gereformeerd leven in nederland

20 juli 2017

De twee getuigen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Openbaring 11 is, in zekere zin althans, een triomfantelijk hoofdstuk.
“En na die drieënhalve dag kwam er een levensgeest uit God in hen en zij gingen op hun voeten staan. En grote vrees overviel hen die hen zagen”[1].
Openbaring 11 is een hoofdstuk van opstanding, van triomf van God, van vreugde voor Gods kinderen, van heerlijke continuïteit in de wereld!

We horen van twee profeten.
Van evangelisten, feitelijk.
Het is zonneklaar: Gods Woord gaat de wereld over. Onomkeerbaar. Onweerstaanbaar. Niemand kan het Evangelie tegenhouden. De echo van de woorden van God zal in alle gewelven klinken. Het geluid van genadeverkondiging klinkt werkelijk overal. Van kasteel tot krot!

Ja, die twee getuigen zullen allerlei profetieën uitspreken.
Maar er is ook een andere kant.
Want de evangeliepredikers zullen met een zak bekleed zijn. Het zal heel duidelijk wezen: die profeten zijn in de rouw. En ze roepen ook de mensen in hun omgeving op om in de rouw te gaan.
Het is, zo zullen de twee getuigen tonen, tijd voor diep verdriet. En voor bekering!

Ten diepste is er maar één manier om uit die cirkel van rouw, verdriet, instorting en ondergang te komen: de wereld moet nieuwe kracht krijgen door de energie van Gods Heilige Geest.
In Openbaring 11 gaat het over olijfbomen en kandelaren. Dat ‘plaatje’ kennen we uit Zacharia 4: “Daarop zei ik: Ik zie, en zie, een ​kandelaar, geheel van goud, met een olievaatje aan de bovenkant ervan en daarbovenop zeven bijbehorende ​lampen​ met telkens zeven toevoerbuisjes aan de ​lampen, die daarboven zitten,
met twee olijfbomen ernaast, een aan de rechterkant van het olievaatje en een aan de linkerkant ervan”[2].
En:
“Dit is het woord van de HEERE tot ​Zerubbabel:
Niet door kracht
en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de HEERE van de legermachten”[3].

Naar aanleiding van Zacharia 4 schreef ik al eens: “De Heilige Geest draagt er zorg voor dat ons een licht opgaat. Nee, niet een lichtje. Het is een groot licht.

De goede uitleg van de Heilige Schrift kunnen wij alleen maar geven als Gods Geest in ons leven actief is. Daarom wordt 2 Petrus 1 ook afgesloten met de woorden: ‘Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken’.
Zacharia spreekt Gods Woord. Daar draait alles om!”[4].

Terug naar Openbaring 11.
Het profeteerwerk heeft grote gevolgen. God komt met Zijn oordeel! De vijanden vinden de dood.
Het water wordt bloed. De aarde wordt geplaagd. Ja geplaagd: de gebeurtenissen doen sterk denken aan de tien plagen waarover we lezen in Exodus 7 en volgende.

Als het Evangelie overal op de wereld geproclameerd is, zal de antichrist de twee getuigen om het leven brengen.

Laten we er op letten: het Woord van de Here heeft, op het moment van de dood van de Godsgetuigen, in alle hoeken en gaten van de wereld geklonken. Iedereen heeft er van gehoord. Alle wereldburgers weten er van. Niemand kan zeggen: ik heb het niet geweten.
Dat betekent ook iets anders.
Dat houdt namelijk in dat de God van hemel en aarde de regie heeft. Nee, er wordt niet met het leven van de getuigen afgerekend als zij – om maar eens iets te noemen – nog maar halverwege hun profeteerwerk zijn. Nee, de antichrist krijgt pas de ruimte voor een afrekening in het criminele circuit als zij hun ‘evangelisatiewerk’ geheel voltooid hebben.

En dan is het einde daar.
De getuigen van God zijn om het leven gebracht.
Het Evangelie gaat ten onder.
Het is over en uit met de wereld.
Althans, daar lijkt het op.
Zo ziet het er uit.
Maar niets is minder waar.

Want de twee getuigen staan weer op!

De beide getuigen van God worden uitgenodigd om in de hemel te komen.
‘Kom maar naar boven! Kom deze kant maar op!’.
De hele wereld schrikt ervan.

De tegenstanders van God kijken elkaar geschokt aan. ‘Wat gaan we nu beleven?’. Verbijsterd zijn die vijanden van God! Er was toch met die beide evangelisten afgerekend? Die Godsgetuigen waren toch dood? Daar zouden ze toch geen last meer van hebben?
Hoe kan dit nu toch gebeuren?
De hele wereld staat met open mond toe te kijken!

Openbaring 11 geeft de kerk een geweldige troost.
Want de God van het verbond overwint.
In Openbaring 11 blijkt dat omdat de profetie niet te stoppen is.

