gereformeerd leven in nederland

7 november 2017

De chaos geordend

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Wij leven, zo noteerde laatst iemand, in een verwarrende wereld. Hoe kwam die schrijver daar op?
Ik citeer: “Mick Jagger (…) zingt ‘Heb je even voor mij’. Frans Bauer is enthousiast, maar heeft nog geen liedje van Mick Jagger gezongen.
Een man spoot secondelijm in plaats van ogenzalf in zijn ogen. De chirurg die hem opereerde, roept secondelijmproducenten op om de lijm in vierkante tubes te doen, zodat ze minder makkelijk verwisseld kunnen worden met ogenzalftubes.
Bij een opsporingsbericht heeft de politie een foto geplaatst van de verkeerde persoon. Er zijn excuses aangeboden.
Zanger Gordon gaat trouwen, maar mag er binnen 48 uur weer vanaf. Zijn huidige vriend blijft ook bij hem. Z’n nieuwe partner krijgt hem er gewoon bij.
Een fietsendief liet per ongeluk zijn identiteitsbewijs liggen in de schuur waar hij de fiets ontvreemdde. De politie kon hem snel terugvinden.
In Duitsland heeft een man een jaar lang water uit de kranen van zijn wastafel, bad en wc laten lopen. Het ging om 7 miljoen liter en de rekening liep op tot 10.800 euro.
Het zijn ook verwarrende tijden”[1].

Natuurlijk – de bovenstaande tekst zwerft ergens tussen humor en sarcasme. Laten we die dus maar met een korreltje zout nemen. En misschien wel met twee korreltjes.

Niettemin kan de vraag in ons opkomen: wordt de hele wereld gaandeweg steeds dommer? Wie nuchter nadenkt, zal zichzelf snel corrigeren. Al was het alleen maar omdat de inzet van een recent nieuwsbericht luidde: “Het aandeel hoogopgeleiden, mensen met een hbo- of wo-opleiding, in de Nederlandse beroepsbevolking stijgt in alle beroepsklassen”[2].

De wereld wordt wel steeds impulsiever. Sociale media jagen ons op. Velen hebben, zoals dat tegenwoordig heet, moeite om alle ballen in de lucht te houden. Dat is eenentwintigste-eeuwse taal voor: die mensen kunnen hun verplichtingen amper meer nakomen.

In die ongeremde wereld klinkt de aloude taal van de Heidelbergse Catechismus in antwoord op de vraag wat nu precies een christen is.
“Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving, om: als profeet zijn naam te belijden, als priester mijzelf als een levend dankoffer aan Hem te offeren, en als koning in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden en na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren”[3].

Onze werkzaamheden op aarde doen wij altijd in verbondenheid met Christus. Dus: met de Man die voor onze zonden betaalde. Als het goed is zijn wij Hem volkomen toegewijd.
De gewone dingen van de dag staan in rechtstreekse verbinding met onze Heiland: het lezen van de krant, het schrijven van dit artikel, het werk op kantoor en in de kerk, het klaarmaken van de maaltijd en het nuttigen ervan, het televisiekijken en ons dutje in de stoel.

Wat doen christenen op deze aardkloot?
Wij leven op deze aarde om die te ontplooien. Wij maken gebruik van de mogelijkheden die ons geboden worden.
Mensen zijn, op de keper beschouwd, prachtige schepselen. Mensen hebben denkvermogen en intelligentie. Daarom kunnen we deze aarde op een goede wijze beheren en beheersen.
Ons doel hoeft dan niet te zijn om zelf een grote jongen of een invloedrijke vrouw te worden. We moeten iets laten zien van Gods naam.
Gods naam presenteren en eren, dat wil zeggen: wij demonstreren dagelijks dat Hij ook vandaag volop actief is. Actief in de zin van Jesaja 52: “En nu, wat staat Mij hier te doen? spreekt de HEERE. Want Mijn volk is voor niets weggevoerd, zijn overheersers doen het weeklagen, spreekt de HEERE, en voortdurend, heel de dag, wordt Mijn Naam gelasterd.
Daarom zal Mijn volk Mijn Naam kennen; daarom, op die dag, zal het weten dat Ik het Zelf ben Die spreekt: Zie, hier ben Ik”[4].
Achter onze, soms koortsachtige, activiteit kunnen de mensen Jezus Christus ontwaren. Boven ons werk kunnen wij, als het goed is, het bekende slot van Psalm 8 zetten:
“Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de ​engelen
en hem met ​eer​ en ​glorie​ gekroond.
U doet hem heersen over de werken van Uw handen,
U hebt alles onder zijn voeten gelegd:
schapen en runderen, die allemaal,
en ook de dieren van het veld,
de vogels in de lucht en de vissen in de zee,
al wat over de paden van de zeeën gaat.
HEERE, onze Heere,
hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!”[5].

Ziet u de vragen en twijfels al komen, zwevend in het zinderende zwerk?

Valt ons dagelijks gedraaf van hot naar her – en weer terug – ook onder Psalm 8?
De kinderen naar school brengen, werken voor je salaris, eten, even spelen met de kinderen en hen daarna naar bed brengen…, het is de sleur van elke dag.
En dan de ouderen.
Aankleden en eten – soms is dat best vermoeiend voor u.
Maar u hebt tenminste even wat te doen. Immers, soms ligt de eenzaamheid als een deken over heel het huis.
“Heersen over de werken van Uw handen” – wat komt daar eigenlijk van terecht als je achter in de zeventig of in de tachtig bent?

Er zijn honderden van dergelijke vragen.
Duizenden misschien.
Hónderdduizend wellicht.
Maar boven al die vragen koepelt zich onze taak: we mogen laten zien dat de Here actief is in ons leven.

