gereformeerd leven in nederland

26 november 2019

De Helper is alert

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Men moet tegenwoordig in veel situaties oorverdovend hard schreeuwen om gehoord te worden. In die omstandigheden – ja ook dan – spreekt de God van het verbond het onomwonden uit: ‘Zeg het maar gewoon; dan horen uw broeders, uw zusters en Ik u ook wel. Het is nog sterker: als u slechts fluistert, dan hoor ik U ook’.

Dat is een troostrijk gegeven in een wereld waarin hulp soms ver weg is.

Het dagblad Trouw meldt donderdag 21 november 2019: “De hulp aan kinderen die seksueel misbruikt zijn, is versnipperd en heeft onvoldoende prioriteit. Zaken met de hoogste urgentie worden te laat opgepakt. Zo hadden 21 van de 136 kinderen die de afgelopen twee jaar als slachtoffer van seksueel misbruik onder toezicht gesteld werden door de kinderrechter, na een half jaar nog geen enkele vorm van jeugdhulp gehad”[1].
Dat is schrijnend.
Treurig.
En verdrietig.

Wie te maken heeft met de zorgsector in Nederland – wie komt daar niet mee in aanraking? – weet wel hoe het daar gaat: traagheid, miscommunicatie… ja, onbarmhartigheid is daar zelfs aan de orde van de dag.
En de jeugdhulp is daar een miserabel voorbeeld van.
Is het passend om daar op een internetpagina als deze aandacht voor te vragen? Hier gaat het over het Gereformeerd kerkelijk leven in Nederland. En over Gods Woord.
Is dit misplaatst geschrijf in de kantlijn?

Toch niet.
Want in de Bijbel is de Helper van de wereld aan het woord.
Laten wij elkaar wijzen op Jesaja 49: “Kan een vrouw haar zuigeling vergeten, zich niet ontfermen over het ​kind​ van haar schoot? Zelfs al zouden die het vergeten, Ík zal u niet vergeten”[2].

Jesaja is een Schriftgedeelte waarin het licht aan gaat.
Eerst is daar Gods Dienaar aan het woord. Door de inzet van die Dienaar laat God Wie de Machthebber is op deze aarde.
Het lijkt er op dat die Dienaar het niet meer zo ziet zitten. ‘Ik heb’, zegt hij, ‘Mijn energie voor niets ingezet’. Alle tegenstand wordt blijkbaar niet onmiddellijk overwonnen. De Dienaar zegt ook: ‘Ik moet Israël bij de Here terugbrengen. Maar dat gaat mislukken. Israël láát zich namelijk niet terugbrengen’.
Maar dat is het einde niet. ‘Want’, zegt God tegen Zijn Dienaar, ‘U moet verder kijken dan Israël. Heel de aarde is Uw werkterrein. Mijn kinderen komen overal vandaan. Uit allerlei steden, dorpen, gehuchten en buurtschappen komen ze naar Mij toe. En ja, Ik zal hen Hoogstpersoonlijk redden’.
Worden de mensen daar blij van? Er zijn velen die het allemaal tegenstaat. Zij hebben geen idee waarom die reddingsoperatie gestart is. En dat willen zij eigenlijk ook niet weten.
Maar er gaat een geweldige ommekeer plaatsvinden – u zult nog eens wat zien!
Vele regeerders, ja alle invloedrijke machthebbers zullen bij de Dienaar komen om Hem alle eer te bewijzen. Zij zullen een buiging voor Hem maken.
Wie is die Dienaar?
Die Dienaar is Gods Zoon. Door Zijn inzet, Zijn kracht, Zijn energie wordt het duidelijk: de God van hemel en aarde is altijd trouw – ja, tot in eeuwigheid!
Op Gods tijd wordt Israël weer hersteld. Er komt een renovatie aan. Een nieuw begin! De Bestuurder van deze aarde doet Zijn verbond gestand!
Zijn Dienaar zet de zaken recht. Want gevangenen worden vrijgelaten. Mensen die aan de donkere kant van het leven zitten worden in het licht gezet. Honger komt in de wereld niet meer voor; overal is eten genoeg. Dorst bestaat niet meer; water is altijd op voorraad.
Bergen zakken in. Alle oneffenheden verdwijnen uit het leven.
Ja, dan is er alle tijd voor groots feestgedruis!
“Juich, hemel, en verheug u, aarde, bergen, breek uit in gejuich, want de HEERE heeft Zijn volk getroost, Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen”[3].
Maar…
hoort de God van hemel en aarde dan niet hoe er ondertussen in de kerkstad druk wordt gepraat? Sterker nog – daar wordt luid geklaagd. Daar wordt geroepen: ‘de Here heeft ons totaal vergeten; wij zijn voor Hem klaarblijkelijk niet zo belangrijk meer…’.
En dan klinken daar die woorden: “Kan een vrouw haar zuigeling vergeten, zich niet ontfermen over het kind van haar schoot? Zelfs al zouden die het vergeten, Ík zal u niet vergeten”!
De kerkstad wordt weer in ere hersteld. Alle mensen die geprobeerd hebben om de kerk kapot te maken, begrijpen het: het is tijd om weg te wezen; en snel ook!

