gereformeerd leven in nederland

8 augustus 2019

De instructies van Psalm 43

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Zend Uw licht en Uw waarheid;
laten die mij leiden,
mij brengen tot Uw ​heilige​ berg
en tot Uw woningen,
zodat ik kan gaan naar Gods ​altaar,
naar God, mijn blijdschap, mijn vreugde;
en ik U met de ​harp​ kan loven,
o God, mijn God!”[1].

Voor heel wat mensen, met name voor heel wat ouderen, is het bovenstaande een passage uit een zeer geliefde psalm. U weet het vast wel: de regels komen uit Psalm 43.
Men kent veelal een berijmde versie:
“Dan ga ik op tot uw altaren,
tot U, o bron van zaligheid”[2].
Of ook:
“Dan ga ik op tot Gods altaren,
Tot God, mijn God, de bron van vreugd;
Dan zal ik, juichend, stem en snaren
Ten roem van Zijne goedheid paren,
Die, na kortstondig ongeneugt
Mij eindeloos verheugt”[3].

De Psalmen 42 en 43 horen volgens veel exegeten bij elkaar. Boven Psalm 42 staat dat het een onderwijzing is. De dichter geeft les aan zijn toehoorders. Psalm 43 is dus niet zomaar een sentimenteel lied. Het is niet bedoeld als een smartlap voor de kerk. Nee, het betreft hier onderwijs.

De dichter leeft te midden van mensen die zijn vertrouwen op God volstrekt bespottelijk vinden. Wat zegt men tegen zulke mensen? Meestentijds zet men niet al te veel. Want bijna alles wat opgemerkt wordt voorzien opposanten met een verbijsterende onmiddellijkheid van het meest cynische commentaar dat denkbaar is.

Daarbij komt dat de dichter zich door God verlaten voelt: “waarom verstoot U mij?”[4].
Maar de componist zegt er meteen bij: zo kan ik niet verder. Hij vraagt de Here om licht en om waarheid.

Laten wij eerst naar dat licht kijken[5].
De schrijver van dit kerklied vraagt in feite om levenskracht. En om nieuwe moed. Denkt u hierbij maar aan Psalm 27:
“De HEERE is mijn licht en mijn heil,
voor wie zou ik vrezen?
De HEERE is mijn ​levenskracht,
voor wie zou ik angst hebben?”[6].
De kerkliedschrijver vraagt dringend om de onmisbare zegen van de Here. Als er iets in het leven nodig is, dan is het wel Gods genade. Dat zien wij terug in Psalm 67:
“God zij ons ​genadig​ en zegene ons;
Hij doe Zijn aangezicht over ons lichten”[7].
Het licht functioneert als de mantel van de hoge God. Dat blijkt uit Psalm 104:
“Loof de HEERE, mijn ziel.
HEERE, mijn God, U bent zeer groot,
U bent met majesteit en ​glorie​ bekleed.
Hij hult Zich in het licht als in een ​mantel”[8].

De dichter van Psalm 43 vraagt ook om Gods waarheid.
Dat begrip ‘waarheid’ staat in rechtstreekse verbinding met het recht van God. Mozes zingt in Deuteronomium 32:
“Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn een en al recht.
God is waarheid en geen ​onrecht;
rechtvaardig​ en waarachtig is Hij”[9].
‘Waarheid’ heeft daarom ook te maken met de oprechte intenties van Gods kinderen. Zij willen in het leven steeds met de Here wandelen. Let u, als het hierom gaat, maar op de karakteristiek die Salomo geeft van het leven van zijn vader David. In 1 Koningen 3 zegt Salomo: “ U hebt aan Uw dienaar ​David, mijn vader, grote goedertierenheid bewezen, zoals hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in trouw, in ​rechtvaardigheid​ en in oprechtheid van ​hart​ bij U. En U hebt dit grote blijk van goedertierenheid aan hem bewezen dat U hem een zoon gaf die op zijn ​troon​ zit, zoals op deze dag”. In de Statenvertaling staat het zo: “Gij hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid des harten met U; en Gij hebt hem deze grote weldadigheid gehouden, dat Gij hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, als te dezen dage”[10].
Dat begrip ‘waarheid’ wijst ook op Gods rechtvaardig oordeel. De profeet Jeremia zegt in hoofdstuk 10: “De HEERE God is echter de Waarheid, Hij is de levende God, een eeuwig ​Koning. Voor Zijn grote toorn beeft de aarde, de heidenvolken kunnen Zijn gramschap niet verdragen”[11].

De dichter van Psalm 43 zegt in feite: voorzien van Gods licht en gewapend met Zijn waarheid kunnen wij optimaal de Here dienen!

Psalm 43 is een geliefde psalm van veel ouderen.
Geen wonder ook – men wil het adagium van de dichter overnemen. Mensen uit oudere generaties willen het aan jongeren meegeven: voorzien van Gods licht en gewapend met Zijn waarheid kunnen wij optimaal de Here dienen!
Zo geven de ouderen in de kerk les aan de jongeren.

Waarom haal ik Psalm 43 vandaag naar voren?

Onlangs vond er een samenkomst plaats bij de begrafenis van een oude broeder. De orde van de samenkomst was opgesteld door de kinderen. In de samenkomst overdacht men Psalm 43.
De sfeer in de bijeenkomst werd bepaald door de beleving van kinderen en kleinkinderen[12]. Dat is, in zekere zin, logisch. Immers – kinderen en kleinkinderen dienen de dood van vader te verwerken; zij moeten op deze aarde verder.
Feit is echter dat men – voor het besef van nogal wat aanwezigen in de bijeenkomst – slechts met grote moeite aansloot bij de leefwereld en de stijl van vader.
Er werd vooral geredeneerd vanuit het eigen gevoel.
De symboliek van de aanwezige bloemen kwam tamelijk uitgebreid aan de orde.
Opa werd toegesproken: ‘Dag opa, weet u nog wel hoe mooi u het vond dat…’.
Dat is, op z’n zachtst gezegd, opmerkelijk; en met name als men de drieënveertigste psalm overdenken gaat. Immers – nogmaals –: mensen uit oudere generaties willen aan jongeren meegeven dat zij, voorzien van Gods licht en gewapend met Zijn waarheid, Hem in alle omstandigheden kunnen dienen!