Wij kunnen Zijn naam noemen: ikzelf ben niet zo sterk, maar mijn Here – de God van het verbond – gaat met Zijn werk verder. Toegegeven, soms lijkt het er niet op. Maar het is heus waar.
We kunnen zonder omwegen zeggen: daarom belijd ik dat ik bij Hem hoor. Ik ben onlosmakelijk met Hem verbonden.
We kunnen zonder omwegen zeggen: mijn leven is gewijd aan God en Zijn Woord. Veel mensen snappen mij niet. Nee, zelfs mijn eigen kinderen zien de diepgang er niet helemaal van. Maar het is werkelijk waar.
We kunnen zonder omwegen zeggen: daarom voer ik de goede strijd.
We kunnen zonder omwegen zeggen: uiteindelijk zal ik een plaats krijgen in de grootse eeuwigheid die God gecreëerd heeft.

Hoort u de klanken van Zondag 12?

Het is een verwarrende tijd.
Dat zal waar wezen.
Maar als wij Zondag 12 gaan belijden blijft de lijn in ons leven helder zichtbaar. Als wij gelovig Psalm 8 gaan zingen wordt de chaos weer geordend.
En dat, geachte lezers, is een grote geruststelling. Niet dan?

Noten:
[1] Roeland van Mourik, “Verwarring”. In: Nederlands Dagblad, maandag 23 oktober 2017, p. 20 (rubriek ‘Nieuwsquiz’).
[2] Geciteerd van https://www.nu.nl/carriere/4910420/aandeel-hoogopgeleiden-stijgt-in-alle-beroepsklassen.html ; geraadpleegd op dinsdag 24 oktober 2017.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 32.
[4] Jesaja 52:5 en 6.
[5] Psalm 8:6-10.

18 oktober 2016

Zondag 12 en de EO

In Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus leren wij dat een christen als koning in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel strijdt. Na dit leven zal die christen in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeren[1].

Zo staat dat ook in Gods Woord.
Wij kunnen dat lezen in 2 Timotheüs 2: “Het woord is betrouwbaar: immers, indien wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven; indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen; indien wij Hem zullen verloochenen, zal ook Hij ons verloochenen; indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet”[2].

Een christen is tijdens dit aardse leven constant in gevecht. Met zichzelf. Eigenlijk met alles en iedereen.
Op het eerste gezicht ziet dat er niet zo uit.
Maar het is wel zo. Als het goed is, tenminste.

Het bovenstaande klinkt vertrouwd. Deze klanken kennen we.

Maar als we naar het nieuws van de laatste weken kijken, komt die strijd opeens wat dichterbij.

Laten wij kijken naar de ontwikkelingen bij de Evangelische Omroep.

Wat is daar gebeurd? Uit een editie van het Nederlands Dagblad citeer ik het volgende[3].
“De omroephervormingen dreigden de IKON, Zendtijd voor de Kerken en de Joodse Omroep de kop te kosten, en na een aanvankelijke verloving met de NCRV klopten die omroepen aan bij de EO, met de vraag of die deze taak op zich wilde nemen. Dat betekent, scherp gezegd, dat de EO de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen om ook de vrijzinnigheid stem te geven op de Nederlandse televisie. Maar, benadrukken de directeuren in het interview: dat doen ze omdat ze deze táák hebben gekregen. En die is strikt gescheiden van de missie van de EO”.

Het hoeft eigenlijk niet te verbazen dat er, ondanks deze bezwerende woorden, flinke commotie ontstond.

In het ND stond te lezen:
Er “vond een bewogen vergadering plaats van de ledenraad, iemand startte een Facebookactie om via de eerstvolgende ledenraadsverkiezingen een koerswijziging af te dwingen, en het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond maakte zijn aanvankelijk in stilte verstuurde brief alsnog openbaar op de website van huisorgaan De Waarheidsvriend”.
U voelt wel: dit is een keurige beschrijving, maar terwijl u die woorden leest hoort u op de achtergrond enorm veel kabaal.
Het lijkt wel alsof er gevochten wordt!

En in feite is dat ook zo.

Een christen staat in de wereld. Maar hij is er niet van. Hij hoort er niet bij, maar hij maakt er wel deel van uit.

De Evangelische Omroep is in haar wezen een organisatie waar men de strijd om een echt christen te blijven steeds weer verliest.
Anders gezegd: er wordt water bij de wijn gedaan. Bij de EO wordt zoveel water bij gedaan dat de wijn vaak nergens meer naar smaakt.

Christenen, Gereformeerden inbegrepen, willen vriendelijk zijn voor de wereld. Want als het niet met vriendelijkheid begint, wordt het – denken zij – onmogelijk om mensen met het Evangelie te bereiken.
Dat is een goed uitgangspunt. Staat in Philippenzen 4 ook niet: “Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij”[4]?
Toch moet er een zekere distantie blijven. Kinderen van God moeten voorzichtig wezen. Hun gedrag moet gekenmerkt worden door een zekere bedachtzaamheid en behoedzaamheid.
In datzelfde Philippenzen 4 staat trouwens: “Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus”[5].
Wie in Godvrezend contact met God staat, ontvangt Zijn bescherming. Hij gaat rustig zijn gang. Niet als een wildebras, maar als een goed strateeg, die weet wat hij doet.

Wie vaak zijn eigen zin zou willen doordrijven, kan aan de EO zien waar het naar toe kan gaan. Een baken in zee!

Wie de vrede van God kent, kent veel momenten van rust in zijn hart.
Gods kinderen ontvangen kalmte van bovenaf. Wie dergelijke kalmte kent, heeft meer overzicht. Hij is in staat het slagveld te overzien. Hij ziet waar de fronten liggen.

