gereformeerd leven in nederland

28 november 2017

Vrije wandelaars

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen”.
Die zin kennen de meeste lezers wel, naar ik aanneem. De woorden staan in Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus[1].

Dat geloven wij.
Dat verkondigen wij.
Daar staan wij voor.
Voor veel lezers spreekt dat vertrouwen bijna vanzelf.

En natuurlijk, Gereformeerden worden wel eens met de nek aangekeken. Maar het is niet zo dat zij hun geloof niet meer mogen belijden. Kerkdiensten mogen worden belegd, in alle vrijheid.
Dat is prachtig.

In een land als China gaat het er heel anders aan toe.
Neem nu voorzitter Qi Yan van de Communistische Partij in de plaats Huangjinbu. Christenen in de regio Yugan moeten leren om hun vertrouwen te stellen op de partij, en niet op religie, zegt hij.
In het Reformatorisch Dagblad stond onlangs te lezen: “‘Veel mensen op het platteland zijn onwetend’, zei Yan dinsdag tegen de krant South China Morning Post. ‘Ze denken dat God hun helper is. Na het werk van onze partijkaders zullen ze hun misvattingen echter inzien en denken: we moeten niet langer op Jezus vertrouwen, maar op de partij voor hulp’”.
Het RD meldde ook:
“In Yugan moet de officieel atheïstische partij vechten voor haar invloed, tegenover het christendom dat steeds meer aanhang krijgt. Yugan staat zowel bekend om zijn hoge armoedecijfers als om zijn grote christelijke gemeenschap. Meer dan 11 procent van de 1 miljoen inwoners leven onder de armoedegrens, terwijl zo’n 10 procent zich tot het christendom rekent.
In heel China wint het christendom intussen aan populariteit. Volgens sommige schattingen zijn er meer christenen in het land dan de 90 miljoen leden van de Communistische Partij”[2].
En:
“Volgens de lokale partijleider Qi is de situatie niet zo dramatisch. Christenen is volgens hem niet gevraagd om de posters en symbolen helemaal weg te doen, maar die geen centrale plaats meer in de huizen te geven. „Ze kunnen die nog in andere kamers hangen (…). Wat we hen vragen, is om in het midden van hun woonkamers iets op te hangen wat de vriendelijkheid van de partij niet doet vergeten”.

Wie dat leest, beseft dat het er in Nederland nog heel beschaafd aan toe gaat.
Maar die lezer trekt waarschijnlijk ook zijn wenkbrauwen op.
Vanuit Nederlandse overheden wordt relatief weinig druk uitgeoefend  op het Neêrlandse kerkelijke leven. Goed, die druk is er soms wel. Maar die druk is toch vrij subtiel.
Er is dus sprake van lichte druk.
Maar nu al doen veel kerkmensen pogingen om het Evangelie een beetje aan te passen.

Bijvoorbeeld aldus:
* Wij hebben geen bloeddorstige God, zeggen sommigen
* De vrouw mag in het ambt staan, besluit een GKv-synode.
* Diverse niet-Schriftuurlijke samenlevingsvormen – samenwonen, homohuwelijk –  moeten we, naar men zegt, accepteren; schoorvoetend, maar toch.
En waarom trekt men dergelijke conclusies? Antwoord: men wil aansluiting vinden bij de hedendaagse cultuur. Met een bloeddorstige c.q. mensonvriendelijke Boodschap kun je, meent men, vandaag niet meer aankomen.
De grote vraag is natuurlijk: wat gebeurt er als de druk groter wordt? Wat gebeurt er als Gereformeerden in Nederland zulk een Evangelie niet meer mogen verkondigen? Gaan zij dan met de wereld mee? Of gaan zij dan terug naar het Evangelie?
In het laatste geval is er een gerede kans dat seculiere burgers dan vreemd opkijken: ‘jullie waren altijd zo meegaand, en nu…’.

In dit verband wijs ik u op Hebreeën 13: “Want van de dieren waarvan het bloed als verzoening voor de ​zonde​ door de ​hogepriester​ het ​heiligdom​ werd binnengedragen, werden de lichamen buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook ​Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te ​heiligen, buiten de ​poort​ geleden. Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige”[3].
De Hebreeënschrijver zegt eigenlijk:
* Scheidt u alvast maar af
* Dan gaan wij samen de goede kant op
* Want wij zoeken de toekomstige stad.

