gereformeerd leven in nederland

9 november 2016

Groei

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De kerk is, zoals bekend, de vergadering van Gods kinderen[1]. De activiteiten in de kerk moeten grotendeels voor en door kerkleden gebeuren. Natuurlijk heeft de kerk daarnaast ook aandacht voor de buitenstaanders. Maar de kern van het kerk-zijn ligt niet bij onkerkelijken.

Menselijkerwijs gesproken is dat ook wel logisch.
De kern van een appel zit binnenin, niet aan de buitenzijde.
Wie in een bepaalde zaak tot de kern wil komen blijft niet bij de details hangen. Hij zoekt naar het hart van de zaak.
Waarom zou in het geval van de kerk de kern wel aan de buitenkant zitten? Omdat de kerk een buitenissig instituut is? Een ieder voelt dat dergelijke vragen thuishoren in de afdeling doldwaze beuzelarijen.
Wie het wezen van de kerk wil kennen, moet naar binnen gaan. Hij moet kijken, luisteren, lezen en leven naar Gods Woord.

Een argeloze lezer denkt wellicht: vandaag ziet het er allemaal wel heel erg vanzelfsprekend uit. Is dit nou alles?

Toch lijkt het mij nuttig om het bovenstaande zonder omwegen vast te stellen.

Immers, heel wat mensen roepen dat de kerk naar buiten kijken moet. De deuren dienen geopend te worden.
En dan kan er zomaar van alles scheef gaan.

Ik weet het nog goed.
Het is bijna tien jaar geleden.
Het was in november 2007 dat in de krant stond: “De invloedrijke Amerikaanse megakerk Willow Creek Community Church, ook in Nederland bekend om zijn gemeentegroeimodellen, komt na drie jaar intern onderzoek tot de slotsom dat ze de verkeerde aanpak voorstaat. In plaats van gemeenteleden te helpen groeien in geloof, zijn deze juist passief en afhankelijk gemaakt omdat Willow Creek zijn activiteiten sterk afstemde op specifieke doelgroepen, en dan met name toetreders en geïnteresseerde buitenkerkelijken. ‘We hebben vergeten mensen die tot geloof zijn gekomen te wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid zelf geestelijk voedsel te vergaren’, zei de bekende oprichter Bill Hybels in een verklaring. ‘Wij hebben een fout gemaakt’”.
Een eindje verder stond te lezen:”…de megakerk [wordt] steevast omschreven als de invloedrijkste kerk van de afgelopen dertig jaar. De aanpak van Willow Creek, nabij Chicago, zou de werkwijze van veel evangelische kerken in Amerika sterk hebben beïnvloed”.
En: “Hybels breekt nu een lans voor het stimuleren van gemeenteleden om zelf weer de Bijbel te leren lezen en te begrijpen en hen te leren hoe ze zelf aan geestelijke groei kunnen werken. Ook stelt hij ironisch vast dat datgene waar de kerk vele miljoenen dollars aan heeft gespendeerd, vaak niet die activiteiten opleverde die de (nieuwe) gemeenteleden juist nodig hadden voor verdere groei in het geloof”[2].

Beter laat dan nooit, dacht ik indertijd.
Eens te meer moet het ons duidelijk worden: een kerk mag haar eigen leden nimmer verwaarlozen.

Het is, denk ik, goed om vast te stellen dat Gods kinderen eerst en vooral voor elkaar dienen te zorgen.
Ook Gereformeerden zeggen tegenwoordig vaak: we moeten meer naar buiten kijken.
Maar daar moeten zij zich zeker niet toe beperken!

Een appel kan er van buiten mooi uitzien. Maar smaak en kwaliteit kunnen heel erg tegenvallen.
Een kerk kan, van buitenaf bekeken, een zekere aantrekkelijkheid bezitten. Maar uiteindelijk gaat het maar om één ding: de verkondiging van Gods Woord.

Er is nog wel wat meer te schrijven.
Want het begrip ‘geestelijke groei’ komt bij mijn weten niet in de Bijbel voor.

De term ‘groei’ komen we wel tegen in de brief aan de Efeziërs.
Paulus schrijft daar over de kerk. Het gaat niet over één individu. Paulus heeft het niet over een groepje mensen. Nee, hij noteert dat de binding die we met de kerk hebben, ontstaan is door het werk van Christus. Uiteindelijk zorgt Híj ervoor dat er een band tussen de kerkmensen. We zouden kunnen zeggen: onze Here Jezus Christus onderhoudt het kerkverband.
In de woorden van Paulus gaat dat als volgt. Volwassenen in het geloof zijn niet meer “onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde”[3].

De kracht om kerk te zijn wordt ontleend aan Jezus Christus.
Om eerlijk te zijn: ik ben onderhand een beetje allergisch voor die zogenaamde geestelijke groei.
In de kerk gaat het in laatste instantie namelijk niet om mij persoonlijk. De kerk is de vergadering van alle ware christenen.
En de Here Zelf draagt er zorg voor dat al die mensen bijeenkomen.
De voornaamste taak van de bijeen gebrachte menigte is: de God van het verbond loven en prijzen.
Daar gaat het om in de kerk.
Daarom sprak Jezus Christus in de Bergrede ook zo onomwonden uit dat Zijn kinderen niet gericht moeten zijn op hun eigen welzijn, maar op Gods Koninkrijk.
In dit verband citeer ik met graagte enkele verzen uit Mattheüs 6.
“Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen? En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze. Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?”[4].
“Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden”[5].
De Here geeft morele en materiële groei.

