aan dat zij in alle rust aan het werk gaan en hun eigen brood eten”[9].

Laten wij onze blik een moment op de samenleving richten.
Want staken heeft ook economische gevolgen.
Het productieproces wordt ernstig belemmerd. Afnemers zoeken andere leveranciers. Toeleveringsbedrijven komen in de problemen. Hoe men het ook wenden of keren wil, met een staking veroorzaakt men financiële schade. Men kan niet met droge ogen volhouden dat met een staking het welzijn van de naasten bevorderd wordt.

En als er onrecht geschiedt?
Dan geldt onder meer het woord van Paulus in Romeinen 12: “Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere”[10].
En overigens is het daarnaast niet verkeerd om elders recht te zoeken. Paulus roept het in Handelingen 25 uit: “… als ik ​onrecht​ doe en iets gedaan heb wat de dood verdient, weiger ik niet te sterven; maar als er niets waar is van dat waarvan zij mij beschuldigen, kan niemand mij bij wijze van ​gunst​ aan hen uitleveren. Ik beroep mij op de ​keizer!”[11].

Een scribent uit de kring van de Reformatorisch Maatschappelijke Unie vatte de zaak eens treffend samen: “De werknemer moet zijn werk zorgvuldig doen, op tijd aanwezig zijn, klantvriendelijk werken en zijn werkzaamheden op de afgesproken tijden uitvoeren. Staking van die werkzaamheden is dan ook aan te merken als contractbreuk. Dat is een inbreuk op de gezagsrelatie die alleen te rechtvaardigen is als er iets van een werknemer gevraagd wordt dat tegen Gods geboden ingaat”[12].

Laat niemand denken dat zijn of haar werk niet al te veel waard is.
Niet voor niets staat op één der laatste bladzijden van Gods Woord: “En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Boom des levens, en opdat zij door de ​poorten​ de stad mogen binnengaan”![13]

Noten:
[1] De titel van dit artikel is ontleend aan internetpublicaties van de Reformatorisch Maatschappelijke Unie.
[2] De citaten in deze alinea zijn afkomstig uit mijn artikel ‘Niet door kracht of geweld’, hier gepubliceerd op woensdag 13 februari 2019. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2019/02/13/niet-door-kracht-of-geweld/ .
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer: M.H. Paauwe, “Waarom staken ingaat tegen Gods wil”. In: RD Plus, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, vrijdag 8 maart 1991, p. 7.
[4] Genesis 2:15.
[5] Genesis 3:17, 18 en 19.
[6] Geciteerd van https://www.mynd.nu/11-manieren-plezier-werk/ ; geraadpleegd op vrijdag 8 februari 2019.
[7] Geciteerd van https://www.elsevierweekblad.nl/economie/blog/2015/07/waarom-werken-helemaal-niet-leuk-hoeft-te-zijn-2661636W/ ; geraadpleegd op vrijdag 8 februari 2019.
[8] Colossenzen 3:25 en 4:1.
[9] 1 Thessalonicenzen 3:10, 11 en 12.
[10] Romeinen 12:19.
[11] Handelingen 25:11.
[12] Geciteerd van https://www.rmu.nu/weblog/staken+werkt+niet_545 ; geraadpleegd op vrijdag 8 februari 2019.
[13] Openbaring 22:12, 13 en 14.

19 december 2018

De eentonigheid voorbij

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Alles wat God doet heeft eeuwigheidswaarde.
Zijn werk hoeft nooit bij het oud vuil.
Zijn werk slijt nooit.

Vergelijk dat eens met ons werk! Altijd valt er wel iets te verbeteren, of te herzien. Nooit straalt ons werk volmaaktheid uit. Zelfs als onze arbeid het predicaat ‘de gestaalde perfectie’ meekrijgt is het nog aan slijtage onderhevig.

De constatering waarmee dit artikel begint is eigenlijk zo oud als de weg naar Rome. Nog ouder eigenlijk. Want de Prediker constateert datzelfde; in hoofdstuk 3 namelijk.
Leest u maar mee: “Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet het opdat men vreest voor Zijn aangezicht. Wat er is, was er al, en wat er zijn zal, is er al geweest”[1].

