gereformeerd leven in nederland

26 juni 2018

Krachtige types en broze burgers

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

In de eerste brief die Paulus aan de christenen in Corinthe schrijft, gaat het heel vaak over sterke en zwakke mensen.
Maar uiteindelijk kan en moet worden geconcludeerd: juist die verschillen brengen krachtige types en broze burgers samen bij de Heiland.

Dat zal hieronder al snel blijken.

Wij beginnen bij het begin. Bij 1 Corinthiërs 1 namelijk[1].
Ik citeer: “Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen. Let namelijk op uw roeping, broeders: er zijn onder u niet veel wijzen naar het vlees, niet veel machtigen, niet veel aanzienlijken. Maar het dwaze van de wereld heeft God ​uitverkoren​ om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God ​uitverkoren​ om het sterke te beschamen. En het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God ​uitverkoren, en wat niets is, om wat iets is teniet te doen, opdat geen vlees voor Hem zou roemen”[2].
Dat zijn heel bekende woorden. Woorden die, op de keper beschouwd, een uiterst merkwaardige boodschap bevatten.
Maar het is wel een bericht van God, de Machthebber in hemel en op aarde.
En juist die almachtige God kiest eenvoudige mensen uit om Zijn kinderen te zijn. Er wordt niet gevraagd naar uw intelligentiequotiënt. En ook niet naar de maatschappelijke positie die u heeft. En ook niet naar uw ijver in de kerk.
Juist onbelangrijke mensen mogen toetreden tot het leger van Christus’ volgelingen!

Op die onbelangrijkheid borduurt Paulus in 1 Corinthiërs 4 voort.
Paulus en de andere apostelen zijn in de ogen van de wereld zwak. De Corinthiërs vinden zichzelf sterk in Christus. Maar in de grond van de zaak vinden de christenen in Corinthe zichzelf best een beetje belangrijk[3].

Christenen moeten echter snel afleren zichzelf van grote betekenis te vinden!
Integendeel – het wordt tijd dat zij leren om rekening met elkaar te houden.
Paulus schrijft: “Want als iemand u, die deze kennis bezit, in een afgodstempel aan tafel ziet aanliggen, zal dan zijn geweten, omdat het zwak is, er niet toe aangezet worden om afgodenoffers te eten?”[4].
Een commentator schrijft hierbij: op deze manier wordt het geloof “in de verkeerde richting gestimuleerd”[5].

Het wordt ons duidelijk gemaakt: alles draait om inlevingsvermogen en aanpassingsvermogen. Willen wij werkelijk rekening houden met elkaar?
Paulus noteert: “Ik ben voor de zwakken geworden als een zwakke, om de zwakken te winnen. Voor allen ben ik alles geworden, om in ieder geval enigen te behouden”[6].
En: “Of willen wij de Heere tot jaloersheid verwekken? Wij zijn toch niet sterker dan Hij?”[7].
En verder: “…zoals ik ook in alles allen behaag, door niet mijn eigen voordeel te zoeken, maar dat van velen, opdat zij behouden worden”.

Een uitlegger schrijft: “Waarom het gaat, is hoe jij met je vrijheden omgaat. Gebruik jij je vrijheid voor jezelf of houd je in het gebruik ervan ook rekening met je broeder of zuster die ergens zwak in is?”[8].
En: “Paulus komt de ander zo ver mogelijk tegemoet in de situatie waarin deze zich bevindt. Zo benadert hij de zwakken alsof hijzelf ook een zwakke is. Hij houdt rekening met het geweten van de zwakke en past er wel voor op dat hij iets doet waardoor de zwakke zich zou afkeren van de boodschap van het evangelie”[9].
En ja, zelfs: “De christenheid is versplinterd in allerlei kerken en groepen. We zijn dan ook uitsluitend op de Bijbel aangewezen als ons enige houvast. Wij willen de Heer toch niet tot jaloersheid verwekken door aan Zijn Naam allerlei regels te verbinden die in vele delen van de christenheid door mensen zijn opgesteld? Hij kan het niet goedvinden dat wij ons door onze eigen ideeën laten leiden. Wanneer we dat doen, zal Hij ons moeten berispen, en als wij niet luisteren, zal Hij ons moeten tuchtigen. Daar is Hij sterk genoeg voor”[10].

Kritisch zelfonderzoek is een must: ieder moet zichzelf beproeven.

Nu las ik ergens het volgende.
“Een gezonde zelfanalyse is natuurlijk prima. Als je jezelf analyseert, leert van je acties en ziet wat je volgende keer beter kan doen. Zo heb je een krachtig hulpmiddel voor persoonlijke groei in handen.
Maar zelfkritiek is geen zelfanalyse. Het is jezelf naar beneden halen. Het merkwaardige is dat mensen kritiek van anderen vaak niet accepteren, maar wel van zichzelf. Zou jij iemand in je buurt tolereren die je de hele tijd aan het neerhalen is? Die overal kritiek op heeft en altijd vindt dat je niet goed genoeg bent?”[11].
Zegt u nu zelf: het bovenstaande staat midden in onze werkelijkheid. En je kunt je afvragen: is het in de kerk nu echt de bedoeling dat ons zelfbeeld aan gruzelementen gaat?
Wie goed kijkt, ziet al snel waar het in het bovenstaande citaat fout gaat. Dat is dit: onze Heiland wordt niet genoemd.
En dat terwijl Paulus in 1 Corinthiërs de mond vol heeft over Jezus Christus!

