gereformeerd leven in nederland

11 april 2019

Tragikomedie of hemelse toekomst

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Is het leven één grote tragikomedie?
Een tragikomedie – dat is een “drama dat elementen van zowel komedie als tragedie, hogere én lagere kunst, in zich verenigt. Het woord werd voor het eerst gebruikt door de Romeinse toneelschrijver Plautus”[1].
Welnu, de filosoof en cabaretier Tim Fransen schreef het boek ‘Het leven als tragikomedie’[2].

Fransen heeft oog voor de tekorten van de mensheid.
“Ons tekort is in de eerste plaats lichamelijk: wij zijn kwetsbare, vergankelijke en behoeftige wezens. Daarnaast schieten we psychisch tekort: we beschikken weliswaar over een grotere mentale capaciteit dan de dieren, maar de daaruit voortvloeiende zucht naar erkenning maakt ons bepaald niet gelukkiger. Onze hersenen zijn ook al niet je van het: we kampen met een tekort aan kennis, door Fransen het epistemische tekort genoemd. De waarheid is voor ons mensen eenvoudigweg niet te kennen en onze overtuigingen en zintuigen staan ons vaker in de weg dan dat ze behulpzaam zijn. Ten slotte schieten we moreel tekort: als puntje bij paaltje komt, zijn we zelfzuchtige wezens met ‘een verlangen naar superioriteit waardoor anderen het regelmatig moeten ontgelden’”.

En wat o wat is de zin van dit alles? Wel, die is er volgens Fransen niet.
God is, stelt Fransen vast, uitgevonden in pak ‘m beet vierduizend verschillende vormen.
Maar “juist de actieve omgang met het tragische tekort is precies wat onze mate van beschaving bepaalt”[3]. De manier waarop u en ik met verdriet omgaan bepaalt dus ons mens-zijn.
En, zegt Fransen, lach er maar een beetje om. Dat is het beste wat u kunt doen. Als wij de bloopers van anderen bekijken, beseffen we alras dat we ’t zelf niet veel beter doen.

Ergens las ik de volgende typering van het bovengenoemde boek: “In ‘Het leven als tragikomedie’ pleit Tim Fransen voor een herwaardering van het komische. Hij betoogt dat het komische niet een tegenpool is van het tragische, maar dat humor juist een alternatief perspectief biedt op ons onvermijdelijke falen. Een perspectief dat ons in staat stelt om het tragische onder ogen te zien, in plaats van een uitvlucht te zoeken in de vaak destructieve ontkenning ervan. En bovendien een perspectief dat een voedingsbodem kan vormen voor een gevoel van solidariteit met onze medestuntelaars”[4].

Ons leven staat bol van tekorten.
Natuurlijk presteren we wel het een en ander. Maar we hebben allemaal onze grenzen. Hoe intelligent we ook zijn, ergens houdt het op. Geen mens heeft gaven op alle levensterreinen.
Tim Fransen heeft gelijk: we schieten tekort. En niet zo’n klein beetje ook.

Moeten we maar een beetje om ons eigen falen lachen?
Op zichzelf genomen is dat geen slecht idee. Een beetje relativeringsvermogen kan geen kwaad.

Maar Johannes 1 is nog altijd waar: “In het Woord was het leven en het leven was het licht van de mensen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen”[5]. Met andere woorden: mensen geloofden niet dat dat licht de redding van de wereld inhield. En dat is nog altijd niet veranderd.

Ach, zeggen de mensen, van het christelijk geloof zijn vierduizend vormen.
En vervolgens laten zij het christelijk geloof maar voor wat het is. Zij gaan zelf een passende manier van leven zoeken.

En hoe is dat in de kerk?

Welnu – in de kerk zijn we, als het goed is, heel erg dankbaar.
Waarom?
God heeft ons uitgekozen. Hij trekt ons naar Zich toe. Zo komt het dat wij in Zijn licht gaan staan.
In Johannes 3 wordt gezegd: “Een mens kan niets aannemen, als het hem niet uit de hemel gegeven is”[6].
Een paar hoofdstukken verder, in Johannes 6, leren we: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag”[7].
Ziet u dat?
De Here trekt Zijn kind naar Zich toe. Maar dat is nog maar het begin. Op de laatste dag is dat kind van God blijkbaar nog bij Hem! Wát er in de tussenliggende tijd ook gebeurt, niemand slaagt er in om oprecht gelovige mensen bij God weg te halen.

Daarom wenden wij ons altijd weer tot God. En wij mogen er zeker van zijn: Hij zal ons steeds Zijn hulp en steun geven. Hij buigt onze wil om. Hij zorgt ervoor dat wij tot actie overgaan. Om met de apostel Paulus in Philippenzen 2 te spreken: “…werk aan uw eigen zaligheid met vrees en beven, want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen”[8].