God is aan het werk.
Zijn doel is dat wij Hem eindeloos bewonderen.

Wij mogen en moeten Hem als Verbondsgod eren.
Denkt u maar aan Genesis 9: “En Ik, zie, Ik maak Mijn ​verbond​ met u, met uw nageslacht na u, en met alle levende wezens die bij u zijn: de vogels, het ​vee​ en alle dieren van de aarde met u; van alles wat uit de ark is gegaan, tot alle dieren van de aarde toe. Ik maak Mijn ​verbond​ met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten. En God zei: Dit is het teken van het ​verbond​ dat Ik geef tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, alle generaties door tot in eeuwigheid: Mijn boog heb Ik in de wolken gegeven; die zal dienen als teken van het ​verbond​ tussen Mij en de aarde”[2].
De hemelse God heeft een verbond met mensen gesloten.

Ook vandaag is het leven in het verbond van groot belang. De Heer van hemel en aarde geeft beloften over vergeving van zonden en van eeuwig leven.
Om met Zondag 27 van de Heidelbergse Catechismus te spreken: Hij geeft “de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt”[3].
In dat eeuwige verbond – met beloften van Gods kant en verplichtingen van onze kant – past ook Prediker 3.

Daar lijkt het, bij oppervlakkige bestudering, niet op.
Want in Prediker 3 gaat het, goed beschouwd, over eentonigheid. In het werk dat u doet, zit vrijwel altijd een zigzaglijn. Wij praten met grote woorden over vooruitgang. Over robotisering zelfs.
Intussen kost ons werk nog altijd inspanning. U moet zich op uw werk concentreren, anders komt er niets van terecht. Wie fysiek werk doet – in de zorg, of bijvoorbeeld in de bouw – weet dat je van dat werk best moe kunt worden.

Maar dat is niet het enige dat Prediker te bieden heeft. Hij proclameert namelijk ook: “God zoekt wat voorbijgegaan is”[4].
Daar zit een kenmerkend verschil.
Wij komen, naar ons gevoel, met ons werk niet verder.
Maar de God van hemel en aarde komt wel verder. Zelfs als onze dagen een lange sliert vol sleur zijn, komt de Here toch verder met Zijn werk. Onvermoeibaar werkt de Here naar de laatste dag van deze wereld toe.
Wij bouwen huizen. Na verloop van tijd breken we die woningen weer af. En we zetten er wat nieuws neer. Het lijkt op een kringloop. Maar dat is het niet!

Iets van dezelfde grauwheid en monotonie komen we tegen in het leven van onze Heiland, Jezus Christus.
Maar ook dat is gezichtsbedrog.
De Gereformeerde predikant en hoogleraar B. Holwerda (1909-1952) zei daarover in een preek: Christus “heeft drie jaar op aarde gewandeld; en het was elke dag hetzelfde: prediken en tekenen doen; optornen tegen het ongeloof en tegen de vijandschap. Was het iets nieuws? Ach, Mozes had dat ook al gekend en Samuël en Elia en Jesaja en al de profeten en Johannes de Doper. Wat er bij Hem was, was er allang geweest.
Herhaling, geen vooruitgang. En toen hij stierf, scheen het, dat na Hem weer een ander moest komen, om weer hetzelfde te doen. Maar Hij stond op en toen zat er opeens de vaart in; God maakte alle dingen nieuw; Hij zei direct tot Maria: Ik vaar op; Hij stortte de Geest uit en Zijn laatste woord was: zie, Ik kom met haast. Geen twee dagen hetzelfde, geen eindeloze herhaling, maar iets volkomen nieuws”[5].

De Heiland begon, zo lijkt het, opnieuw toen Hij uit het graf opstond.
Maar dat is niet waar.
Hij vatte het werk dat Hij in Genesis 1 begonnen was weer op. Hij ging en gaat daar mee door. Hij gaat verder met Zijn werk. De belofte van Genesis 9 staat nog steeds. Het verbond dat God heeft gesloten, blijkt inderdaad eeuwig; het wordt niet verbroken.