Ik houd het er graag op dat de Here mij alles geeft wat ik nodig heb om vandaag Zijn kind te zijn.
En ik weet het zeker: morgen en overmorgen zal dat ook zo wezen.

“Uw koninkrijk kome”, bidden we vaak. Weet u nog wat dat betekent?
“Dat wil zeggen:
Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder uw kerk; verbreek de werken van de duivel en alle macht die tegen U opstaat; verijdel ook alle boze plannen die tegen uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volmaaktheid van uw rijk komt, waarin U alles zult zijn in allen”[6].
Kijk, dat noem ik nou Geestelijke groei.
Met hoofdletter G, overigens.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 9 november 2007.
[2] Willow Creek erkent fouten”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 8 november 2007, p. 2.
[3] Efeziërs 4:14, 15 en 16.
[4] Mattheüs 6:27-30.
[5] Mattheüs 6:33.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 48, vraag en antwoord 123.

19 oktober 2016

Kijk naar de kerkgeschiedenis

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

In dit artikel wil ik iets schrijven naar aanleiding van de eerste zendingsreis die Paulus maakt[1].

Paulus preekt onder meer in Antiochië.

Hij zegt: “Mannen van Israël en vereerders van God, luistert”[2].
De apostel spreekt dus mensen aan die in God geloven. Zijn luisteraars staan er, om het maar eens modern te zeggen, niet helemaal blanco in. Zij vereren de God van hemel en aarde.
En toch hebben ze onderwijs nodig.

Dat onderwijs gaat over de geschiedenis van de kerk.
Paulus brengt in herinnering hoe de Israëlieten in Egypte hebben geleefd. Hij spreekt over de richters, inclusief Samuël. Over koning Saul. En over David, die later koning wordt. Bijna in één adem verhaalt Paulus vervolgens van de Heiland. En over Diens heraut, Johannes de Doper.
Maar die Heiland is niet door de kerkleiders erkend. Sterker nog: na een zeer twijfelachtige rechtsgang is Jezus Christus ter dood gebracht.
Paulus proclameert: “Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt; en Hij is gedurende vele dagen verschenen aan hen, die met Hem van Galilea naar Jeruzalem opgegaan waren, die thans getuigen van Hem zijn bij het volk. En wij verkondigen u, dat God de belofte, die aan de vaderen geschied is, aan ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus op te wekken, gelijk in de tweede psalm geschreven staat: Mijn zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt”[3].
De apostel beschrijft dat Christus, levend en wel, aan allerlei mensen verschenen is.
Het is die Heiland, die Redder die zonden vergeven wil. De Heiland heeft een integrale aanpak: “Ook van alles, waarvan gij niet gerechtvaardigd kondt worden door de wet van Mozes, wordt ieder, die gelooft, gerechtvaardigd door Hem”[4].
De waarschuwing van Paulus is duidelijk:
“Ziet dan toe, dat u niet overkome, wat in de profeten gezegd is:
Ziet, verachters, en verwondert u en verdwijnt;
want Ik werk een werk in uw dagen,
een werk, dat gij voorzeker niet zult geloven, als iemand het u verhaalt”[5].
Zo geeft Paulus de geschiedenis van de kerk weer.

Tegenwoordig zijn er heel wat kerkmensen die wel in Jezus geloven. Maar het Oude Testament zegt hen niet veel. Wat moet je ermee?, vraagt men.
Maar de apostel Paulus leert ons dat die geschiedenis ertoe doet. Er is één verbondsgeschiedenis. Oude en Nieuwe Testament horen echt bij elkaar. Stapsgewijs werkt de hemelse God aan de toekomst.
Gods Woord is een eenheid. Laat ik u, als het daarom gaat, mogen wijzen op woorden uit Genesis 1, Genesis 2, Openbaring 21 en Openbaring 22.
Eerst dat begin:
“In den beginne schiep God de hemel en de aarde”[6].
“Voorts plantte de Here God een hof in Eden, in het Oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij geformeerd had. Ook deed de Here God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de boom des levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en kwaad”[7].
En dan het einde:
“En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer”[8].
“En hij toonde mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren”[9].
Het is God Zelf die de cirkel rond maakt. Gods Woord is een perfecte eenheid[10]!

Paulus verwijst expliciet naar Psalm 2.
De dichter van die psalm – uit Handelingen 4 blijkt dat het David is – heeft regels geschreven waarvan hij de draagwijdte zeer waarschijnlijk niet heeft kunnen zien of voelen[11]. De Heilige Geest is dus in het leven van David aan het werk geweest.
De hemelse God gaat heel vertrouwelijk met David om. En zo doet Hij dat met al Zijn kinderen. Hij komt dicht bij hen. Hij neemt permanent Zijn intrek in de harten van door Hem gekochte mensen.
Denkt u in dit verband maar aan die bekende regels uit Psalm 25:
“Des Heren vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen,
en zijn verbond maakt Hij hun bekend”[12].

