gereformeerd leven in nederland

10 juli 2018

Bid, en u zal gegeven worden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“In Amsterdam heeft rond 04.00 uur een bestelauto het gebouw van De Telegraaf geramd. Daarna vloog het voertuig in brand. Er zijn geen gewonden gevallen”. Het betreffende gebouw staat een aardig eindje van de weg af. De politie vermoedt daarom dat hier opzet aan de orde is.
Aldus meldden diverse media op dinsdag 26 juni jongstleden[1].

Wij leven in een tijd waarin woorden als ‘terrorisme’ en ‘aanslag’ een geheel eigen kleur hebben gekregen. Dat is treurig. Maar het is waar.

Dit kan er uiteindelijk van komen als mensen de teugels laten vieren. Dit gebeurt er als mensen vergramd en grommend in de wereld staan. Dit gebeurt er als mensen, koste wat het kost, de aandacht van de media willen hebben.

In Zondag 45 van de Heidelbergse Catechismus leren we dat, als wij gaan bidden, “dat wij onze nood en ellende grondig kennen, om ons voor het aangezicht van zijn majesteit te verootmoedigen”.
Welnu – in het bovenstaande zien we vóór ons wat onze ellende is.

Nu hoor ik u protesteren.
Want hoor ês, we rijden niet allemaal tegen het gebouw van De Telegraaf aan. We zijn niet allemaal pyromanen. We zijn niet allen vertrouwd met pistolen, geweren en kogels.

Intussen spreekt de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de ongebondenheid van de mensen die bedwongen moet worden[2].
En laten we maar eerlijk zijn: we doen allemaal wel eens dingen die niet door de beugel kunnen.
En soms beleven wij er ook nog heimelijk plezier aan.
Op andere momenten beseffen we eigenlijk heel best dat we iets doen wat maar beter niet in de krant gepubliceerd kan worden. Maar we doen die slechte dingen toch. Eenvoudigweg omdat we er niet in slagen om onszelf af te remmen. Daar hebt u die ongebondenheid. En die ongebondenheid is een van de elementen in de voedingsbodem van het terrorisme.

Zondag 45 van de Heidelbergse Catechismus stuurt ons een heel andere kant op.
Kijkt u maar:
“Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt?
Antwoord:
Ten eerste dat wij alleen de enige ware God, die Zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons geboden heeft te bidden”.

Van harte
aanroepen, staat er. Dat is, als u het mij vraagt, nog wel een punt van aandacht. Want ach… bidden is voor Gereformeerde mensen zo gewoon. We doen het een paar keer per dag. En nee, ons hart is er niet altijd helemaal bij.

Daar komt nog iets bij. Het kan gebeuren dat je jarenlang om bijstand vraagt, maar dat er voor je gevoel niets gebeurt. Helemaal niets. Dat roept vragen op. Je wordt er misschien wel wanhopig van. Want je hebt hulp nodig. En dat weet God toch wel? Hoe moet dat toch?

We komen hier op het terrein van de verhoring van ons gebed.
Zondag 45 zegt daarover: “dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus’ wil zeker verhoren wil, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft”[3].
Ik kwam ergens de volgende drieslag tegen:
Raketverhoring: een direct antwoord op het gebed. De bidder mag God danken en eren
Schildpadverhoring: er komt gaandeweg een antwoord, of later. De bidder moet geduld hebben.
Niet verhoren: de bidder mag erop vertrouwen dat God iets beters wil doen[4].

De Here vraagt van ons om te bidden naar Zijn wil.
Naar Zijn wil – in 1 Johannes 5 wordt die term ook gebruikt: “En dit is de vrijmoedigheid die wij hebben in het toegaan tot God, dat Hij ons verhoort, telkens als wij iets ​bidden​ naar Zijn wil”[5].
En natuurlijk komt dan de vraag: wat wil God dan met mijn leven? Oftewel: wat is het doel van ons bestaan?
Er is niemand die precies uit kan leggen wat Gods bedoelingen zijn met het leven van een bepaalde man of vrouw. Dat blijkt vaak gaandeweg. En soms pas achteraf; dan kijkt u terug en dan gaat u een licht op.
Wat is het belangrijk dat wij leren om ons leven in Gods hand te leggen!

Laten we nog even teruggaan naar die bestelbus die te Amsterdam het gebouw van De Telegraaf ramde.
Wat was dat voor een merkwaardige actie? Het was, van welke kant je ’t ook bekijkt, vooral destructief. Wilde iemand de aandacht trekken van de media?

