gereformeerd leven in nederland

10 augustus 2018

Wees verheugd!

‘Uw wil geschiede’ – dat is een bede uit het bekende Onze Vader.
Volgens de Heidelbergse Catechismus betekent dat: “Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Dat wil zeggen: Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verloochenen en uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn, zodat een ieder zijn taak waartoe hij geroepen is, even gewillig en trouw vervult als de engelen in de hemel doen”[1].

Met deze bede leggen we ons leven in handen van de God van hemel en aarde. We geven ons bestaan uit handen. In zekere zin althans.
En dat is lastig. Buitengewoon moeilijk zelfs. Jouw leven uit handen geven? Zo van: ik zie wel wat God voor mij in petto heeft? Dat is één van de ingewikkeldste dingen des levens!

Om misverstanden te voorkomen: wij blijven mensen met verantwoordelijkheid.
Wij behoren te leven naar Gods wet. Daarin is de wil van God vervat. Dat is het kader van ons leven.
Daarmee zijn echter niet alle problemen de wereld uit.
Immers – wij willen de zaakjes toch zelf regelen. En eigenlijk willen wij andere zaken, die we niet zelf in de hand hebben, graag ook organiseren.

Niet zo lang geleden voerde ik een paar goede gesprekken met een gelovige en zeer gewaardeerde broeder.
De betreffende broeder maakt zich zorgen over de kerk. ‘Het gaat fout op de kansel’, riep hij in het vuur van zijn betoog. Ach nee, deze man bedoelde heus niet dat er op de preekstoel ongereformeerde dingen worden gezegd.
Deze broeder bedoelde, als ik hem goed begrepen heb, vooral dit: de stijl van de kerk is zo anders als vroeger.
De tijden van K. Schilder (1890-1952) en M.B. van ’t Veer (1904-1944) boden meer verdieping, sprak de broeder bewogen.
En bovendien – na de kerkdienst op zondagmorgen gaat ’t alleen maar over koetjes en kalfjes. Het moge duidelijk zijn: deze broeder heeft weinig met dergelijke dieren; koetjes en kalfjes zijn niet aan hem besteed.

Jazeker – ik begrijp deze broeder heel goed.
Hoe vaak zien we niet een zekere afgang in de kerk?
Intussen wil deze broeder de rijkdom van formuleringen uit oude tijden vasthouden. Terwijl dat lang niet altijd kan. Al was het alleen maar omdat die formuleringen door jongeren vaak niet meer begrepen worden.

Bij de overdenking van dat gesprek kom ik uit bij de inzet van de algemene brief van de apostel Jacobus: “Jacobus, een dienstknecht van God en van de Heere ​Jezus​ ​Christus, aan de ​twaalf stammen​ die in de verstrooiing zijn: wees verheugd!
Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen terechtkomt, want u weet dat de beproeving van uw geloof volharding teweegbrengt. Maar laat die volharding ook volledig mogen doorwerken, opdat u volmaakt bent en geheel oprecht, en in niets tekortschiet”[2].

Jacobus is een aardse broer van de Here Jezus. Volgens een Joodse geschiedschrijver, Flavius Josephus, is Jacobus in 62 na Christus gestorven. De brief moet dus ergens in de jaren daarvóór zijn geschreven.

De christenen worden vervolgd. Jacobus is klaarblijkelijk bang dat pas bekeerde christenen hun geloof weer verliezen. Vanwege het feit dat ze worden weggedrukt. En ook door andere omstandigheden, wellicht.

Jacobus is een dienstknecht van God.
Laten wij daar vooral niet overheen lezen.
Jacobus leert aan zijn lezers dat de God van hemel en aarde de wereld in de hand heeft. Op deze manier herinnert Jacobus zijn lezers eraan dat het Hoofd van de kerk actief present is. De Heiland is er bij. Hij laat niet varen wat Zijn hand begon, zeggen we in de kerk. Dat betekent: de hemelse Heer voert het plan dat Hij gemaakt heeft helemaal uit.
Het is heus niet zo dat de kerk in het luchtledige zwerft.
Het is ook niet zo dat Jezus Christus zich teleurgesteld terugtrekt. Zo van: die gelovige mensen op aarde redden zich maar. Welnee! De Redder van het leven beschermt Zijn kinderen, met de kracht die Hem eigen is.

Wie zich dat realiseert kan met Zondag 49 van de Heidelbergse Catechismus zeggen: Uw wil geschiede.

Wees verheugd!, schrijft Jacobus. Want de beproeving van uw geloof geeft u meer volharding. U wordt getest. Hoeveel geloofskracht heeft u nu echt?
Eén ding is zeker: die geloofstraining geeft u meer doorzettingsvermogen.
Wees dus maar blij!
Het is belangrijk om dat duidelijk tegen elkaar te zeggen.

