gereformeerd leven in nederland

22 mei 2020

Van crisis naar crisis

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Moet het aantal koopzondagen verruimd worden? Ja, zegt de één, want dan kunnen we de bezoekers beter spreiden over de week. Anderen zeggen: de winkeliersvereniging ziet het niet zitten, dus we doen het niet[1].

In het Nederlands Dagblad dat op donderdag 14 mei jongstleden verschijnt, staat te lezen: “Wouter-Jan Vroegindeweij, fractievoorzitter van coalitiepartij SGP, ziet niks in het verzoek. Hij wijst op de afspraak in het coalitieakkoord dat de winkels in Katwijk op zondag gesloten zijn. ‘Daar blijven wij bij’. Hij wijst op de supermarkten die hun handtekening hebben gezet. ‘Zij hebben sowieso weinig last van de coronacrisis. Wij zien geen enkele reden waarom winkels op zondag open moeten gaan’.
De gemeente Westerkwartier – waar Grootegast, Marum, Leek en Zuidhorn onder vallen – besloot dinsdag wel mee te gaan in de wens van ondernemers om vaker op zondag open te zijn. Waar eerder zes koopzondagen per jaar waren toegestaan, mogen winkels nu tot het eind van het jaar elke zondag open. Het is een van de maatregelen om winkeliers te steunen die door de coronacrisis worden getroffen.
Coalitiepartij ChristenUnie gaat akkoord met de verruiming, hoewel in het coalitieakkoord een maximum is afgesproken van zes koopzondagen per jaar. ‘Het is jammer dat de zondagsrust op deze manier verder in het gedrang komt’, zegt fractievoorzitter Peter Holsappel. ‘Tegelijk wordt door ondernemers nadrukkelijk aangegeven dat ze dit vanwege corona nodig hebben”.
(…)
In Emmen heeft de gemeente een verzoek van tien winkeliers voor extra koopzondagen juist afgewezen (…) Wethouder Guido Rink (PvdA) is niet van plan het aantal koopzondagen uit te breiden. Een deel van de winkeliers dat nu vaker open wil, waaronder Mediamarkt en bouwmarkten, wil dat al langer, stelt hij. Maar binnen de koepel van winkeliersverenigingen zien de meeste winkeliers verruiming niet zitten. ‘Wie ben ik dan om het wel open te gooien?’”[2].

Over koopzondagen verschillen de meningen dus. En de waterscheiding loopt, zoals hierboven blijkt, niet tussen christelijke politici en niet-christelijke regeerders. De besluiten op dit punt lijken veelal te worden genomen op basis van pragmatische argumenten.
En dat terwijl Gods gebod aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat: “Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienares, noch uw rund, noch uw ezel, noch enig vee van u, noch uw vreemdeling, die binnen uw poorten is, opdat uw dienaar en uw dienares rusten zoals u. Want u zult in gedachten houden dat u slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de HEERE, uw God, u vandaar uitgeleid heeft met sterke hand en uitgestrekte arm. Daarom heeft de HEERE, uw God, u geboden de dag van de sabbat te houden”[3].

Dat gebod wordt massaal genegeerd. Goed, goed – zondag is voor velen nog wel een rustdag. Maar het is wel een rustdag waarop je de ruimte hebt om jouw dag zelf in te vullen. Er is dus alle ruimte om inkopen te doen. Er is alle ruimte om jezelf te dienen. Je bent, om zo te zeggen, jezelf tot afgod.
Laten wij ons niet vergissen. Een dergelijke houding zal tot in lengte van dagen te zien zijn. Zelfs als de dood over de wereld gaat, blijven mensen zichzelf dienen. Leest u maar mee in Openbaring 9: “En de overige mensen, die niet door deze plagen werden gedood, bekeerden zich niet van de werken van hun handen; zij bleven de demonen aanbidden en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen zien, horen of lopen”[4].

Maar, zo zou men kunnen vragen, gaat dit nu niet wat snel? Mensen zijn in onze tijd toch vaak heel sociaal bezig? Dat is mooi. Dat is goed. Men kan er, op zichzelf bezien, weinig kwaads van zeggen.
Maar dat is het juist! Gereformeerden moeten verder kijken. Want wat gebeurt er? Mensen helpen elkaar op deze aarde verder. Wat er na de dood komt, dat is nu nog niet aan de orde. Men spoort elkaar in de coronacrisis aan: ‘Hou vol, samen komen we erdoor!’. Dat COVID-19 ervoor zorgt dat duizenden mensen overlijden en begraven moeten worden, dat wordt gemakshalve verzwegen. Want je moet anderen moed inspreken. We wensen elkaar niet dood – natuurlijk niet.
Aldus negeert men de Machthebber van deze aarde. En ja, dat negeren en wegdrukken gaat heel ver. Dat blijkt ook wel uit Openbaring 16: “En de mensen werden verzengd door grote hitte. Maar zij lasterden de Naam van God, Die macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven”[5].

Wat gebeurt er als de mensen uiteindelijk lopen te krimpen van de pijn? Antwoord: dan zeggen ze dat God er een zootje van maakt. Dan vragen ze op luide toon: waarom doet God dit nou? en: dit had God toch wel anders kunnen regelen? Zij maken opmerkingen als: God is waardeloos; je hebt helemaal niets aan Hem! Het is de situatie van Openbaring 16. Leest u maar weer mee: “En zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijn en vanwege hun zweren, maar zij bekeerden zich niet van hun werken”[6].

