gereformeerd leven in nederland

30 januari 2018

Nieuw past niet bij oud

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

De toegangspoort naar de hemel is open[1].
Jezus Christus heeft de toegangspoort geopend.
En de vraag klinkt alle eeuwen door:
* kunnen wij die toegangspoort zelf niet open zetten, al was het maar op een klein kiertje?
* kunnen wij zelf iets niet een heel klein beetje aan onze vrijspraak bijdragen?

Die vragen komen aan de orde in Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus.
U kent die vragen en antwoorden wellicht wel:
“Vraag:
Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn?Antwoord: Omdat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn, terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn.
Vraag:
Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in het toekomstige leven belonen?
Antwoord:
Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven.
Vraag:
Maar maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos?
Antwoord:
Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort”[2].

Het antwoord op die vragen blijkt ten diepste onomstotelijk vast te staan: de toegang tot God is door de Heiland gegeven. Wij mogen pleiten op Zijn werk. Hij plaveide de weg naar Gods troon.

We weten, neem ik aan, allemaal wel wat goede werken zijn.
Dat leren we trouwens ook uit de Heidelbergse Catechismus:
* goede werken doen we uit waar geloof
* goede werken zijn gebaseerd op Gods wet
* goede werken komen niet voort uit eigen mening of orders van andere mensen[3].

De Farizeeën staan er in de Bijbel om bekend dat ze allerlei dingen doen om schijnvroomheid uit te stralen. Bij hun schijnvroomheid is hun eigen creativiteit het uitgangspunt.

Jezus stelt die nepvroomheid aan de kaak in Marcus 2.
Dat gaat zo.
“En de discipelen van Johannes en van de Farizeeën ​vastten; en zij kwamen en zeiden tegen Hem: Waarom ​vasten​ de discipelen van Johannes en van de Farizeeën wel en waarom ​vasten​ Uw discipelen niet? En ​Jezus​ zei tegen hen: De bruiloftsgasten kunnen toch niet ​vasten​ terwijl de Bruidegom bij hen is? Zolang zij de Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet ​vasten, maar de dagen zullen komen dat de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn, en dan, in die dagen, zullen zij ​vasten”[4].
Als de Bruidegom aanwezig is, wordt het feest in de kerk!

In Marcus 2 staan in dit verband een paar voorbeelden die voor de goede verstaander veel verhelderen.

Ik citeer:
“En niemand naait een lap niet-gekrompen stof op een oud ​bovenkleed; anders scheurt de nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude bovenkleed en ontstaat er een ergere scheur.
Ook doet niemand nieuwe ​wijn​ in oude leren zakken; anders doet de nieuwe ​wijn​ de zakken barsten en stroomt de ​wijn​ eruit en gaan de zakken verloren; maar nieuwe ​wijn​ moet men in nieuwe zakken doen”[5].

Wat betekenen die illustraties?
Antwoord:
Iets ouds is in deze situatie niet te combineren met iets nieuws. Met andere woorden: met een beetje opknappen van het oude kom je er niet.
Het nieuwe is het Evangelie dat Jezus verkondigt: “De tijd is vervuld en het ​Koninkrijk van God​ is nabijgekomen; bekeer u en geloof het ​Evangelie”[6].
De mensen hebben ook wel door dat Jezus Christus een nieuwe inhoud aan ware Godsdienst geeft: “Wat is dit? Wat voor een nieuwe leer is dit, dat Hij ook de onreine geesten met gezag bevel geeft en zij Hem gehoorzaam zijn?”[7].

Die tegenstelling oud/nieuw zien we heel duidelijk in het voorbeeld van de wijn in oude en nieuwe zakken.
Een exegeet verduidelijkt: “‘Jonge’ wijn doe je niet in oude leren zakken, maar in ‘nieuwe’. Deze zakken waren gemaakt van dierenhuiden. Nieuwe huiden waren soepel, daar zat nog rek in; oude huiden daarentegen konden niet meer uitzetten en waren stug geworden. Omdat jonge wijn nog aan het gisten is en door gasvorming uitzet, kon deze niet in zulke oude zakken worden gedaan. Deze zouden dan onherroepelijk gaan openbarsten. De ‘jonge wijn’ staat weer voor het Evangelie van de Here Jezus, de ‘oude leren zakken’ voor het joodse geloof met zijn wetten en gebruiken (…). Het vasten zoals de joden dat gewoon waren te doen, past niet bij de nieuwe manier van geloven die hoort bij Jezus’ verkondiging”[8].

Nu begrijpt u, naar ik aanneem, de titel van dit artikel wel. Nieuw past niet bij oud. Met de komst van Jezus naar de aarde is er een nieuw tijdperk aangebroken. Het oude is voorbijgegaan. Niet dat volstrekt waardeloos was. Zeker niet. Maar het Nieuwtestamentisch kader is echt totaal anders dan het Oudtestamentische.

