gereformeerd leven in nederland

27 december 2017

Triomfantelijk leven

Het is derde Kerstdag.
Ach nee, niet echt natuurlijk.
Maar het is wel een dag waarop wij in de kerk dankbaar terugblikken op een mooi feest.

Onze Heiland is geboren!
Jezus Christus is naar de aarde gekomen om voor onze zonden te betalen. Hij maakt voor ons de weg open naar Gods troon.
Nu mogen wij vrijmoedig bij de Here komen. Met al onze vragen. Met al onze frustraties. Met al onze droefenis. En met de blijde dingen.

Kerst is het begin van Christus’ lijdensweg. Een lijdensweg die uiteindelijk een triomftocht wordt. Dat is de kern van Kerst.

Iets van dat lijden, en van die triomf zien we in de volgende woorden uit Lucas 2: “En het ​Kind​ groeide op en Het werd gesterkt in de geest en vervuld met wijsheid, en de ​genade​ van God was op Hem”[1].

Daar zit lijden in.
Want in de hemelse woonplaats van Christus was Zijn macht onbegrensd. Hij had het voor het zeggen. Wat Hij zei gebeurde.
En nu? Nu groeit Hij langzaam op. Dag voor dag. Week na week. Zijn macht neemt langzaam toe.

Maar er zit ook iets triomfantelijks in.
Want de hemelse God steunt Zijn Zoon. Hij maakt Hem mentaal sterk. Hij schenkt Zijn Zoon veel wijsheid en omringt Hem met Zijn genade.
Jezus Christus wordt door Zijn Vader geschikt gemaakt om Zijn taak op aarde te volbrengen.

Nee, Jezus is niet alleen maar een voorbeeld. Hij is niet slechts een voorbeeldig mens waaraan wij ons kunnen spiegelen. Hij is niet ons ideaalbeeld – zo van: als je op Zijn manier leeft, dan doe je het goed.
Hij is onze Redder. Die kant gaat het met Hem op. Lucas 2 laat ons daar al iets van zien.

En omdat Hij onze Redder is, krijgt ook ons leven iets triomfantelijks.

Want de Geestelijke wijsheid – ja, met een hoofdletter G – krijgen ook Gods kinderen toebedeeld. Wij mogen daarom bidden. Voor onszelf. En voor al onze broeders en zusters.
Zo bidt Paulus voor de christenen in Colosse: Wij houden niet op “vanaf de dag dat wij het gehoord hebben, voor u te ​bidden​ en te smeken dat u vervuld mag worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, zodat u wandelt op een wijze de Heere waardig, Hem in alles behaagt, in elk goed werk vrucht draagt en groeit in de kennis van God”[2].

Wij mogen ook weten dat Gods genade steeds om ons heen is.
David zingt in Psalm 32:
“De goddeloze heeft veel smarten,
maar wie op de HEERE vertrouwt,
hem zal de goedertierenheid omringen”[3].

Deze zaken moeten ons in deze tijd helder voor ogen staan.

Wij leven namelijk in een tijd van religieus analfabetisme.
Wat is dat?
Cultuurtheoloog Frank Bosman geeft de volgende uitleg.
Mensen gebruiken Google “om datgene op te zoeken wat aan de rand van het geheugen ligt. ‘Begrippen als Pinksteren en Pasen liggen op de grens van weten en niet meer weten. Nederlanders associëren deze christelijke feesten met vrije dagen, maar weten inhoudelijk niet meer waarover het gaat. Google maakt het religieus analfabetisme in Nederland zichtbaar’”[4].
En waarom zoeken mensen zulke dingen op? Omdat zij toch een beetje christelijk willen wezen? Nee hoor. Zij willen hun informatiehonger stillen. Die cultuurtheoloog van hierboven merkt op: “De gemiddelde Nederlander belandt niet via Wikipedia in een plaatselijke kerk”.

Nog een citaat:
“Desalniettemin wordt er op internet wel degelijk gezocht naar thema’s rond zingeving. Bosman: Dan moet je kijken naar zoektermen als ‘een pijnloze zelfmoord’ of ‘tweedehands babyschoentjes te koop, één keer gedragen’, of: ‘drugsverslaving’, ‘relatie en overspel’ en ‘scheidingsadvocaat’. Achter dat soort begrippen kun je je zonder al te veel fantasie een existentieel drama voorstellen. Maar het wrange is dat mensen met de gebrokenheid en leegheid van het bestaan te rade gaan bij Google. En die zoekmachine kan op dat soort dieperliggende vragen geen antwoord geven”.

Dat klopt.
Voor de beantwoording van existentiële vragen moeten u en ik namelijk in Gods Woord wezen.
In Lucas 2 bijvoorbeeld.

In de wereld zeggen ze: Kerst is weer voorbij.
De Kerstversiering mag nog even blijven hangen. Tot 6 januari, of daaromtrent. Daarna bergen de mensen de boel weer op.
Gelovige kerkmensen weten beter.
Hun leven heeft een gouden randje. Een onzichtbare gouden rand, zeker. Maar toch!