Laten we maar eerlijk zijn: in heel veel situaties zien we vandaag al de contouren van de rampen die over de wereld gaan. Het patroon van het loochenen en negeren van God is zichtbaar. Ondertussen gaan wij van crisis tot crisis steeds voort.
Die mening is de filosoof en godsdiensthistoricus Frédéric Lenoir ook toegedaan. Ergens staat geschreven: “‘We staan, mondiaal, voor een aaneenschakeling van crises: die zijn ecologisch, economisch maar ook moreel’. De enige manier waarop we deze dreigende catastrofe kunnen afwenden, is door onszelf te veranderen, zegt Frédéric Lenoir in zijn roman De Wereldziel. Volgens Lenoir (1962) delen alle grote wereldreligies een bepaalde spirituele ervaring. In de roman verzamelt hij deze ervaring onder het begrip ‘Wereldziel’, dat ieder religieus dogma overstijgt en betekent dat er in de kosmos een mysterieuze kracht aanwezig is die de orde in de wereld handhaaft”[7].
Diezelfde heer Lenoir schreef ‘De filosofie van Christus’. Daarin vertelde hij de geschiedenis van het christendom. Hij koos een seculiere invalshoek. Maar ook Lenoir kon er niet omheen: veel van de huidige normen en waarden zijn gebaseerd op de christelijke ethiek[8].
Jazeker – we gaan van crisis steeds voort. Gods Woord tekent er de lijnen al van. De rampen gaan over de wereld. Vandaag, morgen, overmorgen en verder – zolang als het onze God belieft. En de boodschap is duidelijk. Die luidt: sluit u aan bij Hem die gezegd heeft: “Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is en Die was en Die komt, de Almachtige”[9].

Noten:
[1] Ik dank mijn vader, H.P. de Roos te Haren, die op donderdag 14 mei jongstleden de koopzondagen als thema voor dit artikel aandroeg. Hij wees ook op relevante teksten in de Openbaring van Johannes.
[2] “Coronacrisis leidt tot roep om meer koopzondagen”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 14 mei 2020, p. 1.
[3] Deuteronomium 5:13, 14 en 15.
[4] Openbaring 9:20.
[5] Openbaring 16:9.
[6] Openbaring 16:11.
[7] Zie https://www.filosofie.nl/frederic-lenoir.html ; geraadpleegd op vrijdag 15 mei 2020.
[8] De gegevens van dat boek zijn: Frédéric Lenoir, “De filosofie van Christus; ‘het christendom is meer dan een religie’”. – Ten Have, 2008. – 270 p.
[9] Openbaring 1:8.

28 december 2016

Het hoge niveau van de kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Dr. Jos Douma, een spraakmakende predikant binnen het kerkverband van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt), verlangt naar het goede leven. Hij schreef er een boek over[1].

De flaptekst van dat boek luidt: “Kerk zijn in de eenentwintigste eeuw. Hoe doen we dat? Dit boek kiest voor een vernieuwende insteek die tegelijk vertrouwd is omdat Woordverkondiging, doop en avondmaal er de basis van vormen. Samen lezen – samen delen – samen eten: dat is de kern van kerk-zijn. En dat kan op alle mogelijke plaatsen en in alle mogelijke vormen gestalte krijgen. Heel praktisch. Dicht bij mensen. Dicht bij God. Jos Douma laat in dit boek zien hoe we op zoek zijn naar het goede leven – en vooral hoe we dat kunnen leven – en hoe gemeenten dit goede leven kunnen vormgeven”[2].

Hoe voelt dominee Douma zich?
Het Reformatorisch Dagblad interviewde hem.
“Hij is niet langer een traditionele dominee, concludeert Jos Douma. Zo introduceert hij zichzelf, en onder die naam publiceert hij ook op zijn website josdouma.nl. ‘Ik heb wel geprobeerd om dat te zijn. In Haarlem, een stadsgemeente in een geseculariseerde omgeving, ben ik veranderd. Ik realiseerde me dat ik als dominee geen aansluiting had bij de wereld om me heen’”.

Dominee Douma zegt: “Kijk om je heen en je ziet hoe de cultuur verandert. Dan kun je vasthouden aan hoe je het altijd hebt gedaan, maar daar geloof ik niet meer in. Anderhalf jaar geleden heb ik m’n stropdas definitief afgedaan. Sinds een paar maanden preek ik vanaf het podium. Dat heeft voor mij te maken met behoefte aan nabijheid, echtheid en authenticiteit”.

“Gereformeerden kunnen meer de alledaagsheid van het kerk-zijn omarmen. Ik heb het niet zo op theologie die gefocust is op de zondagse kerkdienst. Laat Woordverkondiging, doop en avondmaal op meer plaatsen terugkomen. Dat kan in verschillende vormen van samen lezen, delen en eten. Ik zoek knooppunten en kruispunten om zeven dagen per week met anderen samen God te kunnen dienen. Een prachtige oude kerk heb je niet nodig om bij God te komen. Gereformeerden hielden het vroeger al bij schuurkerken”.

De kerkdienst boet, als ik het goed zie, bij Douma aan belangrijkheid in.
In Zwolle, de plaats waar de predikant momenteel werkt, gaat dat als volgt.
“’s Ochtends zitten hier in de Plantagekerk zo’n 400 tot 500 mensen. ’s Middags halen we de 100 meestal niet. Zolang de tweede dienst een functie heeft, vind ik het prima om daaraan mee te werken. Maar er is tussen eredienst en gebedstrio nog zo veel meer ruimte om Woord en sacramenten te laten spreken. Christen-zijn is ons hart delen met anderen. We kunnen elkaar steunen bij het geopende Woord. En wat is er nu mooier dan om dat te doen rond eetmomenten?”[3].

