gereformeerd leven in nederland

17 april 2018

Permanente dank

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Dit artikel begint met een citaat uit Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus. Die Catechismus is, zoals bekend, een leerboekje van de kerk. We leren wat wij behoren te geloven. Wij leren wat God van ons vraagt.

Wij lezen: “Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Antwoord:
Ten eerste dat ik, als mijn heil mij lief is, alle afgoderij, tovenarij, waarzeggerij, bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen vermijd en ontvlucht.
Ten tweede dat ik de enige ware God naar waarheid leer kennen, Hem alleen vertrouw, met alle ootmoed en geduld mij aan Hem alleen onderwerp, al het goede van Hem alleen verwacht, Hem met heel mijn hart liefheb, vrees en eer, en wel zo, dat ik eerder alle schepselen prijsgeef, dan dat ik het minste of geringste tegen zijn wil zou doen”[1].

Aanroeping van de heiligen – dat doet men, zoals bekend, in de Rooms-katholieke kerk. Mensen als Maria, Petrus en Paulus komen nogal eens voorbij.
Maar in feite helpt zulk bidden niet.
Jazeker – op de korte termijn kunnen mensen wel helpen. Maar echt structurele hulp en verlossing moeten van God komen.

Mensen hebben van nature weinig goeds aan te bieden. Van nature deugen mensen niet.
Hoe komt het dan dat mensen toch volgens Goddelijke normen gaan werken en leven?
Antwoord: omdat de Heilige Geest van God hen aanstuurt.
Wij moeten dat, naar mijn vaste overtuiging, heel praktisch bekijken. Als u uw werk goed doet, komt dat omdat God ingrijpt. Dat wij op kantoor of in de fabriek prima producten afleveren is, gezien onze inborst, eigenlijk een wonder dat God in onze levens doet.

Die aansturing gebeurt via Gods wet.
En nee, we kunnen geen plaatsje in de hemel verdienen als wij ons netjes aan de wet houden. Die plaats is gecreëerd door onze Heiland, de Here Jezus Christus.
Om het met Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus te zeggen: “Wat is uw enige troost in leven en sterven?
Antwoord:
Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost”[2].
Wij houden ons aan de wet van God om onze dankbaarheid te tonen.
De Heiland heeft het verlossingswerk gedaan.
Nu zeggen door Hem gekochte mensen in woord en daad ‘dank u wel’.

Laat ik Gods wet hier maar eens neerzetten:
“Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.
U zult geen ​andere ​goden​ voor Mijn aangezicht hebben.
U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.
U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de ​misdaad​ van de vaderen vergeldt aan de ​kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, maar Die ​barmhartigheid​ doet aan duizenden van hen die Mij ​liefhebben​ en Mijn geboden in acht nemen.
U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.
Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt.
Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,
maar de zevende dag is de ​sabbat​ van de HEERE, uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienares, noch uw ​vee, noch uw ​vreemdeling​ die binnen uw ​poorten​ is.
Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.
Eer​ uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.
U zult niet doodslaan.
U zult niet echtbreken.
U zult niet stelen.
U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.
U zult niet begeren het ​huis​ van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienaar, noch zijn dienares, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is”[3].

Wie naar de bovenstaande wet kijkt, beseft al snel: daar houd ik me niet helemaal aan. Sterker nog, u realiseert zich waarschijnlijk heel goed: ik red het niet om hier consequent naar te leven.
Laten we dan maar bedenken: wij zijn in Zijn hand. En: Hij geeft ons ook dat we iedere dag weer ons best doen om naar Zijn wet te leven. Er is dus alle reden voor een permanent ‘dank U wel’.

Eigenlijk kicken we allemaal op macht. Een belangrijke baan, een leidinggevende functie… – die willen wij eigenlijk allemaal wel.
Wij zullen er met z’n allen tegen moeten vechten om onszelf belangrijk te gaan vinden. Want wij zijn in kinderen van God. Prinsen en prinsessen in Zijn koninkrijk!

Gods wet zal, als het goed is, altijd het kader van ons aardse leven wezen.
Niet als een keurslijf, een harnas. Het is onze leefregel om te laten zien hoe blij wij zijn met het Goddelijk beleid!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 34, vraag en antwoord 94.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, vraag en antwoord 1.
[3] Exodus 20:2-17.

28 maart 2017

Ootmoed en onderwerping

De Here gebiedt mij “dat ik de enige ware God naar waarheid leer kennen, Hem alleen vertrouw, met alle ootmoed en geduld mij aan Hem alleen onderwerp”.
Zo staat dat in Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus[1].

Die ootmoed, die onderwerping staat haaks op deze wereld.
Waarom?
Uit onderstaande voorbeelden zal dat blijken. Die voorbeelden zijn gebaseerd op de werkelijkheid van 2017.