Het is, naar het mij voorkomt, van belang om het bovenstaande goed tot ons door te laten dringen.
Wellicht wordt onze activiteit in de kerk ongewild ook een ‘goed werk’.
Misschien gaan de mensen wel zeggen: ‘die en die man is van grote waarde voor de kerk’. Of: ‘die en die vrouw is een geweldig mens, wat leeft ze mee. Daar héb je wat aan in de kerk’.
Ach… menselijke bewondering? Die hoort bij oud. Die past niet bij nieuwe mensen.
Wij moeten het maar tegen elkaar blijven zeggen: nieuw past niet bij oud.
Ieder kerklid moet, op zijn of haar eigen manier, dankbaar leven voor God. Niets meer. En niets minder.

Noten:
[1] Zie hierover mijn artikel ‘De relevantie van Zondag 23’, hier gepubliceerd op dinsdag 23 januari 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/01/23/de-relevantie-van-zondag-23/ .
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 24.
[3] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 33, antwoord 91.
[4] Marcus 2:18, 19 en 20.
[5] Marcus 2:21 en 22.
[6] Marcus 1:15.
[7] Marcus 1:27.
[8] Geciteerd uit de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij Marcus 2:22.

17 januari 2017

Genade schittert in Gods licht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Het doen van goede werken wordt, zo leren wij in de Heidelbergse Catechismus, door God beloond. Die beloning ontvangen wij uit genade.

Zo staat dat in Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus:
“Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in het toekomstige leven belonen?
Antwoord:
Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven”[1].

Als het gaat over dat begrip ‘genade’ denk ik aan een boek van Adyashanti.
Adyashanti: dat is de naam van een spiritueel leraar uit Amerika. De man heet in het gewone leven Steve Gray. Maar hij noemt zich dus Adyashanti; vrij vertaald betekent dat: alles overheersende vrede[2].

In een boek dat over genade gaat betoogt hij dat wij de strijd met het leven moeten opgeven. Hou met dat vechten op, zegt hij.
Wij moeten er bovendien mee stoppen om onszelf telkens te misleiden. Het wordt tijd voor de ontdekking van de essentie van ons bestaan.
Hoe doen wij dat?
Antwoord: de stelregel is dat hoe vaker wij teruggaan naar de kern, hoe groter de kracht is om ons leven te veranderen.
Wij moeten, zegt Adyashanti, heel anders tegen het leven aan gaan kijken.
Op dezelfde manier waarop we een geliefde in de armen vallen of ons hoofd ‘s nachts op ons kussen leggen, kunnen we ons overgeven aan de waarheid van wie en wat we werkelijk zijn.
Keer terug naar uw ware natuur, zegt de zenleraar. Maar als we dat doen, zal blijken dat we genade nodig hebben
Aldus Adyashanti[3].

Kom tot inkeer, zegt die spirituele Amerikaan.
Dat alles klinkt christenen bekend in de oren.
Wij moeten onszelf bekeren, jazeker.
En wij moeten onszelf beproeven. Dat ook. Zijn wij nog wel goed bezig? Liggen wij nog wel op koers?
Dat klinkt allemaal goed. Degelijk.

Niettemin gaat er iets heel erg fout.
Om dat aan te wijzen citeer ik nu een passage uit Efeziërs 5.
“Laat niemand u misleiden met inhoudsloze woorden, want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid.
Wees dan hun metgezellen niet.
Want u was voorheen duisternis, maar nu bent u licht in de Heere; wandel als kinderen van het licht
– want de vrucht van de Geest bestaat in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid – en beproef wat de Heere welbehaaglijk is.
En neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmasker ze veeleer.
Want wat heimelijk door hen gedaan wordt, is te schandelijk om zelfs maar te vertellen.
Maar al deze dingen komen openbaar als ze door het licht ontmaskerd worden; want al wat openbaar maakt, is licht.
Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten”[4].