Wie dan vooral spreekt vanuit het eigen gevoel en de symboliek der bloemen, verlegt het accent in de bijeenkomst. Kort door de bocht: het gaat van de inhoud van Gods Woord naar de emotie van de mens. Dat kan en mag de bedoeling beslist niet wezen!

Nee, Psalm 43 is niet slechts een kerklied vol jeugdsentiment.
Het is meer.
Veel meer.
Dat moge helder wezen.

De onderliggende boodschap van dit artikel is duidelijk: laten kinderen, kleinkinderen en andere nabestaanden bij begrafenissen de overledene zoveel mogelijk recht doen; zeker ook als het om het geloofsleven van de overledene gaat.
En – laten de nabestaanden vooral ook Gods Woord voluit laten spreken!

Noten:
[1] Psalm 43:3 en 4.
[2] Psalm 43:4; berijmd – Gereformeerd Kerkboek-1986.
[3] Psalm 43:4; berijming uit 1773.
[4] Psalm 43:2 a.
[5] In het onderstaande gebruik ik onder meer https://www.debijbel.nl/blog/wat-zegt-de-bijbel-over-licht ; geraadpleegd op zaterdag 3 augustus 2019.
[6] Psalm 27:1.
[7] Psalm 67:2.
[8] Psalm 104:1 en 2 a.
[9] Deuteronomium 32:4.
[10] 1 Koningen 3:6.
[11] Jeremia 10:10.
[12] De samenkomst werd door de kinderen van de overledene geleid.

30 augustus 2018

Geloof geeft rust

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Wat zou je het geloof gaarne gunnen aan je medemensen!
Immers, dat geloof opent de weg naar de toekomst.
Immers, dat geloof biedt zoveel troost.
Immers, dat geloof biedt zoveel zekerheid.

Zulk een geloof gunt schrijver dezes gaarne aan de dichter en journaliste Marjoleine de Vos[1].

In maart 2018 publiceerde Marjoleine onder de titel ‘Doe je best’ een aantal persoonlijke essays[2].
De uitgever schreef blijmoedig: “Deze schitterende verzameling persoonlijke essays tonen een wereldbeschouwing van deze tijd die meervoudig is, nooit absoluut. In tintelende zinnen legt De Vos de vraagstukken van ons bestaan bloot en beantwoordt ze met een bijna laconieke en aan de journalistiek ontstegen kennis van onze wereld”[3].

Mede naar aanleiding van de verschijning van die bundel essays zei Marjoleine in het Nederlands Dagblad: “…een heleboel dingen worden een stuk dragelijker als je weet dat het ooit wordt goedgemaakt. Hoe die wereld er dan ook uitziet. Maar ik geloof het niet. Ik kan het gewoon niet geloven. Kon ik het maar, dat zou me echt helpen”[4].

Kon ik het maar’, zegt Marjoleine.
Hoort u het ook – dat verlangen naar rust?

De dichter van Psalm 25 leert ons:
“Goed en waarachtig is de HEERE
daarom onderwijst Hij zondaars in de weg.
Hij leidt zachtmoedigen in het recht,
Hij leert zachtmoedigen Zijn weg.
Alle paden van de HEERE zijn goedertierenheid en trouw
voor wie Zijn ​verbond​ en Zijn getuigenissen in acht nemen”[5].

De God van hemel en aarde weet hoe mensen in elkaar zitten. Hij heeft hen Zelf gemaakt! Daarom geeft hij onderwijs over de weg. Dat betekent: Hij laat hen zien wat echte waarheid is. Hij toont waar de redding voor deze wereld te vinden is.

Dat onderwijs is er voor zachtmoedigen.
Het is er niet voor betweters.
Die lessen zijn er voor mensen die een zacht hart hebben, en die toegankelijk willen blijven voor het Goddelijk onderricht.

Gods barmhartigheid, genade en mildheid zijn er voor hen die Gods geboden naleven.
Het kader van Gods wet geeft in het leven rust.
Altijd weer kun je zeggen: ik ga rustig mijn gang, want God stuurt mij altijd de goede kant op. En ook: het is mijn diepste wens dat mijn activiteiten passen in de voorbereiding op een leven in de hemel.

Kon ik het maar’, zegt Marjoleine.

Wat kan een adequate reactie zijn?
Geloven, dat is: loslaten. Je hoeft het zelf niet te kunnen. Het is voldoende om te erkennen dat God de grote Bestuurder en Redder is van jouw leven. Niet meer en niet minder.

Marjoleine wil graag geloven.
Het Evangelie moet je “op de een of andere manier toch een geloofwaardige voorstelling van zaken vinden. Ik vind het als verhaal zinvol, maar als iemand aan me vraagt: geloof je het ook? Nee, dat niet”.

De Bijbel moet een geloofwaardige voorstelling van zaken geven.
De Bijbel moet aannemelijk wezen.
De Bijbel moet acceptabel zijn.
Zegt Marjoleine de Vos.

Laten wij elkaar wijzen op 1 Johannes 5: “Als wij het getuigenis van de mensen aannemen, het getuigenis van God is groter; want dit is het getuigenis van God dat Hij van Zijn Zoon getuigd heeft”[6].
Het verhaal van mensen geloven we in de regel ook. Zeker als dat verhaal ook nog door een man of twee bevestigd wordt. Waarom geloven onze medemensen God dan niet?