Geloof maar in de kracht van het eenmalige offer van Jezus Christus!
Hij heeft de schuld voor onze zonden helemaal betaald. Wij staan niet meer in het hemels insolventieregister: dankzij de Heiland zijn we niet failliet; wij hoeven ook geen surseance van betaling aan te vragen!
Zeker, in Nederland is er een Centraal Insolventieregister. Daarin staan de mensen die – zoals dat heet – in de schuldsanering zitten[9]. Maar in de hemel staan we geregistreerd in het boek des levens. U weet wel, dat boek uit Openbaring 3: “Wie overwint, zal bekleed worden met witte ​kleren​ en Ik zal zijn naam beslist niet uitwissen uit het ​boek​ des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn ​engelen”[10].

Wij zou kunnen zeggen dat het aardse leven twee uitersten lijkt te hebben: heroïek en tragiek. Oftewel: daverende heldenmoed en diep verdriet. Op het terrein daartussen gebeurt van alles en nog wat.
Tim Fransen noteert grijnzend: blijf lachen, dan overleef je ’t wel. Het is een variatie op dat bekende motto des volks: een dag niet gelachen is een dag niet geleefd.
Maar in de kerk zeggen we: óp naar de hemelse toekomst. Om tenslotte met Johannes 5 te spreken: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft Die Mij gezonden heeft, die heeft eeuwig leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven”[11]!

Noten:
[1] Geciteerd van https://www.cultureelwoordenboek.nl/toneel/tragikomedie ; geraadpleegd op dinsdag 9 april 2019.
[2] De gegevens van dit boek zijn: Tim Fransen, “Het leven als tragikomedie: over humor, kwetsbaarheid en solidariteit”. – Rotterdam: Uitgeverij Lemniscaat, 2019. – 155 p.
[3] De citaten komen uit: Rick Moeliker, “Ik stuntel en schiet tekort” – bespreking van het in noot 2 genoemde boek. In: Gulliver, bijlage bij het Nederlands Dagblad, vrijdag 5 april 2019, p. 10.
[4] Geciteerd van https://www.hebban.nl/boeken/het-leven-als-tragikomedie ; geraadpleegd op dinsdag 9 april 2019.
[5] Johannes 1:4 en 5.
[6] Johannes 3:27.
[7] Johannes 6:44.
[8] Philippenzen 2:12 b en 13.
[9] Zie https://www.bureauwsnp.nl/voor-burgers/registers-schuldsanering ; geraadpleegd op woensdag 10 april 2019.
[10] Openbaring 3:5.
[11] Johannes 5:24.

19 februari 2019

Zondebesef onontbeerlijk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

De Bijbel bevat een blijde Boodschap: de Here Jezus Christus verlost Zijn kinderen van de zonde.
Zeker – heel hun aardse leven hebben zij nog met de zonde van doen.
Kinderen van God worden echter niet meer door de zonde beheerst. Iedere dag weer keren ze zich naar God toe. Zij willen Hem dienen. Met alles wat zij ter beschikking hebben.
Echter – de diepste motivatie voor die ijverige dienst aan God komt pas aan het licht als zij de ernst van de erfzonde met een zekere regelmaat tot zich door laten dringen.

In dat licht vraagt de schrijver van deze weblog graag aandacht voor enkele Paulinische formuleringen.

Het uitgangspunt van dit artikel ligt in Romeinen 3.
Ik bedoel de volgende woorden uit dat hoofdstuk.
“Er is niemand ​rechtvaardig, ook niet één, er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt. Allen zijn zij afgedwaald, samen zijn zij nutteloos geworden. Er is niemand die goeddoet, er is er zelfs niet één. Hun keel is een open ​graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen. Hun mond is vol ​vervloeking​ en bitterheid, hun voeten zijn snel om bloed te vergieten. Vernieling en ellende is op hun wegen, en de weg van de ​vrede​ hebben zij niet gekend. De vreze Gods staat hun niet voor ogen”[1].

De apostel Paulus is reuze Bijbelvast.
Hij grijpt namelijk terug op Psalm 14:
“De dwaas zegt in zijn ​hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
De HEERE heeft uit de hemel neergezien
op de mensenkinderen,
om te zien of er iemand verstandig was,
iemand die God zocht.
Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;
er is niemand die goeddoet,
zelfs niet één”[2].
Paulus lijkt ook met een scheef oog naar Psalm 53 te kijken; de inzet van dat kerklied lijkt sprekend op die van de veertiende psalm.