In het bovenstaande zegt Paulus: mensen, wandel in het licht!
Het is heel goed om onszelf te beproeven, nou en of. Maar het gaat er uiteindelijk niet om om onszelf eens nauwkeurig te bekijken. Nee, wij moeten regelmatig kijken of wij echt nog wel in Gods licht lopen.
Heel wat voorbijgangers zetten ons in de schijnwerpers. Zij nemen allemaal hun lantaarn mee. Het licht dat die lantaarns verspreiden wordt ook op Gods kinderen gericht. Alleen daarom al is het belangrijk om goed te zien door wiens licht wij worden bestraald.
Als wij deze geloofszaken in het juiste licht bezien, begrijpen we iets van wat Paulus in Efeziërs 4 over genade schrijft: “…aan ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus.
Daarom zegt Hij: Toen Hij opvoer in de hoogte, nam Hij de gevangenis gevangen en gaf Hij gaven aan de mensen.
Wat betekent dit ‘toen Hij opvoer’ anders dan dat Hij ook eerst neergedaald is in de diepten, namelijk de aarde?
Degene Die neergedaald is, is ook Degene Die opgevaren is ver boven alle hemelen om alle dingen te vervullen”[5].
Dat betekent in ieder geval: we hebben in de kerk allemaal verschillende plaatsen en functies. Nu is Christus in de hemel om alles met zijn regering en zijn zegeningen te vervullen.
Genade, dat is: de Here God zorgt er voor dat Zijn kinderen met Christus worden vervuld. Het maakt niet uit welke plaats en functie zij van Hem gekregen hebben: zij worden vol van Christus. En waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over!

Daarom schrijft Paulus in Efeziërs 4 ook: “Laat er geen vuile taal uit uw mond komen, maar wel iets goeds, dat nuttig is tot opbouw, opdat het genade geeft aan hen die het horen”[6].
Dat is de opmaat tot die in Efeziërs 5 gegeven stimulans om in het licht van God te leven en te werken.

Nu begrijpen wij wel hoe wereld en kerk tegenover elkaar staan.
De wereld zegt: ga op zoek naar genade in uzelf
De kerk belijdt: wij wandelen met God, in Zijn licht, om al lopend, de genade te bewonderen die God ons geeft.

Maar dan is, tenslotte, ook de laatste vraag en het laatste antwoord van Zondag 24 volkomen helder:
“Maar maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos?
Antwoord:
Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort”[7].
Gereformeerden hebben er een volle dagtaak aan om vruchten van dankbaarheid te tonen!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 24, vraag en antwoord 63.
[2] Zie voor meer informatie over hem https://en.wikipedia.org/wiki/Adyashanti (Engelstalig); geraadpleegd op maandag 2 januari 2017.
[3] De gegevens van dat boek zijn: Adyashanti, “Genade: beschouwingen over het einde van het lijden”. – Samsara Uitgeverij B.V., 2011. – 260 p.
[4] Efeziërs 5:6-14.
[5] Efeziërs 4:7-10.
[6] Efeziërs 4:29.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 24, vraag en antwoord 64.

29 december 2015

Iedere dag een goed werk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Het loopt tegen het einde van het jaar. Het is de tijd van de goede voornemens.
Passen die voornemens bij Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus? Daar lijkt het wel een beetje op. In die Zondag gaat het namelijk over goede werken.
Kijkt u maar.

Vraag:
“Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn?
Antwoord:
Omdat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn, terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn.
Vraag:
Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in het toekomstige leven belonen?
Antwoord:
Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven.
Vraag:
Maar maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos?
Antwoord:
Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort”[1].

Er zijn massa’s mensen die zeggen: als je op aarde goed en rechtvaardig leeft, dan kom je wel in de hemel. Maar wie dat zegt, heeft of de Bijbel niet gelezen of de Bijbel in het geheel niet begrepen.
Al voor de wereld bestond, besloot God de uitverkorenen rechtvaardig te verklaren.
Daarom geeft Hij de door Hem uitgekozen mensen het geloof in Hem.
Daarom zorgt Hij ervoor dat die uitverkorenen zich de gerechtigheid van Christus eigen maken.

Als wij ons dat realiseren kunnen we nu al wel concluderen dat de goede werken van Zondag 24, in het algemeen genomen, niet zoveel te maken hebben met de goede voornemens die wij er aan het einde van het kalenderjaar nogal eens op na houden.

In de kerk lopen, als ik het goed zie, nog wel eens gelovige broeders en zusters rond die heel somber zijn over die goede werken.
Ik maak er niets van, zeggen ze.
Ik schiet ernstig tekort, mompelen ze op ernstige toon.
Het wordt niets met mij en het zal nooit meer wat worden óók, stellen zij licht gedeprimeerd vast.
Is dat de bedoeling van Zondag 24?
Welnee.
Eigenlijk gaat het in het Catechismusdeel waarin onze heiliging aan de orde komt, heel lang over onze goede werken. Vanaf Zondag 34 wordt de betekenis van de Tien Geboden uitgediept. Wel, daar leven we toch naar? Dat zijn toch onze leefregels? Daar ontlenen we toch onze waarden en normen aan? Natuurlijk – dat is een kwestie van vallen en opstaan. Maar het is onzin om te zeggen dat die Tien Geboden geen enkele betekenis in ons leven hebben. Nou dan!

Zal ik u eens iets vertellen?
Ons eerste en belangrijkste goede werk in ons dagelijks leven is: vergeving van onze zonden vragen, op grond van Christus’ werk!
Wie dat dagelijks in alle ernst en welgemeend doet, is al een heel eind op pad.