Dat is, in grote lijnen, het Evangelie van Jesaja 49.

Laten wij teruggaan naar de realiteit van 2019.
De jeugdhulp zit in het slop.
Jongeren en hun ouders zitten zo nu en dan met de handen in het haar. En het vliegt hen aan: is er dan niemand, helemaal niemand, die ons helpen kan?
Jazeker – Die is er!
De Helper is present!
Nee, daar lijkt het soms niet op.
Maar de Here zegt het in Jesaja 49: een moeder vergeet haar kind heus niet; en Ik al helemaal niet!
Er is Eén die hoort, en dat ben Ik.
Er is Eén die 24/7 luistert, en dat ben Ik.
Er is Eén die werkt aan verlossing, en dat ben Ik.

De Here Jezus Christus is gekomen. Hij heeft betaald voor onze zonden!
Het is belangrijk om dat zonder omwegen te belijden.
Laten wij de Nederlandse Geloofsbelijdenis naspreken: “Wij geloven dat onze goede God, toen Hij zag dat de mens zich zo in de lichamelijke en geestelijke dood gestort had en zich volkomen rampzalig gemaakt had, hem in zijn wonderbare wijsheid en goedheid zelf is gaan zoeken, toen hij bevend voor Hem vluchtte. God heeft hem getroost met de belofte hem zijn Zoon te geven, die geboren zou worden uit een vrouw -Galaten 4:4-, om de kop van de slang te vermorzelen -Genesis 3:15- en de mens voor eeuwig gelukkig te maken”[4].
Ziet u dat staan? De lichamelijke en geestelijke dood.
Wie dat tot zich door laat dringen, beseft dat het niet zo’n wonder is dat de jeugd hulp nodig heeft. Het is best begrijpelijk dat er pleeggezinnen nodig zijn. En logeerhuizen. En zorgboerderijen. En allerlei andere instellingen waar de jeugd hulp krijgen kan.
De zonde maakt ontzettend veel in het leven kapot.
Destructie – dat is de bezigheid van satan, Gods tegenstander.
Maar jeugdige Gereformeerden mogen het voor in hun geheugen houden: er is Eén die mij uit deze ellende kan trekken; en dat doet Hij ook.
Ouders mogen het zichzelf voorhouden: ook al lijkt er geen doorkomen aan, er is één Hulpverlener die altijd alert is. Tot in eeuwigheid!

In de jeugdhulp moeten zorgvragers en zorgaanbieders het zich terdege realiseren: wij kunnen het niet alleen, maar wij hoeven het ook niet alleen te doen.
Laten wij Jesaja 49 maar blijven repeteren: “Kan een vrouw haar zuigeling vergeten, zich niet ontfermen over het ​kind​ van haar schoot? Zelfs al zouden die het vergeten, Ík zal u niet vergeten”.
De God van het verbond zegt ook in 2019: kom maar bij Mij; Ik hoor u wel!

Noten:
[1] Geciteerd van https://www.trouw.nl/zorg/voor-misbruikte-kinderen-komt-de-hulp-vaak-te-laat~b19b0606/ ; geraadpleegd op donderdag 21 november 2019.
[2] Jesaja 49:15.
[3] Jesaja 49:13.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 17.

17 januari 2019

1 Johannes 3 over mantelzorg

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

De Bijbel is een boek dat heel actueel is.
Het gaat bijvoorbeeld over mantelzorg. Mantelzorg in en vanuit de kerk, bedoel ik.

Dat zien we als we een ogenblik kijken naar de eerste algemene brief van Johannes.
In hoofdstuk 1 komt het woord ‘gemeenschap’ vier keer voor[1]. Dat woord gemeenschap betekent daar: broederschap, gezamenlijkheid in geloof, verbonden aan Jezus Christus.

De Heiland heeft laten zien wat het toppunt van liefde is.
In 1 Johannes 3 staat het zo: “Hieraan leerden wij de ​liefde​ kennen, dat Hij voor ons Zijn leven heeft gegeven”[2].

Mensen die aan de Heiland verbonden zijn, hebben veel – zo niet alles – voor hun broeders en zusters over.
“Ook wij moeten voor de broeders het leven geven. Wie dan de goederen van de wereld heeft, en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn ​hart voor hem toesluit, hoe kan de ​liefde​ van God in hem blijven?”[3].
Vergelijkt u het maar met liefde tussen twee mensen. Je helpt elkaar waar je kunt. Met het beste materiaal waarmee dat kan. Op de tijdstippen dat het moet.

Wij moeten elkaar in de kerk verder helpen.
Mantelzorg dat is niet zelden een kwestie van lange adem. Met name oudere mensen zijn niet zelden hulpbehoