gereformeerd leven in nederland

17 april 2018

Permanente dank

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Dit artikel begint met een citaat uit Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus. Die Catechismus is, zoals bekend, een leerboekje van de kerk. We leren wat wij behoren te geloven. Wij leren wat God van ons vraagt.

Wij lezen: “Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Antwoord:
Ten eerste dat ik, als mijn heil mij lief is, alle afgoderij, tovenarij, waarzeggerij, bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen vermijd en ontvlucht.
Ten tweede dat ik de enige ware God naar waarheid leer kennen, Hem alleen vertrouw, met alle ootmoed en geduld mij aan Hem alleen onderwerp, al het goede van Hem alleen verwacht, Hem met heel mijn hart liefheb, vrees en eer, en wel zo, dat ik eerder alle schepselen prijsgeef, dan dat ik het minste of geringste tegen zijn wil zou doen”[1].

Aanroeping van de heiligen – dat doet men, zoals bekend, in de Rooms-katholieke kerk. Mensen als Maria, Petrus en Paulus komen nogal eens voorbij.
Maar in feite helpt zulk bidden niet.
Jazeker – op de korte termijn kunnen mensen wel helpen. Maar echt structurele hulp en verlossing moeten van God komen.

Mensen hebben van nature weinig goeds aan te bieden. Van nature deugen mensen niet.
Hoe komt het dan dat mensen toch volgens Goddelijke normen gaan werken en leven?
Antwoord: omdat de Heilige Geest van God hen aanstuurt.
Wij moeten dat, naar mijn vaste overtuiging, heel praktisch bekijken. Als u uw werk goed doet, komt dat omdat God ingrijpt. Dat wij op kantoor of in de fabriek prima producten afleveren is, gezien onze inborst, eigenlijk een wonder dat God in onze levens doet.

Die aansturing gebeurt via Gods wet.
En nee, we kunnen geen plaatsje in de hemel verdienen als wij ons netjes aan de wet houden. Die plaats is gecreëerd door onze Heiland, de Here Jezus Christus.
Om het met Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus te zeggen: “Wat is uw enige troost in leven en sterven?
Antwoord:
Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost”[2].
Wij houden ons aan de wet van God om onze dankbaarheid te tonen.
De Heiland heeft het verlossingswerk gedaan.
Nu zeggen door Hem gekochte mensen in woord en daad ‘dank u wel’.

Laat ik Gods wet hier maar eens neerzetten:
“Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.
U zult geen ​andere ​goden​ voor Mijn aangezicht hebben.
U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.
U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de ​misdaad​ van de vaderen vergeldt aan de ​kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, maar Die ​barmhartigheid​ doet aan duizenden van hen die Mij ​liefhebben​ en Mijn geboden in acht nemen.
U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.
Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt.
Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,
maar de zevende dag is de ​sabbat​ van de HEERE, uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienares, noch uw ​vee, noch uw ​vreemdeling​ die binnen uw ​poorten​ is.
Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.
Eer​ uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.
U zult niet doodslaan.
U zult niet echtbreken.
U zult niet stelen.
U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.
U zult niet begeren het ​huis​ van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienaar, noch zijn dienares, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is”[3].

Wie naar de bovenstaande wet kijkt, beseft al snel: daar houd ik me niet helemaal aan. Sterker nog, u realiseert zich waarschijnlijk heel goed: ik red het niet om hier consequent naar te leven.
Laten we dan maar bedenken: wij zijn in Zijn hand. En: Hij geeft ons ook dat we iedere dag weer ons best doen om naar Zijn wet te leven. Er is dus alle reden voor een permanent ‘dank U wel’.

Eigenlijk kicken we allemaal op macht. Een belangrijke baan, een leidinggevende functie… – die willen wij eigenlijk allemaal wel.
Wij zullen er met z’n allen tegen moeten vechten om onszelf belangrijk te gaan vinden. Want wij zijn in kinderen van God. Prinsen en prinsessen in Zijn koninkrijk!

Gods wet zal, als het goed is, altijd het kader van ons aardse leven wezen.
Niet als een keurslijf, een harnas. Het is onze leefregel om te laten zien hoe blij wij zijn met het Goddelijk beleid!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 34, vraag en antwoord 94.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, vraag en antwoord 1.
[3] Exodus 20:2-17.

21 maart 2018

Rust binnen het verbond

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

In Exodus 31 gaat het over de roeping van kunstenaars. Daar gaat het ook over het inachtnemen van de sabbatdag. En ook over de wet; God heeft die wet Zelf op twee stenen tafels geschreven[1].

Dit hoofdstuk bepaalt ons nadrukkelijk bij de verantwoordelijkheid die wij, mensen van 2018, hebben[2].
Wij kunnen nadenken over de manier waarop wij onze tijd besteden.
Wij kunnen de van God gekregen gaven optimaal leren benutten.
Wij mogen genieten van Gods wet. Genieten, inderdaad. Wij weten immers dat wanneer iedereen volgens Gods wet zou leven, de wereld er heel anders uit zou zien. De God van het verbond geeft de mensheid die Hijzelf geschapen heeft, een zeer wijze wet!