Eén ding is zeker: het is niet moeilijk om de aandacht van de Here te trekken.
Want Hij luistert altijd.
Leest u maar mee in Mattheüs 7: “Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden, Want ieder die ​bidt, die ontvangt; wie zoekt, die vindt; en voor wie klopt zal opengedaan worden”[6].
De Here luistert altijd.
En met ons gebed gebeurt altijd wat. Het tijdstip van die Goddelijke reactie weten we echter niet.
Hoe dat zij: de deur van Gods troonzaal staat altijd open. Dat is alleszins rustgevend. Vindt u ook niet?

Noten:
[1] Zie https://nos.nl/artikel/2238436-busje-ramt-gebouw-de-telegraaf-politie-vermoedt-opzet.html ; geraadpleegd op dinsdag 26 juni 2018.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 36.
[3] Dit citaat en ook de voorgaande citaten uit de Heidelbergse Catechismus komen uit Zondag 45, antwoord 117.
[4] Zie http://www.herschepping.nl/07gv/bidden_12gebedsverhoring.php ; geraadpleegd op dinsdag 26 juni 2018.
[5] 1 Johannes 5:14.
[6] Mattheüs 7:7 en 8.

27 juni 2017

Nood des lands

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Bidden geeft troost. U en ik, wij kunnen onze vragen en problemen aan de Here God voorleggen. Wij kunnen onze dank uiten voor voorspoed en gezondheid.

Maar toch is het niet alles goud wat er blinkt.
In Zondag 45 van de Heidelbergse Catechismus lezen we namelijk dat voor een goed gebed nodig is dat “dat wij onze nood en ellende grondig kennen”[1].

Wij moeten naar onszelf kijken, en naar onze mogelijkheden. Wij moeten goed zien wat er om ons heen gebeurt.

Josafat doet dat in 2 Kronieken 20 ook. De koning en zijn volksgenoten hebben te maken met dreigingen. Een aantal volken trekt tegen hem ten strijde. De koning gaat, staande voor zijn volk, in gebed. Hij zegt onder meer: “Onze God, zult U geen gericht over hen oefenen? In ons is immers geen kracht tegen deze grote troepenmacht die op ons af komt, en wij weten niet, wat wij moeten doen, maar op U zijn onze ogen gericht”[2].
Josafat kijkt dus om zich heen, en vervolgens kijkt hij hulpzoekend naar boven.

Met een schuin oog op 2 Kronieken 20 wijs ik nu op een aantal befaamde liedregels.
U kent ze vast wel:
“Waar de weg mij brengen moge,
aan des Vaders trouwe hand,
loop ik met gesloten ogen
naar het onbekende land”[3].
Persoonlijk vind ik de laatste twee regels van dat lied nogal merkwaardig. Waarschijnlijk wil de dichter zeggen: ik heb zoveel vertrouwen in mijn God dat ik wel met gesloten ogen naar de toekomst durf te lopen. Dat klinkt allemaal mooi. En vertederend, bovendien.
Maar Zondag 45 en 2 Kronieken 20 leren ons dat wij, vol vertrouwen op onze Helper en Beschermer, oplettend om ons heen moeten kijken. Wij dienen attent te zijn op bedreigingen; van binnenuit en van buitenaf. Wij behoren ons best te doen om antwoorden te formuleren op vraagstukken die in onze wereld aan de orde zijn. Dat wordt wat lastig als we de ogen dicht hebben.

Bidders moeten hun nood en ellende kennen.
Die regel betekent niet dat bidders naar hun respectievelijke navels moeten blijven staren. Integendeel.
Zeker, zij moeten weten wat hun persoonlijke nood is.
Maar zij moeten eerst en vooral peilen wat de nood des lands is.

Wat is die nood in Nederland, en in de wereld waarin wij wonen?
Die zou ik willen typeren met het woord ongeremdheid.

Ongeremdheid dus.
De rem doet het niet meer.
De mensen lopen, bijvoorbeeld, aan alle kanten de kerken uit. Zij seculariseren waar u bij staat.
De mensen gaan zich, bijvoorbeeld, heel snel een mening vormen. De betreffende mening wordt zonder nadenken op internet gezet. De vraag of dat anderen opbouwend is doet er niet zoveel toe.
Jonge mensen worden, bijvoorbeeld, zonder aanwijsbare reden gedood.
De Amerikaanse president Trump is onvoorspelbaar. Speels en ongeremd; zo karakteriseert hij zichzelf ook[4].
Dat zijn enkele voorbeelden van de sfeer in ons land, en in de wereld.

