gereformeerd leven in nederland

19 juni 2018

Genieten is een gave van God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Drinkt u wel eens een glas wijn?
Schrijver dezes doet dat regelmatig. Eén glas per dag, meestal.

In het Woord van God komen we mensen tegen die aanzienlijk meer wijn drinken. In Spreuken 23 bijvoorbeeld:
“Verkeer niet met hen die zich dronken drinken aan ​wijn,
of onder hen die zich te buiten gaan aan vlees.
Want een dronkaard en wie zich te buiten gaat, zullen arm worden,
en een roes doet verscheurde ​kleren​ dragen”[1].

Die tekst uit Spreuken 23 staat onder Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus. Het is een Schriftbewijs bij de zin: “Ook verbiedt Hij alle hebzucht, evenals alle misbruik en verkwisting van zijn gaven”[2].

De God van hemel en aarde geeft ons veel materialen om te gebruiken.
En ja, aan de één geeft hij meer dan aan de ander. Wij weten allen: het is ongelijk verdeeld in de wereld. Maar daar gaat het nu niet om.
De kwestie is: gebruiken wij die materialen, of verbruiken wij die?
Het is, wat mij betreft, tekenend dat een internetpagina die aan synoniemen gewijd is, bij het trefwoord ‘genieten’ met name focust op begrippen als: beschikken over, bezitten, hebben… Genieten lijkt voor velen pas mogelijk te zijn als je de beschikking hebt over veel geld en/of onroerend goed[3].

U kent vast die verhalen wel over mensen die, op kosten van de zaak, het er op allerlei manieren flink van nemen.
Een topambtenaar die 4400 euro bij de baas declareert, een ambtenaar die voor 190 euro declareert na een dinertje met een journalist van RTL, ambtenaren die omkoopbaar zijn zodat een auto-importeur een miljoenenorder kan binnenslepen – het is in de laatste jaren allemaal langs gekomen[4].

Volgelingen van Christus staan, als het goed is, heel anders in de wereld.

De Here deelt uit ons Zijn gaven uit. En daar mogen wij van genieten.
Prediker zegt in hoofdstuk 3: “Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun ​hart​ gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden. Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beter is dan zich te verblijden en het goede te doen in hun leven, ja ook, dat ieder mens eet en drinkt en het goede geniet van al zijn zwoegen. Dat is een gave van God”[5].
We kunnen het werk van God niet begrijpen. We hoeven de gang van zaken in de wereld niet voortdurend te analyseren. Wij mogen er eenvoudig van genieten.

Dat genieten is op zichzelf trouwens al een gave.
In een situatie van rijkdom ligt dikdoenerigheid op de loer.
Wie over voldoende financiële middelen beschikt, kan ook enigszins zwartgallig denken: ik zit hier rijk te wezen, maar een paar straten verder heerst armoede – wat is deze wereld toch onevenwichtig!
Welnu, de Here geeft ook het genieten. Uit Zijn hand ontvangen wij het gevoel dat wij een buitengewoon aangenaam leven hebben. Hij geeft ons de blijheid: wat mooi dat ik dit allemaal heb!
Genieten: dat betekent niet dat je je dik eet. Schriftuurlijk genieten, dat is: in dank aan God aanvaarden.

Diezelfde Prediker stelt in hoofdstuk 7: “Geniet op de dag van voorspoed van het goede, maar bedenk op de dag van tegenspoed dat God zowel de ene als de andere gemaakt heeft, zodat de mens niet kan doorgronden iets wat na hem zijn zal”[6].
Over oude mensen zeggen we wel eens: zij zijn mensen van de dag. Maar eigenlijk zijn wij dat allen – jong en oud.
En in al onze omstandigheden moeten we bedenken dat God onze dagen maakt. ‘Maak er wat van’, zeggen we soms tegen elkaar. Maar één ding is zeker: God maakt de dag. Die dag vullen wij, als het goed is, zo dat het tot Gods eer is.
En ja, dan zijn de omstandigheden zeer verschillend:
* in kerkelijk werk dat in de huizen van gemeenteleden en in studeerkamers gebeurt
* in de drukte van een bouwbedrijf waar koortsachtig gewerkt wordt om zo snel mogelijk een goed product neer te zetten
* in de keuken, waar een oude man zijn eigen potje kookt.

Juist omdat die omstandigheden zo uiteenlopen, ziet dat genieten er heel verschillend uit. Met een schuin oog op de voorbeelden van hierboven noteer ik het volgende:
* genieten van een goed gesprek over Gods Woord en de praktische consequenties daarvan
* genieten omdat jouw werk in het bouwbedrijf ervoor zorgt dat alle collega’s verder kunnen werken
* genieten van de geur van heerlijke soep.

Genieten – dat lukt in deze wereld vrijwel nooit de hele dag.
Maar juist daarom is het van belang om er ons tijdens die spaarzame genietmomenten van bewust te zijn dat Schriftuurlijk genieten betekent: in dank aan God aanvaarden.