Gods volk leeft, als het goed is, in afhankelijkheid van Hem.
De naam van de ene kunstenaar Bezaleël, attendeert ons daar ook op. Bezaleël, dat betekent: in de schaduw van God. Die naam is ook vandaag een belangrijke vingerwijzing. Al ons werk, ook het werk in de kerk, kunnen we niet in eigen kracht doen. De energie en de mogelijkheden daarvoor moeten door God worden gegeven.

De naam Aholiab betekent: broeder van de ondersteuning.
Hij komt uit de stam Dan. Dat is een stam met een niet al te beste reputatie. Denkt u alleen maar aan de typering die Jakob in Genesis 49 geeft: “Dan​ zal een slang zijn op de weg, een adder op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterovervalt”[3]. De Danieten vormen blijkbaar een stam waarin nogal wat mensen zich van slimmigheden, list en bedrog bedienen.
Maar God gebruikt toch ook mensen uit die stam. De Here schrijft geen mensen af omdat zij bij een bepaald volk horen. Sterker nog, Hij kent hun kwaliteiten en gebruikt die ook!

De Here spreekt met Mozes over de sabbat.
De God van het verbond wil niets liever dan dat Zijn volk deelt in de rust. De Here sluit een eeuwig verbond met Zijn kinderen.
Vandaag vinden we in de kerk rust. Te midden van een woelige wereld, die bijna bol staat van daverende drukte, kleine angstjes en grote noden geeft God ons een schuilplaats.
Alleen daarom al is het belangrijk dat er in de kerk een vredige rust heerst.
Ach, ik weet wel dat dat niet altijd lukt.
Ja, het is mij bekend dat er wel eens onenigheid en ruzie is.
Maar als dat zo is, moeten we dat zo snel mogelijk uit de wereld helpen.

Eigenhandig schrijft God Zijn wet op twee stenen tafelen.
De wet is, noteerde iemand, de oorkonde van Gods verbond. Professor J. Douma schreef er eens over: “De aanhef van de Decaloog verhindert ons van de Decaloog een stel voorschriften te maken waarmee slaven worden opgedreven. Het zijn juist leefregels voor bevrijde mensen, die niet zo dwaas moeten zijn weer in de slavernij terug te vallen”[4].
Nee, de wet is geen last.
Het is het kader van een levensstijl waarin ‘bevrijding’ het trefwoord is. Onze God zorgt ervoor dat we Zijn wet in ons leven mee dragen. Leest u maar mee in Jeremia 31: “Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn”[5].
In de kerk leven we niet van de wetmatigheid. Wij vinden rust in onze Heiland!

Noten:
[1] Voor dit Schriftgedeelte kies ik omdat Exodus 29:1-31:18 centraal staat tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt vandaag, woensdag 21 maart 2018, plaats. Tijdens die vergadering hoop ik een korte inleiding te verzorgen. Deze is onder meer gebaseerd op de schetsen 29, 30 en 31 van Ds. B. van Zuijlekom, “God komt tot Zijn volk; schetsen over het boek Exodus”. – Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, 1986. – p. 96-105. Een bewerkte versie van dit artikel zal het derde deel van de inleiding zijn.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1005.pdf ; geraadpleegd op donderdag 28 december 2017.
[3] Genesis 49:17.
[4] Geciteerd via: C.H. Hogendoorn, “Elke zondag tien woorden”. In: De Waarheidsvriend, zaterdag 8 april 2010, p. 4 en 5. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[5] Jeremia 31:33.

24 januari 2018

Onbewerkte altaarstenen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

De wet van God is bij heel wat mensen in bespreking. Men vraagt: hoe gaat u om met die wet? En ook: welke plaats geeft u die wet?
Die wet heeft afgedaan, zeggen sommigen. Die wet is passé. Niet meer geldig, kortom.
Met die wet kunnen we onze dankbaarheid tonen, menen anderen. En ja, met nauw verholen graagte voeg ik mij die laatste groep sprekers.

Gods wet is bijzonder. Het is niet zomaar een grondwet. Het is geen norm die vanuit aardse regelzucht gegeven is.
‘Iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen’, zegt men. Dat betekent: het feit dat u niet wist dat iets verboden was, mag u niet gebruiken als smoesje om de wet te overtreden.
In de kerk wordt ieder lid geacht Gods wet te kennen. Daarmee wordt niet slechts een grens aangegeven. Er wordt tot positieve actie opgeroepen. Ons hele leven is, als het goed is, één lange uiting van diepe dank. In de kerk moeten we aan het werk!

In Exodus 20 wordt die wet van God gegeven. Er staan een aantal voorschriften bij.
Eén ervan mogen we gerust opmerkelijk noemen.
Het is deze: “U moet voor Mij een altaar van aarde maken en daarop uw ​brandoffers​ en uw dankoffers, uw kleinvee en uw runderen ​offeren. Op elke plaats waar Ik Mijn Naam zal laten gedenken, zal Ik naar u toe komen en u ​zegenen. Maar als u voor Mij een stenen altaar maakt, mag u dit niet bouwen van gehouwen stenen, want als u ze met uw houweel bewerkt, ontheiligt u ze[1][2].