Waar komt die ongeremdheid vandaan?
Hoe komt die bandeloosheid in de schepping?
Waarom reageren de mensen toch zo totaal losgeslagen?
Dat alles komt voort uit de erfzonde. “Zij is”, zo belijden we in de Nederlandse Geloofsbelijdenis “een verdorvenheid van de hele natuur en een erfelijk kwaad, waarmee zelfs de kleine kinderen in de moederschoot besmet zijn”. Het is zo dat “de zonde altijd uit deze verdorvenheid ontspringt als opwellend water uit een giftige bron. Zij wordt evenwel de kinderen van God niet toegerekend om hen te veroordelen, maar door zijn genade en barmhartigheid vergeven, niet om de gelovigen zorgeloos in de zonde te laten voortleven, maar om hen door het besef van deze verdorvenheid dikwijls te doen zuchten van verlangen, uit het lichaam, dat in de macht van de dood is, verlost te worden”[5].

Laten wij dus niet net doen alsof die ongeremdheid alleen maar iets van de wereld is. Zo van: in de wereld is het een janboel, maar in de kerk zijn er nog grenzen. Ook kerkmensen zijn met wildemansgedrag behept.

De woorden van David uit Psalm 143:
“Ga niet in het gericht met Uw dienaar,
want niemand die leeft,
is voor Uw aangezicht ​rechtvaardig”
zijn ons, als het goed is, uit het hart gegrepen[6].
De Schriftverwijzing onder Zondag 45 in de Heidelbergse Catechismus is niet overbodig!

Bidden geeft troost. We leggen onze vragen en problemen in de hemel neer, voor de troon van onze Heiland. Zijn reddingswerk is het feestelijk kader van ons gebed.
Jezus Christus tilt ons boven onze nood uit.
Hij wijst ons het pad dat wij moeten belopen om Hem te volgen, de eeuwige toekomst in. Zijn Woord en wet behoedt ons ervoor om roemloos in de vangrail te eindigen, of in een opwelling de gebaande weg te verlaten en de wildernis in te rennen.

Ons hele leven moeten we afgeremd worden. Het christelijk leven is geen racecircuit.
Wij volgen onze Heiland, en passen ons dus, om zo te zeggen, aan Zijn tempo aan.
En één ding is zeker: als wij Hem daar voortdurend om bidden, onze Redder zal ons voor struikelen behoeden.
Daarom mogen wij het, staande op het plein dat vol ligt met actuele problemen en schier onoplosbare vraagstukken, maar rustig met Psalm 143 blijven zingen:
“Leer mij uw wil, reik mij uw hand.
Uw goede Geest zij mijn geleide;
voer mij in een geëffend land”[7].
Wij mogen weten dat wij, al zingend, de hemelse vrijheid zullen bereiken.
Dat is de plaats van ongeremde feestvreugde. Daar is feestgedruis dat eeuwig duren zal!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 45, antwoord 117.
[2] 2 Kronieken 20:12.
[3] Dat zijn de laatste regels van het lied ‘Wat de toekomst brengen moge’.
[4] Zie http://www.militairespectator.nl/thema/column/trump-en-de-generaals ; geraadpleegd op woensdag 7 juni 2017.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 15.
[6] Psalm 143:2.
[7] Psalm 143:9 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

7 juni 2016

Goddelijke deernis en daadkracht

Wij hebben – zo zegt Zondag 45 der Heidelbergse Catechismus – deze vaste grond, “dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus’ wil zeker verhoren wil, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft”[1].

Het is duidelijk: wij zijn Gods luisterend oor en Zijn zorgzaamheid niet waard.
En toch wil Hij ons verhoren.
Is dat niet prachtig?

Maar hoe kan dat eigenlijk?
Is het niet heel inconsequent dat de heilige God Zich bemoeit met een volk dat vuil en zondig is?
Gods zorg voor ons kunnen we alleen maar verklaren uit:
1. Gods wil
2. Gods barmhartigheid
3. Gods daadkracht
Die drie glorieuze eigenschappen van God vormen, als het goed is, de basis voor al onze gebeden.

Als het om ons gebed gaat, wijs ik u graag op Daniël 9.
Naar dat Schriftgedeelte verwijst Zondag 45 ons ook.
Ik citeer: “Nu dan, hoor, o onze God, naar het gebed van uw knecht en naar zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, – om des Heren wil. Neig, mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover uw naam is uitgeroepen; want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden. O Here, hoor! o Here, vergeef! O Here, merk op! Treed handelend op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk”[2].

Een uitlegger noteert bij Daniël 9 onder meer: “In dit vers gaat het bij ‘het verwoeste heiligdom’ om het verwoest zijn van de tempel als gevolg van Nebukadnessars inname van de stad – een vervulling van de verbondsvloek van Leviticus 26:31 en volgende –, maar elders in het boek duidt ‘verwoesting’ de ontheiliging van de tempel door de goddeloze koningen van de nog komende goddeloze rijken aan (…). Kennelijk staat het een in het verlengde van het ander”[3].
Het gaat dus om:
* straf voor Gods volk, wegens ongehoorzaamheid
* ontheiliging van Gods huis door het heidendom.
Daniël realiseert zich hoe zondig de wereld is. Hij doet een beroep op de wil van de Here, “om des Heren wil”.