Het leven van de eenentwintigste eeuw is, bij tijd en wijle althans, buitengewoon onrustig.
Maar in al die drukte kunnen volgelingen van Christus met tenminste één rustgevend gegeven leven: de Heer van de kosmos werkt door. Hij creëert een luisterrijke toekomst.
Er komt een moment dat wij Hem eindeloos kunnen bewonderen en eren.

Daarom mogen wij het Paulus in 1 Corinthiërs 15 nazeggen: “Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere ​Jezus​ ​Christus. Daarom, mijn geliefde broeders, wees standvastig, onwankelbaar, altijd overvloedig in het werk van de Heere, in de wetenschap dat uw inspanning niet tevergeefs is in de Heere”[6].

Noten:
[1] Prediker 3:14 en 15 a.
[2] Genesis 9:9-13.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 27, antwoord 74.
[4] Prediker 3:15 b.
[5] In het bovenstaande gebruik ik onder meer een op zondag 20 april 1952 gedateerde preek van B. Holwerda over Prediker 3:9-22. Ook het citaat komt uit die preek. Te vinden op http://reformata.nl/ ; geraadpleegd op vrijdag 14 december 2018.
[6] 1 Corinthiërs 15:57 en 58.

10 september 2018

Topprestatie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

“Held en martelaar”.
Aldus een kop boven een redactioneel commentaar in het Reformatorisch Dagblad. Dat commentaar gaat over Maarten van der Weijden.

Dat is de zwemmer die met een zwemtocht langs de Friese elf steden geld inzamelde voor kankeronderzoek. Hij kon zijn zwemtocht niet geheel voltooien. Na 163 kilometer moest hij opgeven. Niettemin was het een geweldige prestatie!
Van der Weijden zamelde met zijn actie miljoenen euro’s in. De media sprongen erop. Op de televisie werd de zwemtocht gevolgd. Van de feestelijkheden achteraf werd uitgebreid verslag gedaan.

De commentator van het Reformatorisch Dagblad schreef:
“Dat de sportieve actie van Van der Weijden zó kon uitgroeien tot een ongekend spektakel en de man bijkans Messiaanse allure kreeg, was toe te schrijven aan een aantal helpende factoren.Zo was er de uitgekiende media-aandacht, waardoor lezers, luisteraars en kijkers dicht op de huid van de zwemmer zaten en alles wat hem overkwam tastbaar meevoelden.
De gekozen route was ook een schot in de roos: die van de Friese Elfstedentocht. Zodra die naam in Nederland valt, spelen emoties hoog op. Dus de ‘tocht der tochten’ uitbaten voor een goed doel ligt voor de hand. Dat die dit keer zwemmend werd gemaakt, was geen punt. Integendeel. Frieslands nostalgisch knuffelevenement kreeg weer even het karakter van een extreme sportprestatie waarin sporters afwisselend figureren als helden en martelaars.
En dan was er nog het doel dat Van der Weijden voor ogen had: de financiering van onderzoek naar kanker. Ook dat spreekt menige Nederlander aan, bleek uit reacties. Mede door de vergrijzing van de bevolking wordt immers vrijwel iedereen geconfronteerd met deze vaak slopende ziekte.
Intussen is er de vraag of Nederlanders straks steeds extremere evenementen nodig hebben om warm te lopen voor goede doelen. Als dat zo is: wat komt er dan terecht van goede doelen die niet in staat zijn zich mediageniek te presenteren? Omdat zoiets klauwen met geld kost?
Eén ding mag zeker zijn: binnen de christelijke gemeente zijn goede doelen veilig, ook al brengen ze niets van spektakel mee. Barmhartigheid behoort immers tot het merg en gebinte van het christelijk geloof. Weldoen is er niet het unieke talent van een of andere sportheld, maar kenmerk van hen die leven van genade”[1].

Topprestaties – die wil iedereen wel neerzetten.
Coachingbureaus doen ook hun uiterste best om mensen daartoe te pressen. Dat doen zij met teksten als: “Ieder individu is uniek en iedereen heeft talenten. Alleen met de juiste mindset, optimale vitaliteit en veilige prestatie-omgeving kan je de beste versie van jezelf en het team bereiken. (…) Word fan van jezelf, van je team en van je organisatie!”[2].