Tegen gelovigen zou ik willen zeggen: wees voorzichtig, maar evenzeer blijmoedig en vrijmoedig. En laat het duidelijk wezen voor wie volhardt in het geloof: uiteindelijk geeft de hemelse God Zijn kinderen alle ruimte voor hun regeertaak!

Noten:
[1] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 32.
[2] 2 Timotheüs 2:11, 12 en 13.
[3] “De EO is niet van het pad, maar van de Weg”. In: NdZeven, bijlage van het Nederlands Dagblad, zaterdag 1 oktober 2016, p. 8 en 9.
[4] Philippenzen 4:5.
[5] Philippenzen 4:6 en 7.

6 oktober 2015

De rechten van Christus

Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus wijst ons op de rechten die Christus op Zijn kinderen kan laten gelden[1].
In die Zondag staat een zin als: “Als Koning regeert Hij ons met zijn Woord en Geest, en beschermt en bewaart Hij ons bij de verworven verlossing”[2]. Verder wordt ons geleerd “…dat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving”[3]. Christus kan dus rechten laten gelden.

De eerste Schriftverwijzing ónder Zondag 12, uit Psalm 45, laat dat trouwens ook blijken:
“Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft, o God, uw God u gezalfd”[4].
In Hebreeën 1 vinden we diezelfde woorden terug. De Zoon van God wordt daar getypeerd:
“Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en ongerechtigheid hebt Gij gehaat; daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten”[5].
God de Vader heeft Zijn Zoon een ambt gegeven. De Zoon is gezalfd met de Heilige Geest. Als de Ambtsdrager van het nieuwe verbond actief wordt, is dat – op de keper beschouwd – een activiteit van de drie-enige God. Vader, Zoon en Geest hebben ieder een aandeel in het verlossingswerk!

In Mattheüs 3 laat Jezus Christus zich dopen. Als Johannes in eerste instantie weigert om de doop te verrichten, zegt Jezus: “Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen”[6].
Het betaamt ons… – ziet u de bedrijvigheid van Vader, Zoon en Geest?
De gerechtigheid moet vervuld worden. We zien hier echt messiaans zelfbewustzijn. De drie-enige God claimt het recht op Zijn kinderen. Hij wil hen redden, en dat zal gebeuren ook!

Dat reddingswerk wordt niet voltooid door de wereld op z’n kop te zetten. De Here heeft geen tsunami’s nodig. Of natuurrampen, zoals bosbranden en overstromingen. Nee, de Here Jezus gaat naar het kruis. Daar volbrengt Hij Zijn borgtochtelijk lijden.
Daarom lezen we in Openbaring 5: “En ik zag in het midden van de troon en van de vier dieren en te midden der oudsten een lam staan, als geslacht…”[7].
In zijn verlossingswerk gaat Christus heel ver. En Zijn raadsbesluit is onveranderlijk. Voor dat raadsbesluit gelden heel bekende woorden uit Psalm 33:
“Het woord des HEREN is waarachtig.
God is getrouw in wat Hij doet.
Zijn recht is rein, zijn oordeel krachtig”[8].
In onze tijd wordt nog wel eens geklaagd over visieloze regeerders. ‘Het kabinet is uitgeregeerd’, zeggen de mensen dan. Met een schuin oog op de Europese Unie wordt gejeremieerd over gebruik aan besluitvaardigheid en onderlinge samenwerking. Welnu, in Zondag 12 is daar geen sprake van. Vanuit de hemel wordt het in Mattheüs 3 geproclameerd: “Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb”[9].
Vader, Zoon en Geest zijn – om zo te zeggen – één van zin. Het Goddelijk raadsbesluit wordt uitgevoerd.

In die God moeten wij geloven.
Dat geloof wordt bestreden. Gelovigen worden achternagezeten. Vervolgd. Gedood. En nee, dat is niet nieuw.
In Mattheüs 16 zegt Jezus: “En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen[10]. Die woorden betekenen in ieder geval dat de dood vaak heel dichtbij is. Wie in de buurt van de kerk is, bevindt zich op levensgevaarlijk terrein.
Maar één ding is zeker: in de kerk is het veilig. Wie achter de Here Jezus schuilt blijft leven, ook al moet hij – naar aardse begrippen gerekend – sterven.

“Een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven”. Zo staat dat in Johannes 11[11].
Christenen mogen en moeten op aarde het recht van God proclameren. Dat is het begin van de zaligheid.  Dat woord ‘zaligheid’ reserveren we vaak voor ons hemelleven; en dat is best te begrijpen. Echter: het volk dat Hem de lofzang zingt, dat praktiseert het begin van die zaligheid. Als het volk uitbreekt in gejuich wanneer de bazuin weerklinkt, dan ontdekt de kerk de aanvang van de zaligheid[12]. Als de kerk in het gebed de troon van God nadert, dan ziet zij het kleine begin van een heerlijk hemels bestaan. Zo gaat dat als de kerk bidt:
“Hoor naar een rechte zaak, o HEER,
sla acht op wat mijn lippen smeken,
die onbedrieglijk tot U spreken
en buig U tot mijn bidden neer”[13].
Zulk bidden leren we, als het goed is, in onze gezinnen aan onze kinderen. Zulk bidden leren we op onze catechisaties en Bijbelstudieverenigingen aan elkaar.