Gereformeerden streven er naar om daar te komen. Daarom is de huidige wereld, in zekere zin, niet zo belangrijk.
Wij zijn hoe langer hoe meer vreemdelingen in deze wereld.
Over dat vreemdelingschap schrijft Petrus in zijn eerste brief: “En als u Hem als Vader aanroept Die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandel dan in de vreze des Heeren, gedurende de tijd van uw ​vreemdelingschap, in de wetenschap dat u niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, vrijgekocht bent van uw zinloze levenswandel, die u door de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbaar bloed van ​Christus, als van een smetteloos en onbevlekt Lam”[4].

Als u zich, om zo te zeggen, al wandelend gaandeweg van de wereld afscheidt, moet u zich één ding blijven realiseren.
Dat is dit: zinloos wandelen is er niet meer bij.
Al wandelend zullen we er achter komen dat velen ons steeds vaker beschouwen als mensen uit een andere wereld. En strikt genomen is dat ook zo.
Wij wandelen als vrije mensen door de wereld, op weg naar een heerlijke samenleving.

En ook voor ons geldt dat moedgevende woord uit Jesaja 40: “…maar wie de HEERE verwachten, zullen hun kracht vernieuwen, zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden, zij zullen snel lopen en niet afgemat worden, zij zullen lopen en niet moe worden”[5].

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 15, antwoord 37.
[2] “Kruis weg, Xi Jinping in de plaats”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 15 november 2017, p. 1.
[3] Hebreeën 13:11-14.
[4] 1 Petrus 1:17, 18 en 19.
[5] Jesaja 40:31.

8 november 2016

In de kerk gebeurt iets bijzonders

Gereformeerde mensen belijden het in Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus volmondig: “Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen. Hij deed dit om door zijn lijden, als het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen en Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven voor ons te verwerven”[1].
Ja, dat belijden wij.

Dat gaat over ons.
Nee, dat begrijpen wij niet.
Nee, wij doorzien niet hoe Christus Gods toorn dragen kon.
Nee, wij kunnen niet uitleggen hoe wij van het eeuwig oordeel verlost worden.
Nee, het lukt ons niet om uiteen te zetten hoe Gods genade en gerechtigheid precies werken.
Gods Woord over Christus’ lijden spreken wij na.
Wij geloven dat.
Door de nimmer aflatende arbeid van Gods Heilige Geest is dat onze vaste overtuiging.

Het is belangrijk om dat meervoud – wij, ons – vast te houden. Belijden is niet het werk van een eenling. Nee, het betreft woorden van de kerk.
Jezus Christus heeft Zijn werk niet voor een enkeling gedaan. Hij deed dat ten behoeve van de wereld. Hij is de Redder van Zijn volk.
In een recente publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau staat te lezen: “De afbrokkeling van de (vooral grote) kerken maakte het toneel vrij voor niet alleen atheïsten en agnosten, maar ook voor een brede baaierd aan spirituele stromingen, die maar ten dele putten uit het christelijke erfgoed en vaak nauwelijks of helemaal niet wortelen in enige vorm van religieus geloof. In menig opzicht lijkt levensbeschouwelijke individualisering het pendant van het ontkerkelijkingproces. Zo’n 40% van de Nederlanders bleek in 2015 van oordeel dat religie op zich niet zo veel met kerkelijkheid heeft te maken en nagenoeg evenveel stellen dat religie voor hem of haar vooral iets persoonlijks is en niet zozeer een groepsgebeuren. De kerken lijken daarmee voor grote groepen steeds meer uit het zicht te geraken”[2].
U en ik begrijpen het wel: de aandacht voor het individu is in. Maar de Heidelbergse Catechismus leert ons, op grond van Gods Woord, dat Christus Zich een volk vergadert. De kerk is de plaats waar Christus de Zijnen bijeenbrengt.

Is dat belijden betreffende Christus’ zoenoffer een groepsgebeuren?
Nee. Dat ook niet.

Het bijzondere van Christus’ werk in de kerk zit ‘m er in dat daar ook aandacht is voor ieder individu. Niet voor niets zegt in Jezus in Mattheüs 10: “En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld. Weest dan niet bevreesd: gij gaat vele mussen te boven”[3].
Ja, in de kerk is er aandacht voor het individu en voor het collectief.
Ja, er is aandacht voor uzelf en voor Gods heilige natie.
Ja, er is aandacht voor mijn persoonlijk welzijn en voor onze redding.

Veel mensen zien dat vandaag niet meer.
Dat levert geestelijke armoede op. Het is in de wereld waar God op afstand gezet is van tweeën één:
* men heeft overmatige aandacht voor het menselijk individu
* men sjokt mee met de groep, terwijl het persoonlijk geloof op sterven na dood is
Welnu, in de kerk is alles geheel anders. Daar gaan het individu en het collectief samen op.