In onze tijd lijkt evangelisatiearbeid bijna onbegonnen werk. Gods Woord is aan dovemansoren gericht. Natuurlijk: saamhorigheid is een groot goed. En nou ja, religie mag best.
Gods beloften zijn mooi. Wereldburgers van nu houden niet van pessimisme, maar van perspectief. Maar zeg niet dat er in het verbondsverkeer, waar Gereformeerde kerkmensen het vaak over hebben, ook eisen worden gesteld.
Eisen? Kom nou toch!
Wij leven in een wereld waarin, naar men zegt, slechts twee dingen moeten:
* je moet naar het toilet
en:
* je moet belasting betalen.
Maar verder? Zeg niet dat de kerk eisen stelt. Ga niet beweren dat de voortgaande prediking van het Evangelie van het grootste belang is. Zeg niet dat je je bekeren moet. Want, zo vinden, overdrijven is een vak en vrijblijvendheid is een must. Bovendien moet het wel een beetje vriendelijk en vrolijk blijven in de kerk.
Met eisen moet je niet aankomen.

Maar in de kerk weten wij het: wij moet heel Gods Woord proclameren. En dus niet alleen de leuke dingen daaruit.

Het is ernst!
Het is voor of tegen!
Het is een kwestie van leven of dood!

Misschien bekruipt u, geachte lezers, dat gevoel ook wel eens. Dat gevoel dat Gereformeerden te zwaar op de hand zijn.
Laat ik het maar gewoon opschrijven: dat gevoel is niet goed.
Openbaring 11 spreekt ons van een ernstige zaak.
Openbaring 11 is geen hoofdstuk van het type: ach, we zullen het wel eens zien.
Integendeel – Openbaring 11 stimuleert ons om op Gods weg te blijven.
En wij mogen het vertrouwen hebben dat Gods Heilige Geest ons leiden zal. Tot in de eeuwigheid!

Noten:
[1] Openbaring 11:11.
[2] Zacharia 4:2 en 3.
[3] Zacharia 4:6.
[4] Zie mijn artikel “De toekomstvisie van Zacharia” ; hier gepubliceerd op woensdag 28 januari 2015. Te vinden via https://bderoos.wordpress.com/2015/01/28/de-toekomstvisie-van-zacharia/ . Het geciteerde Schriftwoord staat in 2 Petrus 1:20 en 21.

19 juli 2017

Zoet in de mond, zwaar op de maag

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Twee dagen geleden publiceerde ik op deze plaats een artikel naar aanleiding van Openbaring 10.
Ik noteerde onder meer: “Openbaring 10 geeft ons troost. De verwarring wordt afgeschaft.
De tijd komt tot een einde.
De Here leert ons naar de Engel te kijken. Hij leert ons om ogen en oren open te houden. Hij leert ons om ons te concentreren op Zijn Woord. Op de zuivere prediking daarvan. Op de sacramenten, die ons een magnifiek beeld geven van een hemelse samenleving waarin tijd niet meer bestaat.
Laten we moed houden.
Want er komt een nieuwe wereld. Vol vrede en gerechtigheid. Een wereld waarin niemand tijd heeft. Want tijd is dan ouderwets. Iets uit een voorbije wereld!”[1].

Vandaag richt ik de blik met name op het slot van Openbaring 10. Dat luidt als volgt: “En de stem die ik uit de hemel gehoord had, sprak opnieuw met mij en zei: Ga, neem het boekje dat geopend ligt in de hand van de ​Engel​ Die op de zee en op de aarde staat.
En ik ging naar de ​Engel​ toe en zei tegen Hem: Geef mij dat boekje. En Hij zei tegen mij: Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.
En ik nam het boekje uit de hand van de ​Engel​ en at het op, en het was in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het opgegeten had, werd mijn buik bitter.
En Hij zei tegen mij: U moet opnieuw profeteren over vele volken, naties, talen en koningen”[2].

Johannes moet een boekje opeten.
Wat staat er in dat boekje? Antwoord: allerlei dingen uit Gods raad.
Johannes moet zich dat boekje eigen maken.
En het moet gezegd: het smaakt prima. Het is lekker zoet.

Waarom smaakt dat boekje zo goed? Antwoord: voor Gods kinderen is Gods heil iets heerlijks. Dat heil, daar worden zij blij van. Sterker nog – van dat heil kunnen zij met volle teugen genieten!

Even goed ligt dat boekje, om het maar zacht te zeggen, zwaar op de maag. Om niet te zeggen dat Johannes er een beetje ziek van wordt. Hoe kan dat? Het boekje smaakt eerst zo goed, maar het bekomt Johannes slecht. Hoe komt dat?
Antwoord: de proclamatie van Gods raadsbesluiten roept tegenstand op. Dat Evangelie? Nee, dat willen de mensen niet horen. Daar hebben ze geen zin in. Zij hebben er, op hun manier, geen behoefte aan.

Dat beeld van een geconsumeerd boekje kennen we ook uit Ezechiël 3. Woordvoerders van God moeten, om zo te zeggen, in het Woord van hun Opdrachtgever thuis zijn. Zij moeten het, om zo te zeggen, herkauwen. Zij moeten proberen om dat Woord te doorzien en te begrijpen.

Johannes moet gaan profeteren. De woordvoerder van God moet aan het werk. Hij heeft nog heel wat te doen.
Tijdens dat verkondigingswerk zal alras blijken dat de wereld in twee kampen verdeeld wordt. Die situatie kunnen we ook typeren met woorden uit Ezechiël 3: “Zo zegt de Heere HEERE: Wie luistert, laat hij luisteren. Wie dat nalaat, laat die het maar nalaten, want zij zijn een ​opstandig​ ​huis!”[3].