Iedereen heeft schuld. Niemand uitgezonderd.
Mensen zijn van nature in- en in-gemeen.
Ze zijn, vanuit zichzelf bezien gespecialiseerd in smaad en laster.
In alle ego’s zit de neiging om elkaar dwars te zitten en vijandig te bejegenen. Ook al zijn mensen nog zó vredelievend, altijd weer zijn daar die boze gedachten, steeds weer is er iets van frustratie over onbegrip en onrecht.
In vrede met elkaar leven, dat lukt mensen niet. In vrede met God leven – op eigen kracht lukt dat al helemaal niet.
Mensen gaan hun eigen weg. Eerbied voor God? Uit zichzelf komen mensen daar niet toe. Dat wordt niets. Als God het niet verhoedt eindigt alles en iedereen roemloos in de vangrail van het leven.

De mens heeft een vijand nodig, zo wordt wel gezegd. Anders verwordt politiek tot een saai woordenspel.
Ergens las ik: “Hoe kan een staat, een politieke eenheid, overleven als zij niet bereid is in het uiterste geval oorlog te voeren?”[3]. Als een land wil blijven bestaan, moet er een goed getraind leger zijn. De defensie moet op orde wezen.

Dit alles suist door het hoofd van schrijver dezes als hij denkt aan de zeer vele kerkmensen die de erfzonde maar een moeilijk onderwerp vinden.
En laten we er maar niet omheen draaien – dat is het ook.

Adam en Eva zijn na de zondeval zwaar gestraft.
Waarom eigenlijk?
Antwoord: omdat zij God niet op Zijn Woord geloofd hebben! Dat is in Genesis 3 het kernprobleem. Met die zonde zijn alle mensen behept. Van daaruit komen ook wij in 2019 tot hoogmoed, eerzucht en machtswellust.
Dat weten we in dit aardse leven al heel vroeg. Ouders worden erbij bepaald als zij hun kinderen laten dopen.

“Wij en onze kinderen zijn in zonde ontvangen en geboren. Daarom rust Gods toorn op ons, zodat wij in het rijk van God niet kunnen komen, of wij moeten opnieuw geboren worden”.
Zo worden wij in de Gereformeerde kerk onderwezen over de doop[4].
Daar begint het mee in de kerk.
En nee, dat is geen leuk begin. Nog vóór wij ons eigen kasteeltje hebben kunnen maken, wordt de in aanbouw zijnde vesting afgebroken. Zonder God is het leven uiteindelijk een ruïne. Het lijkt zo mooi. Soms is alles goud wat er blinkt. Maar het eindigt in iets wat verdacht veel op een ravage lijkt.

Wie het hierboven beschreven dieptepunt in het leven ziet, ontdekt vervolgens dat Gods genade ongelooflijk groot is. Sterker nog: de tegenstelling kan niet groter wezen!

De God van hemel en aarde trekt ons namelijk uit de smurrie. De zuigkracht van aarde en zonde blijkt opeens maar heel klein.
Paulus beschrijft dat schitterende nieuwe begin in 1 Corinthiërs 15 zó: “Als wij alleen voor dit leven op ​Christus​ onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen. Maar nu, ​Christus​ ís ​opgewekt​ uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn. Want omdat de dood er is door een mens, is ook de opstanding van de doden er door een Mens. Want zoals allen in ​Adam​ sterven, zo zullen ook in ​Christus​ allen levend gemaakt worden”[5].
De Here Jezus Christus zorgt zelf voor een totaal nieuw begin.
Het leven begint opnieuw.
Het bestaan wordt gereset.
De vicieuze cirkel van boosheid, haat, nijd en vijandschap wordt voor eens en voor altijd doorbroken!

Hoe is het in de wijde wereld mogelijk dat de God van hemel en aarde nog iets te maken wil hebben met mensen die zichzelf telkens weer zo diep in het moeras werken?
Paulus geeft in Romeinen 8 het antwoord: “Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch ​engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de ​liefde​ van God in ​Christus​ ​Jezus, onze Heere”[6].
Het is die liefde waarop wij in de kerk gericht moeten zijn.
Het is die liefde die het fundament vormt voor ons dagelijks leven.

Als wij eerlijk naar deze wereld kijken, beseffen wij eens te meer hoe barmhartig God is. Hij trekt Zijn kinderen iedere dag weer naar Zich toe!

Noten:
[1] Romeinen 3:10 b-18.
[2] Psalm 14:1 b-3.
[3] Geciteerd van http://sggroningen.nl/en/evenement/nieuw-licht-vriend-en-vijand ; geraadpleegd op dinsdag 12 februari 2019.
[4] “Formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen” – Gereformeerd Kerkboek-1986, p. 512.
[5] 1 Corinthiërs 15:19-22.
[6] Romeinen 8:38 en 39.

18 februari 2019

Half Evangelie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Als er een kindje wordt gedoopt, is dat een feestelijke gebeurtenis.
Het is duidelijk: dit kind is erfgenaam van Gods rijk.
Het is duidelijk: dit jongetje, dit meisje is opgenomen in het verbond dat God met Zijn kinderen gesloten heeft.