Er staat in 1 Johannes 5 nog het een en ander bij. Onder meer dit: “wie God niet gelooft, heeft Hem tot leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft het getuigenis dat God van Zijn Zoon getuigd heeft”[7].
Die woorden leiden ons tot de onvermijdelijke conclusie dat mensen die zeggen niet te kunnen geloven God voor een leugenaar uitmaken. Wie niet gelooft, zegt in feite: God liegt!
Nu hoor ik Marjoleine, en velen met haar, protesteren: ‘Als ik niet kan geloven, wil dat toch niet zeggen dat ik beweer dat God liegt?’.
Welnu, zo staat het toch echt in 1 Johannes 5. En dat is, bij nader inzien, ook wel logisch. De Bijbel is niet een beetje waar. Het is geen Boek waarvan men zeggen kan: er zit wel wat in.
Het is ja of nee.
Wel of niet.
Daar zit niks tussen.
Geloven in beloften over vergeving der zonden en een eeuwig leven, dat vraagt beslistheid.

Marjoleine de Vos zegt: “Als er een God is die ooit de wereld heeft geschapen en als dat koninkrijk van die God ooit komt, heeft alles in het leven betekenis. Dat vind ik heel aantrekkelijk. Maar dat keurslijf aan dogma’s en regels maakt het weer onaantrekkelijk. Ja, je kunt zeggen: dat zijn de instituties. Maar ik denk niet dat je geloof kunt loskoppelen van tradities, dogma’s en instituties. (…) Maar ik kan dat niet geloven”.

Feit is dat in de kerk allerlei geschreven en ongeschreven regels gelden.
Maar laat niemand zeggen dat de kerk onleefbaar is. Dat is onzin.
Trouwens – wie zich aan regels ergert, moet Lucas 10 maar even lezen.
Daarin staat een stukje over Maria en Martha. Maria zit aan de voeten van Jezus. Martha heeft het druk. Zij moet de gasten van al het nodige voorzien. En eigenlijk vindt Martha de rollen wat ongelijk verdeeld zijn. Waarom helpt Maria niet een handje mee? Als Jezus nou eens een dienstorder geeft, dan gaat Maria vast wel aan het werk…
Maar wat zegt Jezus? Dit: “Slechts één ding is nodig. ​Maria​ heeft het goede deel uitgekozen, dat niet van haar zal worden afgenomen”[8].
Uiteindelijk gaat het om het onderwijs van de Heiland. En natuurlijk moet je dan ook dingen regelen, in de kerk. Net als, bijvoorbeeld, bij een voetbalclub. Maar het blijft gaan om het onderwijs van Jezus Christus. En om het geloof in de beloften die Hij doet.
De rest is, strikt genomen, bijzaak.
Een belangrijke bijzaak, daar doe ik niets van af.
Maar toch – een bijzaak.

Marjoleine de Vos zegt: “Ik kom hier in de buurt nog steeds weleens in de kerk. Dan merk ik dat ik geen origineel soort twijfel heb. Ik vind de mensen in de kerk vaak in het verlangen dat de wereld op een bepaalde, goede manier zou kúnnen zijn. Dat zit hem vooral in de formuleringen, zoals de zegen aan het einde van de dienst. Ik ben eigenlijk altijd weer in tranen als ik die hoor uitspreken. Ik vind het heel mooi om mensen in het openbaar zoiets toe te wensen. Maar dan moet na de kerkdienst niemand tegen mij zeggen: geloof je dat nu ook? Dat God vrede geeft, zijn aangezicht over ons doet lichten? De ontroering om die wens, die ken ik. Zo blijft er ruimte, net als bij poëzie”.

De zegen van de Here heeft inderdaad iets poëtisch.
Maar we moeten nooit vergeten dat die zegen eerst en vooral een concrete inhoud heeft. Die zegen rust op ons in het leven van alledag.
Zondag aan zondag klinkt het in vele, vele kerkgebouwen: “De HEERE zegene u en behoede u! De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u ​genadig! De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u en geve u ​vrede!”[9].
Gods kinderen gaan elke zondag gezegend de week in.
Nee, zij hebben niet alleen een dichterlijk leven.
Soms hebben zij een leven waarin commercie een grote rol speelt.
Soms werken Gods kinderen in de bouw.
Of in de accountancy.
Of op de boerderij.
In al die situaties is de heerlijke presentie van God gegarandeerd. Gods kinderen ontvangen speciale bescherming. Het leven van Gods kinderen staat in het licht van de toekomst met God. De Here is voortdurend vlakbij. Er is permanent contact mogelijk.
Zo wordt het leven werkelijk vredig.
Dat is heel concreet.

Marjoleine spreekt onomwonden uit: “We nemen allemaal stappen en daarvoor kun je jezelf verantwoordelijk houden. Maar hoe het uitpakt, dat weet je niet. Je kunt je best doen, meer niet. Dat zul je moeten aanvaarden”.

Wij moeten ons best doen, zegt Marjoleine. En dat is waar.
Maar wie in geloof op weg gaat, die vindt rust.
Dat geloof opent de weg naar de toekomst.
Dat geloof gun ik gaarne aan al mijn medemensen. Marjoleine de Vos inbegrepen.