Dat kunnen wij niet op een rijtje krijgen. Het enige dat we kunnen doen is de alziendheid, de almacht en de glorie van de God van het verbond bewonderen en aanbidden.
Die bewondering, die aanbidding moet een plaats hebben op alle terreinen van het leven.
Overal en altijd zijn wij in dienst van de grote God die wonderen werkt!

Nu het hierom gaat wijs ik op andere zinnen in de Heidelbergse Catechismus: “Christus is onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld, om ons te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat over ons zou komen”[4].
Een rechter uit de wereld, Pilatus, werkt op ongedachte wijze mee aan de redding van Gods kinderen.
In Johannes 18 kunnen wij lezen wat Pilatus zegt. Dat is dit: “Wat is waarheid? En na dit gezegd te hebben, kwam hij weder naar buiten tot de Joden en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem”[5].
En toch sterft Jezus Christus. Hij gaat de weg van het lijden.
Pilatus draait er in Johannes 19 niet omheen: “Zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind”[6].
En toch is er dat Evangelie van Johannes 3: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde”[7].
En wat doet de wereld daarmee?
Wat geschiedt er in de wereld?
Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau gebeurt er in Nederland dit: “Meer dan twee derde van de ondervraagden ziet religie en politiek liever gescheiden (dat geldt ook voor 36% van de kerkgangers). Ruim de helft vindt dat religie beperkt moet blijven tot het privéleven en geen rol mag spelen in het openbare leven; onder het kerkgaande deel van de bevolking is dat daarentegen slechts 16%”[8].
U en ik voelen wel hoe kerk en wereld hier met elkaar conflicteren.
U en ik voelen wel hoezeer kerk en wereld elkaar op dit punt tegenspreken.

Laten wij maar eenvoudig geloven dat Christus het enige zoenoffer bracht, om zo ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen.
In dat belijden kunnen wij ons oefenen.
Nee, dat krijgen wij op eigen kracht niet voor elkaar.
Maar dat lukt wel door de glorieuze energie van de Heilige Geest!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 15, antwoord 37.
[2] Paul Dekker, Lisanne de Blok en Joep de Hart, “Burgerperspectieven 2016/3” (Continu Onderzoek Burgerperspectieven). – Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, 2016. – p. 42. Te vinden via http://www.scp.nl/Publicaties .
[3] Mattheüs 10:30 en 31.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 15, antwoord 38.
[5] Johannes 18:38.
[6] Johannes 19:4.
[7] Johannes 3:16 en 17.
[8] “Burgerperspectieven 2016/3”, p. 50.

27 oktober 2015

Gelovige eenvoud in Zondag 15

In Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus komen wij vertrouwde formuleringen tegen. Leest u maar mee: “Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen. Hij deed dit om door zijn lijden, als het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen en Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven voor ons te verwerven”[1].
Van die woorden schrikken we niet op. We kennen ze al. We hebben ze reeds vaker gehoord.

Maar er zijn wetenschappers die er vragen bij stellen. Op wetenschappelijke wijze uiten zij hun verbazing en ongenoegen over deze gelovige eenvoud[2].
Sterker nog: zij denken dat het christelijk geloof gedoemd is te verdwijnen. Als er – bijvoorbeeld – buitenaardse intelligentie bestaat, haalt die meteen de Bijbel onderuit.

Er zijn geleerden die zeggen: wetenschappelijke ontdekkingen, technologische doorbraken en de evolutiegedachten van Charles Darwin zullen er voor zorgen dat zelfs de kerk er niet meer omheen kan: de Schrift is niet meer geloofwaardig.
Het probleem is natuurlijk dat iemand dan nog wel even uit moet leggen waarom de wereld zichzelf soms ijverig lijkt te vernietigen. Bovendien moet iemand dan ook nog een plausibele verklaring vinden voor al die oorlogen, aardbevingen, overstromingen en andere rampen die momenteel in de wereld plaatsvinden.

Sommige bestudeerde mensen gaan er van uit dat buitenaardse beschavingen op een aanzienlijk hoger niveau staan dan het menselijk vermogen.
Enig sluitend bewijs voor dergelijke stellingen is echter nog niet gevonden.

Erudiete geleerden roepen: hoe meer wetenschap en ontwikkeling, hoe meer religie en kerk zichzelf overbodig maken.
Maar als u het mij vraagt hebben wetenschap en techniek bij die mensen soms ook de status van geloof of religie.

Sommige deskundigen zeggen dat er een relatie is tussen religie en geweld. Je kunt dat al aan het taalgebruik zien, mompelen zij glimlachend. Noemde president Obama de strijd tegen IS niet een kruistocht? Nou dan!
Die geleerde mensen zien allerlei totalitaire regimes over het hoofd. In landen als de Sovjet-Unie van Stalin en het China van Mao was alles en iedereen ondergeschikt aan het staatsbelang. En die landen zijn verantwoordelijk voor heel wat massamoorden!