De functie van het woord ‘prestatie’ is door de jaren heen nogal veranderd.
Op een website van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag kan men zonder moeite iets van die ontwikkeling ontdekken.
In de achttiende eeuw staat het woord ‘prestatie’ negenentwintig keer in de krant. In de twintigste eeuw is dat woord ruim vierhonderdduizend keer gebezigd.
Trouwens, er verschijnen tegenwoordig nogal eens verhalen over de prestatiedruk waaronder twintigers en dertigers gebukt gaan[3].
Alleen daarom al geldt, wat mij betreft: het is echt geen goed plan om permanent topprestaties te leveren.

Professor Marc Van den Bossche – hoogleraar hedendaagse filosofie aan de Vrije Universiteit Brussel – benadrukt hoe belangrijk het is om voldoende te ontspannen en aan sport te doen. Hij noemt dat zelfs bevindelijkheid!
De hoogleraar zegt: “Bevindelijkheid is wat voorafgaat aan het denken. Noem het stemming, humeur, hoe iemand in zijn vel zit. De manier waarop je gestemd bent, beïnvloedt je denken. Het denken is niet neutraal. Dat is eigenlijk een zeer eenvoudige wijsheid, nietwaar? Als je in vakantiestemming over het strand van Copacabana slentert, zul je anders over de dingen denken, anders met mensen omgaan, dan wanneer je onderweg bent naar een examen of sollicitatiegesprek”[4].
In de Gereformeerde wereld staat bevindelijkheid voor “het geheel van ervaringen van de gelovige in zijn verborgen omgang met God”[5]. We mogen zeggen dat de God van hemel en aarde ons denken beïnvloedt.
Gereformeerden mogen weten dat zij door hun werk God dienen. En Hij maakt Zijn beloften waar. De schrijver van de brief aan de Hebreeën noteert in hoofdstuk 6: “… God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten en de liefdevolle inspanning die u Zijn Naam bewezen hebt, doordat u de ​heiligen​ gediend hebt en nog dient. Maar wij verlangen ernaar dat ieder van u dezelfde inzet toont, tot volle zekerheid van de hoop, tot het einde toe, opdat u niet traag wordt, maar navolgers bent van hen die door geloof en geduld de beloften beërven”[6].
De hemelse Heer ziet ons werk. En Hij is er blij mee. Maar met het werk dat wij hier op aarde doen verdienen wij niets. Met onze activiteiten bereiden we ons voor op een leven in ons tweede vaderland: de hemel, de woonplaats van God.

De Amerikaanse dichter en filosoof Ralph Waldo Emerson (1803-1882) sprak ooit de gedenkwaardige woorden: “Jezelf blijven in een wereld die jou constant anders probeert te maken, dat is de grootste prestatie”[7].
Dat lijkt een wijs woord.
Als wij daarbij dan maar nooit vergeten dat onze God ons leven wel verandert! Bijna onmerkbaar voert Hij in het leven van kinderen van God een grootse vernieuwing door. Paulus schrijft daarover in Philippenzen 3: “Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere ​Jezus​ ​Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam, overeenkomstig de werking waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen”[8].

Het is al een jaar of acht geleden dat in De Groene Amsterdammer geschreven werd: “De kunst is (…) om twee vormen van geluk te onderscheiden en te combineren: gelukkig kun je enerzijds worden door je grenzen te overschrijden (…), anderzijds door je grenzen te aanvaarden (…), en het ene relativeert het andere.
Misschien gaat onder de gedachte van ‘het lot in eigen handen nemen’, met alle streberigheid en jachtigheid van dien, toch een vorm van verwekelijking schuil: de weigering om de eindigheid onder ogen te zien. Daarom: wees je meer bewust van de eindigheid van het bestaan, dan verwacht je minder heil en kun je het onheil aan”[9].
Welnu –
Gereformeerden kunnen hun aardse einde met een gerust hart onder ogen zien.
Want wij weten: er is toekomst.
Om die toekomst in te gaan hoeven wij geen topprestatie te leveren.
De tegenspoed zal nimmer zo sterk zijn dat wij bij onze God uit beeld raken. Daarom kunnen wij met David, de dichter van Psalm 3, zingen:
“U bent mijn schild o HEER.
U wilt mijn hoofd verheffen.
Van Sion klinkt zijn stem,
wanneer ik roep tot Hem.
Geen onheil zal mij treffen”[10].