Ieder die gelooft, wordt gerechtvaardigd.
Alle gelovigen worden behandeld alsof zij aan alle eisen van de wet hadden voldaan.
Paulus’ waarschuwing in verband met dat heerlijke Evangelie is duidelijk: dat moeten we blijven geloven.
Wie op dat punt concessies gaat doen is alras verloren.

De geschiedenis van de kerk staat in Gods Woord.
En daarin staat de waarheid, en niets dan de waarheid.
Maar de werkelijkheid is dat de Joden aan dit Evangelie geen geloof hechten.
En daarom is de boodschap: “Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen. Want zo heeft ons de Here geboden:
Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde”[13].
De heidenen worden daar blij van.
Die vreugde mogen wij vandaag ook laten zien. Gewoon in Nederland. In Groningen. In Drachten, Bergentheim, Amsterdam of waar u ook maar woont.

Kijk naar de kerkgeschiedenis, en verheug u!

Noten:
[1] Vanavond, woensdagavond 19 oktober 2016, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal de eerste zendingsreis van Paulus aan de orde komen; de beschrijving daarvan vinden we in Handelingen 13 en 14. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[2] Handelingen 13:16 b.
[3] Handelingen 13:30-33.
[4] Handelingen 13:39.
[5] Handelingen 13:40 en 41.
[6] Genesis 1:1.
[7] Openbaring 2:8 en 9.
[8] Openbaring 21:1.
[9] Openbaring 22:1 en 2.
[10] Zie hierover ook http://www.bijbelcursus.nl/wp-content/uploads/2013/10/bijbelcursus-deel-3-met-opmaak.pdf ; geraadpleegd op vrijdag 7 oktober 2016.
[11] Handelingen 4:24, 25 en 26: “En toen dezen het hoorden, verhieven zij eenparig hun stem tot God en zeiden: Gij, Here, zijt het, die geschapen hebt de hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is; die door de heilige Geest bij monde van onze vader David, uw knecht, gezegd hebt:
Waarom hebben de heidenen gewoed
en de volken ijdele raad bedacht?
De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn tezamen vergaderd
tegen de Here en tegen zijn Gezalfde”.
[12] Psalm 25:14.
[13] Handelingen 13:46 en 47.

17 oktober 2016

Evangelisatie en eigen schaduw

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Evangeliseren: kan dat nog wel in onze tijd?[1]
Hoe moet dat?
Lopen we niet tegen hekken en muren op?
Is het eigenlijk geen onbegonnen werk?

Ach, u weet hoe dat gaat.
Het geloof is reuze nuttig voor Meneer Eén.
Mevrouw Twee kijkt ernaar. Maar zij zegt: dat is niks voor mij.
Zodoende komen er relatief weinig gelovigen bij.

Ooit was er een meneer die iets heel deftigs zei.
Hij had verstand van zaken.
Hij sprak: “Zolang kerk en christenen er niet in slagen over hun eigen schaduw heen te kunnen denken en handelen, lijkt verspreiden van het evangelie een schier onmogelijke taak”.

Wij moeten dus over onze eigen schaduw heen kijken.
Dat doet mij, als u mij permitteert, denken aan de stripheld Lucky Luke.
Die man schoot namelijk sneller dan zijn eigen schaduw. Hij was een ‘poor lonesome cowboy’. Reuze onbeduidend, een tikje onhandig en van mensen verlaten dus. Maar in de praktijk redde de man zich prima in het leven. Zijn naam, Gelukkige Lucas, sprak boekdelen.

Intussen kunnen we er niet omheen: wij moeten over onze eigen schaduw heen kijken.
Dat wil ik best een keer doen.

Wat zie ik dan?
Dan ontwaar ik het pad dat voor mij ligt.
Maar van die smalle weg zie ik nog niet zo erg veel.
Want wie kan in zijn leven ver vooruit kijken? Niemand.
Natuurlijk, wij maken onze plannen. En wij hebben onze idealen. Maar of die plannen gerealiseerd kunnen worden, dat weten wij niet. Of onze idealen ooit werkelijkheid zullen zijn, dat kunnen wij niet zeggen. Ik betwijfel eerlijk gezegd of het veel zal helpen om aan onze schaduw voorbij te kijken.

Het lijkt mij beter om in de gegeven omstandigheden Gods Woord te openen. Immers, wij doen reuze ons best om de Boodschap over te brengen. Maar blijkbaar gaat er voortdurend iets verkeerd. Maar wát gaat er dan fout?
In Mattheüs 19 vraagt een rijke jongeman aan Jezus: “Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?”[2]. Het antwoord is duidelijk. Pijnlijk duidelijk. ‘Houdt u aan alle geboden’[3]. En: “Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij”[4]. Dat vindt die rijke jongeman een allesbehalve blijde boodschap. De repliek van Jezus lijkt, tot overmaat van ramp, ook al weinig hoopgevend: “…het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat”[5]. Maar er komt meer: “bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk”[6].
De kwestie is dus: wij moeten bij God beginnen.
Verder kijken dan onze schaduw, dat valt ons moeilijk. Echter: de Here leert ons dat wij helemaal niet bij onszelf moeten starten.