Laten wij nog een ogenblik terugkeren naar die buitenaardse intelligentie.
“Als de buitenaardsen nog enig geloof aanhangen, zullen we het onze snel verlaten en het hunne aannemen”, zei een wetenschapper eens nogal sceptisch.
Iemand anders zegt: “Maar stel dat God in zes dagen heeft geschapen, dan is er nog geen reden om aan te nemen dat God niet elders een scheppingswonder heeft verricht. God is vrij om buitenaardse intelligentie te scheppen. Want Hij is soeverein. De mensheid is niet het centrum van het universum. God is het centrum van alles. Het idee dat ook aliens een beeld en gelijkenis zijn van de glorie van God is een belangrijke aanmoediging om in zulke dingen te geloven”.

Wat moet een gelovig kind van God met zulke uiteenzettingen?
Wat zal ons antwoord op zulke gedachten wezen?

De grondvragen waar het om gaat zijn:
* geloven wij dat aan Jezus Christus, onze Heiland, alle macht in de hemel en op de aarde is gegeven?
* geloven wij dat hij ons in Zijn genade heeft verlost van de schuld van de zonde, en dat Hij ons klaarmaakt voor het eeuwige leven?

Nee, in de Bijbel wordt ons niets over buitenaardse wezens verteld. Maar zelfs al zóuden ze bestaan – dat geloof ik niet –, dan nog geldt: Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven wordt aan burgers van de aarde aangeboden.

Dit alles overpeinzend, wijs ik u graag op Jesaja 45. In dat Schriftgedeelte staat onder meer te lezen: “Zo zegt de Here: Het vermogen van Egypte en de koopwaar van Ethiopië – de Sabeeërs, die mannen van statige gestalte, zullen tot u overkomen en u toebehoren; zij zullen u volgen, in ketenen overkomen en zich voor u nederwerpen; zij zullen u smeken: Alleen bij u is God, en er is geen ander, generlei God.
Voorwaar, Gij zijt een God, die Zich verborgen houdt, de God van Israël, een Verlosser. Zij staan beschaamd en zijn ook te schande geworden, allen tezamen zijn zij smadelijk afgedropen, de makers van afgodsbeelden. Israël wordt door de Here verlost met een eeuwige verlossing; gij zult noch beschaamd staan noch te schande worden in alle eeuwigheid.
Want zo zegt de Here, die de hemelen geschapen heeft – Hij is God – die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd: Ik ben de Here en er is geen ander”[3].
De Here gaf de aarde als woon- en leefplaats voor de mensen die Hij schiep. Daar gaat het om. Nee, ik geloof er niet veel van dat er buitenaardse wezens bestaan. Maar zelfs al zou dat wél zo wezen, dan is één ding volkomen zeker: er is maar één God. En Hem moeten alle leden van het menselijk geslacht dienen!

Ook attendeer ik u graag op woorden uit Romeinen 8: “Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam”[4].
De ganse schepping zucht. Als er al buitenaardse wezens bestaan – wat ik niet geloof, maar goed… – dan zuchten zij dus ook.

Wij verwachten de verlossing van ons lichaam.
Paulus zet er veelbetekenend bij: “In die hoop zijn wij behouden”[5].
Dat geloof moeten we in de kerk vasthouden. De wereld maakt daar allerlei verhalen omheen; wij moeten ons daar echter niets van aantrekken.

De aarde is in zijn huidige vorm niet onze definitieve woonplaats. De Hebreeënschrijver noteert in verband daarmee: “……wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige. Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden”[6].
Dat is onze taak vandaag.
Het is niet onze opdracht om allerlei theorieën te ontwerpen over buitenaards leven. De Here vraagt niet van ons om diverse evolutionair aandoende veronderstellingen te uiten.
Laten wij Psalm 15 maar repeteren. Dan weten we weer wie er naar de troon van de Verbondsgod mogen gaan:
“HEER, wie mag wonen in uw tent,
wie op uw heil’ge berg verkeren?
Die recht doet en uw wet niet schendt,
in heel zijn wandel U erkent
en waarheid in zijn hart wil eren”[7].