Indertijd hadden de Schriftgeleerden allerlei voorschriften ontworpen. En als de mensen zich daar keurig netjes aan hielden…, dan kwam het met dat gepeupel wel goed.
Mede in verband daarmee vroegen de Schriftgeleerden in Johannes 7, met de blik op Jezus gericht: “Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?”[2]. Er was heel wat onderwijs nodig voordat je de regeltjes van de Schriftgeleerden een beetje kende… En Jezus deed dat alles teniet!
De kwestie is: Jezus Christus is onze Verlosser; aanvullende voorschriften van mensen redden ons niet.

Wie iedere dag oprecht vergeving aan de Here vraagt, doet iedere dag een goed werk!
Kent u dat verhaal van die vrouw die een kruik vol kostbare mirre over de Here Jezus uitgoot?
De discipelen vonden dat pure verkwisting. Die dure zalfolie gebruikte je toch niet voor dit soort merkwaardig aandoende huldigingen? Die olie kon je verkopen; de opbrengst kon daarna bijvoorbeeld worden gebruikt om de armen te ondersteunen.
Maar Jezus zei: “Waarom valt gij deze vrouw lastig? Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht”[3].
Jezus begreep dat deze vrouw Hem liefhad. En de grondregel is in het christelijke leven is: wie veel vergeven is, die zal veel liefhebben.

Een Gereformeerde predikant preekte eens over Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus. Hij zei onder meer: “Stel dat u een grote schuld heeft. U kunt het geld niet bij elkaar brengen. U gaat steeds maar achteruit, de onder­gang tegemoet. U heeft niet om te betalen. Maar – als er nu iemand was die u dat kapitaal schonk, zoudt u dan niet dankbaar zijn? U zoudt niet weten wat te doen uit dankbaarheid”[4].
Welnu – die dankbaarheid tonen wij, als het goed is, iedere dag.
Iedere zondag gaan we, om zo te zeggen, in dankbaarheidstraining. Dat is noodzakelijk. Anders worden we nonchalant. Onze dankbaarheid wordt sleets. Dankbaarheid wordt gewoonte. Dankbaarheid hoort dan bij de tredmolen van de dagelijkse dingen. Op zondag worden we geoefend. Gesterkt. We beseffen weer hoe bevoorrecht onze positie is.

In dat besef doen we, als het goed is, elke dag van ons leven minstens één goed werk: we vragen om vergeving van onze zonden, om Christus’ wil.
Dat goede werk is veel belangrijker dan een rijtje goede voornemens voor het nieuwe kalenderjaar.
Nee, goede werken zijn niet bedoeld als instrument tot instandhouding van onze goede reputatie. We doen ze, als het goed is, tot eer van God.
Als we zo in dat goede werk volharden, komen er als vanzelf nog meer goede werken. Let maar eens op!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 24.
[2] Johannes 7:15.
[3] Mattheüs 26:7.
[4] De bedoelde dominee is de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant J.F. Heij. In dit artikel maak ik dankbaar gebruik van een preek over Zondag 24 van zijn hand. Dominee Heij leefde van 1919 tot 1999. De – overigens ongedateerde – preek is voorzien van een plaatsnaam: Hasselt. De predikant diende de kerk aldaar van maart 1947 tot februari 1955. Het is dus aannemelijk dat de preek in die periode gemaakt is.

2 december 2014

Vruchten van dankbaarheid

Goede werken: die term levert, als ik het goed weet, nog altijd veel misverstanden op.
Begin september 2014 stond in het Nederlands Dagblad een vraaggesprek met een aantal mensen, naar aanleiding van de verschijning van het boek ‘Vrijgemaakt? Dertigers over het leven in een gereformeerde zuil’[1].
Lammert Kamphuis zei in dat gesprek: “Ik herinner me dat ik als tiener een vriendin had die leed aan een vermoeidheidsstoornis. In de kerk was daar nauwelijks aandacht voor. Maar niet-christelijke vrienden stonden juist heel erg voor haar klaar. Op catechisatie kregen we echter te horen dat ongelovigen geen goede werken konden doen”[2].

Kunnen ongelovigen geen goede werken doen?
Nee.
Dat kan inderdaad niet.
Jazeker, ze kunnen wel goede dingen doen.
Maar goede werken? Nee, die kunnen ze niet doen.

In de Heidelbergse Catechismus staat namelijk: “…het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort”[3].
Daar valt het woord dankbaarheid. Dat is de kwestie: goede werken doen we niet om er onze plaats in de hemel mee te verdienen, maar om aan de Here dankbaarheid te tonen voor onze redding.
Logisch dus, dat ongelovigen geen goede werken kunnen doen. Zij zijn immers niet door God gered?