Noten:
[1] “Held en martelaar” – redactioneel commentaar. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 22 augustus 2018, p. 3.
[2] Geciteerd van https://www.fanbased.website/filosofie/ ; geraadpleegd op donderdag 23 augustus 2018.
[3] Zie hiervoor https://www.trouw.nl/religie-en-filosofie/onze-jeugd-lijdt-aan-prestatie-angst~ae6b1630/ ; geraadpleegd op donderdag 23 augustus 2018.
[4] Geciteerd van https://www.filosofie.nl/nl/artikel/5364/ik-zit-op-de-fiets-en-plots-is-daar-een-idee.html ; geraadpleegd op donderdag 23 augustus 2018.
[5] Geciteerd van http://www.refoweb.nl/vragenrubriek/23392/bevinding-en-bevindelijke-prediking/ ; geraadpleegd op donderdag 23 augustus 2018.
[6] Hebreeën 6:10, 11 en 12.
[7] Geciteerd van https://citaten.net/zoeken/citaten-prestatie.html ; geraadpleegd op donderdag 23 augustus 2018.
[8] Philippenzen 3:20 en 21.
[9] Geciteerd van https://www.groene.nl/artikel/leven-in-de-schaduw-van-god . Het artikel werd indertijd geschreven door Margreet Fogteloo. Zie voor meer informatie over haar https://www.groene.nl/auteur/margreet-fogteloo . Beide sites raadpleegde ik op donderdag 23 augustus 2018.
[10] Dit is het laatste deel van Psalm 3:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986).

26 februari 2018

Activiteit aan God toegewijd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Het lezen van de Bijbel is soms een nogal verrassende bezigheid. Er zijn momenten waarop je denkt: waar gaat dit over?

Laatst kwam ik bij het lezen van Spreuken 27 zo’n tekst tegen. Het was deze:
“Zorg ervoor dat u uw schapen goed kent,
richt uw ​hart​ op de kudden.
Want rijkdom is er niet voor eeuwig,
of zal een ​diadeem​ van generatie op generatie blijven?
Als het eerste gras verdwenen is, het tweede gras verschijnt,
en de kruiden van de bergen verzameld zijn,
dan zult u lammeren hebben voor uw ​kleding
en bokken als koopprijs voor een akker.
Bovendien zult u genoeg geitenmelk hebben als uw voedsel,
als voedsel voor uw ​huis,
en als leeftocht voor uw dienstmeisjes”[1].

Als u – net als schrijver dezes – geen agrarische achtergrond heeft, staan deze woorden waarschijnlijk tamelijk ver van u af.
Niettemin staan ze zomaar onder elkaar:
* kudden schapen
* een diadeem
* kleding
* voedsel
* dienstmeisjes – zeg maar even: het personeel.
Wat wil de opsteller van de Spreuken ons leren?

Besteed, zegt de Spreukenleraar, goede aandacht aan uw bedrijf. Misschien waant u zich rijk. Maar als het er op aankomt, kunnen rijkdom en luxe ook zomaar weer verdwenen zijn. De ene generatie draagt dure juwelen, maar een volgend geslacht moet het vaak met veel eenvoudiger sieraden doen.
Late regenbuien geven nieuw groen als het eerste gras verdwenen is. Welnu, zorg dan dat dat gras verzameld wordt om het vee te voederen. Met andere woorden: wees ijverig doende in uw bedrijf!
Want wie goed en efficiënt werkt, genereert voldoende inkomen om voor zijn gezin te zorgen en bovendien zijn personeel een goed loon te geven.

Wat heeft het bovenstaande ons te zeggen, anno Domini 2018?
Laat ik het zo mogen samenvatten:
* ons werk is aan de Here toegewijd
* ons werk staat in het kader van Gods voorzienigheid.