Het altaar moet worden gebouwd met stenen die niet door mensenhanden zijn bewerkt.
Wie dat leest, zou kunnen denken: dat is vreemd, want dan wordt het stapelen van stenen alleen maar moeilijker. De stenen passen immers niet op elkaar. Wordt het op die manier niet een reuze wankel geheel? Erger nog: wordt dat altaar niet een beetje rommelig?
Van jongsaf leren Gereformeerden dat de Here volmaakt is, en dat Hij volmaaktheid om Zich heen wil. Is dat in Exodus 20 even niet meer zo?

Daar komt nog wat bij.
In Exodus 27 moet een altaar van acaciahout worden gemaakt. Van planken, wel te verstaan[3].
In 1 Koningen 8 lezen we over een altaar dat van koper is[4].
Waarom mogen de stenen voor het altaar in Exodus 20 eigenlijk niet worden bewerkt?

Het komt mij voor dat het hier vooral belangrijk is om te zien dat in Exodus 20 alles draait om de heiligheid van de Verbondsgod.
Mensen kunnen op geen enkele manier aan Hem tippen. De Heer van hemel en aarde torent ver boven deze wereld uit. Zijn almacht is alleszins bewonderenswaardig, en soms ook volstrekt verbijsterend.
In Exodus 20 krijgen de Israëlieten een les in afhankelijkheid. En alle Bijbellezers uit latere tijdperken moeten zich terdege realiseren dat zij, voor wat hun redding betreft, volledig afhankelijk zijn van de goedertierenheid van hun God.

De verlossing moet uit de hemel komen. Op aarde is er niemand, helemaal niemand, te vinden die de zonden weg kan vagen. Er is geen enkel schepsel dat de ernstige tekorten van deze zondige wereld kan aanvullen.

De stenen van het altaar? Die mag niemand fatsoeneren.
Want de zonden kan niemand op aarde in model brengen.
De wereld moet worden gered door de Here Jezus Christus, onze Heiland. Hij herstelt de zwaar beschadigde wereld. Hij brengt de kapotte schepping weer op orde. Hij geeft Zijn maaksel de paradijskracht terug.

De stenen in Exodus 20 attenderen ons erop: God is niet onze vriend.
Het is bovendien niet zo dat we op prettige en verantwoorde wijze voor Hem kunnen verschijnen als we onszelf een beetje bijwerken.
We komen er niet met een beetje polijsten en bijschaven.
Zeker, er zijn massa’s mensen die hun leven wijden aan de dienst aan de Here.
En dat is prachtig.
Laat dat vooral zo blijven.
Als men maar niet denkt, dat daarmee een toegangskaartje voor de hemel verdiend kan worden!

Laten we die onbewerkte altaarstenen van Exodus 20 maar in gedachten houden.
Dan beseffen we ook wat onze positie is tegenover de hoge God.

Noten:
[1] Exodus 20:24 en 25.
[2] Voor dit Schriftgedeelte kies ik omdat Exodus 20:1-26 centraal staat tijdens een vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt vanavond, woensdagavond 24 januari 2018, plaats.
[3] Exodus 27:1 en 8.
[4] 1 Koningen 8:64.

18 januari 2018

Smaakversterker

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Wat is een der belangrijkste kenmerken van onze tijd? Mijn antwoord: smakeloosheid.

Hieronder twee voorbeelden.
1.
“Rapper Boef heeft zijn excuses aangeboden voor twee vlogs. Soufiane Boussaadia, zoals de 24-jarige artiest eigenlijk heet, kreeg in de Nieuwjaarsnacht een lift van drie vrouwen, nadat hij een lekke band had gekregen. Boussaadia plaatste hierover een video in chatapp Snapchat. Daarin noemde hij de vrouwen ‘kechs’ – hoeren in straattaal.
De video kwam Boussaadia op kritiek te staan op sociale media, wat hem niet tegenhield opnieuw een video te maken. Daarin ging hij nog iets verder. ‘Ik heb een paar mensen boos gemaakt, omdat ik kechs zeg. Maar wat doen jullie in een club met alcohol, korte rokjes, om acht uur ’s ochtends?’, zei hij in de video.
‘Als je thuiszit, hele dag niks doet, studeren, lief doen, dit dat, mamma pappa luisteren, dan noem ik je een vrouw. Maar ga niet als je een kech bent, boos worden als ik je een kech noem. Want je bent een kech. Klaar, snap je?’, aldus Boussaadia”[1].
2.
“De Rotterdamse jongerenagent Remy Hartog roept via Twitter mensen op geen foto’s van overledenen op sociale media te plaatsen.
‘Het respect is ver te zoeken’, schrijft hij. ‘Afgelopen week betrokken geweest bij een melding waarbij een overleden persoon werd aangetroffen op straat. Omstanders deden veel moeite om deze persoon op de foto te zetten’.
Die beelden worden op sociale media geplaatst. De agent wijst erop dat dit extra leed veroorzaakt bij familieleden. De foto’s blijven bewaard en nabestaanden kunnen er ook later nog mee geconfronteerd worden.
‘Hoe zou jij het vinden als een overleden dierbare op de foto is gezet en je wordt daar later nog mee geconfronteerd’, schrijft hij op Instagram.
Recent maakte de agent mee dat kinderen via sociale media een foto zagen van hun overleden vader voordat de nabestaanden waren geïnformeerd. ‘Vreselijk’, zegt Hartog. ‘Je weet officieel nog helemaal niets en dan krijg je dat er nog eens als extra klap bovenop’”[2].