Het is niet moeilijk om dat te zien.

Laten we beginnen bij de inzet van 1 Corinthiërs 4: “Laat ieder mens ons zó beschouwen, namelijk als dienaren van ​Christus​ en beheerders van de geheimenissen van God”[12].
In 1 Corinthiërs 8 schrijft de apostel onomwonden: “Want al zijn er ook die ​goden​ genoemd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde -zoals er vele ​goden​ en vele heren zijn-, toch is er voor ons maar één God: de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem, en één Heere: ​Jezus​ ​Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem”[13].
In 1 Corinthiërs 9 vraagt Paulus: “Heb ik niet ​Jezus​ ​Christus, onze Heere, gezien? Bent u [christenen in Corinthe] niet mijn werk in de Heere?”[14].
In 1 Corinthiërs 10 betoogt de Godsgezant: “God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat u verzocht wordt boven wat u aankunt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven om die te kunnen doorstaan”[15].
Zelfonderzoek is een goede zaak.
Zelfbeproeving noemen we dat vanouds in de kerk. In de eenentwintigste eeuw spreken we dan van een zelftest.
In die zelftest zoeken we onder meer een antwoord op de volgende vragen:
* vertrouwen we ons helemaal aan Jezus Christus toe?
* vertrouwen we erop dat de reparatie van ons zelfbeeld bij Hem in goede handen is?
* willen we rekening houden met elkaar?
* willen wij altijd gelijk hebben?
* willen wij toegeven dat wij maar zwakke mensen zijn, die lang niet altijd alles doorzien?
* leggen we onze ruzies en onenigheden bij de Here neer, als we er zelf niet uitkomen?
* staan wij onszelf toe om de minste te zijn, om zo de vrede in de kerk te bevorderen?

“Uit Hem bent u in ​Christus​ ​Jezus, Die voor ons is geworden wijsheid van God en ​gerechtigheid, ​heiliging​ en verlossing”[16].
Laten wij die woorden uit 1 Corinthiërs 1 maar vaak repeteren!

Noten:
[1] De keuze van een tekst uit het Bijbelboek 1 Corinthiërs is mede ingegeven door het feit dat ik op woensdag 12 september 2018 tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen een korte inleiding hoop te houden over schets 1 van: Ds. G. van Rongen, “Jaagt de liefde na – schetsen over de eerste brief van de apostel Paulus aan de gemeente te Korinthe”. – Nederlandse Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen, [ca. 1984]. – pagina 5-14.
[2] 1 Corinthiërs 1:25-29.
[3] Zie 1 Corinthiërs 4:10: “Wij zijn dwaas om ​Christus’ wil, maar u bent wijs in ​Christus, wij zwak, maar u sterk, u geëerd, maar wij veracht”.
[4] 1 Corinthiërs 8:10.
[5] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Corinthiërs 8:10.
[6] 1 Corinthiërs 9:22.
[7] 1 Corinthiërs 10:22.
[8] Geciteerd van http://www.oudesporen.nl/Download/OS1015.pdf , p. 134; geraadpleegd op donderdag 14 juni 2018.
[9] Geciteerd van http://www.oudesporen.nl/Download/OS1015.pdf , p. 150; geraadpleegd op donderdag 14 juni 2018.
[10] Geciteerd van http://www.oudesporen.nl/Download/OS1015.pdf , p. 173; geraadpleegd op donderdag 14 juni 2018.
[11] Geciteerd van https://www.newstart.nl/blog/van-zelfkritiek-naar-zelfvertrouwen/ ; geraadpleegd op donderdag 14 juni 2018.
[12] 1 Corinthiërs 4:1.
[13] 1 Corinthiërs 8:5 en 6.
[14] 1 Corinthiërs 9:1.
[15] 1 Corinthiërs 10:13.
[16] 1 Corinthiërs 1:30.

11 oktober 2017

Kwaliteitscontrole

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

Niet zo lang geleden kwam ik het volgende bericht tegen.

“De Vereniging Rijschool Belang (VRB), de Federatie Autorijschool Management en de Bovag hebben een brandbrief gestuurd aan het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Daarin klagen ze over het niveau van mensen die afrijden, meldt De Telegraaf. “Er komen soms examenkandidaten opdraven die maar vier lessen kregen. Dat is toch bizar”, zegt VRB-voorzitter Peter van Neck.
Volgens de VRB zijn het vooral de stuntpakketten die rijscholen aanbieden die ervoor zorgen dat de kwaliteit zo laag is. ‘Tien lessen plus examen. Dan weet je eigenlijk vooraf al dat je genept wordt. Maar toch worden ze verkocht. En erger nog, deze leerlingen komen ook opdraven om af te rijden’, vertelt Van Neck.
Daarom pleiten de organisaties voor betere kwaliteitscontrole op rijscholen en instructeurs. ‘Nu worden rijscholen er beter van, want telkens opnieuw examen laten doen is voor hen gewoon een verdienmodel’”[1].

Hierboven viel het woord ‘kwaliteitscontrole’. Dat is de “controle van de deugdelijkheid van goederen”. Of iets deftiger: “dat deel van het kwaliteitsmanagement dat zich richt op het voldoen aan de kwaliteitsvereisten”[2].
Kwaliteitscontrole is reuze nuttig. Dat was altijd al zo. En in de dynamische wereld van vandaag is kwaliteitscontrole van het hoogste belang. Het bovenstaande bericht bewijst dat eens te meer.