Nu het hierom gaat attendeer ik u op Titus 3.
“Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland en God verscheen, heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de heilige Geest”[4].
En:
“Dit is een getrouw woord en ik wil, dat gij op dit punt een krachtig getuigenis geeft, opdat zij, die hun vertrouwen op God gebouwd hebben, ervoor zorgen vooraan te staan in goede werken. Die zijn schoon en voor de mensen nuttig”.

In Titus 3 gaat het niet om onze eigen uitstraling. Of om onze eigen geestkracht. Of om ons eigen onverwoestbare optimisme. Of om onze belangstelling voor anderen, onze persoonlijke problemen ten spijt.
Het gaat niet om onze goede dingen.
Het gaat om de barmhartigheid die de Here ons bewezen heeft!

Gereformeerde mensen vertrouwen op de Here. Met heel hun wezen. Daar focussen ze op, met alle energie die zij in zich voelen stromen.
Gereformeerde mensen staan vooraan met goede werken. Gereformeerde mensen helpen graag anderen in hun omgeving. Zij staan belangeloos voor anderen klaar. Bereidwillige mensen zijn het, die hun best doen om anderen en zichzelf een aangenaam bestaan te geven. Niet omdat ze met al die goede dingen in de hemel op de voorste rij komen te zitten. Ten diepste geven die Gereformeerde mensen een signaal af aan hun Heer: wat zijn wij U dankbaar voor het reddingswerk dat de Here Jezus Christus voor ons heeft gedaan!

Die ene zin blijft in mijn brein hangen: op catechisatie kregen we te horen dat ongelovigen geen goede werken konden doen.
De dominee of catechiseermeester die dat gezegd heeft, had gelijk. Honderd procent gelijk.
Lammert Kamphuis begreep dat toen niet goed.
Hij begreep blijkbaar het verschil niet tussen:
* goede dingen doen op aarde, gewoon van mens tot mens
* goede werken doen, als kind van God; uit dankbaarheid voor Zijn eminente zorg.
Lammert doorzag het toen niet.
En nu wil hij het niet meer begrijpen. Geloof ik.

Weet u waarom ik dat noteer?

Het Nederlands Dagblad zette er in het hierboven al aangehaalde artikel bij: “Lammert Kamphuis is leraar levensbeschouwing op een middelbare school. Daarnaast geeft hij les op The School of Life in Amsterdam, een initiatief van de populaire Britse filosoof Alain de Botton. De school behandelt de grote levensvragen. Kamphuis studeerde filosofie en theologie aan de Theologische Universiteit in Kampen”.
We hebben het hier dus over iemand die gestudeerd heeft. We hebben het over iemand die systematisch kan denken en weloverwogen beslissingen kan nemen. We hebben het over iemand die, als hij een beetje zijn best doet, kan nagaan wat goede werken precies zijn. We hebben het hier over iemand die tot de jaren des onderscheids gekomen is.

Edoch, met Lammert is wat bijzonders aan de hand. Bij hem is sprake van ongeloof.
Hij zegt het ronduit: “In de tijd na mijn afscheid van de kerk kreeg ik van de woorden ‘God’ of ‘Jezus’ hoofdpijn. Dat is nu gelukkig niet meer zo. Kerkelijk of christelijk betrokken ben ik niet. Ik omschrijf mijzelf nu als agnost, ik weet niet of er een God is”.
Wij zien hier een staaltje van ongeloof.
Wij zien hoe iemand God na wil rekenen.
Maar: wie dat wil doen, bewandelt een doodlopende weg.
Zodoende komt Lammert in een doolhof terecht. Een labyrint van eigen inzichten en individuele geleerdheid. Ziet u hoe problematisch dat uiteindelijk wordt?

Met goede werken verdienen Gods kinderen niets. Dat niet.
Zij tonen hun dankbaarheid. Hun oneindige dankbaarheid.
Want de God van hemel en aarde heeft hen uitgekozen om bij Hem te wonen. In de hemel. Waar eindeloos geluk en heerlijke vrede hun deel zijn.
Ach, dat grote geluk en die diepe vrede zou ik Lammert zo graag gunnen!
Maar het is hem tot op heden niet beschoren.

In dat artikel in het ND liet Lammert aan ons zien hoe het leven verarmt als je de grote vraagstukken in onze tijd zelf op wilt lossen. Als je dat wilt doen hangen de vraagtekens, als een misplaatst soort straatverlichting, op elke hoek van de straat.

Laten wij, in en buiten de kerk, maar volop goede werken doen.
Dan mogen wij het blijven zingen:
“Blijf aan de HEER uw wegen toevertrouwen,
verheug u in uw God, bewoon het land,
wees Hem getrouw, Hij zal uw toekomst bouwen.
Doe steeds wat goed is, want zijn trouw houdt stand!”[5].