Wat is er aan de hand?
De fijngevoeligheid ontbreekt.
De rust en het evenwicht zijn weg.
De bedachtzaamheid is, in het algemeen gesproken, verdwenen.
Vroeger zette men onder brieven ‘Hoogachtend’. Dat is uit de tijd. Dat doe je niet meer.
Iemand met egards behandelen? Nou, dat is wel heel erg twintigste-eeuws.

Wat is het belangrijk dat kerkmensen zorgvuldig omgaan met de mensen die zij in het leven tegen komen! In de drukte van onze samenleving kan het zomaar gebeuren dat we ons onbehouwen gedragen. We zullen onszelf op dit punt met regelmaat moeten beproeven. Als je eenmaal de grens over bent, gaat het – soms vrijwel ongemerkt – van kwaad tot erger.
Laat de kerk nooit smakeloos worden!

Wij mogen elkaar wijzen op Mattheüs 5: “U bent het zout van de aarde; maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden”[3].

Een exegeet schreef in september 1894 over Mattheüs 5: “Deze allen waren menschen, tot wie Gods Woord, het Evangelie der zaligheid, gekomen was, en die dat Woord hadden aangenomen, en juist daardoor, dat zij dit Woord aangenomen en in hunne harten opgenomen hadden, zijn zij geworden, wat de Heere zegt: het zout der aarde en het licht der wereld. Juist in dien weg, dat zij als discipelen van Jesus vervolgd en gelasterd worden, zijn zij het zout der aarde, het licht der wereld. Hij zegt niet, dat zij dit zullen worden, maar: Gij zijt het. Christus Zelf heeft hen daartoe gemaakt; zij zijn het niet in zichzelven en door zichzelven, maar door het Woord des Heeren, dat hun gegeven is, al is het ook, dat zij dezen schat in aarden vaten dragen. Hij heeft hun gegeven de ware kennis van zonde en schuld, zoodat zij tot de bekentenis zijn gekomen, hoe zij geheel verloren zijn, dat zij onder den vloek liggen…”[4].

Een scribent uit de reformatorische hoek schreef niet zo lang geleden over “de individualisering, de angstwekkende gezagsdevaluatie, het geweld op straat en de diep ingevreten fraudementaliteit”[5].
Dat alles erkent en herkent de seculiere samenleving heus wel.
De vraag is: hoe moet dat alles worden bestreden?
De kerk is het zout der aarde, zo werd al in 1894 geschreven. Vanuit het Evangelie mag en moet de kerk dus antwoorden geven!

En waar moeten we die antwoorden dan vandaan halen?
Wij moeten wijzen op de wet van God. Die wet is de gedragsregel voor kerk en wereld. Die wet zegt: gij zult niet doodslaan. Volgens de Heidelbergse Catechismus betekent dat: wij moeten voor onze naaste “geduldig, vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn”[6].

Gods wet staat in het kader van het verbond: de duurzame relatie tussen God en mensen. Dat verbond wordt nooit oud en muf. Daarom moeten Israëlieten, zo zegt Leviticus 2, bij hun offerdienst altijd zout gebruiken[7]. In Numeri 18 gaat het zelfs over “een eeuwig, met zout bekrachtigd ​verbond”[8].

De kerk is een zoutend zout – jazeker.
Maar de zuiverende kracht van zout is wel een gegeven energie. Dat blijkt in 2 Koningen 2, waar het water van Jericho gezond wordt gemaakt. Ik citeer: “En hij (dat is Elisa) zei: Breng mij een nieuwe ​schaal​ en doe er zout in. En zij brachten die bij hem. Toen ging hij naar buiten, naar de ​waterbron, wierp het zout daarin en zei: Zo zegt de HEERE: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood of misgeboorte meer door komen. Zo werd dat water gezond, tot op deze dag, overeenkomstig het woord van ​Elisa​ dat hij gesproken had”[9].
Met andere woorden: de God van het Verbond maakt het leven gezond!
Job zegt in Job 6:
“Wordt het smakeloze gegeten zonder zout?
Zit er smaak aan het wit van een ei?”[10].
Zout is een prima smaakversterker. Welnu, zo maakt God Zijn kerk tot de smaakversterker van de wereld. Daar moet de kerk zich scherp bewust van blijven.