De wil van de Here – wat kunnen wij daarover zeggen?
Laten wij Ezechiël 33 er even bij nemen: “Zeg tot hen: zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven, huis Israëls?”[4].
Wij kunnen het, denk ik, zo samenvatten: waar de Here is, is leven.

Des Heren wil – zo heet ook een zoon van David.
U kent de geschiedenis, die in onze Bijbel in 2 Samuël 12 te vinden is, vast wel.
David heeft er, door een paar listige maatregelen, voor gezorgd dat Uria – de man van Bathseba – in de strijd om het leven komt. David had al overspel met Bathseba gepleegd; nu kan hij er ‘legaal’ met haar van door gaan!
De escapade van David en Bathseba heeft gevolgen: er wordt een zoon geboren. Maar de Here straft David en Bathseba: de boreling sterft. God straft de zonde.
Als er opnieuw een kind geboren wordt geeft de Here hem een speciale naam: Jedidja – dat betekent: om des Heren wil[5]. Salomo is een levend bewijs van Goddelijke vergevingsgezindheid!

Des Heren wil: onze God is een goede God, maar geen goeiige God.
Des Heren wil: dat betekent dat we moeten leven naar de wet van God.
Dan is er echt toekomst.
Toekomst die de Here Zelf creëert!

In 1 Petrus 2 gaat het ook over de wil van de Here.
“Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer”.
In de praktijk van het leven moet Gods volk laten zien waar het staat in de wereld. Kinderen van God vallen in een heidense wereld op door hun levensstijl. Gods kinderen leven voor hun Heer!
Des Heren wil – dat houdt in ieder geval in: heb het goede voor met alle mensen, toon liefde voor de kerk, wees Godvrezend en respecteer de overheid.

Thans keer ik spoorslags terug naar Daniël 9.

Daniël doet een beroep op Gods grote barmhartigheden.
Als het van mensen afhangt, zien we zonden. Wij zien afwijking van Gods geboden. We signaleren eigenzinnigheid. De chaos lijkt voortdurend groter te worden.
Maar wij mogen, net als Daniël, een beroep doen op Gods ontferming. Op zijn mededogen.

Daniël doet een beroep op Gods daadkracht.
Hij wil dat er wat gebeurt!
Hij wil dat de Here er wat aan doet!
En waarom? “Uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk”. Gods naam is aan Zijn volk verbonden. Zijn eer moet hoog blijven!
Mij dunkt dat wij dat gebed anno Domini 2016 in de kerk niet mogen verleren.

Daarbij moeten wij het volgende goed vasthouden.
Een gebed dat door God verhoord wordt bevat:
* welgemeende woorden, vragen en wensen; wij behoren van harte te bidden
* blijken van kennis omtrent onze status; we moeten weten hoe groot de malaise en misère in ons leven zijn
* het besef dat de God verbond Zijn leven gunt; als wij wandelen met Hem gaan wij een heerlijke toekomst tegemoet!

Tenslotte nog dit.
Daniël 9 is een hoofdstuk vol getallen en tijdsaanduidingen:
* zeventig weken
* zeven weken
* tweeënzestig weken
* een week
* de helft van de week[6].
De Gereformeerd-vrijgemaakte emerituspredikant D. de Jong schreef in verband met Daniël 9 eens: “Daniël kreeg (…) veel informatie uit de profetieën van Jeremia. Het ging maar niet om de precieze duur van de ballingschap, maar om het belijden van en vechten tegen de zonde. De rust die dan volgt, die sabbatsrust, wordt door het getal zeventig gesymboliseerd. Daar gaat het om.
Daniël deed daarom niet wat veel christenen in onze tijd graag doen. Hij zette niet allerlei berekeningen op om uit te vinden op welke datum bepaalde profetieën precies vervuld worden. Daniël verootmoedigde zich voor de HEER en beleed zijn eigen zonden en die van zijn volk”[7].
Het bovenstaande lijkt mij belangrijk voor ons. Want:
* wij moeten niet gaan berekenen wanneer God dit of dat gaat doen
* wij behoren tegen onze zonde te strijden
* wij mogen kinderlijk vertrouwen op Zijn barmhartigheid en heerlijke daadkracht!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 45, antwoord 117.
[2] Daniël 9:17, 18 en 19.
[3] Zie: webversie van de Studiebijbel, uitleg bij Daniël 9:15-19.
[4] Ezechiël 33:11.
[5] 2 Samuël 12:24 en 25: “Daarna troostte David zijn vrouw Bathseba; hij kwam tot haar en had gemeenschap met haar, zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. De Here nu had hem lief: Hij zond een boodschap door de profeet Natan en noemde hem Jedidja, om des Heren wil”.
[6] Daniël 9:24-27.
[7] Zie http://www.bijbelknopendoos.nl/kn18.htm ; geraadpleegd op maandag 30 mei 2016. Dominee de Jong is emeritus-predikant van de Ebenezer Canadian Reformed Church te Burlington, Ontario, Canada.