1.
Een mevrouw krijgt een zalf voorgeschreven van de huisarts. Zij gaat naar de apotheek. Aldaar blijkt dat die zalf € 79 kost en dat mevrouw die zalf zelf moet aanschaffen.
‘Dat ga ik niet betalen’, zegt die mevrouw.
‘Wilt u niet beter worden?’, vraagt de baliemedewerkster. ‘Die vraag is zo ontzettend dom, dat ik daar niet op inga. Oké?’, zegt mevrouw streng.
In de apotheek krijgen de medewerkers een gouden idee. Die zalf van hierboven bestaat namelijk uit vier componenten. Men doet die componenten elk in een tube. Resultaat: vier tubes zalf. Daarvan moet er één worden betaald, ad € 4. De rest wordt vergoed door de zorgverzekeraar. Als die zalfjes over elkaar heen worden gesmeerd is het door de huisarts beoogde resultaat bereikt…
Dat is, op z’n zachtst gezegd, een tikje merkwaardig. Het ruikt wel heel erg naar geld-uit-de-zak-klopperij!
2.
In één week tijd komen er bij één gezin drie verkeerde facturen binnen. Voor één volgt er zelfs nog een herinnering. De heer des huizes belt en mailt er even zovele keren achteraan. ‘O pardon meneer… ja… dit is fout. Excuses!’. Als de heer des huizes die facturen met één oog dicht had voldaan was hij nu tussen de € 100 en € 150 armer geweest.
Wat is dit voor samenleving?
U voelt wel: in dergelijke gevallen is het moeilijk om ootmoedig te blijven.

Ootmoed en onderwerping worden ons in onze maatschappij in ijltempo afgeleerd.

Toch roept de Bijbel ons tot bescheidenheid op.
Ik wijs u op woorden uit 1 Petrus 5.

“Evenzo, jongeren, wees aan de ouderen onderdanig; en wees allen elkaar onderdanig. Wees met nederigheid bekleed, want God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade”[2].
De Heidelbergse Catechismus attendeert ons in de Schriftverwijzingen onder meer naar deze woorden.

Onderdanig en nederig: dat klinkt wereldvreemd. Dat wordt toch nooit meer wat in deze maatschappij? U moet voor jezelf opkomen. Als u dat niet doet, zit u binnen de kortste keren in de hoek waar de klappen vallen. Nietwaar?

Maar in 1 Petrus 5 staat meer.
Wij lezen: “Verneder u dan onder de krachtige hand van God, opdat Hij u op Zijn tijd verhoogt.
Werp al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u.
Wees nuchter en waakzaam; want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden.
Bied weerstand aan hem, vast in het geloof, in de wetenschap dat hetzelfde lijden ook aan al uw broeders in de wereld opgelegd wordt”[3].

In 1 Petrus 5 staat niet dat wij maar stilletjes in een hoekje moeten wachten op al datgene wat ons overkomt. Er staat niet dat wij alles maar moeten slikken.
Er staat dat wij eerbied moeten hebben voor de hoge God.
Er staat dat wij, als wij die houding aannemen, een plaats aangewezen krijgen in het koninkrijk van de hemelen.
Er staat dat wij behoren te volharden in het geloof dat de hemelse Heer voor ons zorgt.
Er staat dat die volharding hard nodig is, omdat de duivel met een niets ontziende ijver op zoek is naar mensen die Hij van de Verbondsgod af kan troggelen.

Een exegeet noteert in verband met 1 Petrus 5: “Niemand mag zich boven de ander verheffen, want allen zijn immers broeders (…). Alle gelovigen zullen elkaar onderdanig zijn (…), zich jegens elkaar omgorden met nederigheid (…), dat wil zeggen de ander in de gemeente hoogachten en dienen”[4].

Wanneer wij 1 Petrus 5 lezen, moeten we tot de conclusie komen dat de sfeer in de kerk wezenlijk behoort te verschillen van die in de wereld.

En nu wordt een kernpunt van Zondag 34 der Heidelbergse Catechismus blootgelegd: er is een enorme kloof tussen kerk en wereld. Er is een antithese, een diepe tegenstelling tussen Gods kinderen en de samenleving.
In de wereld heerst een sfeer van: ik weet het beter dan jij.
In de wereld heerst een sfeer van: opgepast, voor je ’t weet word je benadeeld.
In de kerk is de vraag: waarmee kan ik u van dienst zijn?
In de kerk is de vraag: hoe kan ik de God van het verbond vandaag het beste dienen?

Daarom is bij ruzies en meningsverschillen in de kerk altijd de vraag: hoe denkt u, met uw manier van doen, de Here God te dienen? Oftewel: is dit alles naar de tien woorden van Gods verbond, die in Zondag 34 opgenomen zijn?