Over je eigen schaduw heen kijken: wat zou dat eigenlijk precies beduiden?
Wellicht heeft die spreker van hierboven bedoeld dat we ons moeten verdiepen in de levenswijze van de mensen om ons heen. En daar zit best wel wat in. Maar er zal meer moeten gebeuren.

In de evangelisatie dienen wij, naar mijn inzicht, met name de antithese laten zien. Kerk en wereld: dat is een flagrante tegenstelling.
Wat moeten wij doen?

Er was eens een wetenschapper die de levensstijl van de antithese als volgt omschreef: “een diep doorleefde christelijke gemeenschapszin, die zich uit in aandacht voor elkaar en in vergevingsgezindheid”. Die man bedoelde: in de kerk dienen wij zorg en aandacht voor elkaar te hebben; die attentie wordt in de wereld vaak node gemist[7].
De opinie van die geleerde heer sluit aan op woorden die wij in Efeziërs 4 lezen.

In dat Schriftgedeelte wordt gewezen op Gods activiteit. “Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen”[8]. Die regel is bekend. Maar ik lees vervolgens ook over de nieuwe mens “die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid”[9]. Laat ik het zo typeren: de Here schept iets nieuws. Terwijl wij evangeliseren, gaat Zijn werk door.
Dus: we moeten beginnen bij God.
En we eindigen ook weer bij Hem. Dat kan niet anders.

Precies op die plek zit het pijnpunt voor de wereld.
Want de mens heeft uiteindelijk niet al te veel in te brengen. De Schepper van hemel en aarde staat centraal.
De kerk biedt, om zo te zeggen, haar identiteit aan: Christus.
En wat blijkt? Het seculiere Neêrlandse volk presenteert niets. Nu ja, men offreert een beetje economisch optimisme. Alsmede een flinke portie redelijkheid. Zolang je nog maar met elkaar praat en werkt, gaat alles goed.
Men schotelt grote woorden voor. Maar inhoudelijk blijkt het allemaal schamel en summier. Voosheid is troef.

Wij moeten over onze schaduw heen springen, zei die deftige meneer van hierboven.
Wat mij betreft zijn dat woorden die thuishoren in de categorie Versluierende Blabla.
De belangrijkste vragen zijn: wat doet God in Nederland? en: hoe zet de almachtige Vader Zijn kinderen in bij de uitvoering van Zijn plan met deze wereld?
Dat overwegende citeer ik nog een keer enkele verzen uit Mattheüs 19: “En een ieder, die huizen of broeders of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn naam, zal vele malen meer terugontvangen en het eeuwige leven erven. Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten”[10].

Tenslotte nog dit.
Een Gereformeerd-vrijgemaakte predikant die zich regelmatig met missionair Gereformeerd-zijn bezighoudt, schreef eens het volgende.
“Bij God beginnen betekent ook dat je aan Hem de leiding geeft. (…) Om het goede spoor te houden, moet je van te voren al voor God door je knieën gaan. Je geeft het Hem in handen. Je geeft ook aan Hem over, wie Hij wil roepen. Dat is buigen voor zijn ‘welbehagen’. Wij snappen niet waarom de één wel komt en de ander niet. Wij buigen voor Gods genade en oordeel als we in Zijn dienst mensen gaan nodigen tot het heil”[11].
Evangelisatie heeft dus niet zoveel te maken met onze eigen schaduw, maar met Gods goedertierenheid.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op woensdag 17 oktober 2007.
[2] Mattheüs 19:16.
[3] Mattheüs 19:17: “Hij zeide tot hem: Wat vraagt gij Mij naar het goede? Eén is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden”.
[4] Mattheüs 19:21.
[5] Mattheüs 19:24.
[6] Mattheüs 19:26.
[7] De typering is van professor dr. J. Kennedy. Zie: “Geef antithese bij evangelisatie niet op”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 11 juli 2007, p. 2.
[8] Efeziërs 4:20.
[9] Efeziërs 4:24.
[10] Mattheüs 19:29 en 30.
[11] Ds. H. Drost, “Gods huis – open huis: Van harte gereformeerd en missionair” (Woord & Wereld; nr. 37). – [Bedum], Uitgeverij Woord en Wereld, 1997. – p. 8.

29 september 2016

Wildebras

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Er was eens een professor die lang studeerde op het onderwerp ‘gemeenteopbouw’[1]. De activiteit van zijn brein leidde tot een sprankelende gedachte.
Het was de volgende.

“Waarom houd je niet op zondagochtend als gemeente één gezamenlijke dienst in het grote kerkgebouw, en ga je ’s middags met de gemeente uiteen in vier kleine samenkomsten, die op wijkniveau plaatsvinden? Laat daar gerust ook gemeenteleden voorgaan die de gave van het verkondigen hebben. Wat dat betreft zit er enorm veel potentie in de kerken. Zulke samenkomsten hoeven geen kopie van de ‘gewone’ kerkdiensten te zijn…”.