12 mei 2015

Naar Gods troonzaal

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Als wij in ons gebed naar God toe gaan, komt Hij ook naar ons toe.

De zin waarmee dit artikel begint ziet er, op het eerste gezicht althans, wat merkwaardig uit.
Stelt u zich eens voor. In ons gebed gaan wij de troonzaal van de Here binnen. Terwijl wij steeds dichter bij Zijn troon komen, staat de God van hemel en aarde plotsklaps op. Hij verlaat Zijn hoge zetel en loopt naar ons toe. ‘Zeg het maar, Mijn kind’.
Natuurlijk is dat menselijk voorgesteld. Maar in Jacobus 4 komen we die situatieschets tegen.

“Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen”[1].
Dat is het heerlijke Evangelie van Gods Woord.
In het Verbond is er nooit eenrichtingsverkeer. Aan beide kanten wordt contact gemaakt. In het leven staan we er nooit alleen voor.
Is het niet prachtig dat gelovige mensen dat tegen elkaar mogen zeggen?

Sommige mensen vragen: bidden, wat helpt dat nou?
Wat nut ons het bidden van iedere dag?
Wordt de situatie er anders van? Gaan de zaken plotsklaps anders?
In die situatie mogen we zeggen: de Here komt Hoogstpersoonlijk naar ons toe. Wij hebben een Metgezel in het leven!

In onze tijd komt het leed van de wereld via allerlei media – waaronder de digitale – snel op ons af. Wie de schokkende foto’s en de trieste films bekijkt, kan zomaar denken: wat helpt ons gebed eigenlijk?
Bij de overweging van die vragen denk ik aan die grote aardbeving in Nepal, op zaterdag 25 april jongstleden. Duizenden doden waren er te betreuren. Vele, vele gewonden waren er[2].
Wat moeten wij doen, als wij de puinhopen in de Nepalese hoofdstad Kathmandu zien? Wat kunnen wij doen als wij die rampspoed voorbij zien trekken?
De Here zegt: kom maar naar Mij toe. En Hij spreekt verder. Als u bij Mij komt, dan kom Ik ook naar u toe.
We hoeven niet meer zeggen dan: Here, help toch!
Wij hoeven niet meer zeggen dan: wees toch genadig!
Als wij dat uitspreken, dan staat Hij al in de startblokken.

In Jacobus 4 staat nog meer.
Daar staat geschreven: “Reinigt uw handen, zondaars, en zuivert uw harten, gij, die innerlijk verdeeld zijt. Beseft uw ellende, treurt en weent; uw gelach moet veranderen in treurigheid, en uw vreugde in neerslachtigheid”[3].
Jacobus leert ons om naar God toe te keren. Wij mogen Hem recht in het gezicht kijken. Ja, wij mogen – wat Hem betreft – precies zeggen waar het op staat.
Maar het verbond is wel tweerichtingsverkeer. Dat betekent dat we ons helemaal moeten overgeven aan de Here. En dan moeten wij het maar toegeven: Vader in de hemel, het is een puinhoop in de wereld; maar feitelijk is die chaos de spiegel van ons eigen bestaan.
Wij moeten ons gaan realiseren, dat de Here de boel weer van de grond af moet gaan opbouwen. De hemelse Heer moet met ons, om zo te zeggen, helemaal opnieuw beginnen.
De zonde is een enorme macht in de wereld. Aardbevingen en andere rampen laten het ons zien: dat komt er van terecht als de zonde vrij spel heeft in de wereld!
Begrijpen we wel wat rampen ons vertellen?

Niet voor niets staat in Zondag 45 van de Heidelbergse Catechismus: in een voor God aangenaam gebed willen wij “alleen de enige ware God, die Zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen”.
Wij moeten “onze nood en ellende grondig kennen, om ons voor het aangezicht van zijn majesteit te verootmoedigen” [4].
Zo leert de Heidelbergse Catechismus ons dat.
Laten wij ons maar met ons hele hart tot de Here wenden!

Er staat nog wat in Jacobus 4.
Namelijk dit: “Vernedert u voor de Here, en Hij zal u verhogen”[5].
Als wij naar de Here toe gaan, zegt Vader: kom verder Mijn kind.
Vader zegt: Ik weet wel wie u bent, en wat uw inborst is.
Maar dan is daar Gods Zoon, onze Here Jezus Christus. Hij zegt: Ik heb voor Hem geleden, Vader. Hij zegt: voor haar zonden heb Ik betaald.
En dan weet iedereen het: voor deze man is een plaats in de hemel gereserveerd. Of ook: deze vrouw krijgt een prachtige plek in de hemel!