In Lucas 2 ontdekken we het: het leven van Jezus krijgt een prachtige glans. De schrijver van de brief aan de Hebreeën noteert dat Jezus Christus “de afstraling van Gods heerlijkheid” is[5].
Die gloed straalt af op Zijn kerk.

Wie dat alles tot zich door laat dringen zal met Zondag 19 van de Heidelbergse Catechismus belijden: “Dat ik in alle droefheid en vervolging met opgeheven hoofd juist Hem als Rechter uit de hemel verwacht, die Zich eerst om mij voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft. Hij zal dan al zijn en mijn vijanden aan de eeuwige ondergang overgeven, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid”[6].
Wij gaan een stralend bestaan tegemoet. Mattheüs 13 zegt daarover: “Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon, in het Koninkrijk van hun Vader”[7].

De kerk heeft, door de eeuwen heen, een geweldige uitstraling in de wereld.
Wie goed kijkt, leert vanuit Lucas 2 een beetje begrijpen hoe dat komt.

Noten:
[1] Lucas 2:40.
[2] Colossenzen 1:9 en 10.
[3] Psalm 32:10.
[4] Zie https://www.rd.nl/kerk-religie/google-maakt-religieus-analfabetisme-zichtbaar-1.1453507 ; geraadpleegd op donderdag 14 december 2017.
[5] Hebreeën 1:3.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 19, antwoord 52.
[7] Mattheüs 13:43 a.

6 december 2016

Hartelijk welkom!

“Welke troost schenkt u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?
Antwoord:
Dat ik in alle droefheid en vervolging met opgeheven hoofd juist Hem als Rechter uit de hemel verwacht, die Zich eerst om mij voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft. Hij zal dan al zijn en mijn vijanden aan de eeuwige ondergang overgeven, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid”.

Dat zijn bekende woorden.
Ze staan in Zondag 19 van de Heidelbergse Catechismus[1].

Die woorden weerklinken in een wereld waarin menige wereldburger niet om de droefheid heen kan. Ze klinken in een wereld waarin mensen vervolgd worden.
Hemelse heerlijkheid!
Eeuwige glorie!
Is het niet geweldig?

Wij mogen echter niet over donkere woorden heen lezen. Ik bedoel deze: “Hij zal dan al zijn en mijn vijanden aan de eeuwige ondergang overgeven”. Bij die woorden staat onder meer als Schriftbewijs: 2 Thessalonicenzen 1:6, 8 en 9.

Paulus begint in 2 Thessalonicenzen 1 ook op zo’n hoge toon.
Maar naarmate zijn betoog vordert lijkt al dat moois bedorven te worden.
Leest u maar even mee.

“Wij behoren God te allen tijde om u te danken, broeders, zoals gepast is, omdat uw geloof zeer toeneemt en uw aller liefde jegens elkander sterker wordt, zodat wij zelf over u roemen bij de gemeenten Gods, vanwege uw volharding en uw geloof onder al uw vervolgingen en de verdrukkingen, die gij doorstaat: een bewijs van het rechtvaardige oordeel Gods, dat gij het Koninkrijk Gods waardig geacht zijt, voor hetwelk gij ook lijdt, indien het inderdaad recht is bij God, aan uw verdrukkers verdrukking te vergelden, en aan u, die verdrukt wordt, verkwikking tezamen met ons, bij de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de engelen zijner kracht, in vlammend vuur, als Hij straf oefent over hen, die God niet kennen en het evangelie van onze Here Jezus niet gehoorzamen. Dezen zullen boeten met een eeuwig verderf, ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte, wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn; want ons getuigenis heeft geloof gevonden bij u”[2].

Wat gebeurt er in 2 Thessalonicenzen 1?

De verdrukkers krijgen, om zo te zeggen, terug wat zij uitgedeeld hebben.
Dat is een triest rijtje:
* vlammend vuur
* straf
* ongehoorzaamheid aan Gods geboden keert zich als een boemerang tegen hen
* eeuwig verderf
* ver van God verwijderd.

Veel mensen menen dat in het bovenstaande een te harde boodschap staat.
Het spreken over de hemelse toekomst is, zo menen velen, niet te combineren met een boodschap over Gods gericht.

En er is meer.
Een feest met een grijs-zwarte rand: kunnen u en ik daar mee aankomen in een maatschappij die het – bijvoorbeeld – moeilijk heeft met de opvang van mensen waarvan van overheidswege is bepaald dat zij illegaal in Nederland verblijven[3]?
Moet je uitgerekend in die omstandigheden met Gods oordeel gaan schermen?
Is het niet beter om alleen maar op de hemelse toekomst te wijzen, en er verder het zwijgen toe te doen?

Laten wij maar gelovig vaststellen dat de Here Zich in 2 Thessalonicenzen 1 niet heeft vergist. Laten wij dus maar gewoon laten staan wat er staat.

Laten wij tijdens dat lezen niet vergeten dat in 2 Thessalonicenzen 1 Paulus’ dankgebed over Gods genade en redding voor mensen in Thessalonica opstijgt.
Hij wil zijn lezers stimuleren om ook dankgebeden uit te spreken.