U begrijpt het: die professor had veel studies verricht. Hij zag grootse perspectieven.
Toch zat ergens, in de catacomben van zijn hart, nog een klein twijfeltje: “…ik geef toe: daar is durf en lef voor nodig”[2].

U merkt het: die professor was bijzonder ambitieus.
En u weet het wel: in de afgelopen jaren zijn er wel meer mensen geweest die dergelijke ijver hebben getoond.

Wat zullen wij daarover zeggen?

Ik denk aan Israël.
Nee, ik denk niet aan de Joden die er vandaag in de wereld zijn.
Ik bedoel het volk Israël zoals wij dat in de Heilige Schrift tegenkomen.
Terwijl ik aan Israël dacht kreeg ik het idee dat die professor van hierboven uit de bocht vliegt.
Wellicht ligt hij thans roemloos in de berm, tezamen met vele andere ijveraars. Ik vraag me af hoe dat voelt.

De eerste keer dat we de naam Israël in de Bijbel tegenkomen is, bij mijn weten, in Genesis 32.
Daar strijdt Jakob met God.
Die strijd loopt uit op Gods zegen voor Jakob. Ik citeer: “Toen zeide hij: Laat mij gaan, want de dageraad is gekomen. Maar hij zeide: Ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent. Daarop zeide hij tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. Toen zeide hij: Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want gij hebt gestreden met God en mensen, en gij hebt overmocht”[3].
Daar hebt u die aanduiding ‘Israël’. Die naam betekent: Moge God strijden. Of ook: moge God voor hem strijden.

Israël: het is dat volk waarvoor de Here strijdt.
Ja, hij vecht er voor. ‘De Here zal voor u strijden’: dat is in het Oude Testament bijna een refrein.
Kijkt u bijvoorbeeld maar in Exodus 14, waar Mozes tegen zijn volksgenoten zegt: “De HERE zal voor u strijden, en gij zult stil zijn”[4]. Die uitdrukking – ‘de Here zal voor u strijden’ – komt u verder tegen in Deuteronomium 1, en ook in Nehemia 4[5].
De gedachte dat God voor Zijn volk vecht, leek de professor niet al te vaak in zijn overwegingen mee te nemen. Het gegeven dat de Verbondsgod vooral met Israël communiceert, leek bij de hoogleraar op de achtergrond te zijn geraakt.

De Here heeft contact met Zijn kinderen.
Sterker, Hij heeft een verbond met Israël. Maar Hij houdt er geen relaties met andere volken op na.
In Deuteronomium 7 wordt het onomwonden gezegd: “Want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is; ú heeft de HERE, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken”[6]. Eénzelfde boodschap treft u aan in Deuteronomium 14. En verder in 1 Koningen 3[7].

De Here heeft een verbond met Zijn volk. Is dat in het Nieuwe Testament, in de níeuwe bedeling, anders?
Nee. Er is wel wat veranderd. Maar het verbond is gebleven. En het Verbondsvolk ook.
Ik wijs u op Romeinen 9: “Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belófte gelden voor nageslacht”[8]. Het gaat nog altijd om de mensen die de Here uitkiest. Daar, in Romeinen 9, gaat het over Goddelijke verkiezing en verwerping.

Laten we 1 Petrus 2 niet vergeten: “Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”[9].
Ik concludeer:
* de Here voert Zijn plan uit vanwege het welzijn van Zijn kinderen
* maar Hij praat in de Heilige Schrift niet in de eerste plaats tegen ongelovigen. Hij spreekt niet primair tegen buitenkerkelijken. Als Hij hen wel aanspreekt, gaat het niet zelden over oordeel. En over dood.

Thans acht ik het moment gekomen om terug te keren naar die toegewijde hoogleraar.
Hij sprak: “De kerk moet in veel meer plaatsen de deuren open zetten, om de buitenwereld te bereiken”.

Maar wat moet ik dan met de Schriftplaatsen waarover ik hierboven schreef?
Men doet, naar het mij voorkomt, onrecht aan Gods Woord als men over dergelijke Schriftwoorden heen huppelt.
Naar mijn overtuiging is de kerk er niet in de eerste plaats voor de buurt. Of voor de buitenkerkelijken.
De kerk is er tot Gods eer.
Wij hoeven geen deuren open te zetten.
Want de hemelse Here brengt Zijn kinderen naar de kerk. En soms gebruikt Hij daarbij Zijn kinderen als Zijn instrumenten.

Moeten wij dan niet naar buiten toe?
Zeker wel.
Natuurlijk wel.
Maar laten wij niet net doen alsof drommen heilbegerigen staan te wachten tot de zware kerkdeur ten langen leste knarsend en piepend open gaat. Want niets is minder waar.
Gods Woord klinkt in de kerk. Niet op een zeepkist in de wereld.