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 15, antwoord 37.
[2] In het onderstaande gebruik ik: Bart van den Dikkenberg, “Buitenaards leven botst met de Bijbel”. In: PuntKomma, katern van het Reformatorisch Dagblad, woensdag 8 april 2015, p. 2 en 3. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[3] Jesaja 45:14-18.
[4] Romeinen 8:22 en 23.
[5] Romeinen 8:24.
[6] Hebreeën 13:14 en 15.
[7] Psalm 15:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

16 september 2014

Het zoenoffer is gebracht

Christus is, zo leren wij in Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus, het enige zoenoffer.
In Zondag 15 staat: “Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen.Hij deed dit om door zijn lijden, als het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen en Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven voor ons te verwerven”[1].
Wat houdt dat in voor onze praktijk van vandaag? Dit. In ons leven gaat een nieuwe langetermijnvisie gelden: wij mogen rekenen op genade van God, vrijspraak en eeuwig leven. De toekomst gaat open. Wij zijn op weg naar permanent geluk, naar een toestand van heerlijke vrede waar nooit een eind aan komt.

Laat ik dit vergezicht vandaag belichten vanuit Hebreeën 9.
Een vers uit dit Schriftgedeelte maakt trouwens ook deel uit van het Schriftbewijs onder Zondag 15.

Toen onze Heiland, de Here Jezus Christus, Zijn reddende arbeid op aarde voltooid had ging hij triomferend de hemel binnen.
Maar het bloed dat gevloeid heeft, blijkt nog altijd reinigende kracht te hebben. Wij lezen: “…hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?”[2]. Er vindt, kort gezegd, een grootse interne schoonmaakactie plaats. Wij worden van binnen brandschoon. Geen vlekje meer te zien[3].
In ons leven gaat dat niet ongemerkt voorbij. We ontdekken dat er aan ons gewerkt wordt.
Onze kijk op de wereld wordt anders. En ja, voor ons gevoel komen we gaandeweg verder van de wereld af te staan. Dat levert, in zekere zin, eenzaamheid op. Er zijn steeds meer gesprekken waarin we ons een vreemde voelen. Onze opinie past op geen enkele manier meer bij de meningsvorming in de wereld.

Christus is Middelaar van een nieuw verbond. De mensen die door de Heer van hemel en aarde geroepen zijn, zullen “de eeuwige erfenis” ontvangen. Zondag 15 ademt de sfeer van Hebreeën 11. Nu verlangen wij naar een beter, dat is een hemels vaderland[4].
Die kant gaat het met ons op. Daar bereiden wij ons voor.

Het slot van Hebreeën 9 luidt als volgt: “En zoals het de mensen beschikt is, eenmaal te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook Christus, nadat Hij Zich eenmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten”[5].
Mensen die sterven, moeten het Goddelijk oordeel verwachten.
Christus stierf, nu mogen Gods kinderen heerlijk voordeel verwachten!

Christus heeft voor ons geleden.
Dat woord ‘geleden’ is in de brief aan de Hebreeën een centraal woord.
U vindt het terug in Hebreeën 2: “Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen”[6]. Christus weet wat wij door maken; daarom kan Hij ons helpen.
U vindt het terug in Hebreeën 5: Hij heeft “hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden”[7]. Hij heeft ons het voorbeeld van gehoorzaamheid gegeven. Nu weten wij hoe het moet
U vindt het terug in Hebreeën 13: “Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden. Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen”[8]. Wij worden meewarig aangekeken. Er wordt al of niet besmuikt om ons gelachen. Elders in de wereld worden volgelingen van Christus vervolgd. Maar al die psychische druk en andere ellende is maar tijdelijk.

Wij zijn op weg naar permanent geluk, naar een toestand van heerlijke vrede waar nooit een eind aan komt!

Wij leven in een tijd waarin veel mensen op zichzelf gericht zijn. De koffietafelgesprekken gaan over moeilijkheden op het werk. Over problemen met kinderen of andere familieleden. Over de verhuizing die op stapel staat. Over vervelende bezoeken aan het ziekenhuis. Er is, kortom, allerlei particuliere rampspoed waarover u en ik urenlang kunnen palaveren. En u weet hoe dat gaat: het ene gesprek is nog somberder dan het andere. Het ene praatje is nog pessimistischer van toon dan het andere.
Welnu, Zondag 15 geeft ons een training in geloofsblijdschap. Laten we ’t maar vasthouden: wij mogen rekenen op genade van God, vrijspraak en eeuwig leven. Want het zoenoffer is gebracht!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 15, antwoord 37.
[2] Hebreeën 9:14.
[3] Zie hierover ook de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Hebreeën 9.
[4] Hebreeën 11:13-16: “In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid”.
[5] Hebreeën 9:27 en 28.
[6] Hebreeën 2:18.
[7] Hebreeën 5:8.
[8] Hebreeën 13:12 en 13.

6 augustus 2013

Zondag 15 contra Billy Graham

Christus heeft voor ons geleden “om door zijn lijden, als het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen en Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven voor ons te verwerven”.
Zo verwoordt Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus een kernpunt uit het blijde Evangelie dat de Here God ons heeft gegeven[1].