Veel van wat de hierboven geciteerde predikant zegt, herken ik.
De samenleving wordt gaandeweg informeler.
Samen delen is prachtig.
Samen eten werkt samenbindend, en is vaak heel gezellig.

En toch voel ik mij niet zo thuis bij de boven omschreven redenering.

De Woordverkondiging op zondag lijkt in het gedrang te komen. En niets is erger dan dat.

Zeker, de Woordverkondiging is voor dominee Douma de basis.
Hij is ijverig op zoek naar verbreding. Het platform wordt, om zo te zeggen, uitgebreid en komt dichter bij de wereld te liggen.
’t Zit ‘m niet meer voornamelijk in de zondagse kerkdienst.
Ergens in mijn hoofd klingelt een belletje. Mijn vraag is: worden de zondagse kerkdiensten een beetje aan de kant geduwd?

De kerkdienst is de samenkomst van de heilige vergadering, zoals die door Jezus Christus is ingesteld.

Terecht schreef dr. J.A. van den Berg, predikant uit de Gereformeerde Bond: “Het eigene van de protestantse eredienst wordt vooral zichtbaar in vergelijking met een middeleeuwse Rooms-Katholieke manier van doen. Rituele bemiddeling van het heil(ige) door een priester aan min of meer passieve kerkgangers was kenmerkend in de middeleeuwse vorm van eredienst. De kerkganger was toeschouwer, of alleen ontvanger van een de genade in de sacramenten. In de reformatie wordt de automatische werking van het sacrament door het ritueel vervangen door de opvatting dat de Heilige Geest werkelijkheid maakt wat er in de dienst gebeurt, door geloof te werken in de kerkganger. De kerkganger verandert hiermee in iemand die actief participeert in de ontmoeting met God”.
En:
“Het gaat op zondagmorgen niet in de eerste plaats om het ons in herinnering brengen wat de historische Jezus gedaan heeft, of gedaan zou hebben. Veeleer gaat het om de ontmoeting met de Levende nu.
In het ons opnieuw toe-eigenen van deze geloofswerkelijkheid als veronderstelling voor de eredienst ligt naar mijn mening de grootste opdracht voor het protestantisme, van welke snit dan ook”[4].

In de eredienst is de Heilige Geest druk aan het werk. Hij draagt er zorg voor dat God en Zijn volk elkaar kunnen gaan ontmoeten.
Het komt mij voor dat wij dat punt goed vast moeten houden.

Je kunt zeggen: de Heilige Geest werkt overal in de wereld. Ook in informele gesprekken, bijvoorbeeld. En tijdens gezamenlijke maaltijden in een dorpshuis of een buurtcentrum.

Maar wat is nu het specifieke van de kerkdienst? Van de eredienst?
Laat ik, wat dit betreft, Mattheüs 18 citeren: “Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel. Wederom, voorwaar Ik zeg u, dat, als twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, het hun zal ten deel vallen van mijn Vader, die in de hemelen is. Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden”[5].
De kerk heeft de vrijmacht om iemand schuldig te verklaren of vrij te spreken.
De kerk ontvangt die volmacht van God, op het gebed.
De kerk heeft de roeping om het Evangelie van de opgestane Christus te verkondigen.
De kerk is de belangrijkste werkplek van Gods Geest.

Zeker, in alledaagse dingen kunnen kerkmensen tonen wat de consequenties van het Evangelie zijn.
Maar dat laat onverlet dat dat Evangelie iedere zondag weer geproclameerd moet worden.
Iedere zondag moet die Verbondsontmoeting plaats hebben.
Laat ik het eens zo zeggen: Gods kinderen moeten op niveau blijven, en daarom moet de gemeente wekelijks naar Gods Woord luisteren. Anders is kerk-zijn binnen niet al te lange tijd niet veel meer dan een oefening in solidariteit en wellevendheid. En dat terwijl de kern van kerk-zijn is: de God van hemel en aarde aan het Woord laten, en Hem de eer geven die Hem toekomt.

Dominee Douma zegt: ik heb het niet zo op theologie die gefocust is op de zondagse kerkdienst. En ook: ik zoek knooppunten en kruispunten om zeven dagen per week met anderen samen God te kunnen dienen.
Dat klinkt sympathiek.
Maar ik heb het hinderlijke gevoel dat de zondagse kerkdiensten gaandeweg minder belangrijk worden, ten gunste van allerlei contacten met de moderne wereld. Daar ontspoort volgens mij iets. En voor wij het weten is de schade groot. Zeer groot.

In een oud nummer van het Gereformeerd Weekblad – weekblad voor leden van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlands Hervormde Kerk – schreef iemand eens: “Predikanten die ambtelijk het Woord Gods bedienen, staan niet op een zeepkistje op de markt te evangeliseren (hoe zinvol ook dat kan zijn) en ze houden ook niet een toespraak voor één of andere godsdienstige vereniging. Neen, in opdracht van de grote Herder der schapen weiden ze de kudde Gods.
We moeten goed zien dat de eredienst niets minder is dan de ontmoeting tussen God en Zijn volk op aarde, tussen Christus en Zijn bruidsgemeente. De kerk is de plaats waar Jezus met zondaren samen woont. Aan het begin van de dienst wordt eerst het votum uitgesproken (Onze hulp…), waarmee wordt aangegeven dat het hier maar niet een menselijke samenkomst betreft, maar een ontmoeting op het hoogste niveau”[6].
Het hoogste niveau!
Terwijl er heel gewone, zondige mensen in de kerk zitten!
Is het niet een wonder?