De mensen die Paulus’ brief gaan lezen tonen volharding en geloof.
Die lezers worden aan de kant gezet.
Weggedrukt.
In Handelingen 17 worden de gebeurtenissen in Thessalonica beeldend beschreven: “En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen. Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen”[4].
Welnu, noteert Paulus, bedenkt u het maar: uiteindelijk zullen de verdrukkers verdrukt worden.
De verdrukkers zullen worden gestraft.
Daarom is er voor christenen in Thessalonica alle reden om in het geloof te volharden.
Daarom is er voor christenen in Thessalonica alle reden om in dankbaarheid naar Gods geboden te blijven leven.

Dat is de lijn van Paulus’ betoog in 2 Thessalonicenzen 1.

Wat moeten wij ermee?

Anno Domini 2016 leven wij in een wereld waarin menige wereldburger niet om de droefheid heen kan.
Als het – bijvoorbeeld – gaat om het beleid van diverse overheden ten aanzien van vluchtelingen, hebben we vaak zo onze vragen. Is het allemaal wel rechtvaardig? Zijn de maatregelen wel barmhartig? Hebben overheidsdienaren wel altijd een goed beeld van de schrijnende situaties van veel mensen?
En zo is er nog veel meer.

In die omstandigheden lezen wij 2 Thessalonicenzen 1.

En als het goed is beseffen wij dan wat wij moeten doen.
Wij behoren, ieder op onze eigen plaats, te volharden in ons geloof.
Wij behoren, ieder op onze eigen plaats, in lijn met Gods geboden te leven.
Rechtvaardig en barmhartig.
Trouw en blijmoedig.
Getuigend en daadkrachtig.
Van die rechtvaardigheid, barmhartigheid, trouw, blijmoedigheid en getuigende daadkracht mag iedereen meegenieten die op ons pad komt.
Natuurlijk, wij komen in hun aardse leven heel wat problemen tegen.
Wij raken soms in grote moeilijkheden.
We komen niet zelden in de verdrukking.
Maar de wetenschap dat wij op weg zijn naar de hemel geeft ons doorzettingsvermogen. De opgedane geloofskennis geeft ons energie om, in en vanuit de kerk, verantwoordelijkheid te nemen op de plaats waar de God van het verbond ons neerzet.
Altijd zal de Verbondsgod aan ons, Zijn kinderen, levenskracht geven om dankbaar naar Zijn wetten en regels te leven.

Gods kinderen mogen het, zelfs als hun aardse rechten sterk worden ingeperkt, richting hun verdrukkers roepen: kom ook met uw leven naar de Here toe; dan wordt uw bestaan vele malen mooier – het wordt uiteindelijk hemels!

En ja, dan is het waar en zeker: uiteindelijk zal de Heer van hemel en aarde al Zijn duur gekochte kinderen met vreugde in Zijn woonplaats binnen laten: ‘Kinderen, kom binnen! Van harte welkom!’.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 19, antwoord 52.
[2] 2 Thessalonicenzen 1:3-10.
[3] Een paar weken geleden stond in de krant: “Het overleg tussen kabinet en gemeenten over ‘bad, bed, brood’ voor illegalen is met een oplossing in zicht, toch nog mislukt.Beide partijen wijzen naar elkaar en er is geen oplossing. Tenminste, niet vóór de verkiezingen.
De berichten volgden elkaar snel op maandag. Een akkoord tussen kabinet en gemeenten over de opvang van illegalen zou ‘aanstaande’ zijn, er lag vrijdag nog een goed voorstel op tafel. Na anderhalf jaar van vruchteloze onderhandelingen was dit opmerkelijk nieuws. Maar de inkt van dat bericht was nog niet droog of staatssecretaris Klaas Dijkhoff (Veiligheid en Justitie) stuurde een uitgebreide brief naar de Tweede Kamer met de boodschap dat alles mislukt is. Gemeenten krijgen per direct geen geld meer voor opvang die ze zelf organiseren”. Zie: “Diepe impasse over ‘bed, bad, brood’”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 22 november 2016, p. 1.
[4] Handelingen 17:4 en 5.

24 november 2015

Juist Hij

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

U kent ongetwijfeld de tekst van Zondag 19 van de Heidelbergse Catechismus.
“Christus is opgevaren naar de hemel om Zich daar te bewijzen als het Hoofd van zijn christelijke kerk, door wie de Vader alle dingen regeert”[1].
En:
Hij “beschermt en bewaart ons met zijn macht tegen alle vijanden”[2].
En:
Ik verwacht “juist Hem als Rechter uit de hemel (…), die Zich eerst om mij voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft”.
En:
Hij zal “mij met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid”[3].
Wij verwachten juist Hem.

Het is opvallend dat er niet gewoon staat: wij verwachten Hem als Rechter.
Nee, wij lezen: wij verwachten juist Hem.