Noten:
[1] Meer informatie over Marjoleine de Vos is te vinden op https://www.nederlandsepoezie.org/dichters/v/vos_marjoleine.html ; geraadpleegd op woensdag 15 augustus 2018.
[2] De gegevens van die publicatie zijn: Marjoleine de Vos, “Doe je best. Lof van het ongrijpbare leven”. – Amsterdam: Uitgeverij G.A. van Oorschot, 2018. – 144 p.
[3] Geciteerd van www.vanoorschot.nl ; geraadpleegd op woensdag 15 augustus 2018.
[4] “Meer dan je best kun je niet doen” – vraaggesprek met Marjoleine de Vos. In: Gulliver, bijlage bij het Nederlands Dagblad, vrijdag 11 mei 2018, p. 8 en 9.
[5] Psalm 25:8, 9 en 10.
[6] 1 Johannes 5:9.
[7] 1 Johannes 5:10 b.
[8] Lucas 10:42.
[9] Numeri 6:24, 25 en 26.

2 februari 2018

Onder u Zijn eeuwige armen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , , ,

Laatst hoorden mijn vrouw en ik van een vriendin dat het niet zo goed met haar gaat.
Die vriendin is verbonden aan een universiteit. Zij stelt vrijwel altijd hoge eisen aan zichzelf. De lat ligt hoog. En u begrijpt het wellicht: als u wetenschap, accuratesse, perfectionisme en dagelijkse praktijk op één stapel legt wordt dat zomaar een opeenhoping waar u niet meer bovenuit kunt kijken. Daarmee is, naar ik vrees, het probleem van die vriendin getypeerd.
Wij allen zijn niet zelden geneigd om hoge eisen aan onszelf te stellen. Ook in de kerk komt dat voor. Wij moeten onze talenten gebruiken, zeggen we dan. Maar het gebeurt vaak dat we doordraven.

In verband met het bovenstaande attendeer ik vandaag graag op woorden uit Deuteronomium 33:
“De eeuwige God is voor u een woning,
en onder u zijn eeuwige armen.
Hij verdrijft de vijand voor u uit,
en zegt: Vaag hem weg!”[1].

Die tekst ziet er, in eerste instantie, wellicht uit als een dooddoener. Eeuwigheid? Het mocht wat! Wij leven nu. En dat is bij tijd en wijle al zwaar genoeg. De actualiteit ligt ons heel vaak tamelijk zwaar op de maag. Daar hebben we dan, als het een beetje meezit, ook nog een Schriftuurlijke redenering bij. Immers – “elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad”, zegt Jezus in Mattheüs 6[2]. En velen beamen dat: de zorgen van vandaag zijn vooreerst genoeg.

Toch wil ik er in dit artikel gaarne voor pleiten Deuteronomium 33 wat nader te bezien.

In dit Schriftgedeelte wordt gesproken over de eeuwige God.
Dat is de God die er morgen ook is. En overmorgen ook. En de dag daarna ook. Hij is er altijd. Ook als wij het niet meer zien zitten. Ook als wij, op welke manier dan ook, ontsporen.

Ja maar, werpt u tegen, wij leven vandaag.
Die reactie is begrijpelijk.
Maar er staat: de eeuwige God is voor u een woning. Dat zegt wel iets. Want zegt u nu zelf: verhuizen doet u niet iedere dag. De Verbondsgod is steeds om u heen. Hij creëert een vertrouwde omgeving. Bij Hem mag u zich Thuis voelen. Voor eeuwig!

Zijn armen zijn gevouwen om mensen op te vangen als zij bijkans omvallen.
Is dat, als het er op aankomt, geen rustgevende troost?

Deuteronomium 33 is een hoofdstuk waarin Mozes zegeningen uitspreekt. Hij staat, zo vermeldt de schrijver, vlak voor zijn dood. De leider van de Israëlieten houdt zijn laatste toespraak. In die rede zien we vooral de genade van God naar voren komen.
Ruben, Juda, Levi, Benjamin, Jozef, Zebulon, Gad, Dan, Naftali en Aser – ze komen allemaal aan bod. Simeon ontbreekt echter in dit hoofdstuk; die stam zal op den duur opgaan in Juda.

Mozes is in het vervolg van dit kapittel heel stellig.
“Hij verdrijft de vijand voor u uit,
en zegt: Vaag hem weg!”.
Is dat, op de keper beschouwd, geen vervelende domper? Er staan heel wat zegeningen in dit hoofdstuk. En dan krijgen we dit. Op het eerste gezicht worden wij daar niet gelukkiger van.
Wij moeten ons echter niet vergissen.
De bedoeling is namelijk: de Here zal de Kanaänieten verjagen. Met andere woorden: de Here maakt ruimte voor Zijn volk. Hij is de Strijder en Beschermer die nimmer faalt.

De God van het Verbond heeft eeuwige armen. In de kanttekeningen van de Statenvertaling wordt daarbij  aangetekend: “dat is, de eeuwige almachtigheid Gods zal hen beneden op aarde helpen en beschutten”[3].

De Here is een woning.
De Here vergadert Zijn volk in de kerk. Daar staat Hij, met Zijn armen wijd en uitnodigend: komt u gerust verder!
Daar, in de werkplaats van de Heilige Geest van God, gelden voor u en voor mij die welbekende en kalmerende woorden uit Psalm 33:
“In de grootste smarten
blijven onze harten
in de HEER gerust.
“k zal Hem nooit vergeten,
Hem mijn helper heten,
al mijn hoop en lust”[4].
In de kerk heerst meestentijds vredige rust. In de kerk genieten wij, als het goed is, van de gemeenschap.
De God van hemel en aarde geeft bewegingsvrijheid aan Zijn volk. Hij geeft speelruimte aan elke volksgenoot!

Dat geeft kerkmensen gelegenheid om blijmoedig te werken. Maar het geeft diezelfde kerkmensen ook rust en ontspanning.

Die gerustheid, die kalmte gunnen gelovigen allen om hen heen.
Daarom zou ik tenslotte willen zeggen: welkom in de kerk!
En als het in de kerkzaal erg vol wordt… ach, dan zetten we er gewoon wat stoelen bij.