Het is altijd lonend om in ons dagelijkse doen die tien woorden regelmatig te repeteren.
In de kerk, maar ook in de maatschappij.
Dan wordt het ook makkelijker om in een dolgedraaide samenleving als de onze staande te blijven.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 34, antwoord 94.
[2] 1 Petrus 5:5.
[3] 1 Petrus 5:6-9.
[4] Zie de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Petrus 5:5-9.

8 maart 2016

Door God ge-leer-d

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus gaat over de wet van de Here. Alle tien geboden staan op een rij.
Over die Zondag wordt regelmatig gepreekt.
En misschien bekruipt ons de gedachte: nu weten we het zo langzamerhand wel. Iedere zondag klinkt die wet, in weet-ik-hoeveel kerken en kerkgenootschappen.

Dat wij het allemaal heel goed weten is echter het punt niet.
De kwestie is dat we er ook naar moeten doen.
En daar gaat het heel vaak mis.

Onlangs verscheen het boek “Zie hoe alles hier verandert” van de bekende socioloog G. Dekker[1].
Die boektitel spreekt overigens al boekdelen. De titel komt namelijk uit het derde vers van het bekende lied ‘Rust mijn ziel, uw God is Koning’:
“Rust mijn ziel, Uw God is Koning,
Wees tevreden met uw lot.
Zie hoe alles hier verandert
En verlangt alleen naar God”[2].
Welnu, de emeritushoogleraar Dekker zegt: wat er vroeger in de synodale kerken gebeurde, zien we nu terug in de breedte van de reformatorische wereld. En de impliciete boodschap van Dekker is duidelijk: schuil toch bij de God van hemel en aarde!

Als wij die conclusie tot ons nemen, realiseren wij ons alras hoe belangrijk het is om scherp te blijven.
Wij allen – ja, ook de ouders en de ouderen – hebben de neiging om de teugels te laten vieren. Onder invloed van de tijd. Onder druk van onze agenda’s.
Wat is het belangrijk om Gods Woord op alle terreinen volop te laten gelden!

In dit verband wijs ik graag op Deuteronomium 16.
In dat hoofdstuk lees ik over feesten. Drie feesten, om precies te zijn. “Driemaal per jaar zal ieder die onder u van het mannelijk geslacht is, voor het aangezicht van de Here, uw God, verschijnen op de plaats die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde broden, op het feest der weken en op het loofhuttenfeest. Maar hij zal dan niet met lege handen voor het aangezicht des Heren verschijnen: ieder naar zijn vermogen, naar de zegen die de Here, uw God, u gegeven heeft”[3].
In dat hoofdstuk is het een refrein: “de Here, uw God”. Onze Heer is niet een God van ver. Hij is niet de God van andere volken. Nee, wij horen bij Hem. Hij heeft een verbond met ons.

“Ik ben de Here, uw God”.
Zo begint Gods wet.
De inzet is niet: u moet dit, en u moet dat.
Nee, de start is: ‘Ik ben de Here. Ik hoor bij u en en u hoort bij Mij. En Ik zal u zegenen. U bent daar natuurlijk dankbaar voor. Toon dat dan maar door te leven met de tien geboden, in hoofd en hand’.

In dat boek van dr. Dekker wordt gezegd: er is een verschuiving van de leer naar het leven.
Professor Dekker zegt zelf dat er een verschuiving is “van de aandacht van de leer naar het leven. Het gaat er niet om in welke waarheid je gelooft, maar hoe je leeft. De breekpunten in kerken liggen tegenwoordig bij ethische kwesties, zoals abortus, homoseksualiteit, de vrouw in het ambt”.

Dat zo zijnde is het eigenlijk wel logisch dat de toekomst van kerkmensen niet zo in beeld is. “De zekerheid over het bestaan van een hemel en een hel neemt af. Men concentreert zich steeds meer op het aardse leven. Deze ontwikkeling begon in de Gereformeerde Kerken in de tweede helft van de twintigste eeuw, sijpelde door naar de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) en doet haar nu intrede bij de bevindelijk gereformeerden”.
Dekker zegt ook: “De sterkere gerichtheid op het hier en nu uit zich in een veranderde levensstijl. Er is een grotere vrijheid met betrekking tot kleding en haardracht. Velen zien de normen daarvoor niet langer als van God afkomstig, maar meer als traditie.

Als gevolg van het hogere opleidingsniveau van jongeren en de toegenomen openheid naar de wereld neemt de weerstand tegen veranderingen af. Antropologe José Baars-Blom schreef zelfs in haar onderzoek onder reformatorische meisjes: ‘Hoe oprecht gelovig en bewust ook; uiteindelijk is geen heilig huisje veilig’. Veel reformatorische jongeren richten hun leven hetzelfde in als hun niet-gelovige leeftijdsgenoten”[4].