Die broeder van hierboven heeft veel zorgen over de kerk.
En laten wij maar eerlijk wezen: we vragen ons allemáál wel eens af hoe het verder moet met de kerk. Want wij bemerken bij tijd en wijle een schrijnend gebrek aan Bijbelkennis. Wij zien verslapping, misschien. En ongeïnteresseerdheid, zo nu en dan.
Daar praten wij met elkaar over. Wij praten elkaar moed in. ‘Wij zijn er nog’, zeggen wij opgelucht. En: ‘laten wij maar volhouden en doorzetten’.
Echter: dergelijke conversatie moet niet de eerste prioriteit in ons leven hebben.
Want het eerste dat wij tegen elkaar moeten zeggen is:
* wat zijn we blij met God de Vader, die ons voortdurend verzorgt!
en:
* wat zijn we blij met onze Heiland, die Zijn kerk permanente bescherming biedt!
Die geloofskennis mag en moet eerst geformuleerd worden.
En daarná moet die kennis steeds op de achtergrond van onze conversaties blijven staan.
Laten we, in al ons doen en laten, maar tonen dat kerklidmaatschap altijd iets feestelijks heeft.

Wie zich dat realiseert kan met Zondag 49 van de Heidelbergse Catechismus zeggen: Uw wil geschiede.
Daarmee zeggen wij dan, als het goed is, impliciet: geef dat wij steeds beter leren om onze eigen wensen aan de kant te zetten; geef dat wij zonder mopperen naar Gods wet gaan leven.

Jacobus schrijft: in feite moet geen enkele deugd die een christen eigen moet zijn bij u ontbreken.
Jacobus schrijft: al die deugden moeten bij u zijn gerijpt[3].

Christelijke deugden – welke zijn dat?
Wij kunnen denken aan de volgende: geloof, hoop, liefde, godsvrucht, ootmoed, zachtmoedigheid, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, rechtvaardigheid, trouw, ingetogenheid, matigheid, zelfbeheersing, volharding, vrijgevigheid en mededeelzaamheid[4].

Die oproep van Jacobus klinkt wellicht wat zweverig.
Immers: alle deugden moeten gerijpt zijn.
Maar dat ideaal is toch onbereikbaar?
Moeten wij ons toch zorgen over de kerk gaan maken?
Zeker niet!
Want net als Jacobus zijn gelovigen van de eenentwintigste eeuw dienstknechten van God. Met andere woorden: godvruchtige mannen en vrome vrouwen zijn in dienst van God.
De Schepper van hemel en aarde geeft Zijn kinderen op aarde ieder een taak. Onze roeping is om die taak standvastig en volgzaam uit te voeren.

Wie zich dat realiseert kan met Zondag 49 van de Heidelbergse Catechismus zeggen: Uw wil geschiede.
Die bede geeft geen reden voor onrust of paniek. Want de Machthebber van hemel en aarde heeft kerk en wereld in de hand.
Ook in 2018. Zonder K. Schilder. Zonder M.B. van ’t Veer.
Maar ook nu moet de volharding volledig doorwerken.
Dus gaan wij rustig onze gang.
Gelovig.
Vervuld van christelijke deugden.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 49, antwoord 124.
[2] Jacobus 1:1-4.
[3] Zie hiervoor de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Jacobus 1:4.
[4] Zie hierover bijvoorbeeld http://www.christipedia.nl/Artikelen/D/Deugd ; geraadpleegd op vrijdag 27 juli 2018.

8 maart 2018

Over Gods wil

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Volgelingen van Christus hebben de diepe wens om Gods wil te doen[1]. Het wordt vandaag de dag ook wel expliciet gezegd: het is Gods wil dat ik dit of dat doe. In mijn brein zwerft dan meestentijds een vraagteken: hoe weet die spreker nu zo zeker dat hij met zijn besluit werkelijk Gods wil uitvoert?

Wellicht kent u het onderscheid tussen de verborgen wil van God en Zijn geopenbaarde wil.
In de Bijbel heeft God geopenbaard wat Hij wil: gehoorzaamheid.
De Here heeft een plan met de wereld. Hij gaat iets nieuws met de wereld doen. Zijn wil kennen wij niet. Die is verborgen. Maar die is er wel. De Here heeft de leiding in de wereld. Hij werkt aan een plan dat nog verborgen is.

In verband daarmee vraagt de Here:
* geloof: de beloften die de God aan Zijn kinderen heeft gedaan worden realiteit
* gebed: daarin spreken wij de hoop uit dat wij hoe langer hoe beter leren gehoorzame kinderen te zijn.
Wat dit betreft is Gods Zoon, Jezus Christus, ons voorbeeld.
In Marcus 1 kunnen we lezen: “En ’s morgens vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf Zich naar een eenzame plaats, en bad daar”[2]. Hoeveel bezigheden er ook waren, altijd had Hij tijd om te bidden. Het belang van bidden stond voor onze Heiland gelijk aan het voedsel van de dag. Kijkt u maar in Johannes 4. Daar zegt Jezus tegen Zijn discipelen: “Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Hem Die Mij gezonden heeft en Zijn werk volbreng”[3].

Nee, het is niet altijd meteen duidelijk wat de wil van God is.
Neem nu de volgende situatie.
Een meisje komt een lieve jongen tegen. De jongen is ongelovig. Even zo goed vindt het meisje hem heel lief. Mogen zij een relatie aangaan? We weten het: een ongelijk span is geen goede zaak. Maar stel nu eens dat de lieve jongen niet geheel afwijzend tegenover geloof en kerk staat. Moet men het aangaan van die relatie dan helemaal afwijzen? Het kan immers best gebeuren dat de betreffende jongeman een heel gelovig mens wordt. Welnu, in een dergelijk geval zeg ik: laten we even afwachten. Maar ik zeg ook: laat er spoedig meer duidelijkheid komen; want hoe langer de verkering duurt, hoe moeilijker het wordt om, indien nodig, de relatie te verbreken.