Noten:
[1] Deuteronomium 33:27.
[2] Mattheüs 6:34.
[3] Geciteerd via http://www.statenvertaling.net/kanttekeningen/Dt33.htm ; geraadpleegd op donderdag 25 januari 2018.
[4] Psalm 33:7; Gereformeerd Kerkboek-1986.

2 januari 2018

Zegen uit Sion

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“De HEERE zegene u uit Sion,
Hij Die hemel en aarde gemaakt heeft”.

Dat zijn de eerste woorden die ik in het kalenderjaar 2018 op deze internetpagina zet.
Die zegenwens geef ik graag aan u allen door.

Het zijn woorden uit Psalm 134[1].
Het is beslist de moeite waard om 2018 – een jaar van onze Here – op deze manier binnen te gaan.

De God van het verbond presenteert Zich in deze Psalm als Maker.
Als de Vormgever van de schepping. Als Degene die het leven maakt.
Het is belangrijk om dat met elkaar vast te stellen. Immers, wij zeggen het zomaar tegen elkaar: ‘het is 2018; maak er wat van!’.
Echter: de Eerste die creëert en re-creëert is de God van het Verbond. Hij is het, die wat van ons leven maakt. Hij leidt ons, ook in dit nieuwe jaar, naar Zijn toekomst toe. Een toekomst die zo groots en heerlijk is dat wij ons daar geen goede voorstelling van kunnen maken. Alle schittering, alle flonkering, alle pronkjuwelen tezamen kunnen het ons niet precies laten zien. Altijd mogen we zeggen: wat de Verbondsgod maakt, is nog mooier dan dit!

Wie zich dat realiseert, beseft meteen hoe nederig zijn positie is. Elifaz zegt in Job 4:
“Zou een sterveling ​rechtvaardig​ zijn tegenover God?
Zou een man ​rein​ zijn voor zijn Maker?”[2].
Het antwoord is van stonde aan duidelijk. Nee, rein zijn wij natuurlijk niet. Althans – op deze aarde wordt die reinheid nooit perfect. Vergeleken met het onberispelijke werk van onze Heer, is ons werk slechts gerommel en gefröbel. Des te groter is het wonder dat de Here ons ook dit jaar verzorgen wil met alles wat wij nodig hebben!

De dichter van Psalm 149 leert ons dan ook:
“Halleluja!
Zing voor de HEERE een nieuw ​lied,
Zijn lof zij in de ​gemeente​ van Zijn gunstelingen.
Laat Israël zich verblijden in zijn Maker,
laten de ​kinderen​ van Sion zich verheugen over hun ​Koning”[3].
Steeds weer zijn er nieuwe redenen om God te prijzen. En waar ligt het startpunt van die lof? Antwoord: in de kerk. Want daar vinden u en ik de andere kinderen van God.
Samen klinkt die lof beter.
Krachtiger.
Doordringender.
Veelkleuriger.
Met donkere en lichte stemmen. Met hoge en lage stemmen. Met jonge en oude stemmen. Met frisse en bijna gebarsten stemgeluiden.
En jazeker, de kinderstemmen mogen ook meedoen in de kerk. Laat ze vooral meezingen, die kinderen. Want daar wordt het alleen maar mooier van!

Daar valt de naam van Sion.
Sion: daar komt de zegen in Psalm 134 vandaan.
Als vanzelf komen wij dan bij Hebreeën 12: “Maar u bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van ​engelen, tot een feestelijke vergadering en de ​gemeente​ van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen,en tot de Middelaar van het nieuwe ​verbond, ​Jezus, en tot het bloed van de besprenging, dat van betere dingen spreekt dan dat van ​Abel”[4].
De berg Sion demonstreert dat God tussenbeide komt.
De berg Sion toont dat God genadig is.
De berg Sion laat ons zien dat God zonden vergeeft, vanwege het reddingswerk dat Zijn Zoon voltooid heeft.
De berg Sion: die berg is, om zo te zeggen, de feestzaal van de bevrijding van onze zonde en ellende.
De berg Sion garandeert ons dat aards gerommel en gefröbel definitief overwonnen is.
De berg Sion stimuleert ons verlangen naar onze hemelse heerlijkheid[5].

Psalm 134 formuleert een zegenwens.
Maar wie beseft wat het karakter van Sion is, doorziet weldra ook dat die wens werkelijkheid wordt als hij gelovig en blijmoedig in de invloedssfeer van de Schepper blijft.

Een exegeet vat de boodschap van Psalm 134 aldus samen.
“Er bestaat een wederzijdse relatie tussen aanbidding en zegen. In dit lied komt dat helder naar voren. Zij die dienst doen in de tempel moeten de HERE prijzen. Maar het is de HERE die zijn volk zal zegenen. In het Hebreeuws zijn beide werkwoorden hetzelfde. In het eerste geval is er een beweging van de mens naar de HERE, in het tweede geval is de richting omgekeerd. Zo blijken lofprijzing en zegen twee zijden van dezelfde medaille; ze zijn nauw verbonden met elkaar”[6].

De machtige God die in Sion woont, presenteert zich in deze Psalm als de Schepper.
Daar mogen we, ook op dinsdag 2 januari 2018, geen streep van af doen.
In de tweede brief aan de christenen in Corinthe schrijft Paulus: “En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en ​opgewekt​ is. Zo kennen wij vanaf nu niemand naar het vlees; en al hebben wij ​Christus​ naar het vlees gekend, dan kennen wij Hem nu zo niet meer. Daarom, als iemand in ​Christus​ is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden”[7].
Ik vraag: als er al aan Gods scheppingskracht wordt getwijfeld, waarom weet men dan zo zeker dat de herschepping van mensen wel een feit is?
Alleen daarom al wil ik er graag toe oproepen om de God van hemel en aarde als Schepper te blijven erkennen.
Het oude is voorbijgegaan.
Alles is nieuw geworden!