Wat leren wij hieruit?
In ieder geval wel dit.
Als wij een eenzijdig accent op het christelijk leven leggen, raakt de leer uit zicht. En dan gaat het verkeerd in de kerk. Helemaal verkeerd.
De leer mag nooit worden vergeten!

In de tien geboden leer-t de Here ons hoe wij, overal en nergens, in het leven onze dankbaarheid kunnen uiten.
Hij leer-t ons hoe het contact met de Here kan worden geconstrueerd en geïntensiveerd.
Hij leer-t ons hoe de omgang met onze naasten er uit moet zien.
Als wij dat op deze manier noteren, zien we dat de leer reuze belangrijk is!

Mensen zijn altijd eenzijdig.
Hoe begaafd zij ook zijn, hoeveel talenten zij ook ontvangen, altijd hebben mensen ook zwakke kanten.
Daarom moet de leer er bij ons worden ingepompt.
Van d’ allervroegste jaren.
En geldt dan: jong ge-leer-d, oud gedaan? Nee dus. Daar zit nu precies het probleem. Die tien geboden moeten we steeds weer repeteren. En wij moeten ons realiseren dat wij steeds weer bij onze Verbondsgod in de leer moeten.

Maar altijd begint die wet met die prachtige proclamatie: “Ik ben de Here, uw God”.
Als wij beseffen wat dat betekent wordt het leven een stuk feestelijker. Net als in Deuteronomium 16.

Noten:
[1] De gegevens van dit boek zijn: Gerard Dekker, “Zie hoe alles hier verandert; het verloop van de gereformeerden”. – Utrecht: VBK Media (Uitgeverij Kok), 2016. – 144 p.
[2] “Rust mijn ziel, uw God is Koning” is als gezang 179 opgenomen in de kerkelijke liedbundel van de Nederlands Hervormde Kerk uit 1938.
[3] Deuteronomium 16:16 en 17.
[4] “En de kerk veranderde mee”. In: Kruispunt, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, 25 februari 2016, p. 2

17 februari 2015

Kernpunt van ons leven

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

“Wat gebiedt God in het eerste gebod?”
Die vraag roept in Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus om een antwoord. De eerste zin van dat antwoord luidt: “Ten eerste dat ik, als mijn heil mij lief is, alle afgoderij, tovenarij, waarzeggerij, bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen vermijd en ontvlucht”[1].

Bij dat aanroepen van heiligen of andere schepselen verwijst de Catechismus ons onder meer naar Openbaring 19. Namelijk naar deze tekst: “En ik wierp mij neder voor zijn voeten om hem te aanbidden, maar hij zeide tot mij: Doe dit niet! Ik ben een mededienstknecht van u en uw broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie”[2].

Dat lijkt een wat merkwaardige verwijzing. Het boek Openbaring geeft ons toch een blik in de toekomst? Wat is dan het verband met afgoderij, tovenarij en wat daar verder volgt?

Als we Openbaring 19 bekijken, zien we dat dat een hoofdstuk is waarin een grote en zeer overtuigende overwinning wordt gevierd[3].
De overwinning op Babylon namelijk.
Babylon: die naam verwijst in de Openbaring naar de stad Rome en de goddeloosheid in de eindtijd[4]. De tegenstanders van God zijn dus overwonnen!
Reden voor een feestzang in de hemel!
Iedereen doet mee:
* Een grote menigte: een geweldig koor zingt de lof op God
* Vierentwintig oudsten. Die oudsten komen we in Openbaring 4 ook tegen. Wie het zijn is niet helemaal duidelijk. Zijn het engelen, misschien? Dat zou kunnen – maar gewone engelen zijn het niet. Weerspiegelen ze de vierentwintig priesterklassen uit 1 Kronieken 24? Of de vierentwintig groepen Levieten die in 1 Kronieken 25 de Here in de tempel loven? Zij bekleden in ieder geval een leidinggevende positie. Feit is bovendien dat zij namens alle gelovigen handelen.
Het zou kunnen gaan om verheerlijkte gelovigen, zeg maar: de leidinggevenden in de hemelse gemeente.
Andere uitleggers menen dat we hier de twaalf stammen van Israël en de twaalf apostelen zien. De kerk van het oude en nieuwe verbond, dus.
* Vier dieren. Dat zijn vertegenwoordigers van de schepping: roofdieren, tamme dieren, mensen, vogels.
Kortom, alles en iedereen participeert in het feest!

Hoor!
Er klinkt een luide proclamatie. ‘Onze God heeft het koningschap aanvaard’.
En de kerk blijkt er klaar voor om haar Bruidegom te ontmoeten. “……en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen”[5].

Johannes moet iets opschrijven.
Dit: “Zalig zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams”[6].
Geweldig is dat. Dat is het mooiste staatsbanket dat maar denkbaar is!

Johannes krijgt zijn instructies van een engel.
Waarschijnlijk is het nog dezelfde engel die in Openbaring 17 de uitleg omtrent de grote hoer gegeven heeft.
Maar Johannes is verbijsterd. Zeer onder de indruk. Dit grootse uitzicht maakt hem sprakeloos. Werkelijk totaal sprakeloos. En dat is warempel geen wonder. Als je zulke grote dingen ziet, dan ga je met open mond staan kijken. Dan schieten woorden tekort.
En daarom gaat Johannes aanbidden. Hij beseft het: hier kan ik niet tegenop. Hij realiseert zich: dit kunnen mensen niet maken. Hij begrijpt: dit grootse perspectief kunnen mensen niet construeren. Dit is typisch werk van God.
En daarom zegt de engel: Doe dit niet! Aanbid God!

De reden dat de engel ingrijpt staat er bij: “Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie”.
Die zin zou, als u het mij vraagt, tenminste twee dingen kunnen betekenen:
* het is kenmerkend voor de Heilige Geest dat hij getuigt van Jezus Christus
* de profetie van de Openbaring is tot stand gekomen door het getuigenis van Jezus Christus.
Het getuigenis van Jezus Christus, zeg maar: het Evangelie omtrent het reddingswerk dat Hij voor ons voltooid heeft, leidt tot een prachtig nieuw begin.
Paradijselijke verhoudingen keren terug.
Er komt een heerlijke harmonie die nooit meer ophoudt.
De zonde is voor altijd de wereld uit; op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde kan de sfeer door niets of niemand meer bedorven worden.

Kortom:
* Jezus Christus staat centraal
* in alles en iedereen is Zijn schitterende werk te zien.

Daarom is het aanroepen van allerlei heiligen verkeerd.
Het aanbidden van Maria Magdalena, of Petrus, of wie dan ook: dat is geen goede zaak.
Mediteren als boeddhist: dat heeft werkelijk geen enkele zin.
Bezinning voor een privéaltaartje in een eigen kapelletje: ach, laat het maar.
Het moet voor iedereen duidelijk wezen: Christus zal alles in allen zijn!

Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus verwijst ons naar het kernpunt van ons leven: Jezus Christus, de Redder der wereld.
Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus verwijst ons ook naar het hoogtepunt van ons leven: het hemels paradijs.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 34, antwoord 94.
[2] Openbaring 19:10.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel.
[4] Zie http://christipedia.nl/Artikelen/B/Babylon .
[5] Openbaring 19:7 en 8.
[6] Openbaring 19:9.

23 december 2013

Wet en advent

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Wij leven naar de Kerstdagen toe. Twee dagen van lieflijkheid en vrolijkheid. Van feestvreugde en van familiaire hoogtepunten. Van goede sfeer en van lekker eten.
In die situatie lijkt het niet voor de hand te liggen om over Gods wet te spreken. Wat hebben het Kerstfeest en de Tien Geboden met elkaar te maken?

Gistermiddag is in onze kerk – De Gereformeerde Kerk Groningen – een preek over Zondag 34 gelezen. Dat is die Zondag waarin een begin wordt gemaakt met de behandeling van de wet des Heren.
Graag geef ik vandaag enkele overpeinzingen omtrent dat thema door.

In Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus lees ik: “Afgoderij is in plaats van de enige ware God, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen stelt”[1].

De Here roept ons op om ons op Hem te verlaten.
Steun op mij, zegt Hij. Het maakt niet uit welke taferelen er aan uw ogen voorbij trekken. Het doet er niet toe wat uw positie is.
Reken maar op Mij, zegt de God van hemel en aarde. Gewoon in de realiteit van alledag.
Die realiteit is dat we ons nooit helemaal aan Gods wet houden.
Welnu, op het Kerstfeest vieren we de komst van Gods Zoon op deze aarde. Paulus omschrijft in de brief aan de Romeinen het doel van Zijn komst zo: “…de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods. Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees – God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest”[2].
We zijn vrijgemaakt!
We zijn vrij van de beperkende regels die de zonde ons oplegt. Wij kijken niet slechts naar aardse dingen. Of naar liefdevolle relaties. We richten ons niet alleen maar naar ons eigen gevoel. We zeggen niet: hier op aarde moet het gebeuren, want voordat je ’t weet is ons leven afgelopen. We kijken veel verder.
Wij zien het werk van Jezus Christus. Wij bouwen op Hem. Hij heeft aan de “eis van de wet” voldaan. Nu krijgt ons leven een weids perspectief!