Heel wat mensen maken van de sterrenkunde hun hobby. Wat valt er aan de hemel veel te zien!
Sommige van die mensen hopen wellicht dat ze iets van buitenaards leven ontwaren. Dat zou pas een sensatie wezen!
Welnu, Gereformeerde mensen wachten altijd op Jezus Christus.
We wachten, bijvoorbeeld, niet op engelen. Zeker, engelen zijn allen lid van het Goddelijk paleispersoneel. Het zou misschien heerlijk wezen om eens een paar van die Goddelijke dienstknechten te zien. Maar nee, uiteindelijk gaat het ons niet om hen.
We wachten, bijvoorbeeld, niet op onze geliefden. Ach, wat zouden we hen nog graag eens zien! We zouden zo graag weten hoe het hen nu vergaat! Maar nee, dat is toch niet het belangrijkste.
Nee – wij wachten op onze Heiland.
Als Hij komt, zien we de Man die ons gered heeft.
Als Hij komt, zien we de Man die vergeving voor ons bewerkt heeft.
Als Hij komt, zien we de Man die ons verlost heeft.
Als Hij komt, zien we de Man die het leven structureel verandert.
Als Hij komt, zien we de Man die ons een eeuwige toekomst geeft.
We wachten op Hem!

Kent u Timotheüs?
Hij wordt door Paulus naar de christenen in Corinthe gestuurd.
Paulus meent dat hij ten opzichte van de mensen in Corinthe een vaderlijke verantwoordelijkheid heeft: “Want al hadt gij duizenden opvoeders in Christus, gij hebt niet vele vaders. Immers, ik heb u in Christus Jezus door het evangelie verwekt”[4].
Paidagogous staat er. Paulus stelt vast: ook al hebt u duizenden pedagogen – slaven die belast zijn met de opvoeding en soms met het onderwijs van de kinderen uit de rijkere families –, toch hebt u maar heel weinig vaders.
Het is de taak van die pedagogen om de kinderen te wekken, naar school te brengen of zelf te onderwijzen, hun goede manieren te leren en hen ’s avonds weer naar bed te brengen; maar de begeleiding van de pedagoog voelt toch heel anders dan de liefde van een vader[5].
Welnu – juist vanwege die vaderlijke verantwoordelijkheid heeft Paulus Timotheüs naar Corinthe gestuurd. Paulus noteert: “Juist hierom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mij een geliefd en trouw kind is in de Here. Hij zal u mijn wegen in Christus Jezus indachtig maken, zoals ik die overal in elke gemeente leer”[6].
Juist omdat Paulus de geestelijke vader van de Corinthiërs is, komt Timotheüs naar hen toe.

Een min of meer parallelle redenering zien we terug in Zondag 19 van de Heidelbergse Catechismus.

Jezus Christus heeft verantwoordelijkheid genomen voor Zijn kinderen.
Hij is niet zo maar een slaaf of een knecht. Nee, Hij heeft op aarde de opdracht van Zijn Vader uitgevoerd. Om met de Dordtse Leerregels te spreken: “De kruisdood van Gods Zoon is het enige offer en de volledige betaling voor de zonde. De kracht en de waarde ervan zijn oneindig en daarom is deze dood meer dan genoeg om de zonden van de hele wereld te verzoenen.
Deze dood is zo krachtig en waardevol, omdat de Persoon die hem ondergaan heeft, niet alleen een echt en volkomen heilig mens is, maar ook de eniggeboren Zoon van God, die met de Vader en de Heilige Geest eeuwig en oneindig God is”[7].
De Heiland toont op aarde de Vaderlijke verantwoordelijkheid. Hij voert een heerlijk plan van God de Vader uit. En daarom worden wij gered. Ik zeg het opnieuw met woorden uit Dordt: “Want dit is het soevereine raadsplan, de genadige wil en het voornemen van God de Vader geweest, dat de levendmakende en reddende kracht van de kostbare dood van zijn Zoon ten goede zou komen aan alle uitverkorenen, om alleen hun het rechtvaardigend geloof te schenken en hen daardoor met vaste hand tot het volle heil te brengen”[8].

Jezus Christus doet boete voor alle zonden die er in de wereld zijn. En daarom komt juist Hij te Zijner tijd terug op de wolken.
Jezus Christus is onze Advocaat in de hemel. Daarom komt juist Hij. Nu weten we zeker: alle misstanden in de wereld zullen een einde hebben.
Jezus Christus komt de door Hem uitgekozen mensen – Zijn aangenomen kinderen – Hoogstpersoonlijk halen. En daarom komt juist Hij.
Jezus Christus verzamelt al Zijn kinderen om Zich heen. Dat doet Hijzelf. Hij stuurt geen ambassadeur of andere hoge vertegenwoordiger. Nee, hij reist Zelf naar de aarde om de door hem uitgekozen wereldburgers op te halen. En daarom komt juist Hij.