Laten wij daarom in dit nieuwe jaar als dragers van Gods zegen aanhoudend en levenslustig bidden en werken!

Noten:
[1] Psalm 134:3.
[2] Job 4:17.
[3] Psalm 149:1 en 2.
[4] Hebreeën 12:22, 23 en 24.
[5] Zie hierover http://www.oudesporen.nl/Download/31-05.pdf ; geraadpleegd op woensdag 20 december 2017.
[6] Geciteerd uit de webversie van de Studiebijbel. ‘Boodschap’ van Psalm 134.
[7] 2 Corinthiërs 5:15, 16 en 17.

Een bewerking van dit artikel is met dezelfde titel als hoofdartikel geplaatst in het januarinummer van het kerkblad van De Gereformeerde Kerk Groningen.

25 september 2017

Het heil komt van de Here

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Wie oud is, kijkt terug op zijn leven. Wat waren de hoogtepunten? Waar ging het mis?
Dat doet Jakob in Genesis 49 ook.
Maar Jakob doet meer.
Hij kijkt ook vooruit. Hij ziet wat zijn nageslacht te wachten staat. Opnieuw is Jakob profetisch bezig.
Nee, we kunnen niet precies zeggen of en wanneer alle profetieën werkelijkheid geworden zijn. Dat komt omdat we over de historie de verschillende stammen doormaken, onvolledig zijn ingelicht.
De Here vindt het echter blijkbaar noodzakelijk dat wij weten wat de laatste woorden zijn die Jakob tegen zijn zonen zegt.

Jakob herinnert eraan dat Ruben zich heeft vergrepen aan de bijvrouw van Jakob, Bilha[1].
Dergelijke ontrouw draag je je hele leven mee. De gevolgen van zulke trouweloosheid zijn vaak ook levenslang zichtbaar. Niet voor niets lezen wij in Spreuken 6:
“Wie met een vrouw ​overspel​ pleegt, is zonder verstand.
Wie dat doet, richt zijn ziel te gronde.
Plaag en schande zal hij vinden
en zijn smaad zal niet uitgewist worden”[2].
Dat zouden velen in 2017 ook wat vaker moeten bedenken!

Jakob kijkt nog wat verder terug. Hij richt zijn blik op de treurige historie van Sichem[3].
Als mensen onbeteugeld hun gang gaan, komt het van kwaad tot erger. En dat kan met zondige mensen zomaar gebeuren!
Ook voor ons is het daarom van belang om Psalm 1 voor in ons hoofd te houden:
“Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt”[4].

Juda heeft het zevende gebod ook op grove wijze overtreden. Maar daar maakt Jakob geen woorden aan vuil.
Jakob zegt: het toekomstig leiderschap van Juda zal zich ten volle ontplooien. En wel in de geboorte van de Messias, onze Heiland.
Juda is iemand die door de Verbondsgod uitverkoren is, een uitgekozene. En daarom geldt voor hem wat de apostel Paulus in Romeinen 8 noteert: “En wij weten dat voor hen die God ​liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn. Want hen die Hij van tevoren gekend heeft, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de ​Eerstgeborene​ zou zijn onder vele broeders”[5].

Er zijn heel wat zonen die niet erg vleiend worden toegesproken.
Issaschar wordt bijvoorbeeld getekend als een bonkige ezel.
Jakobs zoon Dan wordt getypeerd als een slang op de weg en een adder op het pad.
Gad lijkt wel voortdurend op oorlogspad.
Benjamin wordt gekarakteriseerd als een verscheurende wolf[6].
Het bovenstaande klinkt, om het maar zachtjes uit te drukken, niet erg complimenteus.
We moeten niet vergeten dat Jakob hier profetisch bezig is. Het gaat er niet niet om dat hij zijn zonen moed moet inspreken, of over de bol dient te aaien. Jakob is hier een woordvoerder van God.

Maar is daarmee alles gezegd?
Nee, dat niet. Want middenin zijn betoog zegt Jakob: “Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!”[7].
Vader Jakob lijkt te treuren om het leed dat hij moet aanzeggen.
Maar zijn geloof wankelt niet.
Midden in al die tegenspoed blijft Jakob het belijden: ik verwacht hemelse bescherming!
Daarin klinkt iets van de antithese door, de kloof tussen kerk en wereld.
Jesaja tekent die kloof in hoofdstuk 45 heel duidelijk uit: “Zij allen zullen beschaamd en ook te schande worden, tezamen zullen zij met smaad weggaan, de makers van ​afgodsbeelden. Israël echter wordt door de HEERE verlost: een eeuwige verlossing. U zult niet beschaamd en niet te schande worden, voor eeuwig niet, nooit!”[8].
Die kloof ziet Jakob heel duidelijk voor zich. En hij weet: van Hem moeten wij het verwachten.
Jakob kijkt verder dan zijn eigen hemelleven. Hij heeft het net gezegd: “De ​scepter​ zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen”[9]. Jakob behoort die verzameling mensen waarover de Hebreeënschrijver meldt: “Deze allen zijn in het geloof gestorven. Zij hebben de vervulling van de beloften niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet, en zij hebben beleden dat zij ​vreemdelingen​ en bijwoners op de aarde waren”[10].