Noten:
[1] De gegevens van dit boek zijn: Lammert Kamphuis, “Vrijgemaakt? Dertigers over het leven in een gereformeerde zuil”. – Utrecht: Uitgeverij Kok, 2014. – 160 p.
[2] “Zoals Maarten ’t Hart wil ik niet zijn”. In: Nederlands Dagblad, bijlage Gulliver (5 september 2014), p. 4 en 5.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 24, antwoord 64.
[4] Titus 3:4 en 5.
[5] Psalm 37:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek)

22 oktober 2013

De norm van onze goede werken

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus handelt over goede werken.
Er wordt onder meer gevraagd en geantwoord: “Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn? Antwoord: Omdat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn, terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn”[1].
Over dat gedeelte van de christelijke leer wil ik vandaag graag wat schrijven.

In deze wereld gebeurt nog veel goeds. Veel mensen doen heel goed werk.
In deze wereld is – bijvoorbeeld – nog veel zorgzaamheid te vinden. Mensen zijn lief voor elkaar. Zorgen voor elkaar. Natuurlijk – er is ook vijandschap. En criminaliteit. Maar wie in bejaardenhuizen, verpleeghuizen, ziekenhuizen en zorghotels kijkt, weet ook: er zijn nog veel mensen bij wie zorgzame liefde het logo van het leven is.

Men kan zeggen: daarvoor zijn we in de wereld. De wereld komt vooruit als we elkaar liefhebben. Als we dienstbaar zijn ziet de wereld er een stuk vrolijker uit. Rustiger. Evenwichtiger. Met servicegerichtheid brengen we de wereld op een hoger niveau.

Voor iemand die aldus redeneert is Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus een koude douche. Want wij begrijpen alras: met onze goede werken verdienen wij niets. Sterker nog: die goede werken van ons stellen weinig voor.

Bij Zondag 24 wordt verwezen naar Jesaja 64: “Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden als een bezoedeld kleed; wij vielen allen af als het loof en onze ongerechtigheden voerden ons weg als de wind”[2].

Die Bijbeltekst drukt ons nog eens met de neus op de feiten.
Waarom?
Wij zijn vies. Onze mooie dingen, onze gerechtigheden, zien er uit als een kleedje dat je maar beter weg kunt gooien. Mooi kleedje, maar die vlekken…? Die krijgen wij er nooit meer uit.
Wij doen denken aan een herfstblad. Prachtige kleuren, maar dat blad valt wel af.
Wij zijn misdadigers. We zijn niet zoveel waard, we leggen niet zoveel gewicht in de schaal. We zijn als een stofje aan een weegschaal[3]. De wind voert dat stofje zomaar mee. En weg is het…

Zegt Jesaja dit om ons depressief te maken? Nee. Hij wijst ons er op dat de norm van ons bestaan niet in onszelf ligt. De maatstaf ligt niet bij de mens. De norm wordt door God gesteld.
Jesaja spreekt de wens uit dat de Here naar Zijn volk tóe komt. Jesaja profeteert biddend: “Och, dat Gij de hemel scheurdet, dat Gij nederdaaldet, dat voor uw aangezicht de bergen wankelden”[4]. De hemelse God moet Zijn aanwezigheid duidelijk laten blijken. Als je water kookt, gaat het na verloop van tijd bobbelen en borrelen. Zo moet de Here laten zien dat Hij present is. Laat zien dat u er bent!, smeekt Jesaja. Net “zoals vuur rijshout in vlam zet, zoals vuur water doet overkoken – om uw tegenstanders uw naam te doen kennen, zodat de volken voor uw aangezicht sidderen”[5].
Er zijn, zegt Jesaja, in de geschiedenis van wereld en kerk momenten geweest waarop Gods presentie duidelijk te merken was. Er was geen mens die begreep dat God ingreep. Maar ’t was wel zo. En zo zal ’t altijd gaan. We mogen en kunnen met een gerust hart op Hem wachten!

Jesaja maakt ons niet depressief. Toegegeven: daar lijkt het in eerste instantie wel op. Jesaja geeft een beeld van de uiterst deplorabele stand van zaken in zijn tijd: “Er was niemand die uw naam aanriep, die zich beijverde om aan U vast te houden. Want Gij hebt uw aangezicht voor ons verborgen en ons aan de macht onzer ongerechtigheden prijsgegeven”[6]. Maar de profetie van de Godsgezant is nog niet beëindigd. Leest u maar mee: “Maar nu, HERE, Gij zijt onze Vader; wij zijn het leem, Gij zijt onze Formeerder en wij allen zijn het werk van uw hand”. Ons leven komt uit Zijn hand. Hij heeft ons geschapen. En wij zijn nog steeds Zijn eigendom!