Misschien zegt u: hierboven staat een mooi verhaal.
Maar in mijn omstandigheden lukt dat genieten mij eigenlijk niet zo goed. Vanwege mijn verleden. Vanwege mijn situatie in het heden. En die toekomst in de hemel? Daar zie ik nu nog zo weinig van. Dat laatste zal waar wezen.
Laat ik u dan op Jesaja 65 mogen wijzen. In dat hoofdstuk presenteert de profeet Jesaja, om zo te zeggen, een uitvergroting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Jesaja zegt: “Want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom, en Mijn uitverkorenen zullen lang genieten van het werk van hun handen”[7].
Ziet u het?
Genietmomenten zijn er dan niet meer. Want daar hebben wij te maken met de eeuwige heerlijkheid. Een glorieuze tijd waar niet genieten eenvoudigweg nooit meer aan de orde is.
Als het leven op deze aarde bij tijden moeilijk is, kunnen we ons altijd nog verheugen op het eeuwige genieten in de hemel!

Noten:
[1] Spreuken 23:20 en 21.
[2] Geciteerd uit: Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, antwoord 110.
[3] Zie https://synoniemen.net/index.php?zoekterm=genieten ; geraadpleegd op woensdag 6 juni 2018.
[4] “RTL-journalist at te duur”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 13 november 2015, p. 4; “Corruptie in Nederland”, redactioneel commentaar. In: Nederlands Dagblad, maandag 12 juni 2017, p. 3.
[5] Prediker 3:11, 12 en 13.
[6] Prediker 7:14.
[7] Jesaja 65:22.

30 mei 2017

Gereformeerde hebzucht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Voor zover schrijver dezes weet, heeft hij nog nooit iets gestolen. Zijn inkomen is altijd toereikend geweest om van rond te komen. Toegegeven, in de ene periode was dat wat makkelijker dan in de andere. Maar wij hebben nog nooit op een houtje hoeven bijten.
In de kerk ben ik ook nog weinig mensen tegen gekomen die op het criminele pad raakten.

Toch is het ook aldaar belangrijk om het achtste gebod voor ogen te houden.
In het onderstaande zal dat alras blijken.

“Ook verbiedt Hij alle hebzucht, evenals alle misbruik en verkwisting van zijn gaven”, zegt de Heidelbergse Catechismus in Zondag 42[1].
Hebzucht – wie zou er niet een tweede huis willen hebben in een buitenlands vakantieoord met gegarandeerd mooi weer?
Misbruik en verkwisting van zijn gaven – wie maakt er eigenlijk nooit misbruik van Gods gaven?

Eén van de Schriftteksten waar Zondag 42 naar verwijst is Lucas 3:14: “Ook de soldaten vroegen aan hem: En wij, wat moeten wij doen? Hij zei tegen hen: Val niemand lastig, pers niemand af en wees tevreden met uw soldij”.

Een uitlegger noteert daar het volgende bij.
“Waarschijnlijk worden met ‘die in krijgsdienst waren’ joodse en niet-joodse soldaten bedoeld, die optraden als politietroepen in dienst van Herodes Antipas. Hun werk bestond onder andere uit het begeleiden en beschermen van de tollenaars. Wanneer deze ‘soldaten’ bemerken dat er onder hun beschermelingen, de tollenaars met wie ze in het dagelijks werk zozeer verbonden zijn, sommigen zijn die aan Johannes vragen wat ze moeten doen, roept dat de reactie op: ‘en wij dan?’ Evenals de tollenaars waren zij voor de joden een verachte en gehate groep (…). Zij vragen nu aan Johannes wat de vruchten van de bekering (…) in hun leven concreet betekenen: ‘en wij, wat moeten wij doen?’.
Johannes waarschuwt hen tegen machtsmisbruik, of beter: geweldsmisbruik, bij uitstek de zonde van hun beroep. ‘Plundert niemand uit’ is een technische term uit de juridische sfeer voor ‘mishandelen’ met de bedoeling daardoor geld of bezittingen van de weerlozen ‘af te persen’. Omdat de ‘soldij’ voor deze ‘soldaten’ laag was, was de verleiding groot om die door afpersing te verhogen. Deze ‘soldaten’ worden opgeroepen de eis van de gerechtigheid ten opzichte van de naaste te vervullen, door geweldsmisbruik te vermijden en ‘tevreden te zijn met hun soldij’”[2].

Hierboven wordt natuurlijk een opmerking gemaakt in een tamelijk specifieke situatie.
Maar het is wel duidelijk dat wij op Zijn tijd allen met een teruggang in inkomen te maken krijgen. Als ons pensioen in zicht is. Of wanneer wij geheel en gedeeltelijk worden afgekeurd.
Het kon dus wel eens zijn dat die woorden uit Lucas 3 anno 2017 makkelijker toepasbaar zijn dan wij denken.

Maar het is vandaag vooral iets anders waar ik op wil wijzen.
Dat punt heeft iets te maken met hebzucht.

Mijn stellige indruk is namelijk dat velen in De Gereformeerde Kerken (hersteld), ook financieel gezien, nogal hoge ambities hebben.
Men wil liefst een eigen kerkgebouw ter beschikking hebben. Dat is goed voor de uitstraling van de kerken.
Maar dat kost geld. Veel geld.
Men wil een eigen basisschool stichten. Want in het onderwijs aan onze kinderen worden soms heel verkeerde accenten gelegd.
Maar dat kost geld. Veel geld.

Nu ontken ik niet dat eigen kerkgebouwen feitelijk hard nodig zijn.
En nog minder ontken ik dat onze kinderen op school soms dingen op school leren, waar Gereformeerden het niet mee eens kunnen zijn.
Jazeker, ik ben een voorstander van eigen kerkgebouwen.
Jazeker, ik ben vóór onderwijs dat in alles Gereformeerd is. Natuurlijk. Daar ben ik altijd al voor geweest.

Het zou best kunnen zijn dat in allerlei ouwe sokken, van met name oudere broeders en zusters, nog heel wat bruikbare euro’s zitten. En wij mogen, als er goede plannen gepresenteerd worden, hopen op hun vrijgevigheid.

Mijn punt is echter: accepteren we ’t als het, op dit moment althans, financieel allemaal toch niet mogelijk blijkt te wezen?

Het is, wat mij betreft, in een situatie als deze te zeggen: wij moeten op de Here vertrouwen.
Jazeker, dat moeten wij doen.
Schrijver dezes noteert zonder omwegen: ik ben bereid ervoor te strijden om dat vertrouwen te behouden en groter te maken.
En jazeker, het gebed is daarbij zeer belangrijk. Sterker nog: het is een machtig instrument omdat onze God er kracht aan verleent[3].

Maar vertrouwen wij ook op Hem als het op middellange termijn financieel allemaal niet rond komt?
Kunnen wij dan, net als die soldaten in Lucas 3, tevreden zijn met wat wij hebben?
Of openbaart zich iets van de hebzucht uit Zondag 42? Zo van: als we eigen kerkgebouwen en eigen scholen hebben, dan komt het goed met ons…?
Daar ben ik, eerlijk gezegd, wel een beetje bang voor.

Na de reformatie van 2003 zijn Gereformeerden heel wat kwijtgeraakt. En laten we er maar niet omheen draaien:
* dat is soms moeilijk te verkroppen
* dat is bovendien heel verdrietig.
Maar wij moeten niet uitsluiten dat de Here ons beproeft. Het is niet onmogelijk dat Hij een test uitvoert. De centrale vraag kan zijn: hoe geduldig zijn we, anno Domini 2017?

Deze blogger haast zich om te noteren dat hij geen gedegen onderzoek heeft uitgevoerd naar de financiële draagkracht van de leden van De Gereformeerde Kerken. Verwacht u dus nu vooral geen tabellen met cijfers.

Echter: wat mij betreft zorgen Zondag 42 en Lucas 3 voor een leermoment.
Wij moeten oppassen voor Gereformeerde hebzucht. Wij moeten kerkelijk geduld betrachten.
Dat is moeilijk als je klein bent. Er gaan veel dingen moeizaam als er weinig mankracht beschikbaar is.
Eén ding is zeker: als de God van het verbond dingen afneemt, geeft Hij ons ook dingen terug. En in De Gereformeerde Kerken weten we het best: wij zijn op veel punten rijk gezegend.
Maar Hij geeft meestal niet alles tegelijk. Echt niet.

Noten:
[1] Dat is een zin uit de Heidelbergse Catechismus; en wel uit Zondag 42, antwoord 110.
[2] Ik citeer de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Lucas 3:14.
[3] Jacobus 5:16 b: “Belijd elkaar de overtredingen en ​bid​ voor elkaar, opdat u gezond wordt. Een krachtig ​gebed​ van een rechtvaardige brengt veel tot stand”.

10 mei 2016

Woord, werk en verwachting

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Het gebod ‘Gij zult niet stelen’ heeft, als u het mij vraagt, alles te maken met het niveau waarop wij leven.

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant C. van Dijk zei in een preek over Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus eens: “Hij wil dat wij, dat jij en ik, deugen als mensen. Dat we tot ons recht komen, dat we doen waarvoor we bestemd zijn. En dat is: Gods evenbeeld zijn.
Daarom geniet ons leven bijzondere bescherming. Pleeg geen moord.
Daarom zijn onze relaties bedoeld voor topkwaliteit. Pleeg geen overspel.
En daarom hebben we een taak. Kunnen we niet door te stelen aan de kost komen. Steel niet”[1].
De hemelse God brengt ons leven op een hoger peil!

Laten we elkaar geen mietje noemen. Wij kunnen in ons godsdienstig leven heel goed de schijn op houden.

Dat is ook in het Oude Testament al zo.

In Jeremia 7 draait de Here er niet omheen.
Jeremia zegt: “Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit! Neen, als gij werkelijk uw handel en wandel betert, als gij werkelijk onder elkander recht doet, vreemdeling, wees en weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed vergiet op deze plaats en andere goden niet achternaloopt, u tot onheil, dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw. Zie, gij stelt uw vertrouwen op bedrieglijke woorden, zonder bate. Wat? Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren, voor de Baäl offers ontsteken en andere goden achternalopen, die gij niet gekend hebt – en komt gij dan staan voor mijn aangezicht in dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn geborgen! ten einde al deze gruwelen te bedrijven? Is dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? En Ik – zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des Heren”[2].