De kerk moet in het verbond leven.
De kerk moet met Gods Woord leven.
Wie in dat Woord leest, en zijn antwoorden op de Bijbel baseert, zal er in slagen om goede reacties te formuleren. Niet dat dat altijd makkelijk is. Maar het wordt wel mogelijk.

Paulus schrijft aan de christenen in Colosse: “Wandel met wijsheid bij hen die buiten zijn, en buit de geschikte tijd uit. Laat uw woord altijd aangenaam zijn, met zout smakelijk gemaakt, opdat u weet hoe u iedereen moet antwoorden”[11].

De westerse mensheid van 2018 overschreeuwt zich, en gooit via de sociale media allerlei ondoordachte zotteklap de wereld in.
De mensen om ons heen zoeken sensatie in het leed van anderen.
Laten kerkmensen zich daar maar verre van houden.

Misschien worden zij door medemensen dan wel afgeschilderd als een stel brave Hendrikken.
Kent u het schoolboekje ‘De brave Hendrik’ van Nicolaas Anslijn (1777-1838)? Onze uitdrukking ‘brave Hendrik’ danken we aan die oude publicatie.
Het boekje begint zo.
“Kent gij Hendrik niet, die altijd zoo beleefd zijnen hoed afneemt als hij voorbij gaat?
Vele menschen noemen hem de brave Hendrik, omdat hij zoo gehoorzaam is, en omdat hij zich zoo vriendelijk jegens ieder gedraagt.
Hij doet nooit iemand kwaad.
Er zijn wel kinderen, die hem niet liefhebben.
Ja, maar dat zijn ook ondeugende kinderen.
Alle brave kinderen zijn gaarne bij Hendrik.
Kinderen, die met Hendrik omgaan, worden nog braver, want zij leeren van hem, hoe zij handelen moeten”[12].

Ach nee, brave Hendrikken – dat zijn kerkmensen niet.
Maar Gods kinderen leven wel vanuit het Woord.
Dat is hun norm.
Dat is hun maatstaf.
Gods Woord is hun Boodschap voor de wereld.

Noten:
[1] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2210227-rapper-boef-zegt-sorry-vrouwen-hoeren-noemen-is-dom.html ; geraadpleegd op vrijdag 12 januari 2018.
[2] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2211549-agent-rotterdam-svp-geen-foto-s-van-overledenen-op-sociale-media.html ; geraadpleegd op vrijdag 12 januari 2018.
[3] Mattheüs 5:13.
[4] Geciteerd uit: “Verklaring van Mattheüs 5:13-16”. In: Amsterdamsch Zondagsblad, 2 september 1894, p. 1-4. Dat blad is afkomstig uit de kring van vrienden van H.F. Kohlbrugge.
[5] D. Koole, “Kerk is geweten van de samenleving”. In: katern Puntkomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, 24 december 2016, p. 19.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 40, antwoord 107.
[7] Leviticus 2:13: “Elke offergave van uw graanoffers moet u met zout bereiden. Het zout van het ​verbond​ met uw God mag u aan uw ​graanoffer​ niet laten ontbreken. Bij al uw offergaven moet u zout aanbieden”.
[8] Numeri 18:19.
[9] 2 Koningen 2:20, 21 en 22.
[10] Job 6:6.
[11] Colossenzen 4:5 en 6.
[12] Geciteerd via https://onzetaal.nl/taaladvies/brave-hendrik ; geraadpleegd op vrijdag 12 januari 2018.

26 mei 2016

Vreugdevol vooruitzicht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Dinsdag 17 mei 2016 – in het Reformatorisch Dagblad staat een vraaggesprek met de hersteld-hervormde predikant H. Zweistra.
“Eenzaam, maar vrij en onafhankelijk” staat er boven. Er straalt, wat mij betreft, in eerste instantie niet al te veel optimisme van die krantenkop af. Predikant zijn is ook in onze tijd voorwaar geen sinecure!

“Hij is veel kwijtgeraakt. Eenzamer geworden. Maar ook vrijer”, lees ik.
Even verder staat:
“Ds. Zweistra is gevoelig van aard en dat kan tot zwaarmoedigheid leiden, vertelt hij. Misschien wel daardoor is hij geïnteresseerd in psychologische processen binnen en buiten de kerk. ‘In de periode dat ik gemeenten visiteerde, zag ik dat veel conflicten terug te leiden zijn op de karakterstructuur van een predikant. Dominees zijn vaak koninkjes die mensen om zich heen verzamelen om hen te ondersteunen. Ik heb daarom op de synode gepleit voor een ingrijpend psychologisch onderzoek bij kandidaten alvorens hen aan te nemen. Predikanten prediken zelfverloochening vaak wel met de mond, maar missen soms de praktijk”.
Met name treffen mij de volgende zinnen:
“Als je in het ambt staat, kun je weinig vrienden hebben. Ze snoeren je namelijk snel de mond. Dat is een valkuil bij velen in een bepaalde zuil. Een leven met de Heere maakt je eenzaam, maar ook vrij en onafhankelijk”[1].