Kom maar dichterbij, zegt de Here.
Blijf maar heel dicht bij Mij.
Dan kunnen de puinhopen in de wereld u niet meer beangstigen. Dan kunt u altijd over uw problemen heen kijken. Dan weten we dat we antwoorden op onze vragen krijgen: komen die niet in ons aardse leven, dan komen ze wel tijdens ons hemelse bestaan.
En zing Psalm 2 dan maar mee:
“Kust toch de zoon, opdat gij niet te gronde
gaat op uw weg. Te licht wordt hij getart
en kan zijn gramschap tegen u ontbranden.
Maar zalig zijn die schuilen aan zijn hart”[6].

Noten:
[1]
Jacobus 4:3 a.
[2] Zie hierover bijvoorbeeld http://nl.wikipedia.org/wiki/Aardbeving_Nepal_2015 (geraadpleegd op dinsdag 28 april 2015).
[3] Jacobus 4:8 b en 9.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 45, antwoord 117.
[5] Jacobus 4:10.
[6] Dit zijn de laatste regels van Psalm 2:4 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

18 maart 2014

Vol vertrouwen bidden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

“God wil zijn genade en zijn Heilige Geest alleen geven aan hen die van harte en zonder ophouden Hem daarom bidden en daarvoor danken”. Die woorden citeer ik uit Zondag 45 van de Heidelbergse Catechismus[1].

Van harte bidden – dat is nogal wat. Natuurlijk weet ik niet hoe het u precies vergaat. Maar het is niet overdreven om te zeggen dat onze gebeden nog wel eens ongeveer dezelfde formulering en inhoud hebben. Daarom krijgt het gebed ook wel eens iets van een automatisme. Zeker, wij doen ons best om bewust te bidden. Maar toch.

Zonder ophouden bidden: dat klinkt veeleisend. Bidden gaat heel wat tijd kosten!

De Catechismus verwijst naar Mattheüs 7.
“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden”[2].
Laten we erop letten dat er in Mattheüs 7 niet bij staat wat wij ontvangen. Het wordt alleen duidelijk dat we antwoord krijgen. Er komt reactie. Misschien zint dat antwoord ons niet altijd. Misschien vinden we die reactie eigenlijk niet zo passend. Maar de Here reageert altijd. Hij verzorgt ons elke dag. En Hij weet echt wat het beste voor ons is.
Bidden is eerst en vooral een kwestie van vertrouwen. We mogen het weten: als we bij de Here aankloppen komt het goed!

Bidden, dat is: met lege handen bij de troon van de Here komen.
Matthew Henry schreef in zijn verklaring van het Nieuwe Testament: “Niemand wordt ledig van Christus weggezonden, behalve diegenen, die vol van zichzelf tot hem komen”[3].
Als wij gaan bidden moeten wij ons afhankelijk opstellen. Onze handen worden van bovenaf gevuld. Bidden doen we niet in een sfeer van: we moeten dit of dat nog even regelen.
Het is goed om ons dat te realiseren. We leven immers in een participatiemaatschappij. De rol van de burger wordt gaandeweg groter. Hij mag meepraten en meedoen. Zijn mening doet er toe. De mondige burger oefent invloed uit[4].
Bidden doen we echter niet in het kader van: laten we onze mond open doen, anders komt er niks van ons leven terecht.
In Zondag 45 staat namelijk ook: het is nodig “dat wij onze nood en ellende grondig kennen, om ons voor het aangezicht van zijn majesteit te verootmoedigen”[5]. Ons bestaan is besmeurd. Daarom komen we in alle bescheidenheid bij God.

Bidden is, zo zeggen heel veel mensen tegenwoordig, iets persoonlijks. Je komt met je hoogst individuele emoties bij God. Je hebt een heel persoonlijke relatie met Hem. U kent die verhalen wel.
Daar is uiteraard wel iets van waar.
Maar we moeten goed beseffen wat het verband van Mattheüs 7 is. Ik citeer: “Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren”[6].
Wie zijn die honden en die zwijnen? Ongelovige Joden, misschien. Of de heidenen, wellicht. Het gaat in ieder geval over mensen in onze omgeving. Over onze naasten. Over de mensen die we in de wereld tegenkomen.
We hoeven, zo begrijpen we uit Mattheüs 7, niet met het Evangelie aan te komen als we vrijwel zeker weten dat dat geen positief effect sorteert. Het enige wat wij dan kunnen doen is: dat probleem bij de hemelse God neerleggen. Met andere woorden: soms leidt de enige route naar de naaste toe via de weg van het gebed.
Bidden heeft zeker niet alleen maar met onszelf te maken[7]!