Juist: dat betekent onder meer: in het bijzonder, vooral. In een woordenboek van Van Dale staat bij deze betekenis als voorbeeld: ‘juist in deze omstandigheden’[9].
En dat is precies de bedoeling van Zondag 19: juist in deze omstandigheden, in onze situatie, verwachten we Jezus Christus.
Laat ik het zo zeggen: Hij maakt Zijn heerlijk karwei helemaal af.
Daarom wij weten het zeker: Hij komt eraan!
Maranatha!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 19, antwoord 50.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 19, antwoord 51.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 19, antwoord 52.
[4] 1 Timotheüs 4:15.
[5] Zie hierover ook de internetversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Corinthiërs 4:15.
[6] 1 Timotheüs 4:16.
[7] Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 3 en het eerste eerste deel van artikel 4.
[8] Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 8.
[9] Zie www.vandale.nl (trefwoord: juist).

14 oktober 2014

Met opgeheven hoofd

Wat is de troost van Christus’ wederkomst?
Zondag 19 geeft daar het antwoord op: “Dat ik in alle droefheid en vervolging met opgeheven hoofd juist Hem als Rechter uit de hemel verwacht, die Zich eerst om mij voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft”[1].

Die belijdenis is heel persoonlijk.
Die belijdenis doe ik. En ik spreek ‘m samen met al Gods kinderen uit.

Die belijdenis is geen wereldvreemd verhaal. Het is een actuele kwestie. Een zaak van alledag. Want wij spreken over droefheid. En over vervolging. Als we dit zeggen staan we, om zo te zeggen, midden in de wirwar van de wisselvallige wereld.
De wereld van de jihad. En van de Islamitische Staat en haar terreur, of – zo u wilt – ISIS.
Dat is de wereld waarin mensen allerlei harde keuzes maken. Maar als het over de kerk gaat, houden zij de boot vaak af.
Dat is de wereld waarin allerlei politici zomaar in opspraak raken.
Zeg nooit dat de Heidelbergse Catechismus een ouderwets boekje is, dat niet meer in onze samenleving past…

In die maatschappij staan en lopen wij met opgeheven hoofd.
Het is, met andere woorden, niet zo dat we altijd en overal kunnen zien: die man en vrouw is zwaar geslagen. Het is niet zo dat we zeggen: broeder Jansen of zuster Pietersen gaat gebukt onder het leven.
Zeker – het leven is niet makkelijk. Onze keuzes zijn niet altijd simpel. Maar we houden hoop. De levensvreugde is nooit helemaal weg.

Als ik het goed zie heeft dat opgeheven hoofd ook iets te maken met onze christelijke levensstijl. Ik denk aan Genesis 4: “Toen werd Kaïn zeer toornig en zijn gelaat betrok. En de HERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen”[2]. Dat ‘goed handelen’ duidt op een leven naar Gods wet. ‘Goed handelen’, dat betekent dat de zonde geen overheersende factor in ons bestaan meer is. Met opgeheven hoofd door het leven gaan: dat kunnen we doen als we op alle fronten, over de hele linie, christelijk leven.

Wij weten dat de Here aan alle burgers in Zijn rijk een erezetel geven zal.
Hanna sprak er al over in 1 Samuël 2: “Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen, en een erezetel te doen verwerven. Want de grondvesten der aarde zijn des HEREN; Hij heeft daarop het aardrijk gesteld”[3].
Met opgeheven hoofd door de wereld gaan: dat duidt er op dat wij weten Wie de aarde heeft gemaakt. Wij weten dat God Zelf ons de plaatsen in Zijn monarchie aanwijst. Hij geeft aan wat onze taak is, hier op aarde en in de hemel.

Met opgeheven hoofd de toekomst tegemoet gaan: dat kunnen wij omdat wij volgelingen van Christus zijn. Dat is de Man waarover de dichter van Psalm 110 zegt:
“Hij drinkt onderweg uit de beek;
daarom heft hij het hoofd op”[4].
Een exegeet noteert bij deze tekst: “Er wordt een koning getekend die al het gewone verre te boven gaat en een bijzondere, wereldhistorische en wereldomvattende plaats inneemt in Gods heilsplan. Het werd in de loop van de geschiedenis steeds minder aannemelijk dat een aardse vorst uit het geslacht van David deze vergezichten zou verwerkelijken. Des te meer reden was er om uit te zien naar de grote Davidszoon op wie deze psalm wel geheel van toepassing is”[5].
Wij kijken naar Christus. Wij zien op Hem. Wij gaan achter Hem aan. Wij wandelen in Zijn voetsporen door de wereld. Daarom kunnen wij zingen:
“Hij zal het kwaad der heidenvolken wreken,
hij roeit hen uit, vertrapt hen met zijn voet.
Terwijl hij voortgaat, drinkt hij uit de beken
en heft het hoofd, de zege tegemoet!”[6].

Tussen de regels door kunnen welwillende luisteraars in de Nederlandse samenleving regelmatig enige angst voorbij horen komen.
Angst voor ISIS.
Voor terreuraanslagen.
Voor plotselinge rampspoed, zoals grote ongelukken.
In de stad Groningen was op dinsdag 30 september jongstleden om 13.42 uur een aardbeving. ’t Was er één met een kracht van 2,8 op de schaal van Richter; dus heel erg was het niet[7]. Maar toch.
Wat zullen Gereformeerden in deze situatie doen? Laten wij Lucas 21 maar repeteren: “En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt”[8].
Richt u op en heft uw hoofden omhoog – daar hebt u dat alweer.