Werken is belangrijk. Het is niet zo dat wij van vakantie naar vakantie huppelen. Nee, met name in ons dagelijks werk eren we de Here. Daarom moeten we daarvoor gáán. En daarom moeten we ook een beroep kiezen waar perspectief in zit.
Perspectief – vooral in die zin dat wij de Here daarin kunnen dienen met de gaven die wij van Hem hebben ontvangen.

Bij nadere beschouwing blijkt het slot van Spreuken 27 alles te maken te hebben met het achtste gebod: u zult niet stelen.
Het gaat in dat Schriftgedeelte namelijk ten diepste om goede zorg voor onszelf en voor onze naasten. Als het een beetje wil houden we van het geld dat we verdiend hebben, nog wat over om arme mensen te kunnen ondersteunen[2].

De Grote Catechismus van Westminster geeft bij dat achtste gebod de volgende uitwerking:
“Welke plichten worden er in het achtste gebod vereist?
Antwoord: De plichten die in het achtste gebod vereist worden zijn: waarachtigheid, betrouwbaarheid en rechtvaardigheid in onderlinge overeenkomsten en handel, aan iedereen geven wat hem toekomt, schadeloosstelling voor goederen die op onwettige wijze van de rechtmatige eigenaars zijn ontvreemd, aan anderen mild geven en lenen, al naar onze mogelijkheden en hun noden zijn; gematigdheid in onze oordelen, wensen en genegenheden wat betreft aardse goederen; goede zorg en ijver om te verwerven, te houden, gebruiken en te regelen de dingen die noodzakelijk en geriefelijk zijn voor het onderhoud van ons natuurlijke leven, en die in onze omstandigheden passen; het uitoefenen van een wettig beroep en ijver in het vervullen ervan, zuinigheid, het vermijden van onnodige processen, borgstellingen en dergelijke verplichtingen; en het streven om met alle rechtvaardige en wettige middelen de welvaart en materiële bezittingen zowel van anderen als van onszelf te verschaffen, te bewaren en te bevorderen”[3].
Bij het hierboven gecursiveerde zinsdeel wordt door de Grote Catechismus verwezen naar Spreuken 27:23-27. Het wordt eens te meer duidelijk: Spreuken 27 staat midden in het leven van alledag. De verantwoordelijkheden die we doordeweeks hebben, staan rechtstreeks in verbinding met de zorg die de God van het verbond dagelijks voor ons heeft. Hij geeft ons krachten om de taken te verrichten die wij in kerk en maatschappij gekregen hebben!

Soms is ons werk niet meer beroepsmatig. Bijvoorbeeld omdat wij afgekeurd zijn voor het verrichten van werk in de samenleving.
In dergelijke gevallen is er altijd wel iets in de kerk te doen.
Trouwens, de kerk wordt ook een kudde genoemd; een kudde die verzorgd moet worden. Denkt u maar Handelingen 20: “Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde, te midden waarvan de ​Heilige​ Geest​ u tot ​opzieners​ aangesteld heeft om de ​gemeente​ van God te weiden, die Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed”[4].
Of ook aan 1 Petrus 5: “De ouderlingen onder u roep ik ertoe op, als medeouderling en getuige van het lijden van ​Christus​ en deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden: Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig; ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Heere, maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn. En als de Opperherder verschijnt, dan zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen”[5].

Al ons werk mag gerust een passie heten.
Hoewel gelovige kinderen van God beter van Geest-drift kunnen spreken. Het is immers de Heilige Geest die ons dagelijks aanstuurt.
Daarom mogen wij met Psalm 90 zingen:
“Zie op ons neer met vriendelijke ogen.
O God, bescherm ons in ons onvermogen.
Bevestig wat de hand heeft opgevat,
het werk van onze hand, bevestig dat”[6].

Dat gebed is voor de kerk niet omgeven met allerlei vraagtekens. Ons werk is niet vol van onbestendigheid, onzekerheid en twijfelmoedigheid.
Waarom niet?
Omdat wij het onderwijs van Zondag 10 der Heidelbergse Catechismus kennen. U weet wel:
Gods voorzienigheid, dat is: “de almachtige en tegenwoordige kracht van God, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen”[7].