Het is oppassen geblazen.
Want voordat je het weet word je een wildebras die een tikkeltje bedrijfsblind is.
En dat is best een beetje treurig.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 27 september 2007.
[2] De professor in kwestie is M. te Velde, tussen 1988 en 2015 hoogleraar was aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen. Hij doceerde kerkgeschiedenis na 1650, kerkrecht en gemeenteopbouw. Hij zei het bovenstaande in de editie van het Nederlands Dagblad die verscheen op woensdag 26 september 2007. Het betreffende artikel is nog te vinden op http://www.resortofsecurity.com/Article/NL/101/101/121/Geen_bezinning,_gewoon_aan_de_slag.html ; geraadpleegd op maandag 12 september 2016.
[3] Genesis 32:26, 27 en 28.
[4] Exodus 14:14.
[5] Deuteronomium 1:30; Nehemia 4:20.
[6] Deuteronomium 7:6 en 7.
[7] Deuteronomium 14:2; 1 Koningen 3:8.
[8] Romeinen 9:6, 7 en 8.
[9] 1 Petrus 2:6-10.

30 september 2015

Jezus roept op tot geloof

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Jezus laat zien wie zijn Vader is[1].
Als er één Schriftgedeelte is waar Hij dat duidelijk demonstreert, dan is het wel Johannes 5.

Jezus toont de macht van Vader.
Dode mensen maakt Hij weer levend.
Zo ver gaat die macht. Zo groot is die macht.
Dat is onvoorstelbaar. Maar het is toch waar.

De Schriftgeleerden hebben een nogal duidelijk oordeel over Jezus. Hij overtreedt de wet, want Hij geneest mensen op de sabbatdag. Dat kan niet, zeggen de kerkleiders. Dat mag niet. Dat hoort niet zo.
Welnu, zegt Jezus, als er een oordeel geveld moet worden…
als er recht gesproken moet worden…
als er een vonnis geveld moet worden…
dan zal Ik dat doen.

Maar waarom moet er zo nodig rechtgesproken worden?
Antwoord: omdat God de eer moet krijgen die Hij verdient. God de Vader, de Maker en Onderhouder van de schepping, moet erkend worden als de machtigste Man in hemel en op aarde.
Jezus, de Zoon van God, eist – om zo te zeggen – de eer op die de drie-enige God verdient. En Hij zegt er bij: wie Mij eert, laat ook de Vader gloriëren.

Mensen die de macht van God eerbiedigen, ontvangen eeuwig leven.
Mensen die nu nog in de dood leven, ontvangen het leven uit Gods hand. Meer precies: uit de hand van Jezus, want Vader heeft Hem die bevoegdheid gegeven.
Jezus roept mensen weg uit het moeras van zonde en dood.
Kortom: in Johannes 5 wordt de zaak op scherp gezet. Wie is kind van God? En wie niet?

Jezus roept Zijn kinderen.
En zij komen naar Hem toe, waar zij ook wonen. Uit enorme metropolen. Uit ontelbare dorpen en gehuchten. Vanuit allerlei afgelegen streken. Uit massa’s huizen. Uit vele tenten. Uit straten, lanen en  van pleinen. Uit sloppen en stegen. Overal en nergens komen ze vandaan.
Zijn roepstem klinkt overal ter wereld. In alle tijden. En op alle plaatsen.

Zijn werk begon niet onaangekondigd.
Johannes de Doper sprak er al over.
En nu is Hij met Zijn werk begonnen. De mensen kunnen zien welke grote gevolgen Zijn genezende arbeid heeft.
Jezus zegt: kijk maar goed.
Jezus zegt: geloof in Mijn beloften, en neem de door Mij geschonken vergeving blijmoedig aan. Er gaan levens veranderen!

Maar juist dat geloof ontbreekt in Israël. De kerkleiders begrijpen dat werk van Jezus niet. Massa’s mensen kijken niet verder dan de sensatie van de dag. Ach – ze zijn wel godsdienstig, daar niet van. Maar echt geloven, nou nee.
De reputatie van mensen is reuze belangrijk. Hun positie. Hun retoriek en overredingskracht.
Maar de eer van God, daar bekommert men zich niet om.

En daarom zal er een aanklacht komen.
En weet u wie die aanklacht in zal dienen? Mozes. Want Mozes heeft er in feite al op gewezen hoe cruciaal Jezus’ komst op aarde was.
Het geloof dat Mozes indertijd vroeg, was hetzelfde geloof dat Jezus nu eist.

Dat is Johannes 5.

Dit Schriftgedeelte is, als u het mij vraagt, onder meer van belang in zending en evangelisatie[2].
In de Heilige Schrift wordt ons verteld wat Jezus op aarde heeft gedaan. Wat Jezus deed, heeft Hij zijn Vader zien doen.
Dat vertellen we, als het goed is, door.
Dat verkondigen wij.
En wij proclameren: geloof in Jezus Christus, en u zult vergeving ontvangen!
Wij bazuinen rond: geloof in Jezus Christus, en houdt u vast aan Zijn beloften over een hemelse toekomst!

Daar gaat het om.
Maar wat zien wij vandaag veel? Allerlei mensen hebben, zoals dat heet, moeite met diverse traditionele vormen van kerk-zijn. Al die vastgeroeste liturgieën, ze hebben er niets mee. Al die lange vermoeiende preken kunnen hen gestolen worden. Alles moet moderner. De kerk moet worden vernieuwd. Het liefst hangen we een groot bord op de kerkdeur: ‘Nu nog nieuwer!’. Die moderne mensen hebben geweldig veel aandacht voor de mensen in hun omgeving.
Echter: vaak ontkom ik niet aan de indruk dat de boodschap van Jezus een beetje wordt verzacht. En dat terwijl Hij er in Johannes 5 geen doekjes om windt: tegenover geloof staat ongeloof, en daar zit helemaal niets tussen. Met andere woorden: je kunt niet een beetje in Jezus geloven. Het is onjuist om te zeggen dat er een hogere macht bestaat; of iets boven ons.
In zending en evangelisatie gaat het uiteindelijk om het antwoord op de vraag: bent u vóór of tegen Jezus Christus?

Dit Schriftgedeelte is, als u het mij vraagt, ook belangrijk in ons contact met Jehova’s getuigen.
Zij citeren Johannes 5: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen; want wat deze doet, dat doet ook de Zoon evenzo”. En dan zeggen ze: Jezus is een geschapen wezen, en dus ondergeschikt aan God.
Zij willen niet begrijpen dat Jezus Zichzelf, willens en wetens, heeft vernederd om ons te redden. Voor het gemak vergeten zij teksten als Philippenzen 2: Jezus Christus “die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises”[3].
Iemand vatte de zaak treffend samen: “Hier op aarde werd Jezus dienstknecht. Hij diende Zijn Vader als Borg voor Zijn kinderen. Knecht is Hij in de hemel nooit geweest. In de hemel hoefde Jezus nooit te gehoorzamen. Daar was Hij, als Zoon, medegebieder, God, met de Vader”[4].
Op deze manier maken de Jehova’s getuigen een weinig geslaagd puzzelboek van Gods Woord.

Wij moeten ook in Johannes 5 maar gewoon laten staan wat er staat.
En laten wij daarbij dan Romeinen 15 maar repeteren: “Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden”[5].

Noten:
[1] Vandaag, woensdag 30 september 2015, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Op die bijeenkomst zal Johannes 5 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[2] In deze alinea gebruik ik onder meer: C.W. Rentier, “Tegenliggers of medestrijders”. In: De Waarheidsvriend, woensdag 12 november 2008, p. 12 (rubriek: Zending in zicht). Ook te vinden op www.digibron.nl . Geraadpleegd op donderdag 10 september 2015.
[3] Philippenzen 2:6, 7 en 8.
[4] Joost Veldhoen, “Met een folder aan de deur”. In: Daniël, donderdag 8 januari 2009, p. 20 en 21; citaat van pagina 21. Ook te vinden op www.digibron.nl . Geraadpleegd op donderdag 10 september 2015.
[5] Romeinen 15:4.

22 mei 2015

Pinksteren 2015: Gods Woord in onze moedertaal

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

“…een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken”.
(Handelingen 2:6 b)

Pinksteren 2015: dat is een feest in een wereld waarin de spraakverwarring soms compleet lijkt. Iedereen praat door elkaar heen en tegen elkaar in.
En bovendien: is het eigenlijk nog wel gepast om Pinksterfeest te vieren in een periode waarin de kerk in Nederland bijna aan gruzelementen lijkt te wezen?

In Handelingen 2 gebeurt iets opmerkelijks.
Daar hoort iedereen elkaar in zijn eigen taal praten. Een exegeet zegt: “Wij moeten ons voorstellen dat de verschillende discipelen elk in een aparte taal de grote daden Gods verkondigden”[1].
Ja, dat is buitengewoon.
Daar, in Handelingen 2, gebeurt iets dat – ware het in onze tijd gebeurd – in grote letters in toonaangevende kranten gestaan zou hebben.

In de kerk gebeuren miraculeuze dingen!
Discipelen lijken talenwonderen te zijn.
Verslaggevers in onze tijd zouden zich hardop afgevraagd hebben: hoe is dit toch verklaarbaar? En ook: waarom gebeurt dat talenwonder in een gewoon huis, maar niet in de synagoge?
We zullen er attent op moeten zijn dat de apostelen niet plotseling een of meerdere vreemde talen kunnen spreken. Nee, hun tong wordt door de Heilige Geest bestuurd. Niet alleen Joden, maar ook proselieten – dat zijn heidenen die tot het christendom zijn toegetreden – kunnen nu in hun eigen taal de blijde Boodschap horen!
Vraag niet hoe dat precies gegaan is. Laten we maar eenvoudig geloven dat de Geest van God daar, op dat ogenblik, allerlei grenzen doorbreekt. God laat het zien en horen: de blijde Boodschap van Christus’ volbrachte werk hoeft niet in Jeruzalem te blijven rondzingen; Gods Woord kan als een lopend vuurtje de hele wereld over gaan.