In een krant stond het navolgende rijmpje:
“Een vrouw op school gleed met haar kersttaarten onderuit en huilde:
moet dit nu echt allemaal voor die heilige spruit?
Alle haastende moeders beaamden dat in koor;
we verlangen allemaal naar een maand geen bereik en gehoor.
Dus volgend jaar verdwijn ik een maand en brei ik een stal,
misschien dat de vrede dan wat meer indalen zal”[3].
Ziehier een interessante samenvatting van het levensgevoel van 2013. Men is op zoek naar rust. Men wil even niet bereikbaar wezen. Men wil terugkeren naar zichzelf. Indalen, noemt men dat. Al breiend zal men hopelijk vrede voelen. Maar de echte, eindeloze vrijheid vindt men niet…

Jezus Christus heeft, om zo te zeggen, in het Verbond altijd bereik. Hij werkt planmatig naar een glorieuze toekomst waarin Hij, samen met alle door Hem gekochte kinderen een eeuwige en allesomvattende vrede in stand zal houden.
In de kerk zitten dankbare mensen, die dat perspectief voortdurend mogen blijven zien.
Ten diepste is dat de reden dat ware gelovigen zich nu al in het kader van Gods wetten bewegen.

Het leven naar die wet is ook een proef: wandelen Gods kinderen echt met God, of is godsdienst eigenlijk maar een farce?
Dat is niet nieuw.
Denkt u maar aan Exodus 16. Als de Here het manna als voedsel geeft, zegt Hij erbij: “Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen; dan zal het volk uitgaan en verzamelen zoveel als voor elke dag nodig is, opdat Ik het op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn wet”[4].
Leven binnen wettelijke kaders: daarmee prepareren we ons op een veelbelovende toekomst. De hemelse God eist in het verbond dat wij leven met Hem, en ons aldus voorbereiden op het samen wonen met de almachtige God, in Zijn hoge woonplaats.

Elke dag mogen wij tonen hoe dankbaar wij zijn voor de redding die onze Heiland bewerkte.
Elke dag mogen wij van het uitzicht genieten: het uitzicht op de hemel.
In Mattheüs 5 zegt Jezus: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen”[5].
Een exegeet schrijft daar bij: “Hoewel er dus geen sprake is van een ontbinden van het gezag van het Oude Testament, is het wel zo dat de wet en wil van God nu in een nieuwe gedaante verschijnen en dat de beloften en eisen van het Koninkrijk van God die van het oude verbond overtreffen (…). De wet behoudt dus zijn geldigheid, echter niet in zichzelf, maar in de vervulling, in de eisen van het Koninkrijk van God”[6].

Is er verband tussen Gods wet en advent?
En tussen Kerst en Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus?
Dat zou ik wel denken!
De wet beproeft ons: lopen wij nog op Gods weg?
De wet geeft Gods kinderen een geweldig panorama. Als we nu dankbaar naar Gods wet gaan leven, dan wordt het in de kerk buitengewoon aangenaam. Wij leven met de geloofskennis van de geboorte van Jezus, die – om zo te zeggen – op de Eerste Kerstdag ter wereld kwam. Hij volbracht de taak die Zijn Vader Hem gegeven had. Daarom heeft Gods volk een breed gezichtsveld.

Mensen uit de wereld begrijpen dat niet.
Het zij zo.
Ze komen er nog wel achter.

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 34, antwoord 95.
[2] Romeinen 8:2, 3 en 4.
[3] Theanne Boer, “Kerst Lukt” – column. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 20 december 2013, p. 10.
[4] Exodus 16:4.
[5] Mattheüs 5:17.
[6] Zie de webversie van de Studiebijbel, commentaar bij Mattheüs 5:17-20.

4 december 2012

Goddelijk schoonschrift

Vandaag publiceer ik een artikel waarin de presentatie van Gods wet centraal staat.
In Zondag 34 van de aloude Heidelbergse Catechismus worden aan die presentatie weinig woorden vuil gemaakt:
“[vraag:] Hoe worden deze tien geboden ingedeeld?
[antwoord:] In twee tafelen”[1].
Daarna gaat het meteen over de indeling van Gods wet.

Over die indeling wil ik het vandaag niet hebben.
Graag concentreer ik mij op de introductie van de Tien Woorden.
Die introductie geeft namelijk veel te denken.
Dat zal hieronder wel blijken.

Wie nadenkt over de manier waarop Gods wet in de wereld is gekomen, kan in zijn fantasie een paar plaatjes maken.
Op het eerste plaatje dat hij in zijn hoofd maakt, ziet hij een ontmoeting tussen de Here God en de mens Mozes. Er vindt, zo te zien, een intensief gesprek plaats.
Op het tweede plaatje ziet hij Mozes ijverig schrijven.