Wij moeten ons maar niet laten overmannen door vrees en beving, door angst, bibberaties of nervositeit.
In de kerk zitten moedige mensen.
Niet omdat wijzelf zo manhaftig zijn.
Wij verwachten het niet van onze eigen vindingrijkheid. En ook niet van politieke of diplomatieke hoogstandjes. En ook niet van kranige wereldleiders.
Wij verwachten – om tenslotte nog eens met Zondag 19 te spreken – “juist Hem”!

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 19, antwoord 52.
[2] Genesis 4:6 en 7.
[3] 1 Samuël 2:8.
[4] Psalm 110:7.
[5] Dit citaat komt uit de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Psalm 110.
[6] Psalm 110:6 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[7] Zie http://www.rtvnoord.nl/artikel/artikel.asp?p=139383 en http://www.nu.nl/binnenland/3891252/aardbeving-gevoeld-in-centrum-van-groningen.html .
[8] Lucas 21:25-28.

3 september 2013

De rechterhand van God

Christus zit aan de rechterhand van God. Zo staat dat in de Apostolische Geloofsbelijdenis. Ook in de Heidelbergse Catechismus wordt aandacht aan dat gegeven besteed. In Zondag 19 wordt gevraagd waarom dat er eigenlijk zo staat: “en zit aan de rechterhand van God”[1].

De rechterhand van God: dat is een Schriftuurlijke uitdrukking.
Wat wil de Here ons met die term duidelijk maken?
Gods Woord licht ons daarover in.

De rechterhand van God symboliseert de kracht van God. Wij zien dat bijvoorbeeld in Exodus 15, in het lied dat Mozes bij de Schelfzee aan zijn volksgenoten leert:
“Uw rechterhand, HERE, heerlijk door kracht,
uw rechterhand, HERE, verpletterde de vijand”[2].
Dat lied leert Israël bij de Schelfzee zingen.

Maar daar, in Exodus 15, wordt meteen duidelijk hoe de Here Zijn kracht gebruikt. Zijn schier ontembare energie benut Hij om Zijn volk te beschermen. Zijn bemoeienis zorgt er voor dat de kerk – de verzameling van mensen die Hij uitgekozen heeft – blijft bestaan.

De paarden en wagens van Egypte zijn voor het volk van God een schrikbeeld.
Dat blijkt bijvoorbeeld in Deuteronomium 11, waar Mozes een les vaderlandse geschiedenis geeft: “Gij zult de HERE, uw God, liefhebben en alle dagen zijn dienst, zijn inzettingen, zijn verordeningen en zijn geboden in acht nemen. Immers, gij kent thans – want dit geldt niet voor uw kinderen, die de tuchtiging van de HERE, uw God, niet kennen en niet gezien hebben – zijn grootheid, zijn sterke hand en zijn uitgestrekte arm, de tekenen en de daden, die Hij in Egypte gedaan heeft aan Farao, de koning van Egypte, en aan diens gehele land; en wat Hij gedaan heeft met het leger van Egypte, met zijn paarden en zijn wagens: hoe Hij de wateren der Schelfzee hen deed overstromen, toen zij u achtervolgden en hoe de HERE hen ten onder gebracht heeft tot op deze dag…”[3].
Maar dat schrikbeeld hoeft de Israëlieten niet voortdurend toe te grijnzen. Dat beeld hoeft niet, door de jaren heen, op het netvlies van Gods kinderen te blijven staan. De Israëlieten moeten niet blijven steken in allerlei angsten en fobieën. Zij moeten in hun hart plaats maken voor liefde. Liefde voor de Here.
Als het over Gods rechterhand gaat, houdt dat blijkbaar in:
* wij moeten de geschiedenis van de kerk kennen
* wij moeten de liefde voor de Here God, onze Beschermer, blijven koesteren.

De rechterhand van de Here maakt ook de levens van kerkmensen krachtig.
In dit kader wijs ik op Richteren 7.
Dat hoofdstuk handelt over Gideon. Met driehonderd man verlost Hij Gods volk uit de macht van de vijand. Driehonderd man: dat is natuurlijk een lachertje. Zo’n clubje wordt binnen de kortste keren door vijandelijk volk in de pan gehakt.
Maar in dat hoofdstuk staat iets opmerkelijks. Het is dit: “Gideon nu en de honderd mannen die bij hem waren, kwamen aan de buitenrand van de legerplaats bij het begin van de middelste nachtwake, toen men juist de wachtposten had uitgezet. Toen bliezen zij op de horens, terwijl zij de kruiken stuksloegen, die zij in de hand hadden. Zo bliezen de drie groepen op de horens, braken de kruiken stuk en hielden in de linkerhand de fakkels en in de rechterhand de horens om te blazen en riepen: Het zwaard van de HERE en van Gideon!”[4].
Gods volk heeft de handen vol. Links een fakkel, rechts een blaasinstrument. De vijand wordt, zo lijkt het, weggeblazen.
Een nuchtere westerling denkt wellicht: de vijand wegregelen met wat getoeter, en flink wat fakkels – dat is toch onzinnig? Nee, dat is het niet. Want áchter dat lawaai en dat vuur zit hemelse energie: kracht van God!
Als kinderen van God zich realiseren dat zij in dienst van God denken en handelen, mogen zij rekenen op de kracht van Gods rechterhand in hun leven. En misschien hebben zij het wel vreselijk druk. Misschien hebben zij er de handen vol aan. Maar in al die dagelijkse drukte mogen zij dan weten: Gods rechterhand houdt mij overeind.