Eenzaamheid.
Vrij.
Onafhankelijk.
Die woorden roepen bij mij enige herkenning op.
Niet omdat ik dominee ben. Want dat ben ik niet.
Maar het is een feit: met heel wat mensen waar ik eertijds veel mee optrok, is het contact aanzienlijk minder geworden.
Waarom?
Daar zijn verschillende redenen voor. Maar één ervan is zonder twijfel dat heel wat vrienden van vroeger niet Gereformeerd meer zijn. Zo gaat dat. Maar verdrietig is het wel.

Niet dat het leven van mijn vrouw en mij thans een triest tranendal is. Integendeel. Wij hebben een vergenoegd en vrolijk leven. We hebben ruim voldoende bezigheden en we eten er lekker van, dank u.
Maar dat stellig weten ván en dat vaste vertrouwen óp Gods beloften: dat vinden we bij heel veel vrienden en kennissen niet terug.

Nee, eenzaam zijn wij niet.
In de kerk hebben we vrienden en kennissen waar we heel wat mee kunnen delen.
Wij hebben inmiddels echter begrepen dat we het van die contacten uiteindelijk niet moeten hebben.
Zeker, die contacten zijn mooi meegenomen.
Doch er is meer.

Dominee Zweistra laat blijken dat hij “eenzaam, maar vrij en onafhankelijk” is.
Des predikants woorden zetten mij aan het denken.

De woorden van dominee Zweistra brengen mij bij een vers uit Psalm 119:
“Aan alles, hoe volkomen ook, heb ik een einde gezien,
maar uw gebod is onbegrensd”[2].
In de omgeving van dat vers zien we een lofprijzing, een gebed, een klacht, een blijk van toewijding en een geloofsbelijdenis[3].
In deze psalm zien wij heel veel levenssituaties getekend.
De dichter heeft begrenzing gezien.
Alles is eindig, ontdekte hij.
Hij zag voltooiing. Volkomenheid.
Maar de conclusie is onontkoombaar: Gods gebod geeft nog veel meer ruimte. Het terrein is ontzaglijk breed[4].
In het Goddelijk gebod wordt een grens zichtbaar. Die grens maakt – hoe paradoxaal! – een einde aan menselijke, en dus zondige, dominantie en beperktheid.

Gods gebod geldt overal in de wereld.
Dat gebod geeft echte vrijheid.
Als we ’t aan de mensen overlaten wordt ons leven snel beknot, verkleind en bekrompen.
Mensen gaan goede raad geven, die nét niet op onze situatie slaat.
Therapeuten en instrumentmakers blijken, tot onze teleurstelling, niet bereid om een stapje harder voor ons te lopen.
Vrienden van vroeger raken uit beeld, vanwege andere bezigheden en/of omdat ze ver weg wonen. Nee, onwil is het niet. Er gaan echter maar 24 uur in een etmaal.
Voelt u iets van de eenzaamheid? Ziet u hoe het isolement op kousenvoeten binnensluipt?
Ach, u kent vast ook honderd van die situaties.

Maar Gods gebod is onbegrensd.
Het is heel verantwoord dat Gods gebod in ons brein echoot.
Wij worden er wijze mensen van. We raken niet zo snel meer uit ons evenwicht.
Het is zelfs niet uitgesloten dat een gelovig mens zijn leermeesters overvleugelt. In diepgang. In inzicht.
De dichter van Psalm 119 weet daar wel een beetje van:
“Hoe lief heb ik uw wet!
Zij is mijn overdenking de ganse dag.
Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden,
want het is altoos bij mij.
Ik ben verstandiger dan al mijn leermeesters,
want uw getuigenissen zijn mij tot overdenking”[5].

Misschien maken die wijsheid en dat verstand van Psalm 119, menselijk bezien, wel eens wat eenzaam. Een beetje contactarm wellicht zelfs.
Maar dan, juist dan, is er alle tijd om ons te verheugen op de toekomst.
Die toekomst waarin Gods geboden tot in hemelse perfectie worden uitgevoerd.
Die toekomst waarin vrijheid en onafhankelijkheid een volkomen nieuwe gevoelswaarde zullen hebben.

Laten wij met elkaar dat prachtig perspectief uit Openbaring 21 maar bewonderen:
“En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. En Hij sprak tot mij: Zij zijn geschied. Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens om niet. Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn”[6].

De dood is weg uit de wereld.
Rouw kent men dan niet meer.
Geklaag is uit de tijd.
Moeiten zullen zijn verdwenen.

Vanwege dat vooruitzicht nemen Gods kinderen tegenvallers en teleurstellingen graag voor lief.
Laten wij hopen dat dominee Zweistra dat vooruitzicht ook voor ogen houdt. En laten wij allen de blik op die toekomst richten!

Noten:
[1] “Eenzaam, maar vrij en onafhankelijk”. In: Reformatorisch Dagblad, dinsdag 17 mei 2016, p. 14.
[2] Psalm 119:96.
[3] Zie Psalm 119:89-96.
[4] De letterlijke vertaling van Psalm 119:96 is: “begrenzing/einde ik zag voltooiing/volkomenheid Van elke zeer uw gebod ruim/breed”. In die letterlijke weergave kunnen we al iets van de sfeer proeven waarin de dichter verkeert.
[5] Psalm 119:97, 98 en 99.
[6] Openbaring 21:3-7.