Wellicht ongewild gaat dr. Douma dat wonder verkleinen.
Het niveau van de kerk wordt naar beneden gehaald.
Maar in de kerk mag en moet dat nooit de bedoeling wezen!

Noten:
[1] Dr. Jos Douma, “Verlangen naar het goede leven – samen lezen, samen delen, samen eten”. – Uitgeverij Boekencentrum, 2016. – 128 p.
[2] Geciteerd via http://www.literatuurplein.nl/boekdetail.jsp?boekId=1118633 ; geraadpleegd op donderdag 8 december 2016.
[3] “Het DNA van de kerk”. In: katern Kruispunt, onderdeel van het Reformatorisch Dagblad, donderdag 24 november 2016. p. 4 en 5. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[4] Deze formulering is van dr. J.A. van den Berg, predikant binnen de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland. Zie http://www.izb.nl/verdieping/artikelen/het-heilige-gebeurt ; geraadpleegd op donderdag 8 december 2016.
[5] Mattheüs 18:18, 19 en 20.
[6] “De aanspraak ‘gemeente des Heeren’”. In: Gereformeerd Weekblad, vrijdag 18 maart 1994, p. 181 en 182. Ook te vinden via www.digibron.nl . Het artikel waar dit citaat uit komt is ondertekend met “V.  J.H.”. Mijn vermoeden is dat dat dr. J. Hoek is. Hoek woonde en werkte indertijd te Veenendaal. Hij was jarenlang redacteur van het inmiddels niet meer bestaande Gereformeerd Weekblad.

9 augustus 2016

Keurige hatelijkheden en Zondag 2

“Naar mijn aard ben ik erop uit om God en mijn naaste te haten”.
Die zin uit Zondag 2 kennen wij wel. Maar misschien vinden wij die manier van uitdrukken wel wat overdreven. Als iedereen elkaar zou haten, dan zou deze wereld de vernietiging nabij zijn.

Wij moeten echter goed lezen wat hier staat. Die neiging zit in onze aard. Het Evangelie van Jezus Christus zet daar echter de rem op.
Om met Romeinen 7 te spreken: “…naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!”[1].
Het is aan Jezus Christus te danken dat wij een rem in ons leven hebben.
En als die beteugeling niet werkt?
In onze wereld is geweld in allerlei vormen aan de orde van de dag. Ten diepste zijn dat allemaal gevolgen van het negeren van Gods blijde Boodschap.

Dat woord ‘haten’ staat vaak in de Bijbel.
U komt het regelmatig in de Psalmen tegen. Laat ik een drietal voorbeelden geven.
Psalm 25 waar David signaleert:
“Zie, hoe talrijk zijn mijn vijanden,
en met welk een boosaardige haat haten zij mij”[2].
Psalm 35 waar David de hoop uitspreekt
“Dat mijn valse vijanden zich niet over mij verheugen,
noch met de ogen knippen wie mij zonder oorzaak haten”[3].
Psalm 41 waar David zingt:
“Allen die mij haten, fluisteren tezamen over mij,
zij denken het ergste van mij:
Een dodelijke kwaal is op hem uitgestort,
nu hij neerligt, staat hij niet meer op”[4].

Kinderen van God, zoals David, krijgen in de wereld vroeg of laat te maken met haat. Antipathie, tegenstand, haat – dat alles komen wij in allerlei gradaties tegen.

En ja, ook in Nederland komt dat voor.
Als voorbeeld neem ik een bericht uit de editie van het Nederlands Dagblad die verscheen op maandag 25 juli 2016.
Het wetsvoorstel waarvan in dat bericht sprake is, behelst de intrekking van de zondagswet. Ik citeer:
“D66-Kamerlid Koşer Kaya moet nog maar eens goed nadenken over het nut van haar wetsvoorstel. Kort gezegd is dit het advies van de Raad van State over haar nieuwste project: het intrekken van de Zondagswet. Als er geen betere motivering komt, voegt het wetsvoorstel niets toe.
Wat is het probleem? Het kabinet heeft aangekondigd de Zondagswet in te trekken. In plaats daarvan krijgen gemeenten de bevoegdheid regels te stellen voor de rust op zondagochtend, zoals het verbieden van sport of ander vermaak. Daar is Kaya echter fel op tegen. Het zorgen voor rust op zondag is ‘geen taak van de overheid’, schrijft ze in reactie op de Raad van State.
De Raad had juist geopperd dat de wet bedoeld is om ‘een balans te vinden tussen de uiteenlopende opvattingen over de zondagsviering en de openbare rust op de zondag’. ‘Het is de Afdeling advisering niet duidelijk waarom de Zondagswet tekortschiet of onevenwichtig is.’
Kaya pareert de kritiek met een bijzondere redenering: die wet is niet nodig, en ‘daardoor per definitie onevenwichtig’. ‘Nog belangrijker is echter dat die regeling niet passend en niet nodig is vanuit de visie van de initiatiefneemster over wat de taken van de overheid zijn.’ Punt”[5].
Let u even op die term “de visie van de initiatiefneemster”? Die regeling betreffende de zondagsrust is volgens het Tweede Kamerlid niet nodig. Die rust past ook niet meer in een moderne samenleving. Dus – weg ermee.