De wereld wordt verdeeld in twee kampen.
Voor of tegen Christus.
Levend naar Gods Woord, of zwalkend tussen cultuur en Bijbel.
Gehoorzaam werkend, of zoekend naar compromissen tussen gepredikt Woord en gedroomde werkelijkheid.
Luisterend, of omzichtig pogend om de uitleg van de Bijbel een beetje aan te passen.

Ach lezer, u begrijpt wel dat mijn gedachten zwerven naar mensen die nog Gereformeerd willen heten.
U begrijpt misschien ook wel dat ik met name denk aan de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt). U heeft wel door dat daar, in de GKv, de cultuur in onze wereld een steeds belangrijkere factor is.
Laten we niet net doen of de tweedeling in Openbaring 10 aan alle zich Gereformeerd noemende mensen voorbij kan gaan!

De hervormde predikant M.J. Schuurman zegt in een preek over Openbaring 10: “Dat is ook de taak voor de kerk, om deze boodschap uit te dragen: een oproep tot bekering, een uitnodiging om te geloven nu het nog kan, om de genade aan te grijpen en tot Christus te wenden, om niet te vergissen in een leven dat nu zoet is, maar uiteindelijk bitter zal zijn.
Het is de hoogste tijd. Dat vraagt van ons ook dat we Gods woord eten. Zonder het uitvoeren van die opdracht kunnen we niet Gods boodschap uitdragen”[4].

Wij moeten allen profeteren.
Wij moeten allen belijdenis doen van ons geloof. Dat doen wij niet allemaal op kansels of op zeepkisten. Wij getuigen gewoon op ons werk. Achter ons bureau. Of misschien wel met onze iPhone, in onze stoel. Via de app, u weet wel. Ambtsdragers en gemeenteleden kennen hun roeping immers?

Nee, dat is lang niet altijd makkelijk.
Het christelijk geloof lijkt, zeker in Nederland, hoe langer hoe meer uit het openbare leven te worden weggedrukt.
Natuurlijk, het is prima om iets met religie te hebben. Maar een christen moet niet vaak en niet te veel op zijn strepen staan. Om kort te gaan: enig aanpassingsvermogen is anno 2017 een must geworden.
Intussen is het voor Gods kinderen duidelijk: het Evangelie ligt zwaar op de maag. Maar het is zoet in de mond. Dat wel.

Noten:
[1] Zie mijn artikel “De tijd voorbij”, hier gepubliceerd op maandag 17 juli 2017. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2017/07/17/de-tijd-voorbij .
[2] Openbaring 10:8-11.
[3] Ezechiël 3:27.
[4] De betreffende preek is te vinden op https://mjschuurman.wordpress.com/tag/openbaring-10/ ; geraadpleegd op vrijdag 30 juni 2017.

1 juni 2017

Het Evangelie van alle tijden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Het Evangelie moet in 2017 anders worden gebracht dan vroeger. Het moet niet meer gaan over schuld en vergeving. En ook niet over verzoening door voldoening. Nee, wij moeten spreken over de vernieuwing van de schepping. De afgoden van de moderne cultuur zijn “bewondering voor menselijke kracht, de verheerlijking van individuele vrijheid en autonomie en de fixatie op zekerheid, veiligheid”. Mensen zetten maskers op, om sterk en evenwichtig over te komen.
Die opinie komt naar voren tijdens een symposium dat op vrijdag 12 mei jongstleden wordt gehouden in een zaal van de Christelijke Gereformeerde Theologische Universiteit te Apeldoorn. Het symposium gaat over de vraag: wat is het Evangelie, hoe geef je dat door in een moderne, westerse cultuur en wat betekent dat voor de praktijk van het missionaire werk?”.
Hoofdspreker tijdens de bijeenkomst is Gert Jan Roest. Hij is docent missiologie aan de Theologische Universiteit Kampen, en evangelist en pionier in Amsterdam. Roest promoveerde in 2016 op hetzelfde onderwerp.

Gert Jan Roest zegt: “zo radicaal als dat nu nodig is, gebeurt dat maar eens in de paar honderd jaar. Er is (…) een totale cultuurverandering gaande, en zoals de Reformatie heel andere antwoorden gaf dan de kerk in de eeuwen daarvoor had gegeven, zo moet de kerk nu opnieuw leren het evangelie heel anders te verwoorden”[1][2].

Over de hierboven verwoorde zienswijze heb ik mij een beetje verbaasd.
De cultuur verandert snel, inderdaad. Maar Gods Woord blijft toch de eeuwen door hetzelfde?

Wij leven in een wereld vol agressie en geweld. Er zijn criminelen die een geweldig grote schuld op zich hebben geladen.

Maar daarmee is niet alles gezegd.
Iedereen heeft in zijn leven wel eens dingen verkeerd aangepakt.
Later kunnen we daar soms spijt van hebben, juist ook omdat andere mensen het slachtoffer werden van onze aanpak. En dan hopen wij maar dat mensen ons willen vergeven. En wij weten heel best: wij hebben vooral vergeving van God nodig.