Christenen zijn in bespreking vandaag.
In de algemene politieke beschouwingen zei de heer Wilders van de Partij voor de Vrijheid op woensdag 16 september jongstleden: “Eén van de christelijke waarden is dat we op moeten komen voor ons eigen volk. We moeten ervoor waken dat ons land islamiseert. Daar zou iedere christen voor op moeten staan. Wat is er christelijker dan ervoor zorgen dat Nederland christelijke waarden behoudt? Als we niet opkomen voor ons eigen land en niet zeggen ‘geen islam meer’, dan verzeker ik u dat de christenen de eersten zullen zijn die geslachtofferd zullen worden door de islam. Dus, opkomen voor christelijke waarden betekent: geen nieuwe asielzoekers, nieuwe moskeeën en nieuwe imams”[14].
Is dat waar?
Nee, de heer Wilders slaat de plank mis. Sterker nog: hij slaat er meters naast.
Het gaat in de kerk om de koningsheerschappij van Christus. Maar dat betekent vervolgens niet dat het eigen volk zo nodig voorrang moet krijgen. De blijde Boodschap is voor de hele wereld bestemd; Nederlanders hoeven niet op een speciaal voor hen opgerichte troon te zitten. Laat ik u, nu het hierom gaat, herinneren aan woorden uit Openbaring 3: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij. Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon”[15]. Nee, die troon hoeft de heer Wilders niet te organiseren. Heus niet. Want dat zal onze God wel doen!

Laten wij in deze situatie de woorden van Psalm 14 maar zingen:
“Hoog uit de hemel ziet de HERE neer
of iemand wijs is, luistert naar zijn spreken.
Zij allen zijn ontaard en afgeweken,
er is niet één die Hem erkent als Heer,
nee, niemand meer”.

“Daar overvalt de schrik hen onverwacht,
want God staat zijn rechtvaardigen terzijde.
Hun toevlucht is de HEER te allen tijde;
Hoeveel verdrukking hen dan ook nog wacht,
Hij is hun kracht”[16].

Noten:
[1] In dit artikel gebruik ik onder meer een ongedateerde preek over Zondag 12 van de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant Tj. Boersma. Thema en verdeling van die preek luiden als volgt:
De Zoon van God richt op aarde het Koninkrijk van Gods recht op
Hij doet dat:
1. door als Ambtsdrager op te treden
2. door zijn ambt uit te oefenen
3. door zijn volk te herstellen in het ambt.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 31.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 32.
[4] Psalm 45:8.
[5] Hebreeën 1:9.
[6] Mattheüs 3:15.
[7] Openbaring 5:6.
[8] Dit zijn de eerste drie regels uit Psalm 33:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[9] Mattheüs 3:16.
[10] Mattheüs 16:18.
[11] Johannes 11:26.
[12] De oplettende lezer heeft waarschijnlijk de eerste regels van Psalm 89:7 uit het Gereformeerd Kerkboek reeds herkend: “Hoe zalig is het volk dat U de lofzang zingt, / dat uitbreekt in gejuich als de bazuin weerklinkt”.
[13] Dit zijn de eerste vier regels van Psalm 17:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[14] Geciteerd via http://www.cip.nl/nieuws/september-2015/51667-Wat-Wilders-vertelde-over-de-christelijke-waarden . Geraadpleegd op donderdag 17 september 2015.
[15] Openbaring 3:20 en 21.
[16] Achtereenvolgens citeer ik de verzen 2 en 4 uit Psalm 14 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

26 augustus 2014

Leden van Christus

De tekst van Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus is ons welbekend[1].
[Vraag] “…waarom wordt u een christen genoemd?
[Antwoord] Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving, om:
als profeet zijn naam te belijden,
als priester mijzelf als een levend dankoffer aan Hem te offeren,
en als koning in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden en na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren”[2].

Goed beschouwd gaat het hier, om zo te zeggen, over de identiteit van ware gelovigen.

In onze maatschappij leggen wij niet zelden nadruk op onze eigenheid.
Wij zijn Groninger, Fries, Brabander of Zeeuw.
Wij zijn Nederlander of migrant; medelander, zo u wilt.
Wij zijn christen. Of moslim. Jood of hindoe.
Kortom: in deze tijd doet onze identiteit er echt toe.

Bij dat alles is de centrale vraag: wat doen we heden ten dage met die verschillen?
Of ook: hoe brengen wij de mensen samen? En op basis waarvan komen die mensen bijeen?
Als er een ramp gebeurt – ja, dan weten we opeens weer wat een saamhorigheidsgevoel is.
In normale omstandigheden blijkt Nederland echter een versplinterd land. We doen er, zo lijkt het, wijs aan om onze mening zo omzichtig mogelijk naar voren te brengen. Want voor wij het weten krijgen we een enorme bak kritiek over ons heen.
Met die Neêrlandse solidariteit valt het, bij nader inzien, eigenlijk best een beetje tegen.

Bij dat alles is er echter nog één belangrijk ding waarop wij gaarne de nadruk leggen: onze democratische instelling.
Ons land wordt democratisch geregeerd. Op allerlei werkvloeren wordt druk overlegd. In de jaren ’90 van de vorige eeuw vond men zelfs het poldermodel uit: het streven naar consensus in de politiek en in de maatschappij[3].

Welnu, hoe zit dat in de kerk?
Waarom worden wij christenen genoemd?
Om die vraag te beantwoorden neem ik vandaag mijn uitgangspunt in Numeri 1.

In Numeri 1 staat de opdracht voor een volkstelling. Die order geeft de Here aan Mozes. Iedere Israëliet telt mee. Iedereen hoort er bij.
Maar de Here proclameert wel dat Hij het hoofd van Zijn volk is. Zijn kinderen horen bij Hem. De Israëlieten zijn niet zelf de baas.

Waarom wordt die dienstorder voor de telling gegeven?
Antwoord: om de kracht van Gods volk te kunnen meten. Dat staat erbij: “Neemt het aantal op van de gehele vergadering der Israëlieten naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, allen die van het mannelijk geslacht zijn, hoofd voor hoofd, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukken in Israël; gij zult hen tellen naar hun legerscharen, gij en Aäron”[4].
Overigens is het niet alleen een kwestie van tellen. Het is ook een kwestie van inspectie, van keuring. Hoe staat het volk er, daar in de woestijn Sinaï, voor? Het Hebreeuwse woord voor ‘tellen’ betekent ook: monsteren, inspecteren[5]. Dus: de Here bekijkt de toestand van Zijn volk. En het volk krijgt ook alle gelegenheid om naar zichzelf te kijken: de Israëlieten moeten hun afkomst kennen, en weten waar zij thuis zijn. En vooral: bij Wie zij thuis zijn[6].