We hebben het, kort samenvattend, over keurige hatelijkheden van Kamerlid Koşer Kaya[6]. Ach, waarschijnlijk bedoelt zij dat niet zo. Welnee. Het probleem is vooral dat zaken als de zondagsrust niet meer aansluiten bij de huidige maatschappij.
Maar ten principale zit daar wel dat haten van Zondag 2 achter.

Laten wij het maar ronduit zeggen: Gereformeerden wennen aan zulke manieren van doen.
Want ach, zo gaat het momenteel in Nederland op meerdere fronten.
Christenen kunnen daar relatief weinig aan doen.
En, zeggen de mensen in de kerk niet zelden, zulke haat moeten wij beantwoorden met liefde.

Nu is het inderdaad ongepast om te gaan schelden.
Het is onchristelijk om keurige hatelijkheden te beantwoorden met woedende walging en het spuwen van gereformeerde gal.
Maar we zullen ons wel moeten realiseren dat Zondag 2 hier in het geding is.

Er zijn wel mensen die zeggen dat wij moeten uitgaan van het goede in de mens.
Schrift en belijdenis leren ons echter anders.
En nee, dat heeft dan niets met onverdraagzaamheid te maken.
Maar wel met het Evangelie betreffende de Heiland: “Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn”[7]. Hij betaalde schuld van onze ellende.
Voor wie dat niet gelooft, is er wel een veroordeling.

Zondag 2 is in geding.
Ook in Nederland, ook al is dat een heel beschaafde natie.
Ook in Nederland, ook al is de welvaart groot.
Ook in Nederland, ook al staat het welzijn op een hoog niveau.
Mensen zijn naar hun aard geneigd om hun naasten naar het leven te staan. Mensen zijn van nature geneigd het Evangelie van Jezus te bestrijden.
Het dieptepunt van de geschiedenis der mensheid – de zondeval – speelt ons allemaal parten.
Wie vanuit de Heilige Schrift naar het dieptepunt van die ellende kijkt, gaat steeds beter begrijpen hoe groot Gods genade is.

Noten:
[1] Romeinen 7:22-25.
[2] Psalm 25:19.
[3] Psalm 35:19.
[4] Psalm 41:8 en 9.
[5] “D66’er blijft strijden tegen de Zondagswet”. In: Nederlands Dagblad, maandag 25 juli 2016, p. 5.
[6] Zie voor meer informatie over haar http://www.parlement.com/id/vge7dtpk10yz/f_fatma_koser_kaya ; geraadpleegd op maandag 25 juli 2016.
[7] Romeinen 8:1.

20 mei 2016

De grens van Gods gebod

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

In de editie van het Nederlands Dagblad die op donderdag 19 mei 2016 verschijnt lees ik een bericht dat mijn aandacht trekt. “CU Zwolle stemt in met extra koopzondagen”, staat er boven.

Dat de ChristenUnie met de uitbreiding van het aantal koopzondagen in Zwolle instemt is, als u het mij vraagt, op zich al merkwaardig te noemen.
Maar waarom ligt de ChristenUnie in Zwolle niet dwars?
“Bij andere (coalitie)partijen, consumenten en ondernemers leeft de wens om het aantal koopzondagen uit te breiden, aldus fractievoorzitter Gerdien Rots van de ChristenUnie. ‘Wat ons betreft zou er geen zondagsopenstelling hoeven zijn. Maar wij willen ook een samenleving waarin we rekening houden met elkaars wensen. Dit besluit, waarin het bijzondere karakter van de zondag gewaarborgd blijft, brengt dat op een mooie manier tot uiting’.
Had de ChristenUnie vastgehouden aan het maximum van twaalf koopzondagen, dan zou de partij een kans hebben laten lopen om invloed uit te oefenen en te zorgen dat er respect blijft voor inwoners die hechten aan de zondagsrust, aldus Rots. Tegenstemmen had volgens haar misschien kunnen leiden tot nog meer koopzondagen”.

De ChristenUnie is dus eigenlijk tegen koopzondagen.
Maar, zo redeneert men in Zwolle, omdat we in onze samenleving rekening met elkaar moeten houden, gaat de ChristenUnie toch mee met de wens dat er meer koopzondagen komen.
Dan blijft er tenminste enig respect voor christenen.
Als de ChristenUnie tegen had gestemd, waren er misschien nog meer koopzondagen gekomen.
Begrijpt u de gedachtegang?

Er is nog een saillant detail.
“De partij, die in Zwolle samen met VVD, PvdA en D66 in een coalitie zit, steunt een voorstel van het College daartoe. In het coalitieakkoord uit 2014 staat dat het aantal koopzondagen tot 2018 niet wordt verruimd”[1].
Blijkbaar wordt het akkoord dus nu opengebroken.

Laat ik het maar ronduit zeggen: het komt mij voor dat de ChristenUnie te Zwolle een besluit heeft genomen waarover de Verbondsgod toornt.

De zondag is de rustdag.
Dat betekent in eerste instantie niet dat we alle tijd hebben om in een makkelijke stoel eens lekker uit te blazen. Nee, de basis van onze dagbesteding ligt in Exodus 20 en in Deuteronomium 5. Uit dat laatste Schriftgedeelte citeer ik: “Onderhoud de sabbatdag, dat gij die heiligt, zoals de Here, uw God, u geboden heeft. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw rund, noch uw ezel, noch uw overige vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de Here, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom heeft u de Here, uw God, geboden de sabbatdag te houden”[2].
God geeft bevrijding en verlossing.
Op zondag wordt de christelijke vrijheid geproclameerd.