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis verwoorden wij ons geloof onder meer als volgt.
“Hij heeft Zichzelf in onze plaats voor zijn Vader gesteld, om door volkomen voldoening diens toorn te stillen. Daartoe heeft Hij Zichzelf aan het kruis geofferd en zijn kostbaar bloed vergoten, om ons te reinigen van onze zonden, zoals de profeten hadden voorzegd.
Want er staat geschreven, dat de straf die ons de vrede aanbrengt, op de Zoon van God was en dat wij door zijn striemen genezen zijn”[3].

Gelet op de inhoud van de belijdenis van ons geloof en op de wereld waarin we leven, moeten we – meen ik – zeggen: schuld, vergeving en verzoening door voldoening hebben heden ten dage nog niets aan actualiteit ingeboet.

Moet men in het missionaire werk dan beginnen met schuld en vergeving?
Nee, wat mij betreft niet. Wij mogen best beginnen met de menselijke kracht, met onze vrijheid en het belang van onze veiligheid.
Maar laten wij wel wezen: de burgers in de Westerse samenleving zijn niet blind. Zij zien best dat er zich om hen heen heel veel ellende voltrekt. Dat lijkt, tot overmaat van ramp, nooit op te houden. Na de Tweede Wereldoorlog zeiden de mensen: ‘dit nooit meer’. En wat komt er van terecht?
We kunnen er niet omheen: wij moeten transformeren van een harde, meedogenloze maatschappij naar een vergevingsgezinde samenleving.
En hoe bereiken we die? Door ons aan te sluiten bij Jezus Christus. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: “Wij vinden al onze troost in zijn wonden en behoeven geen enkel ander middel te zoeken of uit te denken om ons met God te verzoenen naast dit ene, eens voor altijd gebrachte offer, dat de gelovigen voor eeuwig tot volmaaktheid brengt (…). Daarom noemt Gods engel Hem ook Jezus, dat is Verlosser, omdat Hij zijn volk zou redden van hun zonden”[4].
Het Evangelie dat de kerk anno Domini 2017 mag en moet proclameren is, kortom, onveranderd: zelfs in de meest troosteloze omstandigheden is er redding bij de Heiland!

Graag erken ik dat Gert Jan Roest een alleszins te waarderen poging heeft gedaan de westerse cultuur goed te analyseren.
Een jaar geleden kwam Gert Jan daarover al aan het woord in het Reformatorisch Dagblad.
“Waar mensen wél mee lopen, constateert Roest, zijn vragen als: Word ik wel gezien, op Facebook bijvoorbeeld? ‘Ik kom veel mensen tegen die kampen met angst, of gevoelens van waardeloosheid: Ik ben niemand, stel niets voor’.
Dat moet gevolgen hebben voor de Evangelieverkondiging, stelt hij. ‘Luthers vraag speelde in zijn tijd erg. In de verkondiging werd daar ook sterk op ingezet, en dat gebeurt nog steeds wel. Maar vanuit het Evangelie valt er meer te zeggen. De schuldvraag is wat mij betreft geen diepere vraag dan de schaamtevraag. Misschien laat de Geest vandaag andere aspecten van Jezus’ werk oplichten – en moeten wij dat ook doen’”[5].
Inderdaad – veel mensen schamen zich. Voor zichzelf, soms; en voor anderen, vaak. Dat is de sfeer van vandaag.

Mét dat al is het Evangelie echter onveranderd. En het moet glashelder zijn dat de werkelijkheid is dat de zonde nog altijd diep in onze levens ingevreten is.
Laat de insteek van evangelisatie en zending veranderd wezen, de problemen der mensen zijn in wezen dezelfde!
Laat het beginpunt ergens anders liggen, de inhoud van de Heilige Schrift is ongewijzigd gebleven!

Daar wil ik vandaag de vinger bij leggen.
Gert Jan Roest suggereert: onze evangelisatie en zending moeten echt heel anders aangepakt worden, want wij leven in de eenentwintigste eeuw; de wereld is radicaal veranderd.
Niet zelden betekent een radicale wijziging vandaag de dag echter ook dat het met de diepgang in de Evangelieverkondiging wel een beetje minder kan. Daar moeten wij, als u het mij vraagt, goed voor uitkijken!

De Bijbel vraagt ons niet om eigen accenten te leggen.
Gods Woord is in zijn geheel actueel in alle tijden!

Noten:
[1] Zie http://tua.nl/index.php?paginaID=229&archief=agendastuk ; geraadpleegd op zaterdag 13 mei 2017. Het citaat in de eerste alinea komt uit: “Kijk veel scherper naar de afgoden van deze tijd”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 13 mei 2017, p. 6.
[2] Naar aanleiding van de visie die Gert Jan Roest op evangelisatie en zending heeft publiceerde ik op deze plaats op dinsdag 19 juli 2016 het artikel ‘Vergeving vandaag’. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2016/07/19/vergeving-vandaag/ .
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 21.
[4] Dit is het slot van artikel 21 N.G.B.
[5] “Heb in verkondiging oog voor afgoden cultuur”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 23 juni 2016, p. 3. Ook te vinden via www.digibron.nl .

19 april 2017

Een ongemakkelijk Schriftgedeelte

Eigenlijk heeft schrijver dezes de Handelingen der Apostelen altijd een ietwat bijzonder Bijbelboek gevonden.
Dat komt onder meer doordat in die Handelingen zoveel gewone dingen staan.