Jesaja zegt: de enige reddingsboei die er uiteindelijk in het leven is, is Gods genade. En die genade toont de Here ook. In Jesaja 65 zegt de profeet onder meer: “Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen. Maar gij zult u verblijden en juichen voor eeuwig over hetgeen Ik schep, want zie, Ik schep Jeruzalem tot jubel en zijn volk tot blijdschap”[7].

Wat zijn de lessen van Zondag 24, en van Jesaja 64?

Een exegeet schreef bij Jesaja 64: “Dit alles verschaft een waarschuwing met betrekking tot de gevolgen van een hardnekkig afwijken van de wegen van God. Bewuste afval leidt tot een vergeten van God. Zo was het in Israël. Er was niemand die zijn naam aanriep, die zich ertoe zette om God aan te hangen (…). Ongevoeligheid voor de zonde bewerkt ongevoeligheid voor Gods rechten en voor zijn barmhartigheden”[8].

Goede werken zijn kwalitatief uitstekend vanuit menselijk oogpunt. Maar Jesaja wijst ons erop dat wanneer God zijn heilige maatstaf aanlegt, die goede werken in een heel ander licht komen te staan.
Want wij zijn Zijn eigendom. Hij heeft ons gekocht. Wij zijn het instrumentarium om Zijn werk in deze wereld te voltooien. Dat is fenomenale genade. Als die genade ons niet bewezen werd, bleef er niets van ons over.

In de kerk zit het volk van God. Dat volk mag en moet zich laten kneden door de Pottenbakker, met een hoofdletter P. Om in de stijl van de profeet te blijven: wij zijn het leem, Hij is onze Formeerder.
Wij behoren, om zo te zeggen, willige instrumenten in Zijn hand te zijn. In bejaardenhuizen, verpleeghuizen, ziekenhuizen en zorghotels. Of op welke andere plaats dan ook maar.
Want Hij creëert een nieuwe wereld, met behulp van alle instrumenten die Hem ter beschikking staan.

In dat perspectief worden onze goede werken prachtig!

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 24, vraag en antwoord 62.
[2] Jesaja 64:6.
[3] Zie Jesaja 40:15: “Zie, volken zijn geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal; zie, eilanden zijn als fijn stof, dat uitgestrooid wordt”.
[4] Jesaja 64:1.
[5] Jesaja 64:2.
[6] Jesaja 64:7.
[7] Jesaja 65:17 en 18.
[8] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/OS1119.pdf .

18 september 2012

Goede werken: blijk van Gods genade

Goede werken: dat zijn activiteiten die verricht worden ter meerdere glorie van God. Het zijn dingen die we doen omdat God die graag ziet.
Heel wat mensen roepen te pas en te onpas met voldoening dat hun aanpak van dit of dat karwei goed was. ‘Dat heb ik weer goed gedaan’, mompelen zij blijmoedig. Ambitieus en verheugd vervolgen zij hun weg door de wereld.
Er zijn vaders die met hun zoontjes naar het voetbalveld gaan.
Er zijn vrouwen die een pannetje soep naar de oude buurman brengen.
Er zijn mensen die een bemoedigende brief schrijven aan een oude vriend of vriendin.
Maar dat zijn niet zomaar goede werken. Die bezigheden zijn pas écht goed als ze tot eer van God worden gedaan.

Genade
Want wij leven volledig van genade[1].
Wij komen niet in de hemel als we heel erg ons best doen. De Here zet ons op Zijn ladder niet een treetje hoger als wij christelijk en/of keurig leven. Wij kunnen, zei Maarten Luther, Gods goedertierenheid niet met werkheiligheid kopen.
Wij zijn helemaal afhankelijk van Christus’ redding. Door Zijn werk wordt heel ons bestaan gerenoveerd.
Wij komen bij de Here met lege handen. Bescheiden en nederig.
Maar daarmee is niet alles gezegd. Wij mogen ook zéker zijn van onze zaak.
In 1943 zei de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee D. van Dijk (1887-1985): “Voor mij zijn Gods beloften zo vast dat ik, wanneer ik aan de poort des hemels kom, zal kunnen zeggen: ‘Gij hebt mij Uw beloften gegeven. En ik heb erop vertrouwd en het geloofd. Nu kunt Gij mij niet meer verdoemen, want Gij hebt het Zelf gezegd’”.
Dat was stevige taal. Maar het was ook verkláárbare taal. Het waren woorden die lieten zien hoe groot het Gódsvertrouwen van de predikant was.
Onlangs citeerde de eveneens Gereformeerd-vrijgemaakte dr. M.J. Arntzen de woorden van dominee Van Dijk. Arntzen zei er toen bij:Zijn antwoord komt op mij wat zelf­verzekerd over. Alleen Christus komt het oordeel toe. En Hij kent de Zijnen. Maar er is zo veel dat tégen ons getuigt. Als ik straks in de hemel kom, zal dat alleen genade zijn”[2].
Godsvertrouwen en genade: die twee elementen vormen het fundament van onze goede werken!