Dat bericht is altijd actueel.
Ook in 2013.

Aldus schrijvende denk ik aan een bericht over de Amerikaanse evangelist Billy Graham.
Uit het Reformatorisch Dagblad van donderdag 1 augustus citeer ik: “Als er ooit een tijd is geweest dat Amerika de tussenkomst van God (‘the intervention of God’) nodig had, stelt de Amerikaanse evangelist Billy Graham, ‘is het nu’. Graham schrijft dit in een ‘gebedsbrief’ die hij deze week publiceerde. De evangelist meldt dat hij in november, als hij 95 hoopt te worden, een video wil uitgeven onder de titel ‘My Hope America’. Daarin vertellen mensen het ‘bijzondere, waargebeurde verhaal’ van hoe hun leven ‘werd veranderd door Jezus Christus’. Hun verhalen zullen ‘verweven worden met een boodschap vanuit mijn hart over de helende kracht van het Evangelie’”[2].

De tussenkomst van Jezus Christus is nodig. Hard nodig. Zegt Billy Graham.
En wie zal dat bestrijden?

Maar wij moeten hier goed lezen.
Billy Graham zegt: Zijn tussenkomst is nu nodig. Dat is mooi gezegd.
Maar waar het om gaat, is dit: sinds de zondeval was Zijn tussenkomst dringend nodig. En die interventie heeft ook plaatsgevonden. Nu ligt het leven voor altijd onder het beslag van die ene reddingsactie.
Voor uitverkorenen heeft het aardse bestaan een eeuwig perspectief.
Voor niet-uitgekozenen geldt dat de hemelse God hen in Zijn welbehagen het geloof heeft onthouden.
Zo staat het ook in de Dordtse Leerregels: “God schenkt in dit leven aan sommigen het geloof, terwijl Hij het aan anderen onthoudt. Dit vloeit voort uit zijn eeuwig besluit. Want de Schrift zegt, dat al zijn werken Hem van eeuwigheid bekend zijn (…), en dat Hij alles werkt naar de raad van zijn wil (…). Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven. Maar volgens datzelfde besluit laat Hij hen die niet zijn uitverkoren, uit kracht van zijn rechtvaardig oordeel over aan eigen slechtheid en hardheid. Juist hier komt voor ons de ondoorgrondelijke, even barmhartige als rechtvaardige beslissing van God aan het licht, waarbij Hij onderscheid gemaakt heeft tussen mensen, die allen evenzeer verloren zondaren zijn. Dit is het besluit van de uitverkiezing en de verwerping, dat in het Woord van God geopenbaard is”[3].
Jezus’ tussenkomst is nu nodig, zegt Billy Graham. Dat is waar. Want de Zoon pleit bij Zijn Vader voor Zijn kinderen.
Maar het recht om dat pleidooi te houden, is gebaseerd op die ene tussenkomst.
Dat recht is gebaseerd op Christus’ werk op aarde.
Dat recht is gebaseerd op Zijn lijden en sterven. Dat recht is gebaseerd op Zijn gang naar het kruis.
Dat recht is gebaseerd op het feit dat Hij Zijn reddingswerk helemaal af maakte.
Dat recht is gebaseerd op Zijn proclamatie: ‘het is volbracht!’.

Billy Graham laat een video maken.
Daarin worden bijzondere, waar gebeurde verhalen opgenomen.
’t Wordt vast een mooie film. Als je 95 wordt mag een video die ter gelegenheid van dat feit verschijnt best een hoogtepunt zijn. Een highlight, zogezegd.
En toch kriebelt er iets. Er jeukt wat.
Want Jezus heeft geleden voor mensen waarvan het waar gebeurde verhaal heel erg roemloos was. Hij is gestorven voor mensen die niks anders dan lege briefjes hadden in te brengen. Hij heeft reddingswerk gedaan voor mensen waar, op de keper beschouwd, niets bijzonders aan was. Het waren allemaal nietsnutten. Nullen.
Daarin ligt ook de troost voor gewone kerkleden van 2013.
Jezus Christus redde simpele wereldburgers uit rijtjeshuizen en flats. Armoedige figuren uit de sloppenwijken en van de vuilnisbelten.
Jezus Christus redt mensen die een bijzonder verhaal hebben. Maar hij redt ook mensen die een leven leiden dat gewoon een beetje voortkabbelt.

Billy Graham wil laten zien dat Jezus levens verandert.
En jazeker – Jezus Christus doet, om zo te zeggen, aan levensrestauratie. Heel het bestaan wordt honderdtachtig graden gedraaid.
Maar dat gebeurt ook als wij, kortzichtige mensen, zo weinig van een verandering zien. Dat gebeurt ook als wij, moeilijkdoenerige types van de eenentwintigste eeuw, denken dat er in het geheel niets of niemand iets wijzigt.