Neem nou Handelingen 21[1].
Paulus en zijn medewerkers gaan op reis naar Jeruzalem[2]. Een aantal gelovigen uit Caesarea sluit zich bij het reisgezelschap aan.
Het logeeradres – het huis van Mnason – wordt met name genoemd.
In Jeruzalem is men geweldig blij om Paulus te zien.
Ten huize van Jacobus wordt een kerkenraadsvergadering belegd. Alwaar Paulus nauwkeurig verslag uitbrengt van al zijn werk, zijn bevindingen en de resultaten daarvan.

In Handelingen 20 worden Paulus’ medewerkers met name genoemd[3].
Paulus heeft aan den lijve ondervonden hoe Handelingen 2:39 werkelijkheid werd: “Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal”. Hij kent de realiteit van Efeziërs 2: “Maar nu, in Christus Jezus, bent u, die voorheen veraf was, door het bloed van Christus dichtbij gekomen”[4]. En: “En bij Zijn komst heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd aan u die veraf was, en aan hen die dichtbij waren”[5].

De Here laat zien dat, wanneer een zendeling gewoon aan het werk gaat, Hijzelf er voor zorgen zal dat er gepassioneerde medewerkers komen die het zendingswerk mee helpen uitvoeren. Natuurlijk, die medewerkers zijn er niet op dag één. En ook niet op dag twee. Maar uiteindelijk komen ze er wel.
De namen van die medewerkers worden, door toedoen van de Heilige Geest, zelfs in het Woord van God vastgelegd.
Dat is een geweldige troost.
Hoeveel werk voor de kerk wordt er niet in stilte gedaan? Hoeveel klusjes doen wij in de kerk die geen naam hebben? Ach, u weet er zelf ook wel het een en ander van. Laten wij ons maar realiseren dat onze namen door de Here worden genoteerd.
Iedere veertien dagen vergadert in het appartement dat mijn vrouw en ik bewonen een vrouwenvereniging. U weet hoe dat gaat: een stel stoelen rond een tafel, een kop koffie… Wat stelt dat nou eigenlijk voor? Maar onze Heiland ziet het. Hij weet met welke intentie zulk eenvoudig werk gedaan wordt!

Handelingen 21 is wat, mij betreft, in zekere zin een ongemakkelijk Schriftgedeelte.
Waarom?
Georganiseerde zending en evangelisatie: dat zijn thema’s die in gemeentes van De Gereformeerde Kerken in Nederland (hersteld) enigszins gevoelig liggen.

De kerk bedrijft zending. Het bevel van Jezus in Mattheüs 28 – “Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen” – is niet gesproken voor dovemansoren[6].
Maar waar halen we, als kerkverband met ruim duizend leden, het benodigde geld vandaan? Want we willen dominees, pastorieën, kerkgebouwen en eigenlijk ook nog wel eigen scholen.

Daar komt bij dat zending bedrijven steeds moeilijker lijkt te worden. Je moet, zegt men, elkaar vrijlaten in eigen overtuiging. Leven volgens normen en waarden – zo heet dat tegenwoordig – is, naar men zegt, niet voorbehouden aan Gereformeerde mensen.
Gereformeerd zijn – dat heeft voor velen nauwelijks meerwaarde.

Handelingen 21 leert ons dat de Here de regie heeft.
En ik vraag: zou het zo kunnen zijn dat we iets meer geduld moeten hebben?
Natuurlijk, wij moeten ook onze verantwoordelijkheid nemen. En als er mogelijkheden zijn, moeten we die grijpen.
Maar als de gelegenheden er niet zijn, moeten wij die niet op eigenzinnige wijze creëren om vervolgens verbijsterd te constateren dat onze onderneming mislukt is.

Even zo goed leert Handelingen 21 ons ook dat wij attent moeten blijven op kansen die geboden worden.
Als het daarom gaat, kunnen er diepe meningsverschillen ontstaan. De een vindt dat er een kans ligt, een ander acht het perspectief onvoldoende.
Laat er in een dergelijke situatie alstublieft geen concurrentiestrijd ontstaan! Laten we elkaar niet afserveren als de één ondernemender is dan de ander.

Nu het hierom gaat, wijs ik u tenslotte op de voorbereidingen voor Paulus’ reis naar Jeruzalem.
Ik citeer uit Handelingen 21: “En toen wij daar vele dagen bleven, kwam er een zekere profeet uit Judea, van wie de naam Agabus was.
En hij kwam naar ons toe, pakte de gordel van Paulus, en nadat hij zijn eigen handen en voeten daarmee gebonden had, zei hij: Dit zegt de Heilige Geest: De man van wie deze gordel is, zullen de Joden op deze manier in Jeruzalem binden en in de handen van de heidenen overleveren.
Toen wij dit hoorden, smeekten zowel wij als de mensen van die plaats dat hij niet naar Jeruzalem zou gaan.
Maar Paulus antwoordde: Wat doet u nu dat u huilt en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven in Jeruzalem voor de Naam van de Heere Jezus.
En toen hij zich niet liet overtuigen, deden wij er het zwijgen toe, en zeiden: Laat de wil van de Heere geschieden”[7].

Laat de wil van de Heere geschieden!
Dat is, wat mij betreft, het beste commentaar dat men op Handelingen 21 geven kan!