In de kerk is kwaliteitscontrole trouwens niets nieuws. Denkt u maar aan de zelfbeproeving zoals die in het formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal voorkomt.

De apostel Paulus schrijft in 2 Corinthiërs 13: “Onderzoek uzelf of u in het geloof bent, beproef uzelf. Of weet u niet van uzelf dat ​Jezus​ ​Christus​ in u is? Of het moet zijn dat u op enigerlei wijze verwerpelijk bent”[3].
Die woorden noteert Paulus omdat hij de blikrichting van de Corinthiërs wil veranderen. Ze doen niet anders dan kritisch naar Paulus kijken. Welnu, Paulus zegt: beoordeel uzelf maar eens!
Daarbij is de vraag: bent u nog in Christus? Oftewel: bent u nog door het geloof met Christus verbonden?
Die vraag moet vandaag ook door ons beantwoord worden.

Wat moet die zelfkritiek opleveren?

Wij moeten in de kerk altijd bereid zijn om te blijven leren van onze Leraar. Levenslang leren: de kerk weet reeds sinds mensenheugenis wat dat betekent.

In de kerk behoren wij ons te blijven realiseren dat wij zijn verlost. Wij kwamen, menselijk gesproken, uit een volstrekt kansloze situatie. Maar wij zijn gered! Wij zijn uit het moeras getild! Laat dat vooral nimmer gewoon worden.

In de kerk mogen wij permanent beseffen dat we in de hemel een Advocaat hebben die voortdurend het pleit voor ons voert.
De zonde speelt ons in iedere minuut van het leven parten. Dankzij Gods Heilige Geest is de zonde echter geen heerser meer in ons dagelijkse doen. En de Heiland pleit voor ons: ‘Ik heb voor hem en voor haar geleden; hun zonden zijn door Mij betaald’.

In de kerk genieten wij op elk moment van de dag en in iedere seconde van de nacht Goddelijke bescherming. Wij worden afgeschermd voor het woelen van de wereld. Wij worden, om zo te zeggen, zuinig bewaard.

Dat alles leren we ook uit Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus:
“Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde, genoemd?
Antwoord:
Omdat Hij door God de Vader is aangesteld en met de Heilige Geest gezalfd tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning. Als Profeet en Leraar heeft Hij ons de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen geopenbaard. Als Hogepriester heeft Hij ons met het enige offer van zijn lichaam verlost en blijft Hij met zijn voorbede steeds bij de Vader voor ons pleiten. Als Koning regeert Hij ons met zijn Woord en Geest, en beschermt en bewaart Hij ons bij de verworven verlossing”[4].

In de kerk doen we aan kwaliteitscontrole. Jazeker. En dat doen we, als het goed is, niet alleen tijdens de kerkvisitatie, of tijdens de voorbereiding op de viering van het Heilig Avondmaal.
Steeds weer moeten wij een eerlijk antwoord geven op de vraag: ben ik in Christus?

Kwaliteitscontrole? De kerk weet al eeuwen wat dat is!

Noten:
[1] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2194203-rijschoolhouders-klagen-over-niveau-kandidaten-bij-examen.html ; geraadpleegd op vrijdag 22 september 2017.
[2] Geciteerd van http://www.encyclo.nl/begrip/kwaliteitscontrole .
[3] 2 Corinthiërs 13:5.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 31.

2 november 2015

Het Avondmaal en de afgoden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

In heel wat Gereformeerde kerken zijn mensen die niet kunnen deelnemen aan de viering van het Heilig Avondmaal[1].

Soms is er sprake van stille censuur. Of van een tuchtprocedure.

Er zijn echter ook wel situaties waarin mensen er zelf voor kiezen om niet aan het Heilig Avondmaal deel te nemen. Bijvoorbeeld omdat ze een diepgaand conflict met broeders hebben. Dat is verdrietig. Dat is dieptriest.
Er is niemand die ruzies wil in de kerk. Toch komen ze voor.
Sommige conflicten zitten zo diep dat ze een schaduw over het leven leggen. Wat zouden we er graag wat aan doen!

Aanstaande zondag zal, zo de Here wil, in onze kerk het Heilig Avondmaal worden bediend.
Daarom vraag ik vandaag uw aandacht voor woorden uit 1 Corinthiërs 10. Het is deze: “Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood. Ziet, hoe het gaat bij het Israël naar het vlees: hebben niet zij, die de offers eten, gemeenschap met het altaar? Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan God en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten. Gij kunt niet de beker des Heren drinken èn de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten. Of willen wij de Here tot naijver wekken? Zijn wij soms sterker dan Hij?”[2].

In het citaat hierboven gaat het over boze geesten[3].
Bij oppervlakkige lezing kan men zeggen: het gaat over mensen die boos zijn; het gaat over broeders en zusters die veel kwaadheid met zich mee dragen. Of over bepaalde toestanden in de duivelse wereld.

Waar gaat het over in 1 Corinthiërs 10?