Voorbij de duurzaamheid
Hierboven noteerde ik: ons leven wordt gerenoveerd.
Als we in onze tijd over renovatie spreken, komt meestal ook de duurzaamheid aan de orde. Duurzaamheid, dat is: de ontwikkeling van de aarde op een manier die onze nakomelingen in staat stelt om in hun eigen behoeften te voorzien[3]. We moeten goed voor voor de aarde zorgen, merken de mensen op. Moeder Aarde geeft ons veel, roept het bekommerde gepeupel. Er wordt gevraagd: “Heb jij ook zin om mee te bouwen aan een wereld waar levenskwaliteit centraal staat, voor onszelf en de komende generaties?”[4].
De Here God kijkt verder. Véél verder. Iedere goede boom brengt goede vruchten voort; en een slechte boom geeft slechte vruchten, zegt Jezus in Mattheüs 7[5]. Met die woorden opent de Here het perspectief op Zijn hemels koninkrijk. Leest u maar even mee: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid”[6].
Dat is óók Mattheüs 7!

Werkers der wetteloosheid
Er zijn in deze periode van de wereldgeschiedenis heel wat mensen die, bijvoorbeeld vanwege de familie waar zij uit afkomstig zijn, nog wel iets christelijks hebben[7].
Ja, zij staan ingeschreven bij een kerkgenootschap.
Ja, zij zien wel eens een kerk van binnen.
En ja, zij houden van gewijde muziek. Misschien neuriën ze de melodie van een geestelijk lied zelfs nog wel mee.
Als het een beetje meezit, delen zij doodleuk mee: ik hoor er ook een beetje bij.
Maar de Here zegt: “gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid”. Voor ‘werkers’ staat daar het Griekse woord ergazomenoi. Dat woord wil niet zeggen dat die werkers zelf volstrekt goddeloos leven. Het betekent  dat die werkers wetteloos leven bewérkten. Zij lieten namelijk na om Christus’ geboden aan anderen voor te houden.  Het gaat niet zozeer om hun eigen nette optreden; maar om het effect dat hun handelwijze op de omgeving heeft. De vraag is: zetten zulke sprekers hun medemensen op de weg naar Gods Koninkrijk?

Capabele evangelisten
En nu komen wij ook bij de diepste motivatie van ons doen en laten.
Onze opdracht is niet om netjes te leven. Dat doen humanisten, socialisten en liberalisten ook. De dienstorder die wij moeten uitvoeren is: wijs de weg naar Gods koninkrijk.
Ware gelovigen moeten niet te snel zeggen dat zij die weg niet kúnnen wijzen.
Want de hemelse God geeft de kracht die daarvoor nodig is.
In Mattheüs 7 zegt Jezus: “Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen”[8].
De Heidelbergse Catechismus zegt het in Zondag 24 zó: “…het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort”[9].
De Here Zelf selecteert de mensen die Hij bekwaam maakt om het Evangelie te proclameren.
In woord.
En in daad.
Bij al die activiteit mogen wij rekenen op de permanente aanwezigheid van God. Want in Mattheüs 28 zegt onze Heiland tegen Zijn discipelen, en daarin tegen héél de kerk: “En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld”[10].

Noten:
[1] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.pastoralekroes.nl/Luther/LutherXIV-Geloofengoedewe.html .
[2] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/honderdjarige_dr_arntzen_staat_tussen_vrijgemaakt_en_bevindelijk_in_1_674790 .
Zie over dominee Ds. D. van Dijk: http://www.digibron.nl/search/share.jsp?uid=00000000012e983c8102c0685310f5a5&sourceid=1011 .
Het Reformatorisch Dagblad interviewde dr. Arntzen. Afgelopen vrijdag, 14 september 2012, werd hij 100 jaar.
[3] Zie http://www.platformduurzaamheid.net/index.php?/Wat-is-Duurzaamheid/achtergrond-duurzaamheid/wat-is-duurzaamheid.html .
[4] Zie http://moederaarde.org/ .
[5] Mattheüs 7:18: “Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort”.
[6] Mattheüs 7:21, 22 en 23.
[7] In deze alinea gebruik ik onder meer: Dr. Jakob van Bruggen, “Matteüs: het evangelie voor Israël”. – Kampen: Uitgeverij Kok, 1990. – vijfde druk 2008. –  p. 131.
[8] Mattheüs 7:18, 19 en 20.
[9] Heidelbergse Catechismus – Zondag 24, antwoord 64.
[10] Mattheüs 28:20.

Blog op WordPress.com.