Noten:
[1] Dit Schriftgedeelte noem ik omdat een deel van dit hoofdstuk de aandacht zal hebben tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt vanavond, woensdagavond 19 april 2017, plaats. Dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die bijeenkomst.
[2] Naar aanleiding van de zendingsreizen van Paulus schreef ik in de periode oktober 2016 tot februari 2017 een drietal artikelen. Deze zijn te vinden via https://bderoos.wordpress.com/tag/zendingsreizen/ .
[3] Handelingen 20:4: “En tot in Asia vergezelden hem Sopáter uit Beréa, en van de Thessalonicenzen Aristárchus en Secundus, en Gajus uit Derbe, en Timótheüs, en Tychicus en Tróphimus uit Asia”.
[4] Efeziërs 2:13.
[5] Efeziërs 2:17.
[6] Mattheüs 28:19.
[7] Handelingen 21:10-14.

14 december 2016

Van zelfvertrouwen naar Godsvertrouwen

Als zendeling maak je nog eens wat mee!

Neem nou bijvoorbeeld Paulus, in Handelingen 16[1].
Een complete stad – Philippi – komt in opstand. De kleren worden Paulus en de zijnen van het lijf gerukt. Ze worden gegeseld, en in de gevangenis gesmeten. ‘En denk erom’, zegt allerlei drukdoenerig gepeupel waarschuwend tegen de cipier, ‘bewaak die revolutionairen goed. Staatsgevaarlijk zijn ze!’.
En dan?
Dan niets, zou je zeggen.
Wat kun je nog doen als je zover mogelijk van de uitgang der gevangenis wordt opgeborgen?
Weinig – zo reëel moet men wel wezen.
Toch?
Toch niet.

Een mens kan bidden tot de Here. En Paulus en Silas doen dat ook.

Het is, als u het mij vraagt, belangrijk om die ene regel hierboven nog eens goed tot ons door te laten dringen. Een mens kan bidden tot de Here.
Laten wij maar eerlijk wezen: voor ons gevoel heeft bidden vaak iets van eenrichtingsverkeer. U spreekt in geloof tot de Here. Maar antwoord komt er niet. De moeilijkheden blijven even groot. En u vraagt zich af: hoort de Here mij wel? Of zelfs: luistert de Here anno Domini 2016 nog wel naar mij?
Handelingen 16 bewijst ons dat de Here wel degelijk Zijn oor neigt tot het gebed van Zijn kinderen.
Nee, Zijn antwoord is niet altijd hoorbaar en merkbaar. Maar Hij hoort ons gebed. Onze tranen doet Hij in Zijn kruik. Ons verdriet wordt opgeschreven in Zijn boek. Dat lezen we in Psalm 56:
“Mijn omzwerving hebt Gij te boek gesteld,
doe mijn tranen in uw kruik;
zijn zij niet in uw boek?”[2].
Nee, wij krijgen niet altijd hoorbaar antwoord van de Here. Maar er komt een reactie. De Here noteert onze klachten, onze teleurstellingen, onze ellende, onze eenzaamheid en onze frustratie. Onze tranen vangt Hij op. ‘Kom maar Mijn kind, ik zal al dat verdriet een plaats geven in Mijn heilige woonplaats!’.

In Handelingen 16 geeft de Here wel een merkbare reactie.
Want wij lezen: “Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der gevangenis schudden; en terstond gingen alle deuren open en de boeien van allen raakten los”[3].
Philippi ligt op een breuk in de aardkorst. Maar daar gaat het hier duidelijk niet om. Nee, dat daverende natuurverschijnsel dient om de verbreiding van het Evangelie voortgang te doen hebben.
Hier laat de God van hemel en aarde Zijn almacht zien.

Hebt u dat gezien?
De verbreiding van het Evangelie heeft voortgang.
Opnieuw moeten wij eerlijk wezen: wij twijfelen er wel eens aan dat de verbreiding van het Evangelie verder gaat. Er is zoveel tegenstand. Mensen relativeren alles. Als u iets over Bijbel en geloof zegt wordt u niet zelden wat meewarig aangekeken. Want wat kan men met Gods Woord in de dagelijkse praktijk van het leven? Weinig, zo schijnt het.
Maar hier – in Handelingen 16 – blijkt dat de Here het evangeliseren verzorgt als mensen op hun manier en met hun ideeën alle mogelijkheden afsluiten. Evangelisatie is niet af te remmen. Zending is niet te stoppen.
Wij kunnen wel denken dat wij zo intelligent zijn dat wij alle evangelisatiemogelijkheden moeiteloos kunnen inventariseren. Maar net als wij het idee hebben dat wij de zaken keurig op een rijtje hebben, doet zich iets nieuws voor. Laten we ’t maar toegeven: de Schepper van deze wereld heeft veel meer overzicht dan wij.
Wij doen er daarom goed aan om ons leven in Zijn handen te leggen. Want dan weten wij: alles komt goed.

En dan is er die magnifieke ommekeer.