Ach, wij vragen ons – denk ik – allemaal wel eens af wat de wil van God in een concrete situatie is. Als het een beetje tegenzit kunt u, geachte lezer, zonder veel moeite omstandigheden bedenken die nogal wat gecompliceerder zijn dan de hierboven genoemde.
De wil van God is niet altijd meteen duidelijk.
Sterker nog: twee mensen kunnen met betrekking tot eenzelfde kwestie verschillende beslissingen nemen, en vervolgens allebei menen dat zij Gods wil doen. Iets dergelijks komt al in de Bijbel voor. In Jeremia 28 zien we twee profeten, Jeremia en Hananja, die beiden claimen het Woord van God te brengen. Ik wijs ook op Handelingen 21. Paulus krijgt via een profeet te horen wat hem in Jeruzalem te wachten staat. Mensen om hem heen proberen Paulus te bewegen om níet naar Jeruzalem te reizen. Maar Paulus besluit toch te gaan. Het slot van de betreffende perikoop is bijna dramatisch: “En toen hij zich niet liet overtuigen, deden wij er het zwijgen toe, en zeiden: Laat de wil van de Heere geschieden”[4].
Soms duurt het even voordat duidelijk is welke weg wij moeten lopen om in ons leven metterdaad met God te wandelen.
Het wordt er, kortom, niet makkelijker op.

Moeten we nu slachtofferig zeggen dat we het allemaal niet kunnen overzien? Moeten we maar mompelen dat we enigszins gedupeerde mensen zijn die wel zullen zien waar het schip strandt?
Het lijkt me dat ware gelovigen niet het aureool van geteisterde onwetenden moeten hebben.
We mogen best blij zijn met de predestinatie, met de voorbeschikking dus. De Here laat daarin Zijn bijzondere zorg zien. Hij is vlakbij ons. Hij bemoeit Zich heel intensief met ons. De Here heeft een verbond met Zijn kinderen. Hij is, om zo te zeggen, rechtstreeks met ons verbonden.
Maar die voorbeschikking hoort bij God. Wij kunnen daar maar weinig over zeggen. Laat ik het maar populair zeggen: we hoeven ons er niet druk over te maken. Wij hebben al meer dan genoeg te doen als we onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Dominee E. Brink vatte die verantwoordelijkheid eens in vier woorden samen:
* “overwegen
* beraadslagen
* bezinnen
* beslissen”[5].
Wij moeten de Here God alle eer geven die Hem toekomt.
Maar daarmee is niet gezegd dat de mens niets meer te vertellen heeft. Wij mogen best vragen stellen aan de hemelse God. Maar van een volledig vrije wil kunnen we niet spreken. Zonder God kunnen we niets doen. Helemaal niets. En bovendien: we moeten Gods eer altijd in beeld blijven houden.
God buigt Zich naar ons over. Wij bewegen ons steeds meer naar Hem toe. De verbondsrelatie is er dus één waar beweging in zit. Er gebeurt van alles in. De bovengenoemde dominee Brink schreef: “We gaan uit van een persoonlijke en levende relatie, en niet van een filosofische of dogmatische speculatie”.

Het bovenstaande overziende constateer ik allereerst dat bescheidenheid op zijn plaats is.
Want in deze zaken schieten menselijke gedachtespinsels en verklaringen ernstig tekort.
Verder trek ik de conclusie dat we dankbaar mogen zijn.
De hemelse God betrekt zondige mensen in Zijn planmatige werk. Dat is, op de keper beschouwd, verbazingwekkend!
Onze levensroeping is: Hem dienen op de plek waar de Here ons heeft neergezet.
Laten we maar gewoon aan het werk gaan.
Gelovig.
Biddend.
En eerbiedig.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 3 maart 2009.
[2] Marcus 1:35.
[3] Johannes 4:34.
[4] Handelingen 21:14.
[5] Ds. E. Brink, “Leefruimte: Gods beschikking en onze bewegingsvrijheid”. In: Nader Bekeken, jg. 16 nr 2 (februari 2009), p. 41-43. Citaten van p. 41 en p. 42.

19 april 2017

Een ongemakkelijk Schriftgedeelte

Eigenlijk heeft schrijver dezes de Handelingen der Apostelen altijd een ietwat bijzonder Bijbelboek gevonden.
Dat komt onder meer doordat in die Handelingen zoveel gewone dingen staan.

Neem nou Handelingen 21[1].
Paulus en zijn medewerkers gaan op reis naar Jeruzalem[2]. Een aantal gelovigen uit Caesarea sluit zich bij het reisgezelschap aan.
Het logeeradres – het huis van Mnason – wordt met name genoemd.
In Jeruzalem is men geweldig blij om Paulus te zien.
Ten huize van Jacobus wordt een kerkenraadsvergadering belegd. Alwaar Paulus nauwkeurig verslag uitbrengt van al zijn werk, zijn bevindingen en de resultaten daarvan.

In Handelingen 20 worden Paulus’ medewerkers met name genoemd[3].
Paulus heeft aan den lijve ondervonden hoe Handelingen 2:39 werkelijkheid werd: “Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal”. Hij kent de realiteit van Efeziërs 2: “Maar nu, in Christus Jezus, bent u, die voorheen veraf was, door het bloed van Christus dichtbij gekomen”[4]. En: “En bij Zijn komst heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd aan u die veraf was, en aan hen die dichtbij waren”[5].