Paulus schrijft over afgoden.
Daar weten ze in Griekenland over mee te praten –
Zeus: de oppergod;
Apollo: de god van de rationele schoonheid en orde
Hermes: de god van de handel, het verkeer en de post
Artemis: de godin van de jacht, en van de maan….
en zo zijn er nog veel meer[4].
Dat zijn afgoden. Zij zijn tot helemaal niets in staat.
De christenen in Corinthe mogen aan al die mythologische godheden nooit aandacht meer besteden. Zij moeten ver weg blijven van alle gedachtewerelden-zonder-God.

Gods volk heeft zich heel vaak bezondigd aan de omgang met zulke goden.
Denkt u maar aan Leviticus 17: “Dan zal de priester het bloed op het altaar des Heren, bij de ingang van de tent der samenkomst, sprengen en het vet in rook doen opgaan tot een liefelijke reuk voor de Here. En zij zullen hun offers niet meer brengen aan de veldgeesten, die zij overspelig nalopen. Een altoosdurende inzetting zal dit voor hen zijn in hun geslachten. En gij zult tot hen zeggen: Ieder van het huis Israëls of van de vreemdelingen, die in uw midden vertoeven, die een brandoffer of slachtoffer offert, maar dat niet naar de ingang van de tent der samenkomst brengt om het de Here te bereiden, die zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden”[5].
En aan Deuteronomium 32:
“Zij verwekten Hem tot naijver door vreemde goden,
met gruwelen krenkten zij Hem;
zij offerden aan de boze geesten, die geen goden zijn,
aan goden, die zij niet hebben gekend,
nieuwe goden, die kort tevoren opgekomen waren,
voor welke uw vaderen niet gehuiverd hadden”[6].
En ook in Galatië komt het voor. Want Paulus schrijft in Galaten 4: “Maar in de tijd, dat gij God niet kendet, hebt gij goden gediend, die het in wezen niet zijn. Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken?”[7].

Paulus zegt in 1 Corinthiërs 10: u kunt niet en het Heilig Avondmaal vieren en drinken van de wijn die tijdens allerlei feestmaaltijden in heidense tempels wordt geschonken.
Mozes merkte het in Deuteronomium 32 al op:
“Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is,
zij krenkten Mij met hun ijdelheden.
Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door wat geen natie is,
door een dwaas volk zal Ik hen krenken”[8].
Paulus vraagt in 1 Corinthiërs 10: wilt u de Here jaloers maken?

In 1 Corinthiërs 10 gaat het dus niet over boze mensen. Of over mensen die elkaar niet mogen, en niet met elkaar door één deur kunnen.

Als het gaat over het wel of niet vieren van het Avondmaal, gaat het om de vragen:
* dienen wij God?
* of dienen wij afgoden?

Als een broeder of zuster zegt: ik kan niet aan het Avondmaal gaan, want
* ik leef in onmin met broeder X en zuster Y
of bijvoorbeeld
* ik ben het op bepaalde punten oneens met de handelwijze van ‘mijn’ kerkenraad
dan is de kernkwestie:
* dienen broeder X en zuster Y afgoden? Zo ja, welke dan?
* dient de kerkenraad een afgod? Zo ja, welke dan?

Tenslotte nog dit.
Voor de viering van het Heilig Avondmaal wordt zelfbeproeving gevraagd.
Ieder moet zijn eigen zonden overdenken.
Ieder moet zichzelf onderzoeken of hij Gods vaste beloften gelooft.
Ieder moet zichzelf afvragen of hij voortaan dankbaar voor God te leven[9].
Laten wij vooral niet te veel naar anderen kijken!

Noten:
[1] In dit artikel heb ik niet het oog op specifieke situaties in bepaalde kerken of gemeenten.
[2] 1 Corinthiërs 10:17-22.
[3] In dit artikel gebruik ik onder meer de internetversie van de Studiebijbel. Zie https://www.studiebijbel.nl/home.html .
[4] Zie hierover bijvoorbeeld https://nl.wikipedia.org/wiki/Zeus , https://nl.wikipedia.org/wiki/Apollon , https://nl.wikipedia.org/wiki/Hermes en https://nl.wikipedia.org/wiki/Artemis_(mythologie) .
[5] Leviticus 17:6-9.
[6] Deuteronomium 32:16 en 17.
[7] Galaten 4:8 en 9.
[8] Deuteronomium 32:21.
[9] Zie het Formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal in het Gereformeerd Kerkboek, pagina 522.

1 september 2015

Oprecht geloof

In Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus zit een bijzonder trekje. De catechismusschrijvers zeggen daar tegen ons: maak u, om te beginnen, niet teveel zorgen over het geloof van anderen; kijk eerst maar eens zorgvuldig naar uzelf.
Leest u maar even mee:
“Wat is waar geloof?
Antwoord:
Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Tegelijk is het een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus”[1].

Het is belangrijk om regelmatig te controleren of wij werkelijk geloven dat wij alles van Christus moeten verwachten.
Zelfbeproeving en tucht zijn heus niet ouderwets. Natuurlijk hebben we allemaal de neiging om te zeggen: laat mij nou maar lopen, controleer mij niet voortdurend, alles komt goed… Maar Zondag 7 leert ons: vergeet de zelfcheck niet!

Dat wil niet zeggen dat de kerk bevolkt wordt door een stelletje egoïsten. Want het gaat erom “dat ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft”.
Dus: wij kijken naar onszelf, maar wij mogen de broeders en zusters nooit vergeten.