Laten wij maar gewoon aan het werk gaan.
Op de boerderij. Op kantoor. In het laboratorium. In het bedrijfsleven. Of gewoon thuis, achter ons bureau.
En laten wij er wat máken.
Tot eer van onze God.

Noten:
[1] Spreuken 27:23-27.
[2] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, vraag en antwoord 111.
[3] “De Grote Catechismus zoals deze werd overeengekomen door de vergadering der Godgeleerden te Westminster”, goedgekeurd in 1648; vraag en antwoord 141. Opgenomen in: “De Westminster Confessie met de Grote en de Kleine Catechismus”. – vertaald en ingeleid door drs. G. van Rongen, met medewerking van dr. M.J. Arntzen. – tweede druk. – Barneveld: De Vuurbaak, 1986.
[4] Handelingen 20:28.
[5] 1 Petrus 5:1-4.
[6] Psalm 90:8, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, antwoord 27.

8 juni 2017

Met eigen ogen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Over het calvinistisch arbeidsethos werd in het verleden nog wel eens wat lacherig gedaan.
Cultuurmandaat? Ach, dat was een typisch christelijk woord.

Welnu, laten christenen zich, als het hier om gaat, nergens voor schamen.
In december 2016 verscheen namelijk een boek met de titel ‘Reformatorische meisjes en honderd andere managementcolumns’[1].

Een recensent schreef daarover:
“Blijkbaar zijn reformatorische meisjes niet alleen op straat blikvanger. In de column gaat het trouwens niet over hun uiterlijk, maar over de attitude. Ze worden neergezet als SGP-meiden”.
En:
“Christenen willen graag getuigen, en uit deze column blijkt wat het effectiefst is: getuig door je attitude, door je oogopslag, door een onbevangen ontmoeting met niet-christenen, door een dienstbare houding”.
En:
“Wie (…) het gesprek over geloof wil voeren, kan leren van de smartphoneverkoper, die figureert in de column ‘Overtuigen is de slechtste vorm van overtuigen’. De verkoper trok zijn klant niet over de streep door discussie of argumentatie, maar door te vertellen over zijn eigen positieve ervaringen met deze smartphone. Mensen zijn anno 2017 gevoeliger voor ervaringen dan voor argumenten. Sociale bewijskracht heet dat. Dan moet je als christen natuurlijk wel iets te vertellen hebben”[2].

Die recensent heeft een punt. Dat is zeker.
Maar er moet toch wel wat meer zijn.
Om dat nader te overwegen lijkt het mij goed dat wij elkander op 2 Kronieken 29 wijzen.

In dat Schriftgedeelte voert koning Hizkia een reformatie door.
Laten wij iets lezen van de dingen die hij zegt: “…onze vaderen zijn ontrouw geweest en hebben gedaan wat slecht was in de ogen van de HEERE, onze God, en hebben Hem verlaten. Zij hebben hun ogen van de ​tabernakel​ van de HEERE afgewend, en hebben Hem de rug toegekeerd.
Ook hebben zij de deuren van de voorhal gesloten, de ​lampen​ gedoofd en het reukwerk niet in rook laten opgaan. En het ​brandoffer​ hebben zij in het ​heiligdom​ aan de God van Israël niet gebracht.
Daarom rustte de grote toorn van de HEERE op Juda en Jeruzalem. Hij heeft hen overgegeven tot een schrikbeeld, tot verwoesting en tot een aanfluiting, zoals u met uw eigen ogen ziet”[3].

Er is sprake geweest van secularisatie. Van deformatie, zelfs.

En de schrijver van de Kronieken neemt uitgebreid de tijd om te beschrijven hoe Hizkia een reformatie doorvoert. Zo belangrijk is dat.
Soms lijkt het net alsof de wereld van aanzienlijk meer belang is dan de kerk. Welnu, zegt de Kroniekenschrijver, niets is minder waar!