De Here laat zien dat, wanneer een zendeling gewoon aan het werk gaat, Hijzelf er voor zorgen zal dat er gepassioneerde medewerkers komen die het zendingswerk mee helpen uitvoeren. Natuurlijk, die medewerkers zijn er niet op dag één. En ook niet op dag twee. Maar uiteindelijk komen ze er wel.
De namen van die medewerkers worden, door toedoen van de Heilige Geest, zelfs in het Woord van God vastgelegd.
Dat is een geweldige troost.
Hoeveel werk voor de kerk wordt er niet in stilte gedaan? Hoeveel klusjes doen wij in de kerk die geen naam hebben? Ach, u weet er zelf ook wel het een en ander van. Laten wij ons maar realiseren dat onze namen door de Here worden genoteerd.
Iedere veertien dagen vergadert in het appartement dat mijn vrouw en ik bewonen een vrouwenvereniging. U weet hoe dat gaat: een stel stoelen rond een tafel, een kop koffie… Wat stelt dat nou eigenlijk voor? Maar onze Heiland ziet het. Hij weet met welke intentie zulk eenvoudig werk gedaan wordt!

Handelingen 21 is wat, mij betreft, in zekere zin een ongemakkelijk Schriftgedeelte.
Waarom?
Georganiseerde zending en evangelisatie: dat zijn thema’s die in gemeentes van De Gereformeerde Kerken in Nederland (hersteld) enigszins gevoelig liggen.

De kerk bedrijft zending. Het bevel van Jezus in Mattheüs 28 – “Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen” – is niet gesproken voor dovemansoren[6].
Maar waar halen we, als kerkverband met ruim duizend leden, het benodigde geld vandaan? Want we willen dominees, pastorieën, kerkgebouwen en eigenlijk ook nog wel eigen scholen.

Daar komt bij dat zending bedrijven steeds moeilijker lijkt te worden. Je moet, zegt men, elkaar vrijlaten in eigen overtuiging. Leven volgens normen en waarden – zo heet dat tegenwoordig – is, naar men zegt, niet voorbehouden aan Gereformeerde mensen.
Gereformeerd zijn – dat heeft voor velen nauwelijks meerwaarde.

Handelingen 21 leert ons dat de Here de regie heeft.
En ik vraag: zou het zo kunnen zijn dat we iets meer geduld moeten hebben?
Natuurlijk, wij moeten ook onze verantwoordelijkheid nemen. En als er mogelijkheden zijn, moeten we die grijpen.
Maar als de gelegenheden er niet zijn, moeten wij die niet op eigenzinnige wijze creëren om vervolgens verbijsterd te constateren dat onze onderneming mislukt is.

Even zo goed leert Handelingen 21 ons ook dat wij attent moeten blijven op kansen die geboden worden.
Als het daarom gaat, kunnen er diepe meningsverschillen ontstaan. De een vindt dat er een kans ligt, een ander acht het perspectief onvoldoende.
Laat er in een dergelijke situatie alstublieft geen concurrentiestrijd ontstaan! Laten we elkaar niet afserveren als de één ondernemender is dan de ander.

Nu het hierom gaat, wijs ik u tenslotte op de voorbereidingen voor Paulus’ reis naar Jeruzalem.
Ik citeer uit Handelingen 21: “En toen wij daar vele dagen bleven, kwam er een zekere profeet uit Judea, van wie de naam Agabus was.
En hij kwam naar ons toe, pakte de gordel van Paulus, en nadat hij zijn eigen handen en voeten daarmee gebonden had, zei hij: Dit zegt de Heilige Geest: De man van wie deze gordel is, zullen de Joden op deze manier in Jeruzalem binden en in de handen van de heidenen overleveren.
Toen wij dit hoorden, smeekten zowel wij als de mensen van die plaats dat hij niet naar Jeruzalem zou gaan.
Maar Paulus antwoordde: Wat doet u nu dat u huilt en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven in Jeruzalem voor de Naam van de Heere Jezus.
En toen hij zich niet liet overtuigen, deden wij er het zwijgen toe, en zeiden: Laat de wil van de Heere geschieden”[7].

Laat de wil van de Heere geschieden!
Dat is, wat mij betreft, het beste commentaar dat men op Handelingen 21 geven kan!

Noten:
[1] Dit Schriftgedeelte noem ik omdat een deel van dit hoofdstuk de aandacht zal hebben tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt vanavond, woensdagavond 19 april 2017, plaats. Dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die bijeenkomst.
[2] Naar aanleiding van de zendingsreizen van Paulus schreef ik in de periode oktober 2016 tot februari 2017 een drietal artikelen. Deze zijn te vinden via https://bderoos.wordpress.com/tag/zendingsreizen/ .
[3] Handelingen 20:4: “En tot in Asia vergezelden hem Sopáter uit Beréa, en van de Thessalonicenzen Aristárchus en Secundus, en Gajus uit Derbe, en Timótheüs, en Tychicus en Tróphimus uit Asia”.
[4] Efeziërs 2:13.
[5] Efeziërs 2:17.
[6] Mattheüs 28:19.
[7] Handelingen 21:10-14.