Gods rechterhand opent het perspectief op de toekomst.
Leest u maar mee in Jesaja 41: “…gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht, Ik heb u verkoren en u niet versmaad – vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand. Zie, allen die tegen u in woede ontstoken zijn, staan beschaamd en worden te schande; de mannen die u bestrijden, worden als niets en komen om; gij zult hen zoeken, maar niet vinden, de mannen die u bestoken; zij worden als niets, ja vernietigd, de mannen die tegen u oorlog voeren. Want Ik, de HERE, uw God, grijp uw rechterhand vast[5].
Als de hemelse God ingrijpt worden alle criminele zaken in de wereld weer rechtgetrokken. Als de hemelse God Zijn wereld aanpakt, worden vijanden bang; maar het volk van God mag rekenen op een toekomst vol vrede en geluk.
Vijanden van God trekken zich terug, met het schaamrood op de kaken. En kinderen van God voelen nieuwe kracht door hun levens golven. Dat komt omdat de Heer van hemel en aarde hun rechterhand vastpakt.
Ten diepste zit daarin de reden dat de kerk van de eenentwintigste eeuw niet wanhopig hoeft te zijn. Alle vijanden van God hebben nu nog een grote mond. Maar er komt een tijd waarin dat heel anders wezen zal!

Tenslotte: Gods rechterhand heeft ook te maken met de uitverkiezing.
Wat dit betreft wijs ik graag op Mattheüs 25. En wel op de volgende tekst: “En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand. Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af”[6].
De uitverkorenen staan aan Gods rechterhand. Aan dezelfde kant als Jezus Christus. Christus is – om met Romeinen 8 te spreken – de Eerstgeborene onder vele broeders[7].
Daarboven – naast Vader – verzamelt onze Here Jezus Christus al Zijn broeders en zusters om zich heen. En Hij meldt het zonder omwegen: die man hoort er bij; en die vrouw en dat kind ook. Heel de kerk hoort bij Hem.
Christus zit aan Gods rechterhand: dat is een wondermooie troost!

Noten:
[1]
Zondag 19, vraag 50: “Waarom wordt eraan toegevoegd: en zit aan de rechterhand van God?”.
[2] Exodus 15:6.
[3] Deuteronomium 11:1-4.
[4] Richteren 7:19 en 20.
[5] Jesaja 41:9-13 a.
[6] Mattheüs 25:32-34.
[7] Romeinen 8:29: “Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen”.

15 augustus 2012

Meneer Dibi begrijpt het niet

Het is, vind ik, een nogal opvallende zin in de Heidelbergse Catechismus: “Christus is opgevaren naar de hemel om Zich daar te bewijzen als het Hoofd van zijn christelijke kerk, door wie de Vader alle dingen regeert”.
Zo staat dat in Zondag 19[1].

Die zin vind ik opmerkelijk omdat er staat dat Christus in de hemel bewijst dat Hij het Kerkhoofd is. Dat bewijs wordt dus niet zozeer op de aarde geleverd. In de hemel, daar laat Hij helemaal zien wie Hij is, en wat Hij doet. Daar wordt Zijn eigenlijke missie geheel duidelijk.
Op aarde zien we dat lang niet altijd duidelijk. Daar wordt het zicht bedorven door allerlei zonden en tekortkomingen. Christus’ activiteit is echt een geloofszaak.

Maar zó leert de Bijbel het ons. Zie Efeziërs 5: Christus is “het hoofd zijner gemeente; Hij is het, die zijn lichaam in stand houdt”[2]. Zie ook Colossenzen 1: “Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is”[3].
Wij staan onder het gezag van Christus. Wij doen wat Hij zegt. Hij geeft ons leefregels. Die Goddelijke wetten geven ons de ultieme mogelijkheid om onze dankbaarheid te tonen voor de reddingsoperatie die onze Heiland heeft uitgevoerd.
Wij moeten het vasthouden:
* Christus’ gezag
* door God gegeven leefregels
* dankbaarheid.
Dat zijn gelóófskwesties.

Zodoende staat de kerk tegenover de wereld.
Welke consequenties dat kan hebben zal hieronder duidelijk worden.