Die christelijke vrijheid kan nu zomaar gedwarsboomd worden. Want het winkelend gepeupel moet aan zijn trekken komen.
Dat kerkdiensten verstoord kunnen worden door de drukte in de omgeving doet er blijkbaar niet zo toe.

Daar komt nog wat bij. De tendens is dat Nederlandse gemeenten steeds meer verantwoordelijkheden van de rijksoverheid overnemen.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit de voorgenomen intrekking van de Zondagswet. Minister Plasterk, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zegt: gemeenten mogen in het vervolg naar eigen inzicht verboden instellen[3]. Dat betekent in ieder geval dat er, landelijk bezien, niet langer één lijn wordt getrokken. Op termijn gaat dat zonder twijfel betekenen dat de zondagsrust steeds vaker niet gehandhaafd wordt.
In die sfeer is het beter om een statement te maken en te zeggen:
* wij zijn tegen koopzondagen
* want wij huldigen principes die op Gods Woord gegrond zijn
* of dat nu respectabel is of niet, hier gaat Gods Woord boven menselijke wensen
* Gods Woord gaat boven politieke meegaandheid.

In Zwolle lijkt men te zeggen: we willen meegaand zijn, en niet altijd principieel-stug wezen. We moeten, kortom, een beetje blijven meetellen.
En ja, menselijkerwijs kunnen wij vragen: ze willen in Zwolle toch gewoon een beetje mee blijven doen? Naar de mens gesproken zeggen we dan: ja, dat begrijpen wij wel.

Maar hier is ook een andere, een voluit-christelijke redenering mogelijk.
Men kan ook zeggen: in het stemgedrag met betrekking tot koopzondagen ligt een kans om te tonen dat het leven uit méér bestaat dan werken en consumeren alleen.
Op zondag kan er, rondom de kerkdiensten, veel aandacht worden besteed aan gezin, familie en vrienden.
Daar komt nog bij dat er op zondag ook extra aandacht kan wezen voor mensen die dat nodig hebben: bijvoorbeeld ouderen, mensen met een beperking en vluchtelingen.
Kortom: in een standpuntbepaling rond koopzondagen moet worden getoond wat God anno Domini 2016 van ons vraagt.

Hij vraagt van ons de Schepper van deze wereld te eren.
Hij vraagt van ons het welzijn van alle burgers van Nederland te bevorderen.
Dat is de reden dat we met regelmaat ons koningshuis, de regering en allen die gezag over ons hebben, in het gebed bij de Here onder de aandacht brengen.
Maar kunnen wij in een dergelijk gebed dan ook zeggen: ‘wij hebben ingestemd met een maatregel die rechtstreeks tegen uw geboden ingaat; maar met dat compromis willen we u toch eren’? Volgens mij kan dat niet. Echt niet.

Soms is het in dit leven nodig om duidelijke grenzen aan te geven.
Als het om de eer van onze God gaat is dat hoogst belangrijk. Als het om Zijn geboden gaat, geldt dat des te meer.

Noten:
[1] “CU Zwolle stemt in met extra koopzondagen”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 19 mei 2016, p. 2.
[2] Deuteronomium 5:12-15.
[3] Zie hierover https://www.internetconsultatie.nl/intrekkingzondagswet/ . Geraadpleegd op donderdag 19 mei 2016.

12 april 2016

Verfijnde voorsmaak

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Gereformeerden zijn nogal gesteld op hun zondagsrust. Ze doen hun best om die te behouden. Ze schrijven en praten er veel over.
Van echte rust op zondag is echter vaak geen sprake. Integendeel, met twee kerkdiensten is de zondag rijkelijk gevuld.

In de Heidelbergse Catechismus belijden wij dan ook:
“Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Antwoord:
Ten eerste dat gezorgd wordt voor het in stand houden van de dienst des Woords en van de scholen, en dat ik vooral op de sabbat, dat is op de rustdag, trouw tot Gods gemeente zal komen om Gods Woord te horen, de sacramenten te gebruiken, God de Here publiek aan te roepen en de armen christelijke barmhartigheid te bewijzen. Ten tweede dat ik al de dagen van mijn leven mijn slechte werken nalaat, de Here door zijn Geest in mij laat werken, en zo de eeuwige sabbat in dit leven begin”[1].

Zondagsrust duidt op een rust van een type dat bij ons niet zo gebruikelijk is. Een rust die meer betekent als: geen beroepsarbeid verrichten.

Om iets over die rust te leren wil ik u vandaag meenemen een tweetal Schriftgedeelten:
* Hebreeën 4
* Openbaring 19.

In het vierde hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën lezen wij onder meer: “Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God. Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne”[2].

Wat gebeurt er in Hebreeën 4? Welk betoog komen wij daar tegen?
Enkele jaren geleden schreef ik daarover:
“Eertijds waren er Israëlieten die de Here niet eerbiedigden; zij leerden – ongehoorzaam als zij waren – geen sabbatsrust kennen. In Hebreeën 4 kijkt de door de Heilige Geest gedreven scribent daarop terug. En hij geeft een duidelijke waarschuwing.
Hij schrijft: mensen u weet hoe het met die ongehoorzame Israëlieten is gegaan; nú is het zaak om naar de Here te luisteren.
Hij schrijft: als u de stem van de Here hoort, open dan uw hart voor Hem.
Hij schrijft: de Here God zou natuurlijk niet over een laatste sabbatsrust gesproken hebben, als de Israëlitische entree van Kanaän – onder leiding van Jozua – de laatste stap in de heilsgeschiedenis was geweest.
Hij schrijft: er is voor de kerk nog een sabbatsrust over; wie daarin gelooft, ervaart éénzelfde volmaakte rust als de Here genoot toen Hij Zijn scheppingswerk voltooid had.
Hij schrijft: mensen, bereid u zich er maar in alle ernst op voor om het terrein van die sabbatsrust te Zijner tijd te betreden”[3].