In het formulier dat in de Gereformeerde kerk gebruikt wordt, is de eerste vraag die aan de ouders gesteld wordt: “Belijdt u, dat onze kinderen, hoewel zij in zonde ontvangen en geboren zijn en daarom aan allerlei ellende, ja zelfs aan het eeuwig onderdeel onderworpen, toch in Christus geheiligd zijn en daarom als leden van zijn gemeente behoren gedoopt te zijn?”[1].

Vandaag de dag zeggen sommige mensen: met het eerste stukje van die vraag kun je niet meer aankomen.

Zij zeggen: in zonde ontvangen en geboren – dat is een slecht begin van je leven.
Zij zeggen: ellende – nou nou, dat kan gerust wat minder.
Zij zeggen: eeuwig oordeel – moet je ’t daar al over hebben als het kindje een paar weken oud is? Kom kom…

Zij zeggen: “Door één zo’n zinnetje kunnen mensen bevestigd worden in alle vooroordelen die ze over God en de kerk hebben”.
Zij zeggen: “Je hoeft geen onnodige vervreemding te veroorzaken. En waar halen we het vandaan dat er per se zware dingen gezegd moeten worden als er gedoopt wordt? Dat is ook maar een keer bedacht in de kerkelijke traditie”.
Zij zeggen: “Ik sta wel achter de doopvragen uit het formulier, maar hik er tegenaan vanwege mijn familie en vrienden in de kerk”. En: “Als je zo de nadruk op zonde en oordeel legt, begin je een gesprek met hen met 3-0 achterstand”[2].

Nu is het inderdaad geen opgewekte boodschap: zondige mensen krijgen nageslacht wat net zo zondig is. Opa’s, oma’s, kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen…, in alle generaties zit de zonde ingebakken.

We kunnen dat ook om ons heen zien: kinderen hebben ruzie, grote mensen hebben meningsverschillen. En conflicten. En vetes. En oorlogen. Dat alles is een gevolg van de diep ingewortelde zonde.
David heeft het er al over in de eenenvijftigste psalm:
“Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren,
in ​zonde​ heeft mijn moeder mij ontvangen”[3].
David zegt: mijn moeder was zondig. En ik ook. Dat is het begin.
David weet het, en wij moeten het allemaal beseffen: zo ziet de start van ieder mens eruit.

Wat zeggen die mensen van hierboven?
Zij zeggen: als je met Psalm 51 begint ben je eigenlijk een spelbederver.
Zij zeggen: dat kindje ziet er zo lekker onschuldig uit.
Zij zeggen: David heeft wel gelijk, maar dat hoef je toch niet meteen bij de doop te verkondigen?
Zij zeggen: als je je bij de doop stilhoudt, blijft het echt feest; dat is prettiger voor de vrienden en de buren.
Maar dan maak je ’t Evangelie zwakker.
Waarom?
Laten we de redenering even op een rijtje zetten.

Een Evangelieverkondiger gaat proclameren: de Here geeft redding.
Vervolgens vragen de mensen: waarom is er dan redding nodig?
De Evangelieproclamator zegt: omdat we vastzitten aan de zonde; maar de Here Jezus heeft voor onze zonden betaald en nu zitten we niet meer levenslang aan zonde en schuld geketend.
Daarna vragen de mensen: vanaf wanneer zit je als mensen aan de zonde vast?
De Evangeliebrenger zegt: vanaf dag 1.
Daarna roepen de mensen: zeg dat dan meteen; dan was tenminste vanaf het begin helder geweest waarvan we gered moeten worden!

Zijn Gereformeerden spelbedervers?
Zijn Gereformeerden depri-types?
Welnee.
Alleen maar – zij confronteren zich van stonde aan met de waarheid. De naakte waarheid, als u mij permitteert.
Die waarheid wordt ook Nicodemus voorgehouden. U weet wel, die Schriftgeleerde die in Johannes 3 een geleerd gesprek met Jezus gaat houden.
Jezus zegt: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het ​Koninkrijk van God​ niet zien”[4]. Dat is het eerste wat Jezus zegt. Het is Zijn binnenkomer. Het is Zijn start-statement.
En wat zeggen veel mensen in 2019?
Zij zeggen: dat kunnen we in de Gereformeerde kerk wel vinden, maar in de doopdienst verkondigen we dat niet. Daar wordt de sfeer zwart van. Het maakt de gesprekken met de buren moeilijker. Het is geen handig beginpunt bij eventuele verdere evangelisatieactiviteiten.
Gelet op Johannes 3 lijken we niet om de conclusie heen te kunnen: sommigen vinden dat ze het in de eenentwintigste eeuw beter weten dan Jezus; veel beter.