Intussen wordt er in Numeri 1, als ik het oneerbiedig zeggen mag, gegoocheld met getallen. Neem nu bijvoorbeeld de volgende tekst: “Dus waren al de getelden der Israëlieten, naar hun families, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten in Israël, al de getelden waren zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig”[7].
Dat zijn onwaarschijnlijk grote getallen. Wat moeten we daarmee?
Het was in de tijd van het Oude Testament, zo zeggen erudiete theologen, tamelijk gebruikelijk om dergelijke cijfers te gebruiken als een vorm van propaganda.
Er zijn ook verschillende geleerde mensen geweest die zeiden dat al die getallen symbolisch bedoeld zijn.
Daarnaast zijn er exegeten die zeggen dat we het begrip ‘duizend’ anders moeten vertalen. Daar ligt een vrij ingewikkelde argumentatie onder, die ik u in dit artikel maar bespaar.
De echte oplossing doe ik u vandaag niet aan de hand. Trouwens, ook de Bijbeluitleggers zijn er – bij mijn weten – nog niet uit[8].
Vooralsnog houd ik het er maar op dat deze getallen in de Bijbel staan om een groot verschil aan te geven. Toen de Here met zijn volk begon was het maar een klein volkje. Maar door Gods zegen groeit Zijn kinderschaar in Israël gestadig.

Wij kunnen zonder omwegen tot de conclusie komen dat de verhuizing van Gods volk naar Kanaän goed georganiseerd is.
En de Here is de grote Organisator. Hij benoemt Hoogstpersoonlijk de leden van het comité voor de volkstelling.
Het staat er zo: “Daarbij zal u uit elke stam één man behulpzaam zijn, de man, die het hoofd is van zijn families. En dit zijn de namen der mannen die u ter zijde zullen staan…”[9]. En dan volgen al de namen van Mozes’ helpers.

Midden in dat grote volk zetelt de Here.
En de bewakers van Gods domicilie worden vrijgesteld van militaire dienst. Ik citeer weer uit Numeri 1: “Maar de Levieten naar de stam hunner vaderen werden niet samen met hen geteld. De HERE had namelijk tot Mozes gesproken: slechts de stam Levi zult gij niet tellen, noch hun aantal onder de Israëlieten opnemen, maar stel gij de Levieten over de tabernakel der getuigenis en over al zijn gerei en over al zijn toebehoren; zij zullen de tabernakel en al zijn gerei dragen; zij zullen daarbij dienst doen en zich rondom de tabernakel legeren”[10].
De woonplaats van God wordt optimaal beschermd. Dankzij de door God Zelf gestructureerde organisatie. Er is nimmer een Leviet afwezig wegens militaire verplichtingen.

Wat wil het bovenstaande zeggen voor onze hedendaagse praktijk?

In ieder geval wel dit.
In Nederland doen we met z’n allen ons uiterste best om samen één te zijn. Ondanks de verschillen in Nederland wil men samen optrekken.
Gods kinderen moeten zich echter niet vergissen. Ze moeten, in een woelige samenleving waarin solidariteit slechts mondjesmaat te vinden is, de kern van de zaak goed in de gaten blijven houden.
Wat is het springende punt? Dat is dit: de Here vergadert Zijn volk. Ook vandaag. In de kerk namelijk. Hij is, om zo te zeggen, bezig met de organisatie van de heilige vergadering van de door Hem uitgekozen mensen. Want, zegt de Heidelbergse Catechismus, “wij zijn om Christus’ wil uit genade tot Gods kinderen aangenomen”[11]. En: “Omdat Hij ons met lichaam en ziel, niet met goud of zilver, maar met zijn kostbaar bloed van al onze zonden vrijgekocht en uit alle macht van de duivel verlost heeft. Zo heeft Hij ons tot zijn eigendom gemaakt”. Ja, ook die formulering staat in de Catechismus[12].
Gods kinderen zijn allen in Zijn dienst. De Here verzamelt hen om zich heen. En ze komen uit alle windrichtingen.
Al die mensen groeperen zich rondom Gods Woord.
Zij bewaken en bewaren dat Woord.
Al die mensen zijn zeer verschillend. Maar in Hem zijn zij één.

Daarom gaat het in de kerk niet democratisch toe.
Nee, het gaat in de kerk theocratisch toe. In de kerk is er theocratie. Dat betekent: Godsregering.
Daar zijn profeten, priesters en koningen – daar hebt u die termen uit Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus! – in dienst van de hemelse Here druk doende. Tezamen laten zij iets zien van de welvaart en het welzijn onder de Goddelijke heerschappij.

Het staat zo duidelijk in Zondag 12: wij zijn allen leden van Christus; daarom worden we christenen genoemd.
Wij komen er voor uit dat wij bij Hem horen.
Wij tonen dat wij, gedurende heel ons leven, in Zijn dienst staan.
In al ons doen en laten tonen wij een welhaast koninklijke strijdbaarheid.