Wat betekent dat voor ons, in deze tijd?
Naar mijn overtuiging houdt dat onder meer het volgende in.
1.
Wij moeten eerlijk met onze broeders en zusters omgaan. Rechtvaardig en zachtmoedig. Verborgen agenda’s zijn uit den boze.
2.
Wij moeten aandacht hebben voor vreemdelingen. Als er één ding in onze tijd actueel is, dat is het dat toch wel? Vreemdelingen zijn geen getallen. Het zijn mensen die onze God geschapen heeft!
3.
Wezen, weduwen en weduwnaars mogen wij niet vergeten. Heel vaak kunnen zij wel wat steun gebruiken. In financieel opzicht. Maar ook in geestelijk opzicht. Want het voelt zo vaak alsof je gekortwiekt bent. Voor weduwnaars en weduwen is de glans meestal van het leven af. Het was zo mooi, maar nu
4.
Mensen die zeggen gelovig te zijn, hebben soms ook boeddhabeeldjes in huis staan. En ach, zien die mensen die huisaltaartjes in huis hebben er niet aandoenlijk uit? Welnu, via Jeremia zegt de Here tegen ons: mensen, trap er niet in! En Hij laat ons ook weten: doe vooral niet net alsof je Mij hier echt mee dient; want Ik gruw ervan!

Diefstal is niet zelden een symptoom van de sfeer in een land.
Denkt u in dit verband maar aan Hosea 4: “Vloeken, liegen, moorden, stelen en echtbreken! Men pleegt geweld, bloedbad volgt op bloedbad. Daarom treurt het land, en al wat erin woont verkwijnt, zowel het gedierte des velds als het gevogelte des hemels; ja, zelfs de vissen der zee komen om.
Laat maar niemand een aanklacht inbrengen en laat maar niemand een terechtwijzing uiten, aangezien mijn aanklacht u geldt, o priester! Gij zult struikelen bij dag, en met u zal ook de profeet struikelen bij nacht, en verdelgen zal Ik uw moeder. Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen priester meer voor Mij zult zijn; daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten”[3].
Hosea koppelt het dagelijks leven in zijn land met de gang van zaken in de kerk. Dat doet hij zonder terughoudendheid.
Het volk kent God niet meer. Het volk negeert Hem.
Dat wil niet zeggen dat het volk niet weet wie God is. Natuurlijk hebben ze van Hem gehoord. Maar het leven is er niet naar. De priesters, die het volk Godskennis moeten bijbrengen, doen hun werk niet goed.
Als wij dat tot ons laten doordringen, beseffen we eens te meer hoe belangrijk het is dat het Evangelie luidkeels verkondigd wordt. En we realiseren ons weer dat we moeten doen wat we zeggen.
In de wereld geldt: geen woorden maar daden.
In de kerk geldt: het Woord, het werk en de verwachting.

Ja, ook die verwachting.
Want in Mattheüs 6 staat niet voor niets: “Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn”[4].
In Jezus’ tijd waren pronkgewaden populair. Maar de mot maakte veel kapot.
Ook houten kisten en meubels waren erg geliefd. Het is de vraag of het hier over roest gaat. Wellicht moeten we aan houtworm denken[5].
Hoe dat zij – laten wij ons maar niet al te zeer hechten aan aardse goederen. Die zijn onderhevig aan slijtage; ze gaan naar verloop van tijd zomaar kapot. Als we ons niet al te strak verbinden met aardse spullen wordt vrijgevigheid trouwens ook een stuk makkelijker.
Maar bovendien hebben we hier toch geen definitief domicilie.
Gods kinderen krijgen een vaste verblijfplaats in de hemel. Daar moet onze verwachting op gericht zijn.

Hoe behandelen wij onze naasten?
In Zondag 42 leren wij dat wij het welzijn van onze naaste, waar dat kan, moeten bevorderen. Wij moeten zo met hen doen, als wijzelf willen dat men met ons doet[6].
Als wij bedenken wat God met ons doet, wordt die instructie ineens veel begrijpelijker!

Noten:
[1] Zie https://www.gkvcapelle.nl/index.php/zondag-42/item/528-zondag-42 . Geraadpleegd op maandag 2 mei 2016.
[2] Jeremia 7:4-11.
[3] Hosea 4:2-6.
[4] Mattheüs 6:19, 20 en 21.
[5] Zie hiervoor de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij de Mattheüs 6:19.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, vraag en antwoord 111 luiden:
“Wat gebiedt God u in dit gebod?
Antwoord:
Dat ik het welzijn van mijn naaste, waar ik kan en mag, bevorder en zo met hem doe, als ik wil dat men met mij doet. Bovendien dat ik mijn arbeid trouw verricht, om ook de behoeftige te kunnen helpen”.

21 april 2015

Welzijnsbevorderende kerk

Gij zult niet stelen: dat gebod gaat, als ik mij niet vergis, nogal eens langs Gereformeerden heen. Want dat doe je toch niet als kind van God?