Zondagsrust betekent niet alleen dat we rustig in onze stoel zitten. Het houdt in dat we ons verheugen op de beloften van God. We mogen weten dat Hij ons naar de hemelse toekomst brengt, waar Hij alles in allen zal zijn.

Mensen, er komt een groot feest aan!
Binnenkort is er een bruiloft die zijn weerga in heel de wereld niet kent.
Op zondag ontstaat er al iets van de sfeer van Openbaring 19: “En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen”[4].

Een hervormde dominee zei eens in een preek over Hebreeën 4: “Welterusten! Dat is de wens, het aanbod zelfs, van onze Heere. Kom en voel je thuis bij Hem. Kom en rust uit. Kom en geniet van het geweldige vooruitzicht van een eeuwige rust bij Hem. Het komt! Hij komt! Onrustig, stressvol, wankel is ons hart tot het rust vindt aan de tafel van de Heere. Nu in alle voorlopigheid, straks in alle volmaaktheid”.
En:
“Welterusten; dat is wat we elkaar toewensen nu wij even thuiskomen aan zijn tafel. Welterusten; dat is wat Hij ons toewenst nu Hij ons uitnodigt om te eten en te drinken van het brood en de wijn van het Koninkrijk dat niet van deze wereld is, maar zeker doorbreekt. Amen”[5].
Welterusten.
Dat klinkt mooi.
Rustig ook.
Toch doet dat, dunkt mij, geen recht aan de Hebreeën 4. En ook niet aan de zondag. Wij rusten namelijk in de Here. Wij verheugen ons op een permanent leven met de machtige God van het verbond. In Zijn hemelse residentie. In Zijn woonplaats, waar onbevoegden nimmer kunnen binnendringen.
Dat doen wij actief. En niet half slapend.

Wij gaan op weg naar de bruiloft met Hem.
Hoe bereiden wij op een aardse bruiloft voor?
Nou, wij gaan in de regel niet eerst een uurtje naar de supermarkt om daar alle boodschappen voor de komende week te doen.
Wij gaan meestal niet in mooiste pak naar de benzinepomp. Stelt u zich toch voor dat dat fraaie pak besmeurd raakt!
Wij doen ook niet eerst ons joggingpak aan om een kilometer of tien te gaan hardlopen, om daarna hijgend op de feestlocatie aan te komen.
Nee, we concentreren ons op de mooie dingen die komen gaan. Wij zorgen ervoor dat we er klaar voor zijn. En in de kerk hebben we een voorsmaak van al dat heerlijks!

Misschien vraagt iemand: had u hierboven, in plaats van dat wat ouderwetse woord ‘voorsmaak’, niet beter het woord ‘voorpret’ kunnen gebruiken? Had u desnoods niet kunnen schrijven over ‘heilige voorpret’?
Nee, ik deed dat expres niet.
Want die voorpret is te aards. Te plat.
Het hemelleven heeft een totaal andere dimensie.
In de kerk ervaren wij de verfijnde voorsmaak van een bruisend bruiloftsfeest!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 38, antwoord 103.
[2] Hebreeën 4:9 en 10.
[3] Zie mijn artikel ‘Zes plus één’; hier gepubliceerd op donderdag 13 oktober 2011. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2011/10/13/zes-plus-een/ . Geraadpleegd op woensdag 6 april 2016.
[4] Openbaring 19:6, 7 en 8.
[5] Zie http://hervormdwaardenburgneerijnen.nl/downloads/preken/zondag%2022%20nov%2009%20-%20Rust%20voor%20het%20volk%20van%20God.pdf . Geraadpleegd op woensdag 6 april 2016.

11 januari 2016

Fijngevoeligheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , ,

Vandaag wil ik een paar woorden schrijven over fijngevoeligheid[1].
In de kerk zijn we in de regel niet zo fijngevoelig. Daarin verschillen we, zo valt te vrezen, niet zo heel veel van de wereld. De drukte van de dag maakt ons soms grof. Het werk dat in de kerk moet gebeuren, geschiedt naast onze dagelijkse bezigheden. Daarom kunnen we niet bij iedere punt en komma stil staan. Maar al die bedrijvigheid is niet zelden een bedreiging voor onze bedachtzaamheid.

Het is u ongetwijfeld genoegzaam bekend dat dat woord in de Bijbel voorkomt.
We vinden het in Philippenzen 1: “En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God”[2].

Daar staan ze vlak bij elkaar: kennis, liefde en intuïtie. We hebben ze alle drie even hard nodig.

In welk verband staat die fijngevoeligheid?
Daarover wil ik in drie korte alinea’s iets zeggen.

1.
Paulus schrijft dat hij de gemeente in Philippi op zijn hart draagt.
Dat betreft heel nadrukkelijk alle leden van die gemeente. Het staat er haast om het andere woord: u allen, u, allen. Paulus heeft dus het oog op iedereen. Niet op een paar mensen die hij wat beter kent. Hij let ook niet enkel en alleen op de mensen die pastorale hulp nodig gehad hebben. Nee, hij heeft heel de gemeente in het vizier.