Dit betekent onder meer dat we altijd een beetje voorzichtig moeten zijn met de constatering: broeder X en zuster Y hebben een sterk geloof. Want dat krachtige geloof kan heel goed een kwestie van de buitenkant wezen.
Wij kunnen niet in harten kijken. We weten niet wat daar bruist of trilt.

Eigenlijk vinden wij dat, in het algemeen genomen, reuze hinderlijk. Want wij gunnen bijna alle mensen een plek in de hemel. Natuurlijk, de criminelen moeten buiten blijven. Maar ach, er zijn heel veel andere mensen die het goed bedoelen, en bovendien uiterst correct leven.
Dat is overigens geen kwestie van 2015.
Het was de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J. van Raalte (1894-1982) die in een preek eens zei: “Want wij moeten één ding goed verstaan, broeders en zusters, namelijk dit, dat het al of niet zalig worden een zaak is, die niet door menselijke gevoelens wordt uitgemaakt, maar dat God daarover beslist. Die kan dat alleen zeggen en zegt ons dat ook; en Hij doet dat in Zijn Woord.
Wat mensen menen of gevoelen kan daarvoor nooit als regel gelden. Daarom moeten wij, als wij ons bezig houden met de hier gestelde zaken, de mensen niet vragen, wat zij daar van denken, al zijn zij ook nog zo geleerd en bekwaam!”[2].

Nu het hierom gaat, kan worden gewezen op die bekende tekst uit Johannes 3: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”[3].
Dat betekent dat uw en mijn hemelleven geheel afhankelijk zijn van ons geloof in Christus. Wij moeten geloven in de waarde van Zijn betaling voor onze zonden. Wij moeten vertrouwen op de verwezenlijking van Christus’ beloften met betrekking tot ons eeuwig leven.
En laten wij wel wezen: op dat punt gaat het bij massa’s mensen fout. Want zij zeggen: ik heb heel goed geleefd, dus heb ik wel een plaatsje in de hemel verdiend.
Wij behoren het hardop te zeggen, regelrecht en zonder allerlei bochtenwerk: dat is ongeloof.

De eerste Nederlandse vertaling van onze catechismus dateert uit 1566 en is van de hand van Petrus Datheen. Daarin gaat het over niet over een waar geloof, doch over een “oprecht geloove”.
En opeens ligt die vraag open en bloot, midden op tafel: hebben wij een oprecht geloof? Een bekende theoloog schreef daarover: “Dan gaat het niet om iets wat je wel of niet hebt of voelt in jezelf, maar om wat de Heere belooft, om de houding tegenover het Evangelie. Het gaat erom of je in de rechte verhouding staat tot wat de Heere in zijn liefde belooft. Een oprecht geloof trekt de gelovige af van het eigen dwaalzieke hart en geeft houvast in wat de Heere beloofd heeft. Zo worden de zekerheid van het kennen en de vastheid van het vertrouwen als de twee brandpunten van het geloof (…) gehonoreerd en bevrijd van alle kramp”[4].

Natuurlijk kunnen mensen zeggen: wij geloven alleen datgene wat wij wetenschappelijk kunnen bewijzen.
Dat klinkt prachtig.
Maar ook zulke mensen hebben een geloof. Zij geloven dat de dingen zo zijn, zoals zij die met eigen ogen waarnemen. Zij geloven (!) dat hun ogen hen niet bedriegen. Alleen maar, dat laatste kunnen die beste mensen niet bewijzen…
Dominee Van Raalte zei indertijd nuchter: “En wanneer het gaat om dingen, die men zogenaamd ‘bewijzen’ kan, komt men uiteindelijk ook weer bij het geloven terecht.
Dat is zelfs zo met de meest exacte wetenschap, die onder de mensen bekend is: met de wiskunde, waaraan men niet zonder reden die naam heeft gegeven, namelijk dat het de kennis van het weten is. Daarin kan men alles met volkomen juiste conclusie bewijzen, totdat men bij de grondstelling is aangekomen. Daar houdt de redenering op. Die grondstelling aanvaardt men onbewezen; die gelooft men”.
Dat noemt men een axioma. Of ook een postulaat[5].

Oprecht geloof, waar geloof begint niet bij mensen. Dat begint bij God.
Zulk geloof is niet onbestendig. Het is niet iets zo dat de geloofsinhoud na verloop van tijd ingrijpend veranderd blijkt te zijn.
Oprecht geloven wil zeggen: wij dienen God, ook als situaties gaandeweg moeilijker worden. Dat komt omdat ware gelovigen bij Christus ingelijfd zijn; zij zijn onlosmakelijk met Hem verbonden.

Oppervlakkig geloof komt ook voor.
Paulus zegt in Handelingen 26: “Koning Agrippa, gelooft gij de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft!”[6]. Paulus gaat er dus van uit dat Agrippa, net als de meeste Joden, aanneemt dat de profetieën over de komende Messias waar zijn. Maar nee, Agrippa verbindt die profetieën niet met Jezus: “Gij wilt mij wel spoedig als Christen laten optreden!”[7].
Ziet u? Agrippa wandelt niet met Jezus Christus!

Zondag 7 gaat over het oprechte geloof.
Dat geloof is gericht op onze Heiland, de Here Jezus Christus.
Mensen zijn meestal gericht op personen of dingen om hen heen. Neem nu die vrouw die de pers te woord stond nadat er een bijeenkomst voor omwonenden was gehouden vanwege het kraanongeluk in Alphen aan den Rijn. Over de professionaliteit van de gemeente zei ze: “Ik geloof wel dat ze erg hun best doen”[8]. Dat zal best; dat weet je echter nooit zeker.
Welnu, in de kerk geloven we in Jezus Christus. Dat geloof geeft een zekerheid die geen mens geven kan.