In de wereld wordt veel gebeden. Dat gebeurt ook wel door mensen die niet bij de kerk horen.
Ooit was er zelfs een mormoon die tegen schrijver dezes en zijn vrouw zei: zullen we samen bidden?
Als het om deze dingen gaat, zullen we moeten bedenken: bidden is één, doen is twee. Het gebed gaat met daden gepaard. Christelijke activiteit kan niet gebedsarm zijn.
Overigens vinden we ook dat in Mattheüs 7 terug: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is”[8].
Bidden, en vervolgens je eigen zin doen: dat is dus onbestaanbaar.
Bidden, en vervolgens niet met God leven: dat is volstrekt onmogelijk.

Bidden doen we elke dag.
Maar we doen het ook met het oog op de toekomst.
Want in Mattheüs 7 staat: “Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid”[9]. Te dien dage, dat duidt op de dag waarop de Here terug zal komen om het eindoordeel over deze wereld te geven.
Daarom moeten wij blijven bidden.
Volhardend.
Vol vertrouwen.
Bescheiden, maar blijmoedig.
Want ons leven ligt in Zijn hand. Tot in eeuwigheid.

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 45, antwoord 116.
[2] Mattheüs 7:7 en 8.
[3] Geciteerd via: R.A. van der Garde, “Kloppen aan de verkeerde deur”. In: De Wachter Sions (21 maart 2013), p. 5. Ook te vinden op www.digibron.nl  .
[4] Zie hierover bijvoorbeeld http://mens-en-samenleving.infonu.nl/politiek/91737-van-verzorgingsmaatschappij-naar-participatiemaatschappij.html .
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 45, antwoord 117.
[6] Mattheüs 7:6.
[7] Zie hierover ook: mr. D.J.H. van Dijk, “Parels voor de zwijnen”. In: katern PuntKomma, Reformatorisch Dagblad (16 januari 2013), p. 6. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[8] Mattheüs 7:21.
[9] Mattheüs 7:22 en 23.

26 februari 2013

Ons gebed markeert de weg

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

In ons gebed roepen wij God aan. Dat is logisch. We weten best wat bidden is.
Toch is de omschrijving die de Heidelbergse Catechismus van bidden geeft wat minder eenvoudig.
Het is zo “dat wij alleen de enige ware God, die Zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen”[1].

Eén van de Bijbelteksten waar de Catechismus dan naar verwijst is Openbaring 19:10. Dat vers staat in een perikoop die gaat het over de bruiloft van het Lam.
Daar klinkt een krachtige stem. Alsof er een waterval klatert. Alsof er een zwaar onweer aan de gang is. Het is een heel bijzondere combinatie.
De Here God heeft, zo klinkt het, de troon bestegen. De Koning heeft de macht overgenomen. En Zijn bruid, de kerk, is er klaar voor om Hem in Zijn regeringswerk bij te staan. Daarom wordt het tijd voor feestelijkheden die hun weerga in de ganse wereldgeschiedenis niet kennen.
De kerk heeft een prachtige witte bruidsjurk aan. Het is een uniek kledingstuk, waarvan er maar één in de wereld is. Het is een jurk die helemaal gemaakt is van rechtvaardigmakingen.
De N.B.G.-vertaling uit 1951 spreekt van de rechtvaardige daden der heiligen. De Statenvertaling heeft het over rechtvaardigmakingen. Met het gebruik van dat woord wordt duidelijk dat de schoonheid van de kerk aan de Héiland te danken is. De kerk heeft niet aan haar eigen reinheid gewerkt. Dat heeft de Here Jezus Christus gedaan.
Johannes moet, zo luidt de instructie, opschrijven dat genodigden voor de bruiloft zalig zijn.
Daarop gaat Johannes bidden. Hij richt een gebed tot de omroeper.
Maar die omroeper protesteert. U moet, zo zegt hij, bidden tot God. Want, zegt hij, ik ben in rang en stand gelijk aan u. U moet de Regent van deze wéreld eren!
Met die verwijzing naar Openbaring 19 leren wij in ieder geval:
* met ons gebed komen we bij God
* met ons gebed komen we bij onze Bruidegom
* met ons gebed doen we een beroep op onze Heiligmaker
* met ons gebed bereiden we ons in feite voor op de zaligheid
* met ons gebed bereiden we ons voor op een altijddurende regeertaak.