En hoe houden wij dat alles vol?
Wij zouden kunnen praten over onze christelijke eigenheid. Maar dat doen we niet.
Wij zouden kunnen praten over onze saamhorigheid. Maar dat doen we niet.
Wij zouden kunnen praten over onze hechte overlegstructuren. Maar dat doen we niet.
Wij zeggen gewoon: wij horen bij Christus.
Wij vergaderen rondom Gods Woord. En daar gaan wij naar luisteren.
Wij verdedigen het ware geloof. Daar willen wij desgewenst best over praten.
De Here brengt ons bij elkaar. De Here is de Beschermer van Zijn bevolking.
Tot in eeuwigheid.
In heel ons leven zijn wij verbonden aan de machtige God, heerser van de hemel en de aarde. Als het daar om gaat blijkt er, vergeleken met Numeri 1, ten principale weinig veranderd!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in oktober 2007 schreef.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 32.
[3] Zie http://www.encyclo.nl/begrip/poldermodel .
[4] Numeri 1:2 en 3.
[5] Zie http://www.statenvertaling.net/kanttekeningen/Nm1.htm , kanttekening 6: “Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen tellen, maar ook op de getelden acht en toezicht nemen, hetwelk wij bij ons noemen monsteren”.
[6] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/OS1007.pdf , p. 25.
[7] Numeri 1:45 en 46.
[8] Zie hierover ook: Ds. T. Jacobs, “Grote getallen”. In: De Waarheidsvriend (22 januari 2009), p. 15. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[9] Numeri 1:4 en 5 a.
[10] Numeri 1:47-50.
[11] Heidelbergse Catechismus – Zondag 13, antwoord 33.
[12] Heidelbergse Catechismus – Zondag 13, antwoord 34.

16 juli 2013

Voorbereiding op een eeuwig feest

De naam Christus betekent ‘Gezalfde’.
Zo staat dat ook in de Heidelbergse Catechismus: Christus “door God de Vader aangesteld en met de Heilige Geest gezalfd tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning”[1].

Die zalving geeft de hoogst mogelijke status aan.

Daarbij denk ik onder meer aan Psalm 45. In die psalm staat een koning centraal die één der heerlijkste dagen van zijn leven beleeft: de huwelijksdag. De regering van die koning – ja, heel zijn existentie – kan op een schitterende wijze worden gekarakteriseerd: hij leeft in een hecht verbond met God. Kijkt u maar:
“Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft, o God, uw God u gezalfd
met vreugdeolie boven uw metgezellen”[2].
Die zalving heeft een reden. Die reden is: de koning is uitermate rechtvaardig. Die koning houdt zich verre van iedere vorm van goddeloosheid. Die koning heeft, om zo te zeggen, Gods wet voor in zijn hoofd zitten.
Aan een gezalfde kan men zien: dit is een onkreukbare man.
Aan een gezalfde kan men zien: deze man is onschendbaar.

De Gezalfde in de Heilige Schrift is Jezus Christus.
Over Hem gaat het in Jesaja 61: “De Geest des Heren HEREN is op mij, omdat de HERE mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen des HEREN en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest”[3].
In Lucas 4 leest Jezus in de synagoge dit Schriftgedeelte. De preek die Hij houdt, heeft een glorieuze inzet: “Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld”[4].

Christus: dat is de aanduiding van een ambt. Als wij die naam noemen kijken wij naar de positie van Jezus[5].
Wij spreken wel eens over de koning. Of over de burgemeester. Of over de arts. Al die mensen kunnen wij met hun ambtsnaam aanspreken.
In de Gereformeerde wereld spreken wij Jezus met Zijn ambtsnaam aan: Christus. Hij is de Zoon van God. Wij leggen de nadruk op de taak die Hij van de Here heeft gekregen.
Daarin onderscheiden wij ons van evangelischen. In die kringen hoor je vaak zeggen: ‘ik heb Jezus in mijn hart’. Of: ‘ik hoor bij Jezus’; er is zelfs een Opwekkingslied dat zo heet[6]. Goed beschouwd is dat opvallend. Want zo concentreert men zich op de mens Jezus. De Man die hier op aarde rondwandelde, en Mens tussen de mensen was. De Man die jouw vriend kon zijn.
Gereformeerden leggen de nadruk op het werk dat Jezus moest doen om de wereld te redden. Daarin ligt de nadrukkelijke erkenning verscholen, dat wij onszelf niet kunnen redden.
Evangelischen suggereren dat ze wel iets aan hun zelfredzaamheid kunnen doen. Want Jezus was een mens. Net als zij.
Ziet u het principiële verschil?

Christus: dat is de naam van Gods Zoon die Zijn taak volbracht heeft.
Hij heeft Zijn aanstelling als Profeet-Priester-Koning wáár gemaakt.
En Hij brengt ons nu ook in die hoge positie. Dat blijkt bijvoorbeeld in 1 Petrus 2: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”[7].

Christus is de Gezalfde.
En christenen horen bij Hem!
Dat is een prachtig Evangelie. Voor de ogen van alle kerkmensen ontrolt zich het panorama van een maatschappij vol geluk en vrede.
Alle kinderen van God moeten het zich realiseren: ons leven verandert structureel omdat Jezus Christus de harmonie in de wereld terugbrengt. De naam van onze Here Jezus Christus verplaatst ons naar een paradijselijke samenleving. Naar een oase van rust, waar het heerlijk toeven is.