1 april 2015

Gescheurd voorhangsel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Vanavond – woensdagavond 1 april – zal, op de Bijbelstudievereniging waar ik lid van ben, gesproken worden over het onderwerp ‘het verbond in de Bijbel’.
In de inleiding die hedenavond de bespreking op gang moet brengen, komt een aantal keren het voorhangsel voor.
Ik citeer:
* “In Exodus 26 wordt het voorhangsel voor de tabernakel beschreven en voorgeschreven (in Hebreeën 10 is het Christus zijn vlees)”.
* “Door Christus werk is het voorhangsel gescheurd, de ‘schemerdienst’ opgeheven”.
* “Toen Christus zei ’Het is volbracht’, scheurde het voorhangsel. De ark was nutteloos geworden. We kunnen nu, door Christus offer, ons rechtstreeks tot God ons wenden. Nu zonder offers, Christus was & is het vervullend offer” [1].

Vandaag wil ik een ogenblik op dat voorhangsel inzoomen.

In Exodus 26 staat de beschrijving van een prachtig gordijn. Een zwaar gordijn van blauwe, paarse en rode wol; er wordt bovendien fijn linnen in verwerkt. Er moeten figuren van engelen in geweven worden.
Dat gordijn scheidt het heilige van het heilige der heiligen.
En het mag gezegd: een schitterend gordijn is het!
Kunst met een grote K!
Van museale kwaliteit, zouden wij vandaag zeggen[2].

Dat voorhangsel laat aan de mensen weten: de weg naar de troon van de Here is niet vrij begaanbaar. Zondige mensen kunnen niet zomaar naar de Here toe gaan!

In Mattheüs 27 gaat dat echter veranderen.
Leest u maar mee: “Jezus riep wederom met luider stem en gaf de geest. En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad, waar zij aan velen verschenen”[3].
De weg naar Gods troon is open. Wij mogen naar Hem toe gaan. Wij mogen Hem aanroepen, om Zijn aandacht roepen. Dat is belangrijk in een wereld waarin wij heel snel van alles over elkaar weten. Wij zien goede dingen. Maar ook veel zondige, ronduit slechte en goddeloze dingen.
Ik noem één schokkend voorbeeld uit het recente nieuws.
Op dinsdag 24 maart jongstleden jaagt een copiloot van een vliegtuig willens en wetens al zijn passagiers de dood in. In de Franse Alpen sleept hij ze, naar het zich laat aanzien, mee in zijn wanhoop, zijn ziekte en het verlangen naar de dood. Wij concluderen wellicht: dit is, ten diepste, egocentrisme in optima forma. Maar er is meer: want hier zien we waar de mensheid terechtkomt als de God van hemel en aarde genegeerd wordt. Hier zien we wat er gebeurt als wij ’t in dit leven helemaal zelf op willen knappen[4]!
Welnu – dat schitterende gordijn gaat, op een voor mensen onverklaarbare wijze, stuk. De kunst met een grote K blijkt opeens waardeloos geworden. Waarom? Omdat God Zijn kinderen op aarde in staat wil stellen om – te midden van al die zondige zaken, al dat geweld, al die terreur, al die humane rommel – troost te zoeken en om vergeving te vragen. Hij wil hen een schuilplaats bieden die altijd bereikbaar is. Alle obstakels worden weggehaald. De Here zegt: kom maar naar Mijn troonzaal; kom hogerop, Mijn kinderen!

In Hebreeën 10 staat te lezen: “Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, en wij een grote priester over het huis Gods hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water. Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw”[5].
Er is een nieuwe weg. Die weg noemen we de levende weg, omdat die alles te maken heeft met Jezus Christus; de Heiland die geleden heeft, gestorven is en op de eerste Paasdag weer op stond.

Zo is het oude verbond vervuld. Het is volmaakt geworden.
En waar zien wij dat dan? Wat merken we ervan?
Antwoord: wij zien de uitwerking van het nieuwe verbond in de kerk. Leest u maar mee in Efeziërs 1: Hij heeft laten zien “hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt”[6].
Gewone kerkmensen worden, ook individueel, vervuld met Gods Geest. Denkt u bijvoorbeeld maar aan Zacharias, in Lucas 1[7]. Of aan Petrus, in Handelingen 4[8]. Of aan Paulus, in Handelingen 13[9].
Wij mogen naar de God van hemel en aarde toe. Jazeker. Zonder schroom of schrik.
Maar de Here God komt ons ook tegemoet. Hij maakt Zijn kerk vol van Hem, en van Zijn Geest.