De Bijbel ademt vanaf het begin tot aan het einde de sfeer van het verbond[2]. Preciezer gezegd: van een huwelijksverbond. De Schrift begint er mee. De vreugde van Adam bij het zien van zijn vrouw kunnen we beschouwen als een bruiloftsfeest: “Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal ‘mannin heten, omdat zij uit de man genomen is”[3].
Het gaat ván een ingetogen feestje in Genesis 2 náár het grootse gala van Openbaring 19. De huwelijkstrouw die Gereformeerde mensen in hun dagelijks leven tonen zijn stuk voor stuk markeringspunten op de weg naar de zaligheid toe.

Het huwelijk is een beeld van Gods verbondstrouw.
Maar er is meer te zeggen.
Immers: sommige mensen trouwen op aarde nooit. Ze zijn levenslang alleen gaand.
In sommige huwelijken worden nooit kinderen geboren. De beide echtelieden blijven met hun tweeën.
Als er wel kinderen komen, zijn daar nogal eens problemen mee. Karakterologische problemen. Misschien is er sprake van een homofiele geaardheid, die levenslange strijd oplevert.
Sommige huwelijken lijken slechts gebrokenheid te tonen. De chemie is weg. De liefde die ooit als een vuur laaide, is vandaag aan de dag diep weggeborgen.
En dan er zijn de huwelijken die eindigen doordat één van de echtelieden overlijdt. Hoeveel weduwnaren zijn er niet die elke dag het verdriet voelen schrijnen? Wat zijn er veel weduwen die, soms in de kleine dingen en op onverwachte momenten, hun man missen!
Welnu, de Bruidegom zegt tegen ons allemaal: maak u gereed voor de bruiloft. Het wordt een heerlijk feest. Groots. Meeslepend. Eeuwig!
In welke omstandigheden wij ook verkeren…
Als wij pas getrouwd zijn…
Als wij getrouwd zijn, en kinderen hebben…
Als wij kinderloos blijven…
Als wij nooit zullen trouwen…
Als wij getrouwd geweest zijn…
altijd is er de mogelijkheid van het gebed. De Bruidegom staat dag en nacht klaar om onze gebeden te ontvangen. Onze gebeden zijn markeringspunten op de weg naar de bruiloftszaal.
En Hij zegt: Ik geef u te Mijner tijd hemelse kleding. Die kleding is zó oogverblindend mooi, dat geen aardse modeontwerper die bedenken kan.

Johannes gaat in Openbaring 19 bidden.
Maar dat gebed wordt onderbroken.
Johannes hoort: “Ik ben een mededienstknecht van u en uw broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie”[4].
Het getuigenis van Jezus, dat is de moeite van de aanbidding waard. Wat bedoelt de sprekende hemelboodschapper daar eigenlijk mee[5]?
Misschien doelt hij op het getuigenis dat Jezus geeft.
Meer waarschijnlijk is dat het gaat over het getuigenis dat gelovigen over Jezus geven. Dan gaat het bijvoorbeeld om de mensen die vanwege hun prediking vervolgd en gedood zijn – zie Openbaring 6. En om de twee getuigen die in Openbaring 11 vermoord worden als hun preekwerk gereed is. Wij kunnen denken aan de enorme energie die van dat getuigenis uitgaat; in Openbaring 12 wordt zelfs de dúivel ermee overwonnen[6].
Het is kenmerkend voor de Geest van de profetie om getuigenissen over de Here Jezus Christus door te geven. Dat is, om zo te zeggen, een voltijdbaan. Hij heeft er dagwerk van.
Dat getuigenis ontmoet tegenstand. Predikers van het Woord worden er om gedood. Maar zelfs als dat gebeurt, blijkt de kracht van de prediking van dat Woord nog ongebroken!

Ware gelovigen krijgen in de hemel een gereserveerde plaats in de nabije omgeving van Jezus Christus. Zij krijgen een definitieve woonplaats nabij het Woord.
In deze wereld vergaderen zij al rondóm dat Woord. In deze wereld bidden zij. En zij prijzen de keus van hun Heer: hun uitverkiezing voor het eeuwig leven.
Die ware gelovigen mogen het zich realiseren: ieder gebed is een markeringspaal op de weg naar de hemel.

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 45, antwoord 117.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer: M.M. van Campen, “Zalige geroepenen” – meditatie over Openbaring 19:9. In: ‘De Waarheidsvriend’ jg. 96, nr 7 (14 februari 2008), p. 3. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/012e4e61709870c2c3783e45/zalige-geroepenen/0 .
[3] ‘Genesis 2:23.
[4] Openbaring 19:10.
[5] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel.
[6] Zie Openbaring 6:9: “En toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden”. En ook Openbaring 11:7: “En wanneer zij hun getuigenis zullen voleindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun de oorlog aandoen en het zal hen overwinnen en hen doden”. En Openbaring 12:10, 11 en 12: “En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is nedergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood. Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen…”.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.