Handelingen 2 is feitelijk het omgekeerde van Genesis 11. In het eerste Bijbelboek wordt ons de torenbouw van Babel verhaald. U weet wel: “…en de Here zeide: Zie, het is één volk en zij allen hebben één taal. Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn. Welaan, laat Ons nederdalen en daar hun taal verwarren, zodat zij elkanders taal niet verstaan. Zo verstrooide de Here hen vandaar over de gehele aarde, en zij staakten de bouw van de stad”[2].
Bij de torenbouw gaat het om menselijke macht.
In Handelingen 2 draait alles om Geestelijk krachtsvertoon. Vanaf nu gaat het Evangelie in alle talen de wereld over.
We zien hier, denk ik, ook Gods genade schitteren. Van Gods woede in Genesis 11 merken we niets meer. Het lijden en sterven van Jezus Christus zorgt voor een ommekeer: vanaf nu gaat de genade van God onweerstaanbaar en onstuitbaar door de wereld. Om met professor B. Holwerda (1909-1952) te spreken: “een zeer belangrijk moment uit het Pinksterevangelie is wel dit: dat God door de Heilige Geest alle volkeren der aarde zegent, en verenigt; en daarin principieel de band weer legt, die Hij in Babel verbreken moest”[3].

Het spreken van vreemde talen is in het begin van Handelingen 2 het kenmerk van de Heilige Geest.
Die vreemde talen worden, om zo te zeggen, gesproken ten dienste van de verspreiding van het Evangelie.
Het is allemaal ook maar tijdelijk. In Handelingen 11 staat vermeld: “En toen ik begonnen was te spreken, viel de heilige Geest op hen, evenals in het begin ook op ons”[4]. Nee, dat wonder is er niet permanent. Het is bedoeld als een demonstratie van Geestelijke kracht: overal in de wereld zal Gods Woord klinken.

We kunnen, daar in Handelingen 2, gerust spreken over een verrassing van God. Een uitlegger merkt terecht op: “Nergens in het Oude Testament wordt ook maar een hint gegeven dat de uitstorting van de Geest gepaard zou gaan met het spreken in vreemde talen. Wel lezen we dat mensen zullen profeteren, dromen dromen en visioenen zien, maar nergens dat zij in een andere dan hun eigen taal gaan spreken”[5].
De Here geeft een indruk van Zijn werk. Maar geen blauwdruk.
Dat is voor de kerk in Nederland een grote troost.
Wanneer wij heden ten dage naar de kerk kijken, vragen we ons in gemoede af hoe het daarmee aflopen zal. Waar staan we – pak ‘m beet – over tien jaar? Wat blijft er van de kerk over?
Welnu, Handelingen 2 herinnert ons eraan dat de hemelse Heer soms buitengewoon verrassend werkt. Wonderlijk, soms! Ronduit miraculeus! En daarom mogen we tijdens de Pinksterdagen met een gerust hart tegen elkaar zeggen: wanhoop maar niet, want de kracht van Gods Geest kan ook anno Domini 2015 heerlijk overrompelend zijn!

We leven in een tijd waarin tientallen miljoenen mensen op de vlucht zijn. De wereld is vol van crisis en oorlog.
Maar ook vandaag gaat er, om het zo uit te drukken, een inclusief Evangelie door de wereld; dat wil zeggen: de liefde van Christus bindt volken samen!

In Handelingen 2 hoort men van Gods grote daden. Ieder hoort Gods Woord in zijn eigen taal.
“Er zijn”, zo las ik ergens, “ongeveer 6800 gekende talen over de hele wereld. Daarvan zijn 2261 gebaseerd op een geschreven systeem, de anderen bestaan enkel onder gesproken vorm”[6].
De Heilige Geest begint op de Pinksterdag dus met een groots werk!

Op de eerste Pinksterdag gebeuren bijzondere dingen.
Er is echter één ding dat eigenlijk heel gewoon is: het Evangelie wordt verkondigd.
Dat is iets waar wij, denk ik, met dankbaarheid kennis van mogen nemen.
Op de Pinksterdag gaan we naar de kerk. En misschien vragen we ons, diep in ons hart, af of die kerkgang anno 2015 niet een tikje sullig is. Welnu, ik zeg u: nee; driewerf nee! Sterker nog: op de Pinksterdag gebeurt precies datgene dat Gods Heilige Geest op de eerste Pinksterdag ook heeft gedaan: het Evangelie wordt verkondigd.
In het Nederlands, in onze kerk.
Of in het Engels, als u bijvoorbeeld in Canada of de Verenigde Staten woont.
Of in het Frans, wellicht.
Of in een heel andere taal.
Gods Woord gaat de wereld door. Ook vandaag. De zuivere prediking van Gods Woord, overal ter wereld: dat is Pinksteren zoals het bedoeld is!

Noten:
[1] Zie de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Handelingen 2:6.
[2] Genesis 11:6, 7 en 8.
[3] B. Holwerda, “De torenbouw van Babel”. Opgenomen in: “De wijsheid die behoudt”. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1957. – p. 13-17. Citaat van p. 13. Meer informatie over professor Holwerda is te vinden via http://www.biografischportaal.nl/ (zoekterm: Holwerda).
[4] Handelingen 11:15.
[5] Zie http://www.opbouwonline.nl/artikel.php?id=428 . Geraadpleegd op dinsdag 5 mei 2015. Van het op die website gepubliceerde artikel heb ik dankbaar gebruik gemaakt.
[6] Citaat van http://levenslangleren.be/taal.php/hoeveel_talen_zijn_er_in_de_wereld . Zie ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_talen_van_de_wereld . Geraadpleegd op woensdag 6 mei 2015.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.