15 december 2016

Onderwijs naar Gods wil

Op maandag 12 december jongstleden kwam ik een uiterst merkwaardige kop in het Nederlands Dagblad tegen.
Het was een quote van Tamme Spoelstra. “Ik weet niet of vrijgemaakt onderwijs naar Gods wil was”. Tamme promoveerde op dinsdag 13 december jongstleden te Amsterdam op de geschiedenis van het vrijgemaakte onderwijs[1].

Uit het Nederlands Dagblad citeer ik: “Nee, hij is niet bezig met een afrekening. ‘Het vrijgemaakte onderwijs heeft veel gebracht. Mijn ouders maakten zich oprecht zorgen over de kerkelijke gereformeerde opvoeding. En ik zie ook de winst. De gedrevenheid van de ouders heeft sterk emanciperend gewerkt.’
Maar dat neemt niet weg dat Spoelstra tijdens zijn onderzoek ook op vraagtekens is gestuit. Op een heel grote vraag, uiteindelijk: ‘Of het ontstaan van de vrijgemaakte scholen naar de wil van God is geweest, durf ik niet te zeggen’”[2].

Waarom vond ik die krantenkop zo merkwaardig?
Omdat de krantenkop suggereert dat u en ik nooit zeker weten of wij de wil van God doen.
En dat gaat, als u het mij vraagt, tegen uw en mijn belijdenis in.
Want met de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijden wij: “Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden. Daarin heeft God uitvoerig beschreven op welke wijze wij Hem moeten dienen. Daarom is het de mensen, zelfs al waren het apostelen, niet geoorloofd anders te leren dan ons reeds geleerd is door de Heilige Schrift; zelfs niet een engel uit de hemel, zoals de apostel Paulus zegt (…). Het is verboden aan het Woord van God iets toe te voegen of daarvan af te doen (…). Daaruit blijkt duidelijk dat wat daarin geleerd wordt, volmaakt en in alle opzichten volledig is”[3].
Dus: de Here heeft uitgebreid beschreven hoe wij Hem moeten dienen,
En: wat in Gods Woord staat, is volmaakt en in alle opzichten volledig.
Wij weten dus, als wij de Bijbel lezen, heel goed hoe wij de Here dienen moeten!

Spoelstra zegt: Gereformeerde scholen “zijn ontstaan in een veel breder levend sentiment: er was angst dat de gereformeerde en hervormde scholen zouden verwateren. De theologen/pedagogen Herman Bavinck en Jan Waterink waren sterk gericht op het klaarmaken van kinderen voor hun plek in de maatschappij – naast hun vorming tot goede christenen natuurlijk. De vraag was: hoe bewaak je de identiteit?”.
De mensen waren eertijds bang dat het christelijk onderwijs zou verwateren. Uit verhalen en artikelen in oude kranten begrijp ik dat dat proces ook al aan de gang was. Die angst was dus terecht.
En bovendien: Gereformeerden kennen de macht van de zonde. Zij weten hoe belangrijk het is om nauwkeurig in de gaten te houden of Gods wil bij de voortduur wordt gedaan.

Doen wij altijd Gods wil?
Laten wij op die vraag eerst maar eens antwoorden “dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil”.
Dat is de inzet van de Heidelbergse Catechismus in Zondag 1[4].
En laten we er maar bij zetten “dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft en ze nog door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en regeert, om zijn Zoon Jezus Christus mijn God en mijn Vader is. Daarom vertrouw ik zo op Hem, dat ik er niet aan twijfel, of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede. Want Hij kan dit doen als een almachtig God en wil het ook doen als een trouw Vader”[5].
Maar op de vraag of wij altijd Gods wil doen moeten wij gelovig toegeven: “zelfs de allerheiligsten hebben in dit leven niet meer dan een klein begin van deze gehoorzaamheid”.
Daarmee is echter niet alles gezegd.
Want Gereformeerden richten hun bestaan zo in, “dat zij met een ernstig voornemen niet slechts naar sommige, maar naar alle geboden van God beginnen te leven”[6].

Dat stond, naar ik meen, de oprichters van Gereformeerde scholen indertijd voor ogen.
Daaraan wilden de voorvechters van Gereformeerd onderwijs werken. Zij wilden de kinderen leren dat zulk een voornemen op alle terreinen van het leven moet worden uitgewerkt.

Het echoot in mijn hoofd: “Of het ontstaan van de vrijgemaakte scholen naar de wil van God is geweest, durf ik niet te zeggen”.

Dat klinkt mij teveel als: die ijverige voorvaderen hadden er beter aan gedaan geen Gereformeerde scholen op te richten. Ach ja, hun gedrevenheid heeft “sterk emanciperend” gewerkt. Dat dan weer wel. Maar of het nou zo noodzakelijk was…

Laat ik nu even voor mijzelf spreken.
Ik wil hier graag mijn dankbaarheid uiten.
De dankbaarheid voor het geloof van mijn ouders, die mij leerden wat geloven is: in alle omstandigheden op God vertrouwen; want Zijn beloften worden waar!
De dankbaarheid voor het geloof van mensen als meneer den Otter, het hoofd van de dr. K. Schilderschool aan de Rode Kruislaan in Groningen. Hij liet mij – met lichamelijke beperking en al – toe op het Gereformeerde basisonderwijs. Terwijl dat in de jaren ‘60/’70 van de vorige eeuw helemaal niet zo gebruikelijk was. Want indertijd gingen gehandicapte kinderen veelal naar de mytylschool[7]. Meneer den Otter deed al aan zorgbreedte voordat dat woord uitgevonden was!
De dankbaarheid voor mensen van vroeger die mij leerden om naar Gods wil te leven.
De dankbaarheid voor broeders en zusters van nu; mensen die samen met mij achter Christus aan lopen.