Het komt al een stuk dichterbij als wij de uitleg uit Zondag 42 de Heidelbergse Catechismus er naast leggen: God gebiedt mij ”dat ik het welzijn van mijn naaste, waar ik kan en mag, bevorder en zo met hem doe, als ik wil dat men met mij doet. Bovendien dat ik mijn arbeid trouw verricht, om ook de behoeftige te kunnen helpen”[1].
Met name op het gebied van die welzijnsbevordering laten wij nog wel eens wat liggen!

Zondag 42 spreekt over “alle boze plannen en kwade praktijken, waardoor wij trachten ons meester te maken van het bezit van onze naaste. Dit kan gebeuren door geweld of met schijn van recht zoals bedrog met gewicht, maat, waar en munt…”.
Daarbij wordt verwezen naar Ezechiël 45.

Dat is opmerkelijk.
De profeet Ezechiël kondigt in alle toonaarden het oordeel aan. Aan Israël. En ook aan andere volken. Het laatste deel van de profetie – hoofdstuk 40 tot 48 – wordt gevuld met beschrijvingen van de nieuwe tempel en alles wat daarom heen zit.
Wat hebben het achtste gebod en Zondag 42 daarmee van doen?

De Heidelbergse Catechismus verwijst, zoals ik hierboven al aanduidde, naar Ezechiël 45. En wel naar de volgende woorden: “Zo zegt de Here Here: Het is meer dan genoeg geweest, vorsten van Israël. Laat af van geweld en onderdrukking, handelt naar recht en gerechtigheid; ontlast mijn volk van uw afpersingen, luidt het woord van de Here Here. Gij zult een zuivere weegschaal hebben, een zuivere efa en een zuivere bath; de efa en de bath zullen één geijkte maat hebben, zodat een bath een tiende van een homer bevat, en een efa een tiende van een homer; naar de homer moet de ijking ervan zijn – de sikkel is twintig gera; twintig sikkels, vijfentwintig sikkels en vijftien sikkels zal u een mine zijn”[2].
Wij komen een aantal vreemde woorden tegen. Wat betekenen die?
Efa: een inhoudsmaat van ergens tussen de 20 en 45 liter.
Bath: dat is hetzelfde als een efa, maar dan voor vloeistoffen[3].
Homer: een inhoudsmaat voor vloeistoffen, maar ook voor droge waren als graan. Eén homer is ongeveer 220 liter[4].
Sikkel: dat is een Hebreeuwse munteenheid. Maar hier wordt het woord gebruikt in de oorspronkelijke betekenis: een gewicht van ruim elf gram[5].
Gera: ongeveer een halve gram[6].
Mine: vijftig of zestig sikkels[7].

In Ezechiël 45 is nog meer opmerkelijks aan de hand[8].
Want daar wordt de koning aangesproken. Hoe kan dat? De koning had toen toch helemaal geen politieke macht? Nee. Dat klopt.
Waarschijnlijk moeten we denken aan al het onrecht dat voor God reden was om de ballingschap als straf op te leggen.
In de Oosterse wereld was de koning veelal verantwoordelijk voor de realisering van recht en gerechtigheid. Die taak geeft de Here ook aan de koning van Israël.

Maar in die koning wordt heel het volk aangesproken.
Heel precies heeft de Here hier de maten en gewichten aan. En de conclusie is volkomen duidelijk: fraude op de marktplaats is verboden.
Ook in de Oudtestamentische kerk wordt zuiverheid gevraagd. In en rond de tempel moet de samenleving te herkennen zijn als Godvrezend en godvruchtig.

Wat heeft Zondag 42 ons te zeggen?

Fraude is verboden. Natuurlijk.

Maar Zondag 42 wijst ons ook op de welzijnsbevordering waarvoor in de kerk alle aandacht moet zijn. In dat opzicht moet de kerk alleszins zuiver handelen.
Welzijn: dat woord duidt op een toestand waarin het geestelijk, lichamelijk en sociaal goed met je gaat.
In dat verband speelt geld een grote rol. Als het gaat om onze vrijwillige bijdragen voor de kerk, al of niet vast. En ook als het gaat om onze gaven voor de diaconie.
Het moet ons helder voor ogen staan dat er aardig wat gezinnen zijn waar men moeite heeft om de eindjes aan elkaar te knopen. Vaste lasten, verzekeringspremies en eigen bijdragen slokken een heel stuk van het beschikbare budget op. In ons land is al enige tijd ‘bezuinigen’ het credo. Dat is in heel wat huishoudens pijnlijk te merken.
Ik zou willen zeggen: wie aan die bezuinigingspijn voorbij kijkt, heeft Zondag 42 nog niet helemaal begrepen.

Wat zijn, als het gaat om armoede, kwetsbare groepen in onze samenleving?
Te denken valt aan:
* alleenstaande ouders met kinderen
* mensen zonder betaald werk
* ouderen
* asielzoekers
* mensen met psychische problemen
* mensen met een chronische ziekte of handicap
* gezinnen waarin slechts één persoon betaald werkt
* mensen met een onvolledige AOW
* mensen met een deeltijdbaan
* jongeren[9].
De bovenstaande opsomming maakt duidelijk dat wij allemaal zomaar financieel in de knel kunnen komen. Van de kerk wordt, ook op dit punt, oplettendheid gevraagd!