De formuleringen van Billy Graham doen, vind ik, nogal arminiaans aan.
En nee, dat is geen verbeelding.
Mensen kunnen een beetje voor hun eigen behoud zorgen. Als zij maar de goede keuze maken. Als zij hun verantwoordelijkheid maar nemen.
Een kerkredacteur van het Reformatorisch Dagblad typeerde Grahams leer in januari 2013 als volgt. “Op grond van de Bijbelse boodschap houdt Graham zijn lezers voor dat het voor iedereen vooral nodig is zekerheid te krijgen over zijn levensbestemming. Maar in zo’n oproep blijkt dan tegelijk waar Graham theologisch staat: ‘Voor degenen onder u die Hem nog niet kennen: het kiezen van uw eeuwige huis is de belangrijkste beslissing die u ooit zult nemen’”.
Dat de mens die keuze altijd verkeerd maakt, is voor Graham geen vaststaand feit. Ook de goede keus is mogelijk. Als overtuigd arminiaan legt hij alle accent op de verantwoordelijkheid van de mens”[4].

Daar tegenover belijden Gereformeerden:
* wij komen met lege handen bij de Here
* wij ontvangen Gods genade, Zijn gerechtigheid en het eeuwige leven; om niet, geheel gratis.
Dat is Evangelie voor bijzondere mensen met prachtige levenshistoriën. Maar het is ook een blij bericht voor burgers met een heel eenvoudig verhaal.

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 15, antwoord 37.
[2] “Billy Graham komt met nieuwe video”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 1 augustus 2013, p. 1.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 6.
[4] “Billy Graham hunkert naar zijn einde”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 7 januari 2013, p. 2. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/01401b61ee0d2cec044e77e8/billy-graham-hunkert-naar-zijn-einde/0 .

17 juli 2012

Wij mogen er zijn…

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Christus wilde ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel verlossen. Door zijn lijden en sterven kon Hij Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven aan Zijn kinderen doorgeven.
Zo lezen we dat in de Heidelbergse Catechismus[1].

Dat zijn prachtige woorden.
Ze geven immers aan dat ons leven niet iets van het platte vlak is. Ons bestaan is niet simpelweg een natuurkracht. Wij moeten verticaal denken.
Het leven van Christus op aarde was nodig om ons te redden. Dat werk dééd Gods Zoon ook, gewillig en zonder tegenspraak. Dat is de kern van het Evangelie dat elke zondag in allerlei kerken te horen is.

De Catechismustaal is vertrouwd.
Het leerboekje spreekt over de toorn van God. En over de zonde van het hele menselijke geslacht. En over Christus’ lijden, dat één groot zoenoffer was. En over het eindoordeel dat de Here te Zijner tijd geven zal.
Die taal kennen we. Wij weten wat die woorden betekenen. Wij willen ze ook graag aan onze kinderen doorgeven. Dat doen we dan in het idioom van 2012. Dat spreekt welhaast vanzelf.
Toch moeten we oppassen een ál te modern taalkleed over onze belijdenis heen te spannen.

Tot die conclusie kom ik als ik de gemeenteschets ‘Je mag er zijn’ lees.
Die schets is een uitgave van de Gereformeerde Bijbelstudiebond en de Bond voor Gereformeerde Jongerenverenigingen. De schets komt dus uit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). In mei 2010 verscheen er een herziene uitgave van.
Onder het kopje ‘Zij mogen er NIET zijn’ staan op pagina 6 vier voorbeelden van mensen die in deze wereld ongewenst zijn. Bij ‘voorbeeld 4’ staat: “Hij had nooit iets verkeerd gedaan, was liefdevol voor de mensen en had alles voor ze over. Toch schreeuwden ze: “Weg met Hem”. Het mag duidelijk zijn: de schetsschrijfster doelt op Jezus Christus. Hij was ongewenst.
Verderop in de schets, op pagina 9, staat te lezen: “Bij voorbeeld no. 4, aan het begin van deze schets, zie je dat de Heer Jezus er niet mocht zijn. Hij werd gekruisigd. Door de kruisdood wilde men aangeven: de aarde wil deze mens niet meer en ook de hemel wil niets met hem te maken hebben”. En vervolgens wordt Zondag 15 uit de Heidelbergse Catechismus geciteerd.
De Heer Jezus mocht er niet zijn.
Dat klinkt modern.
En het klinkt Schriftuurlijk. Hij werd immers door heel veel mensen verworpen?
Niettemin is het oppassen geblazen.
Want eigenlijk is het zo dat de Here Jezus Christus er wel moest zijn. En ja, Hij moest er ook zijn. Want Hij was de Uitvoerder van Gods grootse verlossingsplan.
Dat bedoelt de schetsschrijfster ten diepste ook, denk ik. Zij schrijft bijvoorbeeld ook: “De Heer Jezus heeft, in onze plaats, het grote gebod van de liefde vervuld en het inhoud gegeven en zo mogen we er toch zijn”[2].