Tamme Spoelstra is gepromoveerd.
Dat is prachtig.
Er staat vast veel waardevols in zijn dissertatie.
Maar één ding mag men, als u het mij vraagt, nimmer vergeten.
Dat is dit: de oprichting van Gereformeerde scholen was en is vooral een kwestie van geloofswetenschap.

Nee, Gereformeerd onderwijs biedt geen garanties voor levenslang gelovig leven.
Natuurlijk niet.
Maar de bede van Psalm 86 mogen wij uit volle borst meezingen:
“Leer mij naar uw wil te hand’len,
laat mij in uw waarheid wand’len.
Voeg geheel mijn hart tezaam
tot de vrees van uwen naam”[8].

Wanneer handelen wij naar Gods wil?
Dat staat in Micha 6. Ik citeer: “Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de Here van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God”[9].
Dat deden onze gelovige vaders en moeders, onze ooms en tantes, onze opa’s en oma’s. En ja, hun handelen was bevlekt met zonden. Maar zij waren, naar mijn overtuiging, instrumentarium van de Verbondsgod.
Laten wij hun geloof maar navolgen. Gewillig en met vreugde[10]. Want zo werkt dat in de kerk.

Noten:
[1] De titel van zijn proefschrift luidt: “Verbondsonderwijs. Geschiedenis van het gereformeerd-vrijgemaakt onderwijs in Nederland tot 1985”.
[2] “Ik weet niet of vrijgemaakt onderwijs naar Gods wil was”. In: Nederlands Dagblad, maandag 12 december 2016, p. 4 en 5.
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 7.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 9, antwoord 26.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 44, antwoord 115.
[7] Zie voor de betekenis van dit begrip https://nl.wikipedia.org/wiki/Mytylschool .
[8] Psalm 86:4 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[9] Micha 6:8.
[10] Deze formulering gaat terug op Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus. Ik citeer vraag en antwoord 55: “Wat verstaat u onder de gemeenschap der heiligen?
Antwoord:
Ten eerste dat de gelovigen allen samen en ieder persoonlijk als leden gemeenschap hebben met de Here Christus en deel hebben aan al zijn schatten en gaven. Ten tweede dat ieder verplicht is zijn gaven tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde te gebruiken”.

3 oktober 2016

Doelmatig instrumentarium

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Heeft u het idee dat u een bruikbaar instrument van God bent?[1]
Dat is een wat merkwaardige vraag. Dat weet ik.
En de vraag die ik hierbij zet is: wat is hier fout?

Het antwoord kan, naar het mij voorkomt, als volgt luiden: wij hoeven niet vragen of God onze energie gebruiken kan. Dat staat namelijk buiten kijf.
Alles wat zich in deze wereld voordoet heeft zin. Het is van tweeën één:
* wij zijn in dienst van God
* of wij zijn in dienst van de Satan.

Het is belangrijk om dat goed op een rijtje te hebben. Want voordat u en ik het weten gaan wij uit van onze wil.
Wij willen voor God leven.
Wij willen ons inzetten in de kerk.
Dat klinkt mooi. En het is ook heel goed. Maar het beginpunt ligt ergens anders. De Here zorgt er voor dat wij voor Hem leven. De Here maakt in de kerk gebruik van onze denk- en daadkracht. Hij bepaalt hoe de geschiedenis er uit ziet. Hij heeft alles in Zijn hand.

Een jaar of tien is het inmiddels geleden.
P.W. van de Kamp – universitair docent aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen – zei in een preek over Exodus 4:13-17: “Laten we bidden dat de TU in Kampen – dat studenten en docenten ingeschakeld willen worden bij Gods bevrijdende werk in deze wereld”[2].
Tja.
Maar als die studenten en docenten nou eens niet willen worden ingeschakeld? Gebeurt dat dan niet?
Stomme vraag natuurlijk. Dat gebeurt wel. Als vanzelf denken wij aan die bekende Paulinische woorden uit Philippenzen 2: “God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt”[3].

Mensen zijn instrumenten van God.
Als dat niet zo is, zijn zij volgelingen van Satan.
Een grijs gebied is er niet. Er zit niks tussen.

Zeker, als onze wil is omgebogen en ons hart compleet vernieuwd is, gaan wij ook zelf aan het werk.
Maar het begint toch bij Iemand anders. Bij de Heilige Geest namelijk.
Om het met de Dordtse Leerregels te zeggen: “De goddelijke genade van de wedergeboorte werkt dan ook niet in de mensen alsof zij stokken en blokken waren en zij vernietigt de wil met zijn eigenschappen niet en dwingt de mens niet tegen wil en dank. Maar zij maakt de wil levend, geneest, herstelt hem en buigt hem liefdevol en tegelijk krachtig. Waar eerst de hardnekkige tegenstand van het vlees de mens helemaal beheerste, begint nu door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen. Daarin bestaat de geestelijke vernieuwing en de ware vrijheid van onze wil. Ja, indien de Heilige Geest die al het goede zo bewonderenswaardig werkt, niet op deze wijze met ons handelde, zou er voor de mens geen enkele hoop overblijven”[4].