“En de bewaarder, uit zijn slaap opgeschrikt, zag de deuren der gevangenis openstaan, trok zijn zwaard en was op het punt zelfmoord te plegen, in de waan, dat de gevangenen ontsnapt waren. Maar Paulus riep met luider stem: Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier! En hij liet licht brengen, sprong naar binnen en wierp zich, bevende over al zijn leden, voor Paulus en Silas neder. En hij leidde hen naar buiten en zeide: Heren, wat moet ik doen om behouden te worden? En zij zeiden: Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis. En zij spraken het woord Gods tot hem in tegenwoordigheid van allen, die in zijn huis waren. En in datzelfde uur van de nacht nam hij hen mede om hun striemen af te wassen, en hij liet zichzelf en al de zijnen terstond dopen”[4].
Het gaat van zelfmoord tot behoud.
Het gaat van zelfvertrouwen naar Godsvertrouwen.
Een exegeet noteert hier bij: “In de Romeinse wereld waren sekten en religieuze verenigingen veelal uitsluitend voor een select gezelschap, een groep ingewijden, waarvan vrouwen, kinderen en slaven al bij voorbaat waren uitgesloten. Het christelijk geloof doorbreekt echter deze grenzen (…): het aanbod van genade is voor een ieder”[5].

Een dominee preekte eens over die gevangenbewaarder en zijn gezin in Handelingen 16. De predikant gaf zijn preek een duidelijk thema en een veelzeggende verdeling mee:
“God toont in Filippi zijn onweerstaanbare macht om te openen
1. Hij opent monden
2. Hij opent deuren
3. Hij opent harten”[6].
In zijn preek zei de dominee onder meer dit: “Midden in de nacht klinkt er in de cel van Paulus en Silas een lied. Een lied, dat gebed en lofzang ineen is. Een roep tot God en tegelijk een jubel op God.
Ik werd benauwd aan alle zijden,
en riep de Heer ootmoedig aan.
Paulus en Silas verkijken zich niet op hun boeien. Zij verheffen hun harten tot God en roepen Hem aan in groot vertrouwen. Er staat niet bij wat ze precies gebeden hebben, maar duidelijk is: ze leggen hun leven en werk biddend in de handen van God. En dat gebed wordt tot een jubellied:
De Heer is met mij, ‘k zal niet vrezen.
Geen sterveling verschrikt mij meer.
De Heer wil mij tot helper wezen:
ik zie op al mijn haters neer”[7].

De kerk heeft een Woord voor de wereld. Dat Woord wordt overal verkondigd. Ja, ook in en vanuit een streng bewaakte gevangenis.
Dat Woord is niet maar voor enkele ingewijden.
In de kerk gebeuren geen geheime dingen. In de kerk gebeuren wel grote dingen. In de kerk gebeuren dingen die voor mensen onverklaarbaar zijn.
Maar het is duidelijk: onze God is almachtig. Hij overwint de wereld. Daar mogen we blij om wezen.
Dat gold voor de cipier en zijn gezin, in Philippi.
Dat geldt voor mensen in Groningen. In Nederland. In Canada. In Suriname. In Australië. Of in welke leefomgeving dan ook.
Ja, dat geldt overal op aarde!

Noten:
[1] Vanavond, woensdagavond 14 december 2016, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal de tweede zendingsreis van Paulus aan de orde komen; de beschrijving daarvan vinden we in Handelingen 15:36-18:23. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
Over de eerste zendingsreis schreef ik iets in mijn artikel “Kijk naar de kerkgeschiedenis”; hier gepubliceerd op woensdag 19 oktober 2016. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2016/10/19/kijk-naar-de-kerkgeschiedenis/ .
[2] Psalm 56:9 (onberijmd).
[3] Handelingen 16:26.
[4] Handelingen 16:27-33.
[5] Zie de webversie van de Studiebijbel, https://web.studiebijbel.nl/ . Commentaar bij Handelingen 16:31. Geraadpleegd op donderdag 1 december 2016.
[6] De betreffende predikant is H.J.C.C.J. Wilschut, momenteel predikant binnen de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland. De preek werd circa het jaar 2000 geschreven. Toen was Wilschut dominee in het kerkverband van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt). De preek is te vinden op http://www.prekendiespreken.nl/preken/dutch/han16v25.html ; geraadpleegd op donderdag 1 december 2016.
[7] Tot tweemaal toe citeert dominee Wilschut Psalm 118:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

9 november 2016

Groei

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De kerk is, zoals bekend, de vergadering van Gods kinderen[1]. De activiteiten in de kerk moeten grotendeels voor en door kerkleden gebeuren. Natuurlijk heeft de kerk daarnaast ook aandacht voor de buitenstaanders. Maar de kern van het kerk-zijn ligt niet bij onkerkelijken.

Menselijkerwijs gesproken is dat ook wel logisch.
De kern van een appel zit binnenin, niet aan de buitenzijde.
Wie in een bepaalde zaak tot de kern wil komen blijft niet bij de details hangen. Hij zoekt naar het hart van de zaak.
Waarom zou in het geval van de kerk de kern wel aan de buitenkant zitten? Omdat de kerk een buitenissig instituut is? Een ieder voelt dat dergelijke vragen thuishoren in de afdeling doldwaze beuzelarijen.
Wie het wezen van de kerk wil kennen, moet naar binnen gaan. Hij moet kijken, luisteren, lezen en leven naar Gods Woord.

Een argeloze lezer denkt wellicht: vandaag ziet het er allemaal wel heel erg vanzelfsprekend uit. Is dit nou alles?