De kerkdeuren zijn gesloten, zegt Hizkia.
De tempeldienst is beëindigd. Godsdienst speelde lange tijd slechts een kleine rol in de activiteiten van Gods volk.
Dat leverde een debacle op. De maatschappij zakte steeds verder af.
Hizkia heeft daar oog voor en wijst de mensen om hem heen erop: u hebt met uw eigen ogen gezien waar dat toe geleid heeft!

Met eigen ogen in Hizkia’s tijd
De priesters en de Levieten hebben de afgang gezien. Wij lezen echter niet dat ze er iets aan hebben gedaan. Wij lezen, bijvoorbeeld, niet dat zij gepoogd hebben de sluiting van de tempel te voorkomen. Hebben zij de maatschappelijke afgang proberen te voorkomen? Of hebben ze het allemaal maar laten gebeuren?

Met eigen ogen in onze samenleving
De collega’s op de werkvloer zien met eigen ogen de attitude van medewerkers uit de reformatorische hoek. De collega’s zien de blik waarmee de reformatorischen de wereld inkijken. De collega’s merken dat reformatorischen niet meteen allerlei vooroordelen over hun medemensen hebben. De collega’s ontdekken hoe dienstbaar reformatorischen over het algemeen zijn.
Die reformatorischen worden heus wel gewaardeerd. Het zijn positief ingestelde collega’s waar je van op aan kunt. Soms worden zelfs columns over hen geschreven.
Dat is mooi.
En het is prachtig dat kinderen van God naar Zijn Woord willen leven. En dat getuigen, dat moeten zij blijven doen. Die neiging tot dienstbaarheid moeten zij vooral niet onderdrukken!
Maar daarmee is toch niet alles gezegd.
Wij lezen in 2 Kronieken 29 ook over Gods uitverkiezing. Leest u maar mee:
“Nu is het in mijn ​hart​ een ​verbond​ te sluiten met de HEERE, de God van Israël, zodat Zijn brandende toorn zich van ons afkeert.
Mijn zonen, wees nu niet nalatig, want de HEERE heeft u uitgekozen​ om voor Zijn aangezicht te staan om Hem te dienen, om voor Hem dienaars te zijn, mannen die ​reukoffers​ brengen”[4].
Met andere woorden: je kunt wel met je ogen kijken, maar er is Goddelijk ingrijpen nodig om een ommekeer te bewerkstelligen.

De wereld kijkt met eigen ogen naar gelovigen
Onze medemensen kijken naar christenen. En misschien wel vooral naar reformatorischen. Zij kijken naar gelovige mensen. En toch zien zij het niet. Zij zien de drijfveer niet. En als zij die wel zien, dan doen ze niks met hun waarnemingen.
Er is meer nodig dan de eigen ogen van mensen.
Wat dan?
In 2 Kronieken 29 staat het er bij: “Hizkia​ dan en heel het volk verblijdden zich over wat God voor het volk tot stand gebracht had, want dit was onverwachts gebeurd”[5].

Het is prachtig dat christenen opvallen in de wereld.
Laten zij maar naar Gods wil leven.
Laten zij maar getuigen van Gods daden in hun al of niet roerige bestaan.
Maar laten zij vooral in gebed gaan. Laten zij God vragen om grote dingen tot stand te brengen.
Laten zij maar blij zijn omdat zij bij God mogen horen.
Laten zij maar kijken met eigen ogen, omdat God hen zicht op de werkelijkheid geeft. En laten zij hun eigen ogen maar sluiten, om tot God te bidden.
Meer hoeven zij niet te doen. Echt niet.

Noten:
[1] De gegevens van dit boek zijn: Bram Wattel en Remko Iedema, “Reformatorische meisjes en honderd andere managementcolumns: de beste columns van Bram Wattel en Remko Iedema”. – Eindhoven: Uitgeverij Pepijn, 2016. – 200 p.
[2] Steef Post, “Refomeisjes als rolmodel”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, woensdag 17 mei 2017, p. 11.
[3] 2 Kronieken 29:6, 7 en 8.
[4] 2 Kronieken 29:10 en 11.
[5] 2 Kronieken 29:36.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.