Ergens, diep in mijn ziel, voel ik mij toch wat ongemakkelijk bij die zo bekende uitdrukking: wij mogen er zijn. In de christelijke wereld wordt die slogan nogal eens in verband gebracht met het werk van Jezus. En soms dus ook met Zondag 15.
De bedoeling is duidelijk: Christus is voor jou gestorven; Hij vond jou de moeite waard.
Maar vergeten we niet een beetje dat het in dezen uiteindelijk om Gods eer gaat?

Je mag er zijn: dat klinkt mij in de oren als een humanistische oppepper.
Je mag er zijn: dat ziet er, wat mij betreft, uit als een poging van een psycholoog om het zelfbeeld van zijn ietwat depressieve patiënt te verbeteren.
Je mag er zijn: dat kan de buurman zeggen als hij u een hart onder de riem wil steken.
Ik bedoel maar: voordat wij ’t weten gaan wij met zo’n kreet de verkeerde kant op.

Christus heeft voor ons geleden. Hij heeft aan het kruis gehangen.
Hij heeft ons verlost.
En dus gaan wij onze Redder eren. Wij gaan voor Hem léven. We gaan Zijn wil doen.
Wij zijn “in dienst gekomen van de gerechtigheid”, heet dat in Romeinen 6[3].
Dat heeft, zo wordt in 1 Petrus 2 gezegd, tot gevolg dat wij “voor de gerechtigheid gaan leven”[4]. Wij zijn – zo blijkt vervolgens uit 1 Petrus 3 – niet voor een kleintje vervaard. We laten ons niet bang maken door mensen die vinden dat wij een beetje met onze tijd mee moeten gaan, en vooral goed voor onszélf moeten zorgen. “Heiligt de Christus in uw harten als Here”, staat er. Dat betekent: wij gaan de heilige God als Heer erkennen, eren en belijden[5].
Zo gaan wij met Hem de toekomst in.
Zo worden wij gereed gemaakt voor de eeuwigheid.

Je mag er zijn, zeggen de mensen. Dat wil dan zeggen: u wordt gewaardeerd. Laten we eerlijk wezen: ’t is mooi als dat zo is.
Maar als het gaat over de levensreddende arbeid van onze Heiland vind ik die slogan wel wat magertjes.
Ware gelovigen die met en in Christus leven, lopen bij de zonde weg. Zij onttrekken zich aan activiteiten waarin God niet gekend wordt. In hun leven vindt een revolutionaire ontwikkeling plaats. Om met 1 Petrus 4 te spreken: “Daar Christus dan naar het vlees geleden heeft, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte, dat, wie naar het vlees geleden heeft, onttrokken is aan de zonde, om niet meer naar de begeerten van mensen, maar naar de wil van God de tijd, die nog rest in het vlees, te leven”[6].

Wij zingen het zo graag in de kerk:
“Christus droeg de vloek voor mij,
Christus is voor mij gestorven,
heeft gena voor mij verworven:
‘k ben van dood en zonde vrij!”[7].
Onze Here Jezus Christus verdient die lofprijzing. Want Hij verlóst ons van zonde en schuld.
Wie dan zegt: ‘we mogen er zijn’, verkoopt – naar mijn idee – eigenlijk maar een slap praatje.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 15, antwoord 37: “Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen. Hij deed dit om door zijn lijden, als het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen en Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven voor ons te verwerven”.
[2] Zie http://www.gkvdehoeksteen.nl/materiaal/gemeenteschets_12.pdf .
[3] Romeinen 6:17 en 18: “Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is; en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid”.
[4] Zie 1 Petrus 2:24. Daar gaat het over Christus “die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen”.
[5] 1 Petrus 3:13, 14 en 15: “En wie zal u kwaad doen, als gij u beijvert voor het goede? Al moest gij lijden om de gerechtigheid, toch zijt gij zalig. Doch vreest niet voor hun dreiging, en laat u niet verschrikken. Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze…”. Zie ook de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Petrus 3:15.
[6] 1 Petrus 4:1 en 2.
[7] Gezang 16 (Gereformeerd Kerkboek; uitgave 1986).

Blog op WordPress.com.