In 2017 weten wij natuurlijk meer.
Onze Heiland is op aarde gekomen. Hij heeft geleden, is gestorven en ook weer opgestaan. Hij is opgevaren naar de hemel. En wij geloven het: “vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden”[11].
Wij wachten nog op de voltooiing van de heilshistorie.
En laten wij maar eerlijk wezen: soms vliegt de ellende in onze wereld ons aan.
Denkt u alleen maar aan de vele voedselschandalen die we kennen. Niet zo lang geleden mochten we even geen eieren meer eten. Heel veel eieren bleken besmet met het voor mensen schadelijke fipronil[12]. Ach, u kent die voedselschandalen wel: diepvriesnasi en diepvriesspinazie die verontreinigd zijn met nitriet uit het koelsysteem van Iglo-bestelwagens, de BSE-crisis, paardenvlees dat met rundvlees vermengd is – er is zoveel waar we ons zorgen over kunnen maken[13].
Door alles heen mogen wij het blijven belijden:
“Maar het heil van de rechtvaardigen komt van de HEERE,
hun kracht ten tijde van benauwdheid”[14].

Nog één keer ga ik in dit artikel terug naar Genesis 49.
Aan het einde van de eerste perikoop lezen wij: “Hij zegende hen, elk met een eigen ​zegen”[15].
Een uitlegger noteert daarbij: “Hoewel Ruben, Simeon en Levi straf hebben aangezegd gekregen, hebben zij toch gedeeld in de zegeningen van het Verbond, die God aan zijn volk zou schenken. Zeker, als je bedenkt dat hier de weg naar de Christus via Juda wordt opgehouden. De zegeningen zijn niet alleen stoffelijk, maar veel meer geestelijk”[16].
Ja, ook voor kerkmensen in 2017 geldt voluit dat woord uit Efeziërs 1: “Gezegend zij de God en Vader van onze Heere ​Jezus​ ​Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke ​zegen​ in de hemelse gewesten in ​Christus”[17]!

Noten:
[1] Zie Genesis 35:22. Zie ook mijn artikel ‘De misstap van Ruben’, hier gepubliceerd op maandag 5 oktober 2015. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2015/10/05/de-misstap-van-ruben/ .
[2] Spreuken 6:32 en 33.
[3] Zie Genesis 34.
[4] Psalm 1:1 en 2.
[5] Romeinen 8:28 en 29.
[6] In het bovenstaande gebruik ik onder meer http://oudesporen.nl/Download/OS1004.pdf ; geraadpleegd op maandag 7 augustus 2017.
[7] Genesis 49:18.
[8] Jesaja 45:16 en 17.
[9] Genesis 49:10.
[10] Hebreeën 11:13.
[11] Geciteerd uit de Apostolische Geloofsbelijdenis.
[12] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Fipronil ; geraadpleegd op maandag 7 augustus 2017.
[13] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Voedselschandaal ; geraadpleegd op maandag 7 augustus 2017.
[14] Psalm 37:39.
[15] Genesis 49:28.
[16] Geciteerd van http://www.hogerhoning.nl/ .
[17] Efeziërs 1:3.

22 september 2017

De zegen van het verbond

In Genesis 48 nadert het einde van het aardse leven van Jakob. Hij erkent de zonen van Jozef, Manasse en Efraïm, als zijn eigen zonen.

Een uitlegger schrijft: Jozef “kiest (…) voor het heilige geslacht. Hij hoort van de ziekte van vader Jakob. Daarom gaat hij hem bezoeken. En het opvallende is: hij neemt zijn beide zonen mee. Het wordt nu de tijd van afscheid nemen. Jakob zal binnenkort sterven.
En in deze situatie wil Jozef goed laten uitkomen, dat hij tot de kerkfamilie gerekend wil worden. Met zijn zonen! Als die in alles Egyptenaar blijven, betekent dit hun ondergang in heidendom en ongeloof. Ze hebben wel een Egyptische moeder, maar Jozef weet, dat ze tot het Verbond behoren. Als Jakob straks een zegen gaat uitspreken, zullen zij in die zegen delen”[1].
Jozef doet hier dus een geloofskeuze.
En daarin volgt hij zijn vader. Dat zal hieronder nog nader blijken.

Jozef had ook kunnen zeggen: de Here heeft mij in Egypte geplaatst, dus word ik nu een Egyptenaar. Maar dat zegt hij niet.
Overigens is het ook anno Domini 2017 op het kerkplein een veel gehoorde redenering: de Here heeft ons hier geplaatst, dus wij mogen hier niet weg. Ten diepste betekent dat: een geloofskeuze wil ik nu niet maken. Gelet op de inhoud van Genesis 48 mogen we dat laatste, wat mij betreft, gerust opmerkelijk noemen!

Er gebeurt iets bijzonders met Efraïm en Manasse.
Voor het gemak citeer ik even: “Daarna nam Jozef hen beiden: Efraïm aan zijn rechterhand – voor ​Israël​ was dat links – en Manasse aan zijn linkerhand – voor ​Israël​ was dat rechts. Zo liet hij hen dichter bij hem komen. Maar ​Israël​ stak zijn rechterhand uit en ​legde​ die op het hoofd van Efraïm, hoewel deze de jongste was, en hij ​legde zijn linkerhand op het hoofd van Manasse. Hij kruiste zijn handen, hoewel Manasse de ​eerstgeborene​ was. En hij zegende Jozef en zei: De God voor Wiens aangezicht mijn vaderen, ​Abraham​ en Izak, gewandeld hebben, de God Die mij als ​herder​ geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag, de ​Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens, zodat door hen mijn naam en de naam van mijn vaderen, ​Abraham​ en Izak, genoemd zal blijven en zij in het midden van het land in menigte zullen toenemen.
Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm ​legde, was dat kwalijk in zijn ogen. Daarom greep hij de hand van zijn vader om die te verleggen van het hoofd van Efraïm naar het hoofd van Manasse. Jozef zei tegen zijn vader: Niet zó, mijn vader, want dit is de ​eerstgeborene. ​Leg​ uw rechterhand op zijn hoofd. Maar zijn vader weigerde het en zei: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk worden, ook hij zal aanzien krijgen; maar toch zal zijn jongste broer meer aanzien krijgen dan hij, en zijn nageslacht zal tot een grote menigte van volken worden”[2].
Jakob is hier profetisch bezig.
In Numeri 1 kunnen we al iets van die zegen zien. Daar blijkt de stam Efraïm groter te zijn dan Manasse. Bij Efraïm telt men 8300 man meer[3].