Kijkend naar de bedoeling van Zondag 42 van de oude Heidelberger, en naar de hierboven geciteerde woorden uit Ezechiël 45, moeten wij onomwonden vaststellen dat wij ons aan diefstal schuldig maken als welzijnsbevordering onvoldoende onze aandacht heeft.

Kinderen van God volgen hun Heer.
Samen met Hem gaan zij de eeuwige toekomst in.
Maar let wel: die eeuwige toekomst is onlosmakelijk verbonden met de kerkelijke praktijk anno Domini 2015!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, antwoord 111.
[2] Ezechiël 45:9-12.
[3] Zie http://christipedia.nl/Artikelen/E/Efa .
[4] Zie http://christipedia.nl/Artikelen/H/Homer_(maat) .
[5] Zie http://christipedia.nl/Artikelen/S/Sikkel_(shekel) .
[6] Zie http://christipedia.nl/Artikelen/G/Gera_(gewichtsmaat) .
[7] Zie http://christipedia.nl/Artikelen/M/Mine .
[8] In deze alinea gebruik ik onder meer https://web.studiebijbel.nl/ (commentaar bij Ezechiël 45).
[9] Dit lijstje is te vinden op http://diaconaalsteunpunt.nl/diaconie/huisbezoek/signaleren/ .

25 februari 2014

Christelijk-autark

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

“Gij zult niet stelen”.
Die vier woorden hebben in deze tijd een nieuwe actualiteit gekregen.
De term ‘geld en goed’ is heden ten dage immers veelal met een rouwrand omlijst.
Het vertrouwen is weg.
Argwaan en aarzeling: voor velen is dat het randschrift van het leven geworden.

Ongeveer een jaar geleden schreef iemand daarover: “Alle pogingen om vertrouwen te herstellen ten spijt, lijkt het op het herschikken van de stoelen op het achterdek van de Titanic. Dolgedraaide inspanningen op het gebied van toezicht en controle ten spijt, lijkt het schip zinkende. Banken verliezen hun vermogen, ziekenhuizen zijn massafabricage-instituten geworden en scholen lijken op Febo-automaten.
En de kerken? Gaat het bij ons gelukkig nog goed? Als ik in de Randstad om me heen kijk, stemt het mij niet gerust. Onze kerken stromen gestaag leeg. De opkomst in middagdiensten is bedroevend laag. Het gezag van ambtsdragers en predikanten is tanende. Kerkenraden die de kerk als een business proberen te runnen, verliezen ondertussen hun predikant en elkaar”[1].

Het vertrouwen is weg, schreef ik hierboven.
In onze wereld kun je op weinig mensen meer rekenen. Het woord ‘wantrouwen’ schrijven we tegenwoordig met een hoofdletter W. U moet op uw tellen passen, anders wordt u zomaar bedrogen.
Dat is buitengewoon vervelend. Erg hinderlijk. Kostbaar, soms ook.
Maar dat het onderlinge vertrouwen in de kerk wegebt, dat is vele malen erger. Want daar – in de kerk – vinden we de gemeenschap van de Here. Daar leven de mensen die zeker weten dat de hemelse God hen verzorgt en beschermt.
Het kan toch niet zo zijn dat door God bij elkaar gezette mensen als los zand aan elkaar hangen?
Het is een ramp voor de kerk als het vertrouwen uit de kerk verdwijnt!

Vandaag staan we in de Westerse wereld op scherp.
Want voordat we ’t weten liggen allerlei privézaken op straat.
Dat geheime diensten massa’s telefoongesprekken afluisteren lijkt nog maar het topje van de ijsberg. Het openmaken van poststukken is heden ten dage niet leuk meer. Wie heeft er nu weer rare dingen bedacht? Moeten we de ons toegezonden rekeningen eigenlijk wel betalen?
Die kleine argwaantjes en grote achterdochten nemen we mee de kerk in.
Wordt er nog wel Gereformeerd geredeneerd? Wordt er nog wel Gereformeerd geleefd?
Als dat niet gebeurt moet je er als toeschouwer wat van zeggen.
Echter: met elkaar in gesprek gaan, dat valt niet mee. De vraag is steeds: komt men ons te na?
Als wij in de kerk op ons gedrag worden aangesproken, gaan onze haren omhoog staan. Wij reageren fel op allerlei aantijgingen. Het beeld dat men van ons heeft, moet ongekreukt blijven. Ons imago is, op de keper beschouwd, uiterst kostbaar.

In het bovenstaande ligt, als ik het goed begrijp, een belangrijke reden voor het feit dat men in heel veel kerken terugschrikt voor het toepassen van de tucht.
We leven in een tijd waarin leugen, bedrog, fraude en misleiding aan de orde van de dag zijn. In zo’n wereld moet men heel hard werken om overeind te blijven.
Het algemene gevoelen van 2014 is daarom: als de mensen op het kerkplein ook nog moeilijk gaan doen, wordt het helemaal niks meer; weg met de kerkelijke tucht!