Wie de doop vanuit de mensheid bekijkt, begrijpt wel waarom sommigen zeggen: maak het begin maar niet al te zwart; maak er maar een grijs gebied van.
Maar zulke mensen gaan met een half Evangelie op pad.
Dat is zonde.
Eeuwig zonde.

Noten:
[1] “Formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen” – Gereformeerd Kerkboek-1986, p. 515.
[2] De citaten in deze alinea komen uit: “Direct op 3-0 achterstand door die heftige doopvraag”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 9 februari 2019, p. 18 en 19.
[3] Psalm 51:7.
[4] Johannes 3:3.

15 februari 2019

In Psalm 32 gaat Gods hart open

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven,
van wie de zonde bedekt is”.
Dat zingt David in Psalm 32[1].

Wanneer gaat de Here de zonden bedekken?
David zet het er in deze psalm bij:
“Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg,
onder mijn jammerklachten, de hele dag.
Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij,
mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte.
Mijn ​zonde​ maakte ik U bekend,
mijn ongerechtigheid bedekte ik niet.
Ik zei: Ik zal mijn ​overtredingen​ belijden voor de HEERE.
En Ú vergaf mijn ongerechtigheid, mijn ​zonde”[2].
Davids conclusie is: blijf bij God en leef met Hem. God staat garant voor de verzorging van de mensen die op Hem vertrouwen!

Wat leren wij niet in Psalm 32?

Als wij iemand vergeven is daarmee niet gezegd dat wij de zonde wegwuiven[3].
Zonde moet een naam krijgen. Zonde dient genoemd en benoemd te worden.

Als wij iemand een zonde vergeven, betekent dat vervolgens niet dat de zondaar niet meer naar de rechtbank moet.
Het recht moet zijn loop hebben. Het kan best zijn dat iemands zonde vergeven is, maar dat de betrokkene toch een gevangenisstraf moet uitzitten.

Als wij iemand vergeven, wil dat niet meteen zeggen dat de betreffende zonde ook vergeten is.
Iemand die seksueel misbruikt is, draagt dat levenslang mee. Als het slachtoffer er al in slaagt om te vergeven, is één ding zeker: de zonde blijft in het geheugen zitten.

Als wij iemand vergeven, betekent dat lang niet altijd dat een relatie helemaal hersteld wordt. Als het vertrouwen geschaad is, komt dat niet van de ene op de andere seconde terug. Het kan best zijn dat een vriendschapsrelatie nooit meer helemaal gaaf wordt.

Als wij iemand vergeven is dat in principe een kwestie van eenrichtingsverkeer. Vergeving geven we niet omdat we iets van de ander terug verwachten.

Wat leren wij wel in Psalm 32?

Psalm 32 leert ons dat het gezond is om de communicatie met de Here open te houden[4]. David belijdt zijn zonden. Hij belijdt ze allemaal.
Voor zulke mensen gaat de hemel open. Voor zulke mensen gaat het hart van de Here open. Onze beleden zonde? De God van het verbond wil er niet meer van weten!

Psalm 32 leert ons dat belijden van zonde iets voor de gewone man is. Iets voor de doordeweekse dag. “Daarom zal iedere ​heilige​ tot U ​bidden”, zingt David[5]. Dit blijde kerklied is niet iets voor extreme situaties en bijzondere gevallen.

Psalm 32 herinnert ons eraan dat – om met de Heidelbergse Catechismus te spreken – “zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn”[6].
Als wij goede werken doen, krijgen we geen beloning vanwege onze verdienste, maar vanwege Gods genade[7].

Psalm 32 leert ons het grotere geheel van het leven te zien.
Iemand zei eens “dat je als gelovige soms in een groef kunt terechtkomen, lekker veilig, maar God wil je daar soms uit halen om het mooie geheel weer te kunnen zien”[8].
Welnu, deze psalm is daar reuze geschikt voor!

Psalm 32 leert ons dat we in alle rust de toekomst in kunnen gaan. Alle belemmeringen om het vertrouwen in de Here te verliezen, lopen stuk op de trouw van de Verbondsgod. Niet dat het leven dan een makkie wordt. Het leven is niet opeens kinderspel. Maar de weg naar de hemel is open. Daar wordt een donkere dag toch mooi van.