2.
Paulus noteert verder het een en ander in verband met zijn verdediging en bevestiging van het evangelie.
Die termen doen aan de rechtspraak denken. Het evangelie is op zo’n manier gebracht dat niemand er meer omheen kan. Paulus is gevangen. Jazeker. En aangeklaagd. Dat ook. Maar aangeklaagd of niet: hij is advocaat van Gods blijde Evangelie. Iemand schreef: “de rechtsgeldigheid van het evangelie is komen vast te staan (…), is aan het licht gekomen”[3].

3.
En dan, opeens, gaat het in Philippenzen 1 over genade.
In een oogwenk is die hele rechtbank uit beeld.
Het gaat over Gods liefdadigheid: “Zó van u allen te denken spreekt voor mij dan ook vanzelf, omdat ik u op het hart draag, daar gij allen, zowel bij mijn gevangenschap als bij mijn verdediging en bevestiging van het evangelie, deelgenoten zijt van de mij verleende genade”[4]. Tès charitos staat er: genade. De Verbondsgod is charitatief bezig door de Evangelieverkondiging aan Paulus toe te vertrouwen. En die Philippenzen krijgen diezelfde genade. Ze werken mee aan die verkondiging. De gemeente in Philippi staat bol van de charitas.
En Paulus brengt de Philippenzen in het gebed bij de Here: maak hen nog sterker; en nog liefdevoller.

Laat ik het bovenstaande simpel mogen samenvatten. Christelijke fijngevoeligheid heeft klaarblijkelijk raakvlakken met:
* de schatbewaarder van de Waarheid, ofwel: het collectief van de gemeente;
* de garantie van de Waarheid, ofwel: de zekerheid van de gemeente;
* totale overgave aan de verkondiging van de Waarheid, ofwel: de houding van de gemeente.

Jaren geleden is het al dat iemand klaagde: in de kerk moest eens wat vaker gepreekt en gesproken worden over fijngevoeligheid. Want die fijngevoeligheid, die raakt hoe langer hoe vaker uit beeld.
Dat is een beetje droevig.

Maar bij nader inzien is het eigenlijk wel logisch dat die fijngevoeligheid verdwijnt.
Want wat gebeurt er?

In veel kerkgenootschappen vallen gemeentes uit elkaar. Dominees worden los gemaakt. Gemeenten raken los van het kerkverband. In veel kerkelijke gemeenten is tweespalt. En als die er niet is, is er niet zelden sprake van al of niet onderhuidse spanningen. Dan kan de gemeente – jawel: heel de gemeente – geen goede schatbewaarder zijn. Dat staat als een paal boven water.

Paulus heeft het Evangelie zo gebracht dat niemand er meer omheen kan. Het staat zo vast als een huis. De storm steekt wellicht op. En de regen valt misschien met bakken tegelijk uit de lucht. Maar het huis stort niet in. Want het is op de rots gebouwd.
Maar:
* als zondag en zondagsrust voor christenen op z’n minst voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn…
* als christenen enige vrijheden hebben om te theoretiseren over de aard der waarheid in Genesis 1 tot en met 11…
* als christenen misschien wel moeten twijfelen aan de historiciteit van de geschiedenissen rond Job en Jona…,
ja dan stort dat huis vrij snel in. Dan is zijn val groot, om met Mattheüs 7 te spreken. Dan kan de gemeente – jawel: heel de gemeente – maar moeilijk vasthouden aan de garantie van de Waarheid. Dat staat als een paal boven water.

We leven in een tijd waarin velen datgene doen wat in hun eigen ogen goed is. Er zijn enorme verschillen in levensstijl. Het individualisme heeft op het kerkplein al duizenden verslagen. Te vrezen valt dat er nog tienduizenden onderweg zijn. Bij dit alles komt nog dat Schriftkennis bij velen vervaagt. En de kerkgeschiedenis is voor grote groepen gelovigen oneindig ver weg.
Dit alles is mijlenver verwijderd van de totale overgave van de gemeente– jawel: heel de gemeente – aan de Waarheid. Dat staat als een paal boven water.

Wellicht is iemand thans geneigd om te zeggen: ach, het is een soort slingerbeweging. In periode één zijn wij wat preciezer. In periode twee zijn wij, om zo te zeggen, wat rekkelijk. Ach, het gaat wat heen en weer, zo beweren sommigen. En vervolgens spreekt men de hartelijke hoop uit dat u wat relativeringsvermogen in huis heeft.
Wie aldus spreekt maakt zich er, naar het mij voorkomt, iets te makkelijk vanaf.
Want wat doet Paulus in Philippenzen 1?
Hij verwijst – notabene! – naar de wederkomst van Christus. Ik citeer nog even: “Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus”[5]. Dat staat er werkelijk.
Daarom moet u dat relativeringsvermogen maar elders inzetten.

En laten wij het niet vergeten: “…zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in die dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. Dan zullen er twee in het veld zijn, één zal aangenomen worden en één achtergelaten worden; twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, één zal aangenomen worden, en één achtergelaten worden. Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt”[6].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 15 december 2006.
[2] Philippenzen 1:9, 10 en 11.
[3] Zie: Dr. L. Floor, “Filippenzen – Een gevangene over de stijl van Christus”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1998. – p. 50-53. Citaat van p. 51.
[4] Philippenzen 1:7.
[5] Philippenzen 1:10.
[6] Mattheüs 24:37-42.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.