Jozef krijgt, via Efraïm en Manasse, een dubbel deel van de erfenis.
Dat dubbel deel komt eigenlijk aan Ruben toe. Dat dubbel deel krijgt Ruben echter – zo later blijken – niet, omdat hij vreemd is gegaan met Bilha, een bijvrouw van zijn vader[4].

Hierboven noteerde ik: Jakob is in Genesis 48 profetisch bezig. Dat wil eerst en vooral zeggen dat hij gelovig doende is.
De Hebreeënschrijver memoreert dat in hoofdstuk 11 ook: “Door het geloof heeft ​Jakob​ bij zijn sterven ieder van de zonen van ​Jozef​ gezegend en hij boog zich in aanbidding neer, terwijl hij leunde op het uiteinde van zijn staf”[5].

Efraïm en Manasse worden door vader Jakob gezegend.
Betekent dat vanaf nu alles voorspoedig zal gaan? Is het vanaf heden enkel excelsior, steeds hoger?
Zeker niet.
Maar het betekent wel dat de Here Zijn verbond gedenkt.

Een predikant uit de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk schrijft: “Men kan zich afvragen: waarom deze aparte zegening van Jozefs kinderen? Wil vader Jakob hen voortrekken, omdat zij kleinkinderen zijn van zijn lieve Rachel (…), die zo vroeg was gestorven? Of is het omdat Jakob in zijn kleinkinderen eigenlijk ook kinderen van Rachel ziet, naar wie zij zo vurig verlangde? Ik meen dat het veeleer zo is dat Jakob Jozefs zonen, geboren uit een heidense moeder, onder de zegen van het verbond gebracht wil hebben, net als alle andere kleinkinderen van Jakob. In feite krijgt Jozef in hen een dubbele zegen”[6].

De stam Efraïm zal later een belangrijke rol spelen bij de verovering van Kanaän. Jozua, de opvolger van Mozes, is uit Efraïm afkomstig[7].

Er is meer.
Laten wij enkele verzen uit Jeremia 31 lezen. Daar wordt het noordelijk rijk als Efraïm aangeduid. Ik citeer: “Ik heb zeker gehoord dat Efraïm zichzelf beklaagt: U hebt mij gestraft, ik ben gestraft als een ongetemd kalf. Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn, want U bent de HEERE, mijn God. Want nadat ik bekeerd was, heb ik ​berouw​ gekregen. Nadat ik met mijzelf bekend ben gemaakt, heb ik mij op de heup geslagen. Ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden, omdat ik de smaad van mijn jeugd meedraag. Is Efraïm voor Mij niet een dierbare zoon, is hij voor Mij niet een lievelingskind? Want zo dikwijls als Ik tot hem spreek, denk Ik nog voortdurend aan hem. Daarom is Mijn binnenste onrustig over hem, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, spreekt de HEERE”[8].
Efraïm wordt een lievelingskind genoemd.
Het wordt beschouwd als een verbondskind.

Efraïm, dat betekent: dubbel vruchtbaar[9]. Vader Jozef kan in Egypte met vrucht zijn werk doen. Efraïm is ook één van een tweeling.
Vader Jozef gelooft het vast: verbondskinderen worden niet zomaar afgedankt!
Om op bekende woorden uit 1 Corinthiërs 1 te variëren: de zwakke Efraïm, geboren in Egypte, heeft God ​uitverkoren​ om het sterke te beschamen[10].

Nog één keer werpen we een blik op Genesis 48.

Door alles heen blijft Jakob altijd een kind van God.
Op bergen en in dalen dient Jozef altijd de God van het verbond.
Wat moeten wij met die wetenschap doen, vandaag?
Er is, dunkt mij, alle reden om het geloofsvoorbeeld van Jakob en Jozef in onze tijd te volgen.
Dan mogen wij met de apostel Paulus in 2 Timotheüs 4 belijden: “En de Heere zal mij bevrijden van alle boze opzet en mij verlossen tot de komst van Zijn hemels Koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. ​Amen”[11].

Noten:
[1] Geciteerd van http://www.hogerhoning.nl/ ; geraadpleegd op zaterdag 5 augustus 2017.
[2] Genesis 48:13-19.
[3] Zie Numeri 1:33 en 35; Numeri 2:19 en 21.
[4] Zie Genesis 35:22 a: “En het gebeurde, toen ​Israël​ in dat land woonde, dat ​Ruben​ ging en met ​Bilha​ sliep, de ​bijvrouw​ van zijn vader; en ​Israël​ kwam dat te weten​”. Daarover schreef ik in mijn artikel ‘De misstap van Ruben’, hier gepubliceerd op maandag 5 oktober 2015. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2015/10/05/de-misstap-van-ruben/ .
[5] Hebreeën 11:21.
[6] Die predikant is dominee C. den Boer, “Efraïm en Manasse gezegend” (rubriek: ‘Bijbeltekst begrepen’). In: De Waarheidsvriend, donderdag 20 maart 2008, p. 19. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[7] Zie Numeri 13:8 en 16.
[8] Jeremia 31:18, 19 en 20.
[9] Zie hierover ook http://christipedia.nl/Artikelen/E/Efraim ; geraadpleegd op zaterdag 5 augustus 2017.
[10] Zie 1 Corinthiërs 1:27: “Maar het dwaze van de wereld heeft God ​uitverkoren​ om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God ​uitverkoren​ om het sterke te beschamen”.
[11] 2 Timotheüs 4:18.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.