Noten:
[1] Psalm 32:1.
[2] Psalm 32:3, 4 en 5.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer https://beam.eo.nl/artikel/2016/10/6-vergissingen-over-vergeving/ ; geraadpleegd op zaterdag 9 februari 2019.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer een preek over Psalm 32:6 van de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant T. Dekker (1930-1993). Thema en verdeling van de, voor zover ik weet, niet gedateerde, preek luiden:
De vreugde van het open verbondsverkeer met de Here.
We zien:
1. de oorzaak van die vreugde;
2. de weg naar die vreugde;
3. de vrucht van die vreugde.
[5] Psalm 32:6 a.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 24, antwoord 62.
[7]  Heidelbergse Catechismus – Zondag 24, vraag en antwoord 63: “Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in het toekomstige leven belonen? Antwoord: Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven”.
[8] Dat was Edward de Kam. In: ‘Mijn glas is altijd halfvol’. In: Nederlands Dagblad, donderdag 17 mei 2018, p. 24; rubriek: Houvast.

2 januari 2019

God doet onze zonden teniet

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Wie is een God als U, Die de ongerechtigheid ​vergeeft, Die voorbijgaat aan de ​overtreding van het overblijfsel van Zijn eigendom? Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn, want Hij vindt vreugde in goedertierenheid. Hij zal Zich weer over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen, ja, U zult al hun ​zonden​ werpen in de diepten van de zee”[1].

Met die Schriftwoorden gaan we, op deze internetpagina althans, het jaar 2019 in.
Al onze zonden worden weggedaan.
Ze worden vertrapt en weggegooid in de diepten van de zee.
De Here maakt ons werk goed. Tekortkomingen? – Hij vult ze aan. Kleinzieligheid? – Hij maakt het werk prachtig. Ons werk wordt geheiligd. Onze God doortrekt ons werk met hemelse volmaaktheid; al onze zondige ballast wordt gedumpt.
Laten we daar maar aan denken als wij in kerk en maatschappij onze klussen doen!

Micha – die naam betekent: Wie is als de Heere?
De profeet komt uit Moreseth-Gad, een stad die zo’n 35 kilometer ten zuidwesten van Jeruzalem ligt[2].
Micha profeteert ergens in de periode 756 tot 697 voor Christus. In krachtige taal stelt hij de zonden van de priesters en vervolgens ook van heel het volk aan de kaak[3].
Micha heeft gezien hoe Samaria in handen van heidenen is gekomen. En hij weet het – met Jeruzalem zal datzelfde gebeuren[4].

De profetie van Micha kan globaal als volgt worden ingedeeld:
“* Hoofdstuk 1, waarin God zijn oordeel afkondigt over de twee steden Samaria en Jeruzalem vanwege hun afgoderij;
* Hoofdstuk 2-3, vooral gericht aan de prinsen en leidinggevenden van het volk;
* Hoofdstuk 4, over de toekomstige grootheid van het nieuwe Jeruzalem;
* Hoofdstuk 5, de profetie over de messias en zijn rijk;
* Hoofdstuk 6-7, waarin God wordt voorgesteld als hebbend een geschil met zijn volk en eindigend met een lied op de bevrijding die God voor zijn volk zal bewerken”[5].

Micha 7 laat zien waar een decadente, goddeloze maatschappij na verloop van tijd terecht komt. “Een goedertieren mens is verdwenen uit het land en een oprechte onder de mensen is er niet. Zij loeren allen op ​bloed, zij jagen op elkaar met een net”[6].
In die maatschappij is er voor een kind van God echter troost. “Zelf zal ik echter uitzien naar de HEERE, ik zal wachten op de God van mijn heil. Mijn God zal mij horen”[7].
En omdat de Here God luistert, is er ook alle reden om hoopvol te bidden. Bijvoorbeeld met de woorden waarmee dit artikel begint.
Wie het bovenstaande samenvatten wil, zou aan de bekende drieslag ellende – verlossing – dankbaarheid kunnen denken.
Ellende: namelijk vanwege de goddeloosheid in de omgeving.
Verlossing: de Here luistert naar de klachten van Zijn kinderen, en Hij vergeeft hun zonden.
Dankbaarheid: want Gods kind ontvangt de geloofskennis dat God hem barmhartig is[8].

Micha 7 leert ons dat, wanneer er vrede moet komen tussen God en mensen, de actie van God moet uitgaan!
Jazeker, de gelovige mens doet zijn best om naar God toe te komen. Maar altijd weer zijn er in de wereld allerlei meer of minder interessante dingen die hen ertoe willen verleiden om de hoofdweg naar Gods toekomst te verlaten en een zijpad in te slaan.

Natuurlijk – in de wereld komt men tot grote dingen. En in de wereld is het best gezellig. En ja, in de wereld zijn heus nog veel sociale mensen. En het ziet er reuze aantrekkelijk uit.
Maar dan… opeens… zien we hoe het ego van de mensen vooraan komt te staan.
‘Ik ben nu vrij. Mijn dagtaak zit erop. Van mij moet je niets meer verwachten’.
‘Heb je nog wel tijd voor jezelf?’. Stel je voor dat je jezelf teveel opoffert…
Voor wij ‘t weten grenzen wij ons leven af. Wij sluiten onze harten voor mensen, materialen en gebeurtenissen om ons heen.
Het jaar 2019 is ongetwijfeld met heel veel goede voornemens begonnen. En iedereen weet: van al dat moois komt, in het algemeen genomen, niet zo daverend veel terecht.
Maar de Here belooft: ik doe al die zonden weg. Ik gooi ze Hoogstpersoonlijk in het diepst van de zee. Stelt u zich de Marianentrog maar voor; met z’n elf kilometer voor zover bekend de diepste plek in de oceaan – en dan nog veel dieper[9].