In deze wereld kicken velen op hun zelfstandigheid. U moet, zeggen ze, zo lang mogelijk dingen zelf blijven doen. U moet zelf keuzes maken.
Persoonlijke vrijheid is een afgod geworden. De discussie over vrijheid wordt door een massa mensen belangrijker gevonden dan godsdienst in het algemeen, en geloofszaken in het bijzonder.
Laatstelijk benadrukte kandidaat-kamerlid G.-J. Segers (ChristenUnie) het belang van het islamdebat. Hij zei: “Wilders heeft belletje getrokken en is weggerend. Het tragische is dat zijn tegenstanders aan de andere kant van de boot gaan hangen. Ze zeggen: islam is een verrijking, het valt allemaal wel mee. Er wordt een mooi Koranvers geciteerd en klaar is Kees. Het is geen serieus probleem”. Zo simpel ligt het niet, poneerde Segers. “Er zijn vitale stromingen binnen de Nederlandse islam die haaks staan op de fundamentele vrijheden van de democratische rechtsstaat, zoals godsdienstvrijheid”.
En inderdaad: er zijn imams die hun toehoorders leren  dat het doden van afvalligen onder bepaalde omstandigheden is toegestaan[4].
De heer T. Dibi, Tweede Kamerlid voor GroenLinks, wil het debat graag verbreden. Hij sprak: “Ik vind de oproep van de ChristenUnie om een islamdebat te blijven voeren schijnheilig, maar bovenal slordig. Het debat dat we moeten blijven voeren in Nederland moet over vrijheid, het recht op zelfbeschikking en autonomie gaan. Elke keer als onze individuele vrijheid wordt ingeperkt is een debat noodzakelijk”[5].
De één zegt eigenlijk: de islam is een religie die de godsdienstvrijheid voor velen beperkt.
De ander zegt: u moet niet spreken over godsdienstvrijheid, maar over individuele vrijheid.
Godsdienst en het zichzelf sturend individu: ten diepste zijn die elkaars vijanden.

Godsdienst is, zo vinden velen, niet het allerbelangrijkste in het leven. Zelfontplooiing: dat moet in de hitlijst op Eén staan. Alles draait om autonomie, om het zelfbestuur. Burgers moeten hun plannen kunnen verwezenlijken. Een goed leven, dat is het streven van de moderne mens.
Dat zijn geen geloofszaken. Dat zijn individuele kwesties die, als ik het goed zie, vooral materieel van aard zijn.
De volgende oneliner van de heer Dibi hoeft, gezien het vorenstaande, niet te verbazen: “Mijn ideaal is dat Nederland weer een ontspannen land wordt, waar mensen genieten van de onderlinge verschillen”[6].
Het gaat om uw eigenheid, wordt op allerlei manieren gesuggereerd.
In die situatie prent Zondag 19 het ons in: het gaat om Christus en Zijn gemeente. Hij zet Zijn kinderen bij elkaar. Zonder tegenstribbelen behoren we onze plaats in te nemen in kerk en maatschappij. En dat zal ook gebeuren. Want Christus heeft alle macht. In de hemel. En ook op de aarde[7].
Dat geloven wij. Daar kan geen mens tegen op. Zelfs meneer Dibi niet.
Natuurlijk ijveren Gereformeerde mensen óók graag voor hun vrijheden.
Maar die vrijheden zullen altijd gebaseerd zijn op de christelijke vrijheid. Dat is de vrijheid van 2 Corinthiërs 3: “De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid”[8].

Het valt te vrezen dat de heer Dibi dat alles niet doorziet. Hij zegt althans: “Macht en autoriteit horen ter discussie gesteld te worden, omdat zij anders corrumperen. Blinde gehoorzaamheid beschouw ik als desinteresse en onverschilligheid. Met kritiek op en twijfel aan onze godsdienst, tonen we onze betrokkenheid en liefde aan. De islam kent van oorsprong een traditie van discussie en debat”.
Meneer Dibi begrijpt het niet.
Dat is droevig. Diep droevig.
Ik had hem de christelijke geloofsvreugde zo graag gegund.

Zijn christenen – Gereformeerde mensen inbegrepen – blind gehoorzaam aan hun Heer?
Zij zijn wel gehoorzaam.
Maar niet blind.
Feitelijk is er iets ánders aan de hand. Dat blijkt uit Efeziërs 1. Ik citeer: “En Hij (dat is de Here God) heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem (dat is Christus) als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt”.
De gemeente is vervuld met Christus.
En nee, dat maakt niet blind.
Dat maakt gelukkig. Hij maakt gelukkig.
Maar dat kan meneer Dibi niet begrijpen.
Dat, geachte lezer, is geen wonder.
Want het betreft een gelóófskwestie. Het is een zaak van Zondag 19. En daar heeft meneer Dibi helaas geen verstand van.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 19, antwoord 50.
[2] Efeziërs 5:23.
[3] Colossenzen 1:17 en 18.
[4] Zie http://www.nrc.nl/nieuws/2012/08/07/christenunie-wil-islamdebat-wilders-agendeerde-belangrijk-thema/ .
[5] Zie http://kerknieuws.nl/nieuws.asp?oId=23336 .
[6] Zie http://www.tweedekamer.nl/kamerleden/alle_kamerleden/index.jsp (bij T. Dibi).
[7] Mattheüs 28:18 en 19: “En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”.
[8] 2 Corinthiërs 3:17.

Blog op WordPress.com.