Maar ook vandaag is de prediking van het achtste gebod belangrijk voor de kerk.
In de kerk spreken we de Bijbel na. We leven naar Gods Woord.
Ook als het, maatschappelijk bezien, wellicht niet zo goed uit komt.

Hoe moeten ware gelovigen het gebod “Gij zult niet stelen” in praktijk brengen?
Antwoord: door tevreden te zijn met datgene wat we hebben.
Jazeker, dan gebeurt het nog regelmatig dat we te maken krijgen met fouten van instanties die voor ons financieel nadeel met zich meebrengen. Niet alle ergernissen zijn met ingang van heden de wereld uit.
Echter: tevredenheid maakt ons leven wel een stuk evenwichtiger.
Wie tevreden is, is beter in staat om het welzijn van mensen te bevorderen.

In verband daarmee vraag ik vandaag graag een ogenblik aandacht voor enkele woorden uit Philippenzen 4.

De apostel Paulus schrijft in dat Schriftgedeelte: “…ik heb geleerd met de omstandigheden, waarin ik verkeer, genoegen te nemen”[2].
In de perikoop waarin die woorden staan, gaat het niet zozeer om de vrijgevigheid die de christenen in Philippi voor hem aan de dag leggen[3]. Paulus verheugt zich vooral over de liefde die de Philippenzen tonen. En over de verantwoordelijkheid die zij nemen.
Voor dat woord ‘ik’ staat er in het Grieks ego. Dat woord kennen wij ook wel.
De apostel wil maar zeggen: de zaak draait niet om mijn ego. Oftewel: het gaat niet om mij persoonlijk.
Het gaat veeleer om het geloof dat in Philippi te zien is.

Voor het Griekse woord dat wij met ‘genoegen’ vertalen staat er in het Grieks autarkes: tevreden. Het heeft de kleur van: bescheiden, matig, sober. Veel wijsgeren uit Paulus’ tijd menen dat dat de hoogste deugd is. Welnu, de apostel gebruikt dat woord hier om te laten zien dat hij niet afhankelijk is van aardse omstandigheden, maar van de Here Jezus Christus.
Wie zijn leven in Gods handen legt, is al gauw tevreden!
In onze hedendaagse taal betekent ‘autarkie’ zelfvoorzienend, of ook: economisch onafhankelijk[4]. Paulus is, om zo te zeggen, Christelijk-autark: hij is niet afhankelijk van de economische wetmatigheden van deze wereld, maar van de Gever van vele gaven.

Het achtste gebod houdt onder meer in dat we verkwisting van Gods gaven tegengaan.
In Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus staat het zo: “Ook verbiedt Hij alle hebzucht, evenals alle misbruik en verkwisting van zijn gaven”[5].
Ten diepste betekent dat: we moeten weer op God leren vertrouwen.
Van daaruit kunnen we elkaar ondersteunen en verder helpen in het leven. We leren weer leven in de kaders van het verbond met God. Hij geeft ons de kracht om samen op de door Hem aangewezen weg te blijven gaan.

In Philippenzen 4 noteert Paulus: “Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek. Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft”[6].
In zijn tijd verrichtte Paulus z’n taak. Daarvoor kreeg hij kracht van God.
In 2014 moeten wij ons werk verrichten. En het is zeker: God geeft ons de energie om onze taak op deze aarde te voltooien.
Als wij ons realiseren dat we christelijk-autark zijn, wordt de stemming op slag een stuk beter. En dan gaan wij het zonder terughoudendheid zingen:
“Open maar uw mond,
bid tot Mij vrijmoedig,
pleit op mijn verbond:
al wat u ontbreekt
schenk Ik, als u ’t smeekt,
mild en overvloedig”[7].

Noten:
[1]
Dick Alblas, “Zonder twijfel het Schip in”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad (21 februari 2013), p. 6. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[2] Philippenzen 4:11b.
[3] In dit artikel gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Philippenzen 4:11.
[4] Zie http://www.encyclo.nl/begrip/Autarkie .
[5] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, antwoord 110.
[6] Philippenzen 4:12 en 13.
[7] Psalm 81:10 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

29 januari 2013

Christelijk burgerschap

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

“Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten”. Die bekende tekst staat in Mattheüs 7[1].
Wie die woorden tot zich door laat dringen, kan denken dat het hier een fatsoensnorm betreft. Een Goddelijke vingerwijzing met betrekking tot omgangsvormen.
Toch is er wat meer aan de hand.
Want deze Bijbeltekst fungeert als Schriftbewijs onder Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus. Die Zondag handelt over het achtste gebod: ‘Gij zult niet stelen’. Die woorden hebben voor ware gelovigen een heel positieve bedoeling. De opstellers van de Catechismus hebben die aldus samengevat: “Dat ik het welzijn van mijn naaste, waar ik kan en mag, bevorder en zo met hem doe, als ik wil dat men met mij doet. Bovendien dat ik mijn arbeid trouw verricht, om ook de behoeftige te kunnen helpen”[2].
Bij het bevorderen van het welzijn van de naaste komt Mattheüs 7 in beeld.
Als we dat welzijn niet bevorderen, stelen we blijkbaar ook.