Gods kinderen worden beheerst door de Heilige Geest.
Het stuur van ons leven is in handen van God?
Maar is het nu zo dat wij allemaal lieve mensjes zijn die alleen maar goede dingetjes doen? Zijn Gods kinderen romantische dametjes en attente heertjes die op prettige wijze door de wereld wandelen?
Welnee.
Dat weten wij wel beter.

Ik wijs u, nu het hier om gaat, ook op Deuteronomium 7.
In dat Schriftgedeelte gaat het over de verhouding van de Israëlieten tot de inwoners van Kanaän.
In dat hoofdstuk lees ik: “Wanneer de HERE, uw God, u in het land gebracht zal hebben, dat gij in bezit gaat nemen, en Hij voor u uit vele volken verdreven zal hebben, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, talrijker en machtiger dan gij, en de HERE, uw God, hen aan u overgeleverd zal hebben, zodat gij hen verslaat, dan zult gij hen volkomen met de ban slaan; gij zult met hen geen verbond sluiten en hun geen genade verlenen”[5].
En even verder: “…hun altaren zult gij afbreken, hun gewijde stenen verbrijzelen, hun gewijde palen omhouwen en hun gesneden beelden met vuur verbranden. Want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is; ú heeft de HERE, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn”[6].

Zo ziet Gods bevrijdende werk er in Kanaän uit.
Het gaat er, kortom, allesbehalve zachtzinnig aan toe.
De reden van die harde aanpak staat er in Deuteronomium 7 bij.
Leest u maar even mee: “Maar, omdat de HERE u liefhad en de eed hield, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft de HERE u met een sterke hand uitgeleid en u verlost uit het diensthuis, uit de macht van Farao, de koning van Egypte, opdat gij zoudt weten, dat de HERE, uw God, de enige God is, de trouwe God, die het verbond en de goedertierenheid houdt jegens wie Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden, tot in duizend geslachten”[7].
Het volk van God is in feite een militia Christi: een leger van God. De hemelse Heer zet bij Zijn bevrijdingsactie menselijke strijdkrachten in!

Gods kinderen weten zeker dat zij instrumenten van God zijn.
Daar zorgt Zijn Heilige Geest voor.
Sommige Gereformeerden zijn daar, als ik het wel heb, nogal onzeker over.
Het is mijn stellige overtuiging dat wij ons niet door die onzekerheid mogen laten besmetten.

Wij hoeven niet te hopen dat er bij allerlei mensen de wil is om te worden ingeschakeld.
Dat is echt niet nodig.
Daar zal de Here Zelf wel voor zorgen.
Wij moeten erom bidden dat de Verbondsgod Zijn werk doorzet. En daar is haast bij.

Vanwaar die haast?
Omdat met de voltooiing van Zijn werk er geluk en vrede op aarde komt.
God zal alles zijn in allen.
Hij krijgt eindelijk de eer die Hem toekomt.
En wij mogen weten: de Here zal Zijn werk voortzetten.

In de kerk gaat het in eerste instantie niet om onze hoop.
Het draait niet om onze wil.
Gods eer staat centraal!

Noten:
[1] Bij het schrijven van dit artikel gebruikte ik een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op maandag 17 september 2007.
[2] De preek is gedateerd op zondag 24 september 2006.
[3] Philippenzen 2:13.
[4] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 16.
[5] Deuteronomium 7:1 en 2.
[6] Deuteronomium 7:5 b en 6.
[7] Deuteronomium 7:8 en 9.

5 juli 2016

Wat God doet, dat is welgedaan

Zondag 49 van de Heidelbergse Catechismus toont een torenhoge ambitie.
U kent de tekst van het antwoord wellicht wel:
“Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verloochenen en uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn, zodat een ieder zijn taak waartoe hij geroepen is, even gewillig en trouw vervult als de engelen in de hemel doen”[1].
Misschien brengen de bovenstaande woorden ons wel enigszins aan het twijfelen.
Is dit alles voor een mens van vlees en bloed wel waar te maken?
Kan dit eigenlijk ooit wel iets worden?

Hoe dat zij – van Gereformeerden wordt, om zo te zeggen, een zekere flexibiliteit gevraagd.
Er zijn dingen die we, naar eigen zeggen, niet kunnen. Maar de Here zet ons er toch mee aan het werk.
Er zijn situaties waar we, naar eigen zeggen, niet in terecht willen komen. Toch raken we erin verzeild. Maar hier geldt zonder uitzondering:
“Wat God doet, dat is welgedaan,
zijn wil is wijs en heilig”.