Nu ga ik weer terug naar Jesaja 61. Daar neemt de Gezalfde des Heren een verrassende beslissing over Sion. Over de kerkstad, zogezegd.
Wat gebeurt er?
Alle verdriet gaat de kerk uit.
Alle kerkgangers krijgen een kroon op. Want het zijn Koningskinderen: kinderen van de Gezalfde des Heren, namelijk.
Psychische ziekten genezen op slag.
Treurende mensen gaan deel uitmaken van een verheugd volk, van een natie die permanent feest viert.
Zo gaat dat, daar in Sion.
Zo gaat dat, daar in de kerkstad.
De victorie komt vanuit de kerk.
Dat zou je, anno Domini 2013, niet zeggen. De kerk – met lidwoord dus: de plaats waar de hemelse God Zijn uitverkorenen een plaats wijst – is vandaag de dag maar klein. En weinig invloedrijk. Er is vaak gedoe, daar in die kerk. Je zou denken: daar zetelt een tobberig clubje; een groepering die buitengewoon weinig te bieden heeft. Maar dat is slechts de buitenkant. Want in die kerk zitten kleine mensen, die – soms heel gefrustreerd! – treuren over van alles en nog wat. Daar zitten zeer deemoedige mensen die weten dat zij er uit zichzelf niks van maken. Daar zitten gedesillusioneerde mensen, die zich in de wereld van de eenentwintigste eeuw helemaal niet meer thuis voelen.
Maar dat is nu precies het springende punt. Daar zit êm de kneep. Want die kerkmensen wijzen niet op zichzelf. De ware gelovige wijzen op de Gezalfde. Zij hebben alle reden om duidelijk en zonder omwegen te stellen: wij horen bij Hem. En we bereiden ons, ondanks alle ellende in ons eigen leven en in onze omgeving, voor op eeuwig feestgedruis!

Dat zo zijnde, spreekt het vanzelf dat wij naar de échte kerk willen gaan. Naar de ware kerk, waar het Evangelie helemaal open gaat, en er geen dingen worden onderbelicht of verzwegen.
Daar waar de verbondsrelatie met Jezus Christus voluit wordt gehonoreerd. En niet half.

Zoekende christenen?
Die moeten maar gauw naar de kerk komen.
Want een feest dat hen op hoog niveau brengt, laten zij toch niet aan zich voorbij gaan?

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 31.
[2] Psalm 45:8.
[3] Jesaja 61:1, 2 en 3.
[4] Lucas 4:21.
[5] In deze alinea gebruik ik onder meer http://www.holyhome.nl/bijbelstudie-308.html .
[6] Dat is Opwekking 79.
[7] 1 Petrus 2:9 en 10.

26 juni 2012

Dominee: loodgieter en kunstschilder?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De predikant en de preek zijn onverbrekelijk aan elkaar verbonden.
Tot voor kort, althans.

Want in een opiniestuk op de website Kerknieuws.nl staat te lezen: “Theologieopleidingen zouden niet enkel moeten hopen op een sprankelende persoonlijkheid die nieuw elan brengt in de kerk, maar de studie moeten aanpassen aan de moderniteit. De dominee in spe zal ermee te maken krijgen dat er in de toekomst niet langer een hecht kerkgenootschap bestaat dat wekelijks samenkomt. In plaats daarvan willen mensen zelf kunnen kiezen welk bezinningsevenement bij hen past en op welk moment daar tijd voor is. Deze projecten kunnen dan wel vanuit een specifieke kerk worden georganiseerd, maar de dominee moet in het achterhoofd houden dat dat de bezoeker om het even is.
Om de toekomstige dominees en priesters klaar te stomen voor het vak, zullen de opleidingen vakken in de studie moeten incorporeren die de student helpen creatief te zijn in het uitdragen van de theologie buiten de ouderwetse preekstoel om. Kerken zullen namelijk veel minder vaak als warm bad fungeren waarin de dominee automatisch opgaat”[1].

De studie Godgeleerdheid moet worden aangepast aan de moderniteit. De studie moet dus hedendaagser worden. Nieuwerwetser.
Dat klinkt wel redelijk. Zeker wanneer we in de sfeer van de apologetiek zitten – dat is de verdediging van het christelijk geloof – is het van belang om te weten hoe de wereld er uit ziet. U en ik moeten weten wat de denktrant van de Nederlandse opinieleiders is. U en ik dienen te weten wat er in de krant staat. Weten wat er in de wereld te koop is – dat is een must om als kerk werkelijk antithetisch in de wereld te kunnen staan.
Maar dat woord ‘moderniteit’ bevalt mij in genen dele. Want dat is de eenentwintigste eeuw niet zelden het synoniem van kerkelijk invoelingsvermogen. Of, zo u wilt: de mate waarin de kerk oog voor de samenleving heeft. Zeg maar: de manier waarop de kerk omgaat met de zieke buurvrouw, de zielige medemens uit een ver land en de andersdenkende die niks met de kerk heeft… Daar mag de kerk echter nooit beginnen. De kerk dient zich te concentreren op de genade die de Heer van hemel en aarde aan Zijn kinderen geven wil. Dát is het startpunt van de ware christen.
De prioriteit van de kerk behoort bij de prediking van het Evangelie te liggen.
Kerkmensen moeten geen praatjes houden over Theo die het zo moeilijk heeft. En over Giny, die zo sociaal voelend is en een samenbinder in de buurt blijkt te wezen.
In de kerk wordt uitgelegd dat de Here God de zonde haat. In de kerk horen wij dat de Here God behagen heeft in rechtvaardigheid. In de kerk wordt ons verteld dat de Schepper van hemel en aarde een reddingsplan voor deze wereld heeft bedacht. In de kerk vernemen wij het blij makende Evangelie van de Here Jezus Christus, die naar de aarde kwam om te lijden en te sterven. God heeft “zijn goedheid en barmhartigheid (…) uitgestort over ons, die schuldig waren en verdienden veroordeeld te worden. Want in volkomen liefde heeft Hij zijn Zoon voor ons in de dood overgegeven en Hem opgewekt tot onze rechtvaardiging, opdat wij door Hem onsterfelijkheid en eeuwig leven zouden hebben”. Zo staat dat in de Nederlandse Geloofsbelijdenis[2].
In de kerk zitten geen aardige mensen, die alleen maar vriendelijke verhaaltjes vertellen. In de kerk luisteren we naar het Evangelie van Christus. De Ambtsdrager over wie God gezegd heeft: “Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en ongerechtigheid hebt Gij gehaat; daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten”. Dat leerden de Korachieten in Psalm 45 al aan hun luisteraars; de Hebreeënschrijver wijst ook op Hem[3]. Dankzij die Ambtsdrager is de kerk onderweg. Op pad van de vuilnisbelt naar het koninklijk paleis.
De kerk bestaat niet primair vanwege de meelevende groetjes, en de lieve attentie voor de buurman. De eerste en voornaamste taak van de kerk is deze: God eren vanwege de volvoering van Zijn reddingswerk!