Wij spreken wel eens over het genadeverbond.
In het Oude Testament lezen we met zekere regelmaat hoe mensen een verbond met elkaar sluiten. In Genesis 21 lezen we hoe Abimelech en Abraham een verbond sluiten[10]. In 1 Koningen 20 kunnen wij lezen hoe Achab een verbond sluit met de Syrische koning Benhadad. In het verbond waren diverse welomschreven en plechtig vastgelegde verplichtingen opgenomen; zo mocht Achab in Damascus Joodse winkelstraten aanleggen[11].
Het bijzondere van het genadeverbond is dat dat tussen ongelijkwaardige partners gesloten wordt. Aan de hemelse God kunnen aardse mensen natuurlijk niet tippen. Maar God buigt zich naar ons over.
Een predikant schrijft daarover: “Het is belangrijk om hier altijd goed op te letten. Het genadeverbond is nooit een overeenkomst tussen twee gelijkwaardige partijen, waarin God zegt: ‘U doet uw deel en dan doe Ik Mijn deel’ . Ook is het nooit zo, dat wij kunnen zeggen: ‘Ik heb mijn deel gedaan, nu moet God Zijn deel ook nakomen’. Het is en blijft een genadeverbond. God is geen contract-God! Hoevelen hebben het genadeverbond tot een contract gemaakt. Zij zeggen: ‘Indien je gehoorzaamt en doet wat God zegt, zal God Zijn verplichting nakomen en je in de hemel brengen’.
Het genadeverbond is geen contract, maar Gods nederbuigen in liefde en ontferming tot een zondaar, die niets bezit dan schuld en vloek.
Toch blijft het wel een verbond. Het blijft een overeenkomst tussen twee partijen, waardoor een eeuwigdurende relatie gelegd wordt tussen God en de zondaren. Maar de mens oefent geen invloed uit op de inhoud van het verbond. Het is God, Die het verbond opricht, bepaalt, dicteert, eist en belooft.
Toch heeft de mens wel degelijk een plaats in dit verbond. Hij moet dit eenmaal gesloten verbond bewaren en houden (…), aan het verbond vasthouden (…), het verbond niet ontheiligen (…), enzovoort”[12].

Hoe houden we die verbondseisen gedurende ons hele leven helder voor ogen?
Antwoord: door de wet van God als leefregel aan te nemen. Op die manier kunnen en mogen wij onze dankbaarheid voor Gods genade tonen.
Nee, die dankbaarheid is nooit perfect. Dankbaar leven: dat is, hoe tegenstrijdig het ook klinkt, een kwestie van vallen en opstaan. En van strijd. De wens is er wel, maar de praktijk is vaak hard.
Maar we mogen weten: de eerste Paasdag heeft plaatsgevonden. Christus is waarlijk opgestaan!

Het verbond overkoepelt heel ons leven. Heel ons leven.
De eertijds bekende auteur H. Westerink heeft daar mooie dingen over geschreven. Graag geef ik vandaag een citaat door uit één van zijn leerzame publicaties.
“En als wij vandaag zitten in de kerk, en de zegen wordt uitgesproken, dan geldt die niet minder héél de gemeente.
‘De genade van de Here Jezus Christus en de liefde van God, en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen’.
U àllen.
Daar hebben wij, toen we nog kinderen waren, nooit buiten gestaan, ook al begrepen wij nog niet alles wat er gebeurde.
En daar staan ook vandaag de kinderen in de gemeente niet buiten. Niet veraf, maar nabij.
Gezegende gemeente.
Gezegende kinderen”[13].

Het voorhangsel is gescheurd. Dat prachtige gordijn heeft geen functie meer.
Maar er komt oneindige heerlijkheid van Gods kinderen voor in de plaats!

Noten:
[1] De inleiding is van de hand van broeder R.E. Groothoff te Aduard.
[2] Zie Exodus 26:31, 32 en 33.
[3] Mattheüs 27:50-53.
[4] Zie hierover bijvoorbeeld http://www.omroepbrabant.nl/?news/2268551113/Vliegtuigramp+Germanwings+was+opzettelijke+actie+copiloot.aspx (geraadpleegd op maandag 30 maart 2015).
[5] Hebreeën 10:19-23.
[6] Efeziërs 1:19-23.
[7] Lucas 1:67: “En zijn vader Zacharias werd vervuld met de heilige Geest en profeteerde…”.
[8] Handelingen 4:8: “Toen zeide Petrus, vervuld met de heilige Geest, tot hen…”.
[9] Handelingen 13:9: “Doch Saulus, anders gezegd Paulus, vervuld met de heilige Geest, zag hem scherp aan…”.
[10] Genesis 21:22-34.
[11] 1 Koningen 20:23-34.
[12] Ds. C. Harinck, “Het genadeverbond”. In: ‘Daniel’ – jongerenblad van de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten (vrijdag 15 augustus 1986), p. 9-12. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[13] H. Westerink, “Een teken van trouw; over onze doop”. – Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, © 1987. – p. 55.
Westerink leefde van 1914 tot 2013. Zie over hem http://www.nd.nl/artikelen/2013/februari/23/schrijvende-onderwijzer en http://www.nd.nl/artikelen/2014/november/28/lettergrepen-642-zmlk-h.-westerink .

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.