Nee, die meegaandheid kunnen we niet altijd opbrengen.
Maar er is meer.
Graag wijs ik u op Lucas 22: “En Hij zonderde Zich van hen af, ongeveer een steenworp ver, knielde neder en bad deze woorden: Vader, indien Gij wilt, neem deze beker van Mij weg; doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede”[2].
Een exegeet schrijft hierbij:
“De eerste zin is in de Textus Receptus eigenlijk niet af: ‘Vader als U (het) wilt deze beker van Mij weg te nemen …’ Het lijkt er op of Hij Zichzelf met de tweede zin in de rede valt: Doch niet Mijn verlangen van dit moment, maar Uw wil geschiede. Jezus blijft Zich geheel en al afhankelijk stellen van de wil van Zijn Vader”[3].
Even tussendoor: Textus Receptus “is de naam voor de eerste Griekse tekst van het Nieuwe Testament die door middel van de boekdrukpers verspreid werd. De eerste versie werd in 1516 gedrukt”[4].
Intussen is duidelijk wat er in Lucas 22 gebeurt: Jezus Christus buigt Zijn wil op volmaakte wijze om, teneinde de komst van Zijn Koninkrijk verder voor te bereiden en Zijn volk te redden van de zonden.
Zondige mensen kunnen het niet opbrengen om altijd Gods wil te doen. Maar zij mogen altijd pleiten op Christus’ werk!

Hierover schrijvende wijs ik u op een verhaal van Plato. Dat verhaal gaat als volgt[5].
“De stuurman van een schip wordt gevangengezet, omdat de bemanning het zat is steeds naar hem te moeten luisteren. Men wil voortaan democratisch de koers bepalen bij meerderheid van stemmen. Zie het gevolg: het schip komt nergens aan. Moe, hongerig en dorstig geworden, bevrijdt men de stuurman en doet men een beroep op hem om de koers te bepalen. Let op hoe hij dit doet. Hij wacht eerst tot het donker is. Dan kijkt hij omhoog, naar de sterren. Het zien naar omhoog geeft hem een goede oriëntatie om de koers te bepalen, om zo in zijn alledaagse levenscontext de juiste koers te varen”.
Plato – de Griekse filosoof en schrijver die enkele eeuwen voor Christus leefde – begreep blijkbaar heel goed dat men zich op een ‘externe bron’ moet oriënteren; menselijke normen moeten het platte vlak overstijgen[6].
Gereformeerde mensen zullen des te meer moeten blijven beseffen dat zij – in al hun doen en laten – profeet, priester en koning zijn!
Profeet: gericht op Gods koninkrijk; pleitbezorger van Christus en Diens reddingswerk
Priester: dienstbaar in heel het aardse leven, in navolging van zijn Hogepriester, Jezus Christus
Koning: geroepen door de allerhoogste Koning, strijdend tegen de zonde om later met God over alle schepselen te regeren[7].

In het Schatboek – een verklaring van de Heidelbergse Catechismus – noteert Zacharias Ursinus bij Zondag 49: “…het komt ons niet toe te zien of te peilen wat God in Zijn raad besloten heeft, aangezien wij Zijn bevel en een voorgeschreven regel hebben wat wij van Hem bidden zullen, maar onder voorwaarde: ‘Indien dit Zijn wil en raad is’. Die regel moeten wij volgen, en steeds zeggen: ‘de wil des Heeren geschiede’ (Handelingen 21:14). Intussen moeten wij de afloop aan Hem overlaten, zowel de tijd wanneer als de manier waarop Hij Zijn besluit wil volbrengen”[8].

Ursinus wijst in het bovenstaande op Handelingen 21.
In Caesarea proberen mensen de apostel Paulus ervan te weerhouden om naar Jeruzalem door te reizen. Maar de apostel is niet van zijn voornemen af te brengen. Hij is er blijkbaar van overtuigd dat hij zich op de door God gewezen weg bevindt. In de NBG-vertaling uit 1951 lezen wij: “En toen hij niet te overreden was, hielden wij ons stil en zeiden: De wil des Heren geschiede”.
Lucas gebruikt hier echter een gebiedende wijs: de wil des Heren moet geschieden. Daar klinkt iets van berusting in. Men proeft de overgave.
De wil van de Here moet geschieden. Dat kan ook. Opnieuw noteer ik:
“Wat God doet, dat is welgedaan,
zijn wil is wijs en heilig”.

De wil van de Here moet geschieden.
Laat dat onze wens zijn, op alle dagen van ons aardse leven.
Misschien moeten wij in deze wereld wel dingen doen, waarvan wij nimmer hadden gedacht dat we daartoe in staat waren.
Het zij zo.
De Heer van hemel en aarde zal ons krachten en mogelijkheden geven.
Voor nu en voor de toekomst.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 49, antwoord 124.
[2] Lucas 22:41 en 42.
[3] Zie de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Lucas 22:42.
[4] Zie http://www.vinden.nl/wiki/page/Textus_receptus ; geraadpleegd op donderdag 23 juni 2016.
[5] In het onderstaande gebruik ik: drs. W.K. Petersen, “Christelijk leiderschap op het werk (I)”. In: Kerkblad van de Hersteld Hervormde Kerk, 12 juni 2014, p. 8 en 9. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[6] Zie over Plato https://nl.wikipedia.org/wiki/Plato ; geraadpleegd op donderdag 23 juni 2016.
[7] Zie ook Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus, antwoord 31: Ik word een christen genoemd “omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving, om: als profeet zijn naam te belijden, als priester mijzelf als een levend dankoffer aan Hem te offeren, en als koning in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden en na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren”.
[8] Geciteerd via Reformatorisch Dagblad, zaterdag 7 december 2013, p. 2.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.