Het parool blijft:
* vergeet de zelfcheck niet
* en negeer de broeders en zusters nimmer!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 7, vraag en antwoord 21.
[2] De geciteerde preek van ds. van Raalte is ongedateerd. Ook in het onderstaande maak ik van die preek gebruik.
Thema en verdeling van die preek luiden:
Het ware geloof als het enige middel om in de verlossing door Christus te delen.
Daarbij wordt gesproken over het volgende:
1. waarom het geloof nodig is
2. waarin het geloof bestaat
3. wat het geloof tot inhoud heeft.
[3] Johannes 3:16.
[4] Dit werd geschreven door dr. W. Verboom. Zie http://www.indieskriflig.org.za/index.php/skriflig/article/viewFile/685/2012 . Geraadpleegd op maandag 10 augustus 2015.
[5] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Axioma . Geraadpleegd op maandag 10 augustus 2015.
[6] Handelingen 26:27.
[7] Handelingen 26:28.
[8] Zie http://www.npo.nl/ik-geloof-wel-dat-ze-erg-hun-best-doen/04-08-2015/WO_NOS_1605317 . Zie over het kraanongeluk bijvoorbeeld https://nl.wikipedia.org/wiki/Koningin_Julianabrug_(Alphen_aan_den_Rijn) . Geraadpleegd op maandag 10 augustus 2015.

17 april 2015

Geloofszekerheid

Nederlanders hebben heel wat te lijden[1].
Dat geldt niet minder voor Nederlandse christenen.

Er zijn, bijvoorbeeld, moeilijke situaties in huwelijken. Sommige echtgenotes zeggen: mijn man communiceert niet met onze kinderen.
In heel wat arbeidsverhoudingen is het lang niet altijd koek en ei. Men kan het zomaar horen zeggen: de man die op die-en-die plek zit is niet capabel. Kan iemand hem niet wegpromoveren of anderszins wegregelen?
Zo hebben wij allemaal onze sores.

Wij hebben, in onze eigen beleving althans, zoveel te lijden dat er weinig of geen aandacht meer is voor ons belijden.
En al helemaal niet voor onze belijdenis.

Vaak kijken wij alleen maar naar de dingen van dit leven. Maar in 1 Corinthiërs 15 schrijft Paulus: “Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen”. De Bijbel in Gewone Taal-2014 heeft daar: “Als ons geloof in Christus alleen maar belangrijk zou zijn voor ons aardse leven, dan is het zinloos. Wat zou dat treurig zijn! Dan zouden alle mensen medelijden met ons moeten hebben” [2].
Kinderen van God moeten zich oefenen in zekerheid.
In Zijn heilig Woord geeft de Here voortdurend garantiebewijzen af: de eeuwigheid wordt heerlijke werkelijkheid!
Niet voor niets wordt hoop in Hebreeën 6 getypeerd als “een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchizedek hogepriester geworden in eeuwigheid”[3].

Daar viel de naam van Melchizedek.
Wat was het bijzondere van die man? Wel, hij was in het Oude Testament de enige persoon die koning en priester tegelijk was.
Jezus Christus is in de nieuwe bedeling én koning én priester. En dat wordt nooit meer anders. Daarom stond Jezus Christus in het Nieuwe Testament in de traditie van Melchizedek.
Jezus Christus is koning, regeerder dus. Maar Hij is ook Verzoener.
Om met de Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken: “Wij vinden al onze troost in zijn wonden en behoeven geen enkel ander middel te zoeken of uit te denken om ons met God te verzoenen naast dit ene, eens voor altijd gebrachte offer, dat de gelovigen voor eeuwig tot volmaaktheid brengt”[4].

Wij hebben veel te lijden, zeggen de mensen. In handicaps en ziekten. In persoonlijke omstandigheden; zoals in het huwelijk of in het dagelijks werk.
En in heel veel gevallen is dat waar. U weet het zelf waarschijnlijk ook wel: er zijn periodes waarin de problemen bijkans de pan uitrijzen.
Even zo goed ligt er vaak nog een probleem onder. Dat is dit: massa’s mensen die zich christen noemen laten zich niet meer leiden. Hun situatie is: lijden, maar niet meer laten leiden.
En dat terwijl Jezus Christus Voorloper was. Dus: we kunnen gewoon achter Hem aan lopen.

Zo simpel is het. Heel veel mensen kijken verbijsterd en verdrietig naar hun lijden – alleen maar naar beneden dus. En als ze weer omhoog kijken, vragen ze verbluft: zeg, waar is die Man die voor ons aan liep nou gebleven?

De kwestie is:
* we moeten ons niet laten beheersen door het lijden.
* we moeten ons wel laten beheersen door de zekerheid.

We kijken dus naar wat God heeft gedaan. En via het geloof weten wij welke consequenties dat nu heeft, en wat het kenmerk van onze toekomst is.
Wij kijken naar het verleden; naar Christus.
Wij kijken naar het heden; wij dienen God met heel ons verstand en al onze krachten.
Wij kijken naar de hemel; wij weten dat Christus onze Pleitbezorger is.