Het Bijbelboek Micha wordt vandaag de dag vaak geassocieerd met gerechtigheid voor mens en natuur. Als het een beetje wil noemt men daarbij ook die bekende tekst uit Micha 6: “Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God”[10].
Van de gerechtigheid voor mens en natuur moet men niet al te veel kwaads zeggen.
Maar Micha 7 geeft ons een training in het focussen. Concentreer u op het feit dat God onze zonden teniet doet. Teniet doen – dat is een oude term die betekent: ze bestaan niet meer.
God stuurde Zijn Zoon naar de aarde. Hij verzoende onze zonden. Verzoening door voldoening – voor gelovige kerkmensen moet dat de kern van het bestaan blijven.
Van daaruit kunnen wij met goede moed 2019 binnentreden!

Noten:
[1] Micha 7:18 en 19.
[2] Zie https://www.debijbel.nl/kennis-achtergronden/bijbelse-personen/2817/micha-uit-moreset ; geraadpleegd op donderdag 27 december 2018.
[3] Zie hiervoor ook http://christipedia.nl/Artikelen/M/Micha; geraadpleegd op donderdag 27 december 2018.
[4] Zie https://www.opkijken.nl/wp-content/uploads/2017/03/Micha-718-19-v2.pdf ; geraadpleegd op donderdag 27 december 2018. Dit betreft een preek van de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant A. van Groos (1962-2014).
[5] Geciteerd van https://nl.wikipedia.org/wiki/Micha_(boek) ; geraadpleegd op donderdag 27 december 2018.
[6] Micha 7:2.
[7] Micha 7:7.
[8] Deze alinea is een bewerkt citaat uit mijn artikel ‘Micha 7: de onzichtbare kloof’, hier gepubliceerd op woensdag 19 februari 2014. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2014/02/19/micha-7-de-onzichtbare-kloof/ .
[9] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Marianentrog ; geraadpleegd op donderdag 27 december 2018.
[10] Micha 6:8.

3 oktober 2018

Bij God aan tafel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Afgelopen zondag werd in De Gereformeerde Kerk Groningen het Heilig Avondmaal gevierd.
Waarom deden de kerkleden dat? Vanwege de gedachtenis aan Jezus Christus, de Heiland. Oftewel – de kerk realiseert zich dat God Zijn kerk liefheeft; Hij blijft Zijn kerk trouw.
De beloften van de vergeving van de zonden en een eeuwig leven zijn nog voluit geldig!
Zeker, de kerk is vol zonden.
Maar de God van hemel en aarde beschermt Zijn kinderen. Tot in eeuwigheid!

Uit berichten in de media blijkt dat het belangrijk is om dat blijvend te accentueren.

Op de website van het Reformatorisch Dagblad staat te lezen: “Eucharistie en avondmaal staan volop in de wetenschappelijke belangstelling, maar deelname wordt minder vanzelfsprekend. ‘Avondmaalsdiensten worden minder vaak goed bezocht. Het sacrament is in de marge terechtgekomen, ook bij jongeren’. Dat concludeert het onderzoek ‘Rond de tafel. Maaltijd vieren in liturgische contexten’ (uitgeverij Berne Media, Heeswijk), dat woensdag in Amsterdam wordt gepresenteerd”.
En:
“Terwijl er in de meeste kerken van de CGK een voorbereidingsbijeenkomst is op een doordeweekse avond, is dat bij de GKV niet meer het geval. Ook de censura morum heeft in de GKV geen prominente plek meer, evenals het lezen van het eerste deel van het avondmaalsformulier (waarin de zelfbeproeving aan de orde komt), één week van tevoren. Bij de CGK functioneert in onderscheid met de GKV een nabetrachtingspreek. Ook is er bij de GKV vaak een ‘lopende viering’.
In de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) is de aandacht verschoven van het offer naar het gemeenschapskarakter van de eucharistie. Waren vroeger de meeste rooms-katholieken erg terughoudend ten opzichte van de communie – er was veel eerbied voor het lichaam van Christus en men voelde zich onwaardig – nu dreigt het gevaar van nonchalance en automatisme, stelt Sam Goyvaerts over de eucharistische praktijk in Vlaanderen. ‘Het hoort er gewoon bij als onderdeel van het misritueel en heeft schijnbaar weinig effect’”[1].