Maar daar gaat het bij de Tien Woorden niet om.
In Exodus 31 lezen wij namelijk heel wat anders.
Daar lezen wij dat de Here God Zijn wet aan Mozes presenteert. De Here geeft Zijn verbondswoorden aan de wereld.
De schrijver van het Bijbelboek Exodus vermeldt: “En Hij gaf aan Mozes, toen Hij geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinaï, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven door de vinger Gods”[2].

Mozes wordt geen secretaris van God.
Welnee.
Het is de Here Zelf die Zijn Verbondswoorden opschrijft.
De wet van God komt uit de hémel.
Gods geboden blijken te zijn opgetekend in Goddelijk schoonschrift.

Hoe wordt de presentatie van de wet ingeleid[3]?

1.
In Exodus 31 lezen wij over Bezaleël en Oholiab. Deze twee bouwkunstenaars worden aangewezen om de bouw van de tabernakel te coördineren. De opdracht daartoe wordt in Exodus 25 verstrekt: “En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen. Gij zult het maken overeenkomstig alles wat Ik u toon, het model van de tabernakel en het model van al zijn gerei”[4]. In Exodus 26 vinden we vervolgens de bouwinstructies voor dat heiligdom, de tabernakel. Bezaleël is vervuld met de Geest van God. Aan wijsheid, inzicht en kennis ontbreekt het hem niet. Zijn naam betekent: in de schaduw en bescherming van God.
Oholiab is zijn eerste assistent. Diens naam betekent: de Vader is mijn tent.
In dit hoofdstuk wordt ook een lijst gegeven van de voorwerpen die de bouwlieden moeten maken.

2.
In Exodus 31 treffen wij verder voorschriften voor de sabbat aan.
Die regels waren al bekend. Maar ze worden nu dus nog eens herhaald.
De Here maakt duidelijk:
* welke tijd aan Zijn eer dient te worden gewijd
* welke plaats voor Zijn eer dient te worden gereserveerd.
Wat leren wij uit dat alles? Naar mijn idee in ieder geval dit: onze dienst aan de Here is geen zaak van eigen vormgeving. Die godsdienst is geen kwestie van individueel gevoel, of van persoonlijke energie. Ware godsdienst heeft vaste, en van bovenaf verstrekte kaders.
Er is méér te zeggen.
De Sabbat is namelijk een teken tussen de Here en Zijn volk. De Here zegt tegen Mozes: “Gij dan, spreek tot de Israëlieten: maar mijn sabbatten moet gij onderhouden, want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet, dat Ik de HERE ben, die u heilig”[5].
Sabbat laat zien: de Here heiligt Zijn volk.
Dat maakt ook iets duidelijk over de zondag. Wie zich aan de zondagsrust houdt, maakt duidelijk: de Here heeft mij geheiligd. Als we spreken over zondagsrust, betekent dat eerst en vooral: we stellen de kerkdiensten centraal. Wij krijgen de rust om ons helemaal op Gods Woord te concentreren. En die rust geeft God.
Ik keer weer terug naar de sabbat.
De sabbat is een teken dat God Zijn kinderen in de wereld apart zet. ’t Is zeer belangrijk dat Gods kinderen heilig blijven; op óntheiliging van de sabbat staat de doodstraf[6].
De sabbat is een symbool voor het verbond dat de Here met Zijn volk gesloten heeft. In dat verbond is er rust. Het is, om zo te zeggen, een inleiding op de rust die er te Zijner tijd in een volmaakte wereld heersen zal.
Leest u maar even mee: “De Israëlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altoosdurend verbond. Tussen Mij en de Israëlieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept[7].
En vandaag?
Vandaag mogen wij weten dat de Here een eeuwig verbond sluit met ál Zijn kinderen. Zij zijn op weg naar de volkomen rust. Zij hebben te maken met een heerlijke re-creatie, een structurele herschepping.
Zo leren wij wat eigenlijk het karakter van onze zondag moet zijn!

3.
Mozes logeert, blijkens Exodus 24, veertig dagen bij de Here[8]. Wat heeft hij al die tijd met de Here bepraat? Er moet intensief contact tussen die twee geweest zijn. Van al die besprekingen horen we echter niets. Helemaal niets. Dat, geachte lezer, vind ik tekenend. Het is, dunkt mij, ook iets om vooral niet ‘overheen te lezen’.
Vandaag de dag horen wij nog wel eens over ‘stille tijd’. Er worden allerlei tips gegeven over de manier waarop u en ik die stille tijd vorm kunnen geven[9]. Ter bemoediging van ons allen wordt ons meegedeeld hoe Jezus in het Nieuwe Testament stille tijd hield[10]. Over stille tijd wordt, kortom, door velen nagedacht[11].
Maar over het innige contact tussen God en Mozes, daar op die berg, lezen we niks. Bijbellezers hebben daar klaarblijkelijk niets mee te maken. Als zij behouden willen worden, hoeven zij niet te weten wat daar gedurende die veertig dagen besproken is. Zij hoeven ook niet te weten hoe vaak er gezwegen is, en waarom. Zij hoeven slechts te beseffen dat er contact wás. Zij hoeven alleen maar te weten dat de Here God en Zijn dienaar Mozes ruim vijf weken lang intensief met elkaar optrokken.
Mozes wandelde met God. Dag en nacht.
Wandelen met God: dat moet de kernkwestie in ons leven zijn. Dáár gaat het om. Het is niet noodzakelijk om daar allerlei regels voor te stellen.
Wandelen met God: dat is genoeg!

Nu komen we bij de eigenlijke presentatie van Gods wet.
Twee platen zijn het, beschreven met de vinger van God.
Met die vinger Gods wordt, als ik mij niet vergis, de antithese gesteld. De tegenstelling tussen kerk en wereld wordt scherp getekend.
Ik herinner u in dezen aan Lucas 11.
Ik citeer maar even: “En Hij was bezig een boze geest uit te drijven en deze was stom. En het geschiedde, toen de geest uitgevaren was, dat de stomme sprak. En de scharen verwonderden zich. Doch sommigen van hen zeiden: Door Beëlzebul, de overste der boze geesten, drijft Hij de geesten uit. Anderen begeerden, om Hem te verzoeken, van Hem een teken uit de hemel. Maar Hij kende hun gedachten en zeide tot hen: Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en het ene huis valt op het andere”[12].
In Lucas 11 ontstaat dus discussie over de status van Jezus.
In reactie op die gedachtewisseling zegt Jezus: “Maar indien Ik door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen. Wanneer een sterke, goed gewapende man zijn eigen hof bewaakt, is zijn bezit in veiligheid. Maar wanneer iemand, die sterker is dan hij, hem aanvalt en hem overwint, rooft deze zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit. Wie met Mij niet is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit”[13]. Met andere woorden:
* Gods kracht gaat ver boven de energie van aardse duivelbestrijders uit
* Gods Koninkrijk is niet alleen een zaak van de toekomst, maar ook van het heden
* De hemelse God overwint de duivel. De Satan kan zijn bezit nóg zo goed beheren, als de Here in het leven binnen dringen wil lukt Hem dat altijd.
* De Here God verslaat Zijn tegenstander. Van aardse macht blijft niets over.
* In de strijd tussen God en Satan, tussen geloof en ongeloof, tussen kerk en wereld is onpartijdigheid onbestaanbaar.
De vinger Gods: dat is de manifestatie van Zijn macht.
De vinger Gods: die laat zien dat Hij de wereld beheerst.
De vinger Gods: die geeft de kaders voor het leven van vandaag en morgen.
De vinger Gods: die wijst naar de beloften van de toekomst.
Het is die vinger waarmee de hemelse Heer Zijn Verbondsregels vereeuwigt.

De wet van God staat op twee platen.
Zo leren we dat in Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus. Zonder omwegen.
Maar, geachte lezers, in die simpele mededeling wordt het heilig Evangelie geproclameerd.
Want die platen zijn immers beschreven met de vinger Gods. En de resultaten van dat Goddelijke werk vinden we vandaag terug in onze Bijbels.
Dat Goddelijke werk ligt voor het grijpen in een gebroken wereld. In onze wereld zijn relaties zomaar stuk. In onze wereld is het zomaar oorlog. En ach – u weet het zelf: er zijn problemen te over.
Maar als die vinger van God al zoveel vermogen heeft, hoe groot moet dan de kracht van Gods beide handen zijn!

Gods vinger schreef de wet.
Hij zal er, met alle macht die Hij heeft, voor zorgen dat Zijn Koninkrijk komt!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 34, vraag en antwoord 93.
[2] Exodus 31:18.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Exodus 31.
[4] Exodus 25:8 en 9.
[5] Exodus 31:13.
[6] Exodus 31:15: “Zes dagen mag men arbeiden, maar op de zevende dag zal er een volledige sabbat zijn, de HERE geheiligd: ieder die op de sabbatdag werk verricht, zal zeker ter dood gebracht worden”.
[7] Exodus 31:16 en 17.
[8] Exodus 24:18: “Mozes ging de wolk in en besteeg de berg. En hij bleef op de berg veertig dagen en veertig nachten”.
[9] Zie bijvoorbeeld http://www.deboodschapvandebijbel.nl/doc/basprak6.htm .
[10] Zie http://www.allaboutgod.com/dutch/stille-tijd.htm .
[11] Ook bijvoorbeeld door de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant dr. J.R. Douma. Zie http://josdouma.wordpress.com/2010/10/01/jij-ook-schuldgevoel-over-stille-tijd/ .
[12] Lucas 11:14-17.
[13] Lucas 11:20-23.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.