In ons aardse leven komt onze God dus altijd op de eerste plaats te staan. Niet omdat we onszelf vergeten. Nee – om met Galaten 2 te spreken: Christus leeft in ons.

Jaren geleden al stond in het Nederlands Dagblad een artikel waarin professor M. te Velde, hoogleraar aan de Gereformeerd vrijgemaakte Theologische Universiteit, zei dat de kerken  eens goed naar zichzelf moesten kijken. Hij had het toen over “een fase van zelfbeproeving, loutering, catharsis [= geestelijke of lichamelijke reiniging, BdR] jezelf zien als door de ogen van God. De korsten breken weg, als God ons genadig is”[5].
Nu is het heel goed om onszelf bij tijd en wijle te beproeven.
Maar als het goed is betekent dat niet dat u en ik onze zielenroerselen uitgebreid gaan analyseren. We gaan ons afvragen hoe hecht onze relatie met Jezus Christus is. We willen zien hoe Gods Heilige Geest in onze harten werkt. Wij focussen niet op ons eigen geloof, maar op de Here Jezus Christus. Zelfbeproeving is dus:
* niet psychologisch
* maar pneumatologisch[6].

Eén ding nog.
Het is nu een dag of tien geleden dat we het Paasfeest vierden. Maar als het goed is galmen de juichtonen van die feestdagen nog na in ons leven.
Het is mede daarom dat ik tenslotte nog graag de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant P. Groenenberg aan het woord laat over de zekerheid van ons geloof.
“Christus’ opstanding geeft ons de zekerheid, dat het grote komt. De volle ontplooiing van al Gods schatten is in aantocht. Eenmaal zal God ons naar het recht van zijn verbond zetten in de zoonspositie. Want de Heer is waarlijk opgestaan”[7].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 7 april 2006.
[2] 1 Corinthiërs 15:19.
[3] Hebreeën 6:19 en 20.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 21.
[5] Het betreffende artikel is nog te vinden op http://www.nd.nl/artikelen/2004/augustus/07/verbondskinderen-leggen-rozen-bij-de-doopvont .
[6] Zie hierover ook: “Problematiek zekerheid van heil en geloof typisch voor moderne tijd”. In: Kruispunt, katern van het Reformatorisch Dagblad (donderdag 12 maart 2015), p. 4. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[7] Ds. P. Groenenberg, “Een Koninklijk Woord – Bijbels dagboek”. – Kampen: Uitgeverij Voorhoeve, © 1999; tweede druk. – p. 102 (6 april). Bij het schrijven van dit artikel heb ik dankbaar van dit dagboekstukje gebruik gemaakt.
Dominee P. Groenenberg leefde van 1946 tot 2005.

7 januari 2013

In Christus goedgekeurd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Op allerlei manieren wordt ons meegedeeld dat wij in een chaotische tijd leven. Een tijd die fragmentarisch is, bovendien.
En dat terwijl in de Bijbel staat dat wij de Here moeten liefhebben met heel ons hart. En met ál onze krachten[1].

Het is zaak om regelmatig te bezien waar het brandpunt in ons leven ligt.
Paulus heeft die oproep in 2 Corinthiërs 13 óók gedaan: “Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk”[2].

Hoe kunnen wij dat doen?
Onlangs gaf een docent burgerschap en godsdienst in een bijlage van het Reformatorisch Dagblad enkele antwoorden op die vraag[3].
Wij doen er, zo schreef die leraar, goed aan om zo vaak mogelijk iets uit één van de zondagse preken toe te passen in ons leven.
Als wij ontdekken hoeveel moeite zulk een toepassing kost, merken we ook hoe groot de invloed van de zonde eigenlijk nog is.
Als wij die invloed opmerken, mogen wij ons tot God wenden. Hij wil ons, door het werk van Zijn Geest, helpen om te leven op een wijze die in het Verbondskader past. Dan betreden wij, in het gebed, zonder terughoudendheid de troonzaal van God. Om met 1 Johannes 3 te spreken: “Geliefden, als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid tegenover God, en ontvangen wij van Hem al wat wij bidden, daar wij zijn geboden bewaren en doen wat welgevallig is voor zijn aangezicht”[4].
Al doende ontvangen wij dan ook de discipline om die levensstijl consequent dóór te zetten.

Ik keer weer terug naar 2 Corinthiërs 13[5].
In dat hoofdstuk komen we enkele vormen tegen van het Griekse werkwoord dokimazo – beproeven, toetsen.
De Corinthiërs zijn op zoek naar de dokime van Christus in het spreken van Paulus. Dokime: bewezen kwaliteit[6].
Paulus zegt: u moet onderzoeken of Christus in u is. Want als dat niet zo is, dan is er sprake van adokimos; dan bent u afgekeurd. Ik hoop, schrijft Paulus, dat u begrijpt dat ik in het geheel niet afgekeurd ben.
En trouwens, merkt de apostel op, eigenlijk gaat het er nu niet om of ik goedgekeurd ben. U moet het goede doen.