Het is belangrijk om de positiviteit van dit gebod in de kerk te benadrukken. Niet zozeer omdat de kerk zo negatief bekend staat; men zegt: je mag er niks. Het punt is: wij moeten ons realiseren dat Jezus Zélf heel opbouwend spreekt.
Wie de Here zoekt, zal Hem vinden. De deur van Zijn troonzaal staat open.
Vader luistert naar onze vragen. Vader geeft voedsel als Zijn kinderen daarnaar verlangen.
De hemelse Heer wil niets liever dan dat Zijn kinderen het goed hebben.
Onder die omstandigheden zegt de Here: bevorder het welzijn van uw medemens. En begin dan maar bij de ware gelovigen om u heen.

Het is gemakkelijk om te zeggen: dat verbod om te stelen kennen we nu wel.
We kennen het verhaal over het goed ingevulde belastingformulier. We weten wel dat wij gul giften moeten geven. Enzovoort.
De Here vraagt echter om een antwoord op de vraag: hoe staan wij in de wereld? In de kerk mogen en moeten wij er ons best voor doen dat onze broeders en zusters in hun persoonlijke levenssituatie een zekere levensvreugde ontvangen. In onze omgeving mogen wij iets laten zien van Gods zegeningen.
Ieder kerklid doet dat, als het goed is, op zijn eigen manier. Als het mee zit, vullen wij elkaar daarin mooi aan.

Juist vanwege het bovenstaande kúnnen Gereformeerde mensen niet zoveel met de mededeling dat mensen met veel vrije tijd mogen leven met het motto ‘Leef u uit – vrijheid, blijheid’[3].
De wereld toetert in onze oren dat we goed voor ons zelf moeten zorgen. Dat moet ook. Maar er is meer.
Terecht zei iemand eens dat de satan misschien wel het drukst aan het werk is als wij vrije tijd hebben.

De Here leert ons in Lucas 10 dat de Samaritaan die hulp biedt aan een slachtoffer van geweldpleging en beroving de naaste is van die gewonde langs de weg. Tegen een wetgeleerde zegt Jezus: “Ga heen, doe gij evenzo”[4]. Studeren is goed. Geleerdheid, dat is prachtig. Maar helpen in moeilijke omstandigheden, dat is minstens net zo veel waard.
Jacobus gaat in hoofdstuk 1 zelfs zo ver dat hij zulke hulp ware godsdienst noemt: “Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren”[5].

“Gij zult niet stelen”.
Die negatief geformuleerde grondregel van Gods koninkrijk krijgt in de kerk altijd een positieve invulling.
Dat komt omdat hulp in de kerk nimmer los verkrijgbaar is. In de kerk zit de aandacht voor barmhartigheidswerk altijd vast aan liefde voor de Here God. Jezus Christus zegt het in Mattheüs 22 zo: “Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”[6].

Genegenheid voor onze naasten begint bij de liefde tot God.
Terecht schreef dr. H. van den Belt, universitair docent bij het Departement Religiewetenschap en Theologie te Utrecht, in januari vorig jaar: “Veel christenen gaan uit van een vervaltheorie waarin de publieke moraal alleen maar verder en verder van God af kan raken. In de praktijk blijken mensen zonder God ook tot moreel hoogstaande keuzes te kunnen komen. Het is de kunst om als christen die keuzes met God te verbinden. Uiteindelijk komt al het goede van Hem en openbaart Hij Zich in het hart en geweten van alle mensen, ook van mensen die Hem niet kennen en willen erkennen”[7].

“Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus”.
Dat is een Goddelijke les in christelijk burgerschap.
Daarom is Zondag 42 geen halfzacht catechetisch onderwijs. De Catechismus geeft een gedragslijn voor Gereformeerde mensen die onderweg zijn naar het betere vaderland. Het vaderland van Hebreeën 11. Het hémels vaderland[8].
In dat kader mag de kerk het Evangelie dat Paulus in Efeziërs 1 brengt, blijven repeteren: “En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt”[9].

Noten:
[1]
Mattheüs 7:12.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, antwoord 111.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer: prof. dr. A. Baars, “Over tijdsbesteding gesproken”. In: Accent, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 30 oktober 2010, p. 12. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/012dbb0a4f67d37e2f2c40d6/over-tijdsbesteding-gesproken/1 .
[4] Lucas 10:37.
[5] Jacobus 1:27.
[6] Mattheüs 22:37, 38 en 39.
[7] Dr. H. van den Belt, “Plichtsbesef beperkt het dikke ik”. In: Accent, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 14 januari 2012, p. 12. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013c15780e7fb57e898bc72c/plichtsbesef-beperkt-het-dikke-ik/0 . Meer informatie over dr. Van den Belt is te vinden op http://www.uu.nl/gw/medewerkers/HvandenBelt/0 .
[8] Zie Hebreeën 11:13-16: “In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid”.
[9] Efeziërs 1:22 en 23.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.