Het hechte kerkgenootschap moet zich, zo wordt gesuggereerd, op een spoedige verdwijning voorbereiden.
Eerlijk gezegd geloof ik daar weinig van.
Want wat moet ik in dat geval met 2 Timotheüs 2? Ik citeer: “En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De Here kent de zijnen, en: Een ieder, die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid”. Het fundament is van God: van Hem afkómstig dus, en door Hem gelegd.
En, zo wordt daarbij genoteerd, de Here ként de zijnen. Dat wil zeggen: de Here weet wie Zijn kinderen zijn; het is Hem bekend welke mensen er door Jezus Christus met een bloedband hecht aan Hem verbonden zijn. Door alle eeuwen heen blijft die Boodschap klinken. Ja, we horen die Boodschap ook al in het Oude Testament. In Numeri 16 lezen we over de opstand van Korach, Dathan en Abiram. Mozes zegt: “Morgen, dan zal de HERE doen weten, wie Hem toebehoort, en wie de heilige is, dat Hij hem tot Zich doe naderen; die Hij verkiezen zal, zal Hij tot Zich doen naderen”[4].
Ik wil maar zeggen: door alle tijden heen, brengt de Here mensen bijeen rond Zijn Woord.
Ik wil maar zeggen: door alle tijden heen klinkt de oproep tot reformatie; tot terugkeer naar de Here.
Ware christenen hanteren daarbij niet het adagium van de vrijblijvendheid. Zo van: we moeten nog maar ês zien hoe we dat vorm gaan geven. Immers, de Hére roept. En dan wordt er binding gevraagd. Aan God. En daarna – ja daarná! – ook aan elkaar.

Hierboven lees ik over een bezinningsevenement.
In dat laatste woord zit een zekere tweeslachtigheid. Enerzijds zijn er de contemplatie en de meditatie. Anderzijds proeft men de nauw verholen behoefte aan de kick en het ongebreideld enthousiasme, het flitsende programma en de dynamiek.
Het meest treffend in dat woord ‘bezinningsevenement’ is het ménselijke element. De humane drijfveer is dé motor om een dergelijke festiviteit te organiseren.
Welnu – hoe ik ook mijn best doe, ik slaag er niet in om het bovenstaande te rijmen met de welomschreven taak die christenen van de Here krijgen. Ik noem u:
* het hoog houden van de reputatie van onze Here
* het doel van onze levenstijd; die tijd staat in het kader van de dankbaarheid, en de dienst aan de verlossende God
* het strijden met open vizier, in een wereld waarin de almachtige God steeds vaker vergeten lijkt te worden.
Deze kwestie overziende dringt zich de actualiteit van Zondag 12 uit de Heidelbergse Catechismus aan ons op. De reden dat wij ‘christenen’ worden genoemd is volgens dat leerboekje gelegen in het feit dat we door het geloof leden van Christus zijn en zo deel hebben aan zijn zalving. Dan gaan we:
* als profeten zijn naam belijden
* als priesters onszelf als levende dankoffers aan Hem offeren
* als koningen in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel strijden
* na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeren[5].

Op Kerknieuws.nl lees ik: “Deze projecten kunnen (…) wel vanuit een specifieke kerk worden georganiseerd”.
Laten wij wél zijn: de kerk – mét lidwoord – heeft iets zeer specifieks. Zij wordt namelijk door de Here Zelf vergaderd. Die kerk is uniek. Van die kerk is er maar één.
In dat licht bezien is de term ‘een specifieke kerk’ enigermate merkwaardig. En dan druk ik mij nog zachtjes uit.

Er is nog meer dat mij verbaast.
Toekomstige dominees en priesters moeten namelijk klaargestoomd worden voor het vak.
Klaargestoomd, nog wel. Voor het vák, ook nog: aldus worden zielzorg, pastoraat en prediking diverse aspecten van een ámbacht.
Zo worden dominees en priesters een soort loodgieters: als de leidingen in orde zijn, wordt – zo veronderstelt men – de sanitatie vanuit de hemel netjes geregeld. Intussen sijpelt er iets reuze belangrijks weg: de eerbied voor God; onze nederigheid bij Zijn heiligheid.
De roeping van de predikant is in velden of wegen te bekennen.
Foei toch!

Eén ding nog.
Een predikant moet, zo lees ik, creatief zijn.
Als ik het goed begrijp moet hij nogal wat eigenschappen van een kunstenaar hebben. Dan kan hij, naar ik aanneem, de gemeente zo beschilderen dat het een kleurrijk geheel wordt…
Hoogst merkwaardig.
En schandalig bovendien. Want zo wordt het werk van de Here miskend.
Laat het voor ware gelovigen intussen duidelijk wezen: de kloof tussen kerk en wereld is breed. En diep. Zeer diep.

Noten:
[1] Zie http://kerknieuws.nl/debat.asp?oId=174 .
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 20.
[3] Zie Psalm 45:7 en 8; Hebreeën 1:9.
[4] Zie Numeri 16:5.
[5] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 32. De Catechismus is niet letterlijk geciteerd; het betreffende antwoord staat in de eerste persoon enkelvoud (ik-vorm).

Blog op WordPress.com.