Het Bijbelboek 2 Corinthiërs draait in feite om één punt: de dienst die iedere gelovige verrichten moet[7].
Die dienst is mogelijk door het werk van Gods Geest. Door die dienst worden wij vrije mensen. In dat dienstverband worden wij klaargemaakt om voor eeuwig met God te leven. Kijkt u maar in 2 Corinthiërs 3: “De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid. En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is”[8].
Die dienst houdt hier op aarde nooit op. We hebben er in het alledaagse leven steeds mee te maken. Zelfs als we aan het eind van ons aardse leven zijn, zo blijkt in hoofdstuk 4 en 5.
Die dienst is overal en immer gebaseerd op het reddingswerk dat Jezus Christus heeft gedaan. Hij bracht verzoening tussen God en Zijn kinderen. Zie hoofdstuk 5.
Die dienst houdt in dat we ons van de wereld afscheiden. We laten ons door de Here apart zetten. Aldus hoofdstuk 6.
Die dienst betekent ook dat wij, in de gemeenschap van de heiligen, goed voor elkaar zorgen. Wij moeten elkaar, waar mogelijk helpen. Zie de hoofdstukken 8 en 9.
In die dienst markeren we ook onze positie. De individuen die die zorg aan elkaar geven zijn op zichzelf niet zo belangrijk. Sterker nog: als het er op aankomt, is Paulus als persoon óók niet zo belangwekkend. De kernkwestie is dat wordt gedemonstreerd hoe de dienst aan Jezus Christus er uit ziet. In de kerk zijn wij allemaal dienaren van Hem. Zie hoofdstuk 11 en 12.

De opdracht voor de kerk van de eenentwintigste eeuw is kort: zij moet in Christus blijven.
En dus moet de kerk haar grenzen bewaken.
Zo nodig moet de kerk túcht oefenen.
Maar laat de kerk zich niet verliezen in prestatiedrang of prestatiedwang.

In dit verband citeer ik woorden van dominee A.J. Mensink.
Mensink is voorzitter van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk.
Hij leerde zijn collega-predikanten deze les: “Als we in 2 Corinthiërs 12 lezen over de doorn in het vlees, blijkt het ook daar te gaan over eigenschappen en hoedanigheden die in onze ogen eerder een belemmering dan een bevordering van ons ambt vormen. Iets waaruit de Heere Paulus heeft geleerd wat genade is, en dat genade genoeg is. Onze roeping stoelt dus niet op wat de Heere in ons zocht en vond. Alles in ons is tegen ons. Want tegen Hem”[9].
Dat is een les voor dominees. Maar het is, mutatis mutandis, ook een vermaning aan het adres van gewone gemeenteleden. Denk ik. Immers: níemand van ons kan zich op eigen kracht beroemen!

Wie in Christus is, leeft in het verbond.
Ons leven bevindt zich, om zo te zeggen, in de bedding van de stroom van Gods lieflijkheden[10]. Goddelijk ingrijpen en onze eigen activiteit: die zijn onverbrekelijk aan elkaar verbonden.
Paulus laat dat in 2 Corinthiërs 13 ook blijken: “Overigens, broeders, weest blijde, laat u terecht brengen, laat u vermanen, weest eensgezind, houdt vrede, en de God der liefde en des vredes zal met u zijn”.

Kinderen van God zijn, als het goed is, bij al hun activiteiten gedienstig.
Al hun bezigheden zijn dienstig aan de uitvoering van Gods plan. Dienst-ig: in dienst van de hemelse Heer.
Wie die dienst voorrang geeft, mag zeker zijn van Gods zegen. Geen wonder eigenlijk dat die zegen het hooggestemde postludium vormt van 2 Corinthiërs: “De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des heiligen Geestes zij met u allen”[11].

In Christus goedgekeurd: dat is de Evangelieverkondiging van de waakzame kerk.
In Christus goedgekeurd: dat is een proclamatie voor de wereld.
In Christus goedgekeurd: niets is rustgevender dan dat.

Noten:
[1] Deuteronomium 6:4 en 5: “Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één! Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht”.
[2] 2 Corinthiërs 13:5.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer: Pierre J. Beaujon, “Goed voornemen voor 2013: meer zelfonderzoek”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, donderdag 3 januari 2013, p. 6 en 7.
[4] 1 Johannes 3:21 en 22.
[5] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van de webversie van de Studiebijbel.
[6] 1 Corinthiërs 13:3-7: “…gij zoekt nu eenmaal het bewijs, dat Christus in mij spreekt, die te uwen opzichte niet zwak, maar onder u krachtig is. Welnu, Hij is gekruisigd uit zwakheid, maar Hij leeft uit de kracht Gods. Welnu, wij zijn zwak in Hem, maar wij zullen met Hem leven voor u uit de kracht Gods. Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk. Ik hoop echter, dat gij zult inzien, dat wij niet verwerpelijk zijn. Ja, wij bidden tot God, dat gij generlei kwaad zult doen, niet opdat wij betrouwbaar mogen blijken, maar opdat gij het goede zoudt doen, al zijn wij dan ook verwerpelijk”.
[7] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1589.pdf .
[8] 2 Corinthiërs 3:17 en 18.
[9] Zie: “Ambt kan met vreugde vervuld”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 3 januari 2013, p. 2.
[10] Deze formulering preludeert op Psalm 36:8 en 9: “Hoe kostelijk is uw goedertierenheid, o God; / daarom schuilen de mensenkinderen / in de schaduw uwer vleugelen; zij laven zich aan het vette van uw huis, / Gij drenkt hen met de stroom van uw liefelijkheden”.
[11] 2 Corinthiërs 13:13.

Blog op WordPress.com.