Over de citaten hierboven zou veel te schrijven zijn.
In dit artikel wil ik graag de grote waarde van het Heilig Avondmaal benadrukken.
Dat doe ik in drieën.

1.
God heeft Zijn kinderen innig lief. Hij heeft er alles – echt: alles – voor over gehad om hen te redden. God de Vader had er zelfs Zijn geliefde Zoon voor over!
In de viering van het Heilig Avondmaal laten wij zien dat we beseffen dat die Vaderlijke liefde ook voor ons is.
Als iemand jou liefheeft, ga je graag naar diegene toe. Wie wil er niet dag aan dag genieten van genegenheid? Het is heerlijk om te weten dat er, wat er ook gebeurt, altijd Eén is die jou levenslang liefheeft!
Dat geldt zeker ook voor Gods liefde. Nee, die liefde zie je niet altijd. En je voelt die liefde soms helemaal niet. Maar Gods liefde is uniek. Want die genegenheid blijft bestaan, ook al is de wederkerigheid ervan soms ver te zoeken!

2.
In het formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal dat in de Gereformeerde kerken wordt gebruikt, staat de volgende zin: “… wij erkennen, nu wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken, dat wij midden in de dood liggen”[2].
Met andere woorden: als de Heiland niet ingegrepen had, was ons leven in feite al beëindigd.
Waarom? Omdat echt leven is: wandelen met God. Zeg het maar zo: iedere stap die je zet, iedere klus die je doet, ieder woord dat je zegt is een activiteit waar God bij is.
Hij pakt jou vast, en trekt je uit de viezigheid. Iedere dag weer. Voor onze God geldt: Hij is nooit afwezig.
Er zijn momenten dat wij Zijn levende presentie best lastig vinden. Op die ogenblikken lopen wij graag even weg. Wij doen even iets voor onszelf, zogezegd. En wat gaan we dan uitrichten? Ach – voor wij ’t weten worden wij, om zo te zeggen, vastgezogen in de bagger. Dan zitten we vast, voor de zóveelste keer, in het moeras van menselijke moeiten en wijsneuzigheid.
Misschien roepen we dan nog keihard: help! Maar dan is God ver weg…
Dat is wat er bedoeld wordt met: vanuit onszelf liggen we midden in de dood.

3.
Wie in alle ernst tot de Here roept, vindt altijd gehoor.
Populair gezegd: Hij laat ons nooit en te nimmer in de puinhopen van de zonde zitten. Hij trekt ons uit het moeras waarin mensen zich steeds weer willens en wetens laten vastzuigen.
Nu ja – hoe zien we eruit als we, om het zomaar te zeggen, net uit de smurrie getrokken zijn?
Ontoonbaar!
Afzichtelijk!
En toch zegt de liefdevolle Vader van onze Here Jezus Christus: kom maar bij Mij.
De Heiland zegt: Ik heb voor u aan ’t kruis geleden.
En daarom maak Ik u onberispelijk – voor God het aanzien waard!
Nee, dat is niet uit te leggen.
Dat moeten en mogen wij eenvoudigweg geloven.
Wij kunnen dan meteen met een bekend gezang instemmen:
“Christus droeg de vloek voor mij,
Christus is voor mij gestorven,
heeft gena voor mij verworven:
‘k ben van dood en zonde vrij!”[3].
Wie dat ten volle beseft wil graag bij de Here aan tafel zitten.
Wie dat ten volle beseft gaat niet uit een soort automatisme aan het Heilig Avondmaal deelnemen.
Wie dat ten volle beseft gaat hoopvol door het leven. Niet dat het aardse bestaan makkelijk is – welnee. Maar een gered mens weet: er komt een heerlijke toekomst aan: de hemelse toekomst.
Daarvan is het Heilig Avondmaal een klein beginnetje. Alle kinderen van God zitten te Zijner tijd aan tafel. Voor hen allen geldt die belofte uit Openbaring 3: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem gebruiken, en hij met Mij. Wie overwint, zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb, en Mij met Mijn Vader op Zijn troon gezet heb. Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de ​gemeenten​ zegt”[4].

Tot slot:
Bij de God van hemel en aarde aan tafel – dat is een voorrecht. Een voorrecht dat tegelijk een wonder is!

Noten:
[1] Zie https://www.rd.nl/kerk-religie/viering-avondmaal-is-in-de-marge-terechtgekomen-1.1515599 ; geraadpleegd op donderdag 27 september 2018.
[2] Formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal, Gereformeerd Kerkboek-1986, p. 523.
[3] Dit zijn de laatste regels van Gezang 16 uit het Gereformeerd Kerkboek-1986.
[4] Openbaring 3:20, 21 en 22.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.