Toch lijkt het mij nuttig om het bovenstaande zonder omwegen vast te stellen.

Immers, heel wat mensen roepen dat de kerk naar buiten kijken moet. De deuren dienen geopend te worden.
En dan kan er zomaar van alles scheef gaan.

Ik weet het nog goed.
Het is bijna tien jaar geleden.
Het was in november 2007 dat in de krant stond: “De invloedrijke Amerikaanse megakerk Willow Creek Community Church, ook in Nederland bekend om zijn gemeentegroeimodellen, komt na drie jaar intern onderzoek tot de slotsom dat ze de verkeerde aanpak voorstaat. In plaats van gemeenteleden te helpen groeien in geloof, zijn deze juist passief en afhankelijk gemaakt omdat Willow Creek zijn activiteiten sterk afstemde op specifieke doelgroepen, en dan met name toetreders en geïnteresseerde buitenkerkelijken. ‘We hebben vergeten mensen die tot geloof zijn gekomen te wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid zelf geestelijk voedsel te vergaren’, zei de bekende oprichter Bill Hybels in een verklaring. ‘Wij hebben een fout gemaakt’”.
Een eindje verder stond te lezen:”…de megakerk [wordt] steevast omschreven als de invloedrijkste kerk van de afgelopen dertig jaar. De aanpak van Willow Creek, nabij Chicago, zou de werkwijze van veel evangelische kerken in Amerika sterk hebben beïnvloed”.
En: “Hybels breekt nu een lans voor het stimuleren van gemeenteleden om zelf weer de Bijbel te leren lezen en te begrijpen en hen te leren hoe ze zelf aan geestelijke groei kunnen werken. Ook stelt hij ironisch vast dat datgene waar de kerk vele miljoenen dollars aan heeft gespendeerd, vaak niet die activiteiten opleverde die de (nieuwe) gemeenteleden juist nodig hadden voor verdere groei in het geloof”[2].

Beter laat dan nooit, dacht ik indertijd.
Eens te meer moet het ons duidelijk worden: een kerk mag haar eigen leden nimmer verwaarlozen.

Het is, denk ik, goed om vast te stellen dat Gods kinderen eerst en vooral voor elkaar dienen te zorgen.
Ook Gereformeerden zeggen tegenwoordig vaak: we moeten meer naar buiten kijken.
Maar daar moeten zij zich zeker niet toe beperken!

Een appel kan er van buiten mooi uitzien. Maar smaak en kwaliteit kunnen heel erg tegenvallen.
Een kerk kan, van buitenaf bekeken, een zekere aantrekkelijkheid bezitten. Maar uiteindelijk gaat het maar om één ding: de verkondiging van Gods Woord.

Er is nog wel wat meer te schrijven.
Want het begrip ‘geestelijke groei’ komt bij mijn weten niet in de Bijbel voor.

De term ‘groei’ komen we wel tegen in de brief aan de Efeziërs.
Paulus schrijft daar over de kerk. Het gaat niet over één individu. Paulus heeft het niet over een groepje mensen. Nee, hij noteert dat de binding die we met de kerk hebben, ontstaan is door het werk van Christus. Uiteindelijk zorgt Híj ervoor dat er een band tussen de kerkmensen. We zouden kunnen zeggen: onze Here Jezus Christus onderhoudt het kerkverband.
In de woorden van Paulus gaat dat als volgt. Volwassenen in het geloof zijn niet meer “onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde”[3].

De kracht om kerk te zijn wordt ontleend aan Jezus Christus.
Om eerlijk te zijn: ik ben onderhand een beetje allergisch voor die zogenaamde geestelijke groei.
In de kerk gaat het in laatste instantie namelijk niet om mij persoonlijk. De kerk is de vergadering van alle ware christenen.
En de Here Zelf draagt er zorg voor dat al die mensen bijeenkomen.
De voornaamste taak van de bijeen gebrachte menigte is: de God van het verbond loven en prijzen.
Daar gaat het om in de kerk.
Daarom sprak Jezus Christus in de Bergrede ook zo onomwonden uit dat Zijn kinderen niet gericht moeten zijn op hun eigen welzijn, maar op Gods Koninkrijk.
In dit verband citeer ik met graagte enkele verzen uit Mattheüs 6.
“Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen? En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze. Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?”[4].
“Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden”[5].
De Here geeft morele en materiële groei.

Ik houd het er graag op dat de Here mij alles geeft wat ik nodig heb om vandaag Zijn kind te zijn.
En ik weet het zeker: morgen en overmorgen zal dat ook zo wezen.

“Uw koninkrijk kome”, bidden we vaak. Weet u nog wat dat betekent?
“Dat wil zeggen:
Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder uw kerk; verbreek de werken van de duivel en alle macht die tegen U opstaat; verijdel ook alle boze plannen die tegen uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volmaaktheid van uw rijk komt, waarin U alles zult zijn in allen”[6].
Kijk, dat noem ik nou Geestelijke groei.
Met hoofdletter G, overigens.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 9 november 2007.
[2] Willow Creek erkent fouten”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 8 november 2007, p. 2.
[3] Efeziërs 4:14, 15 en 16.
[4] Mattheüs 6:27-30.
[5] Mattheüs 6:33.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 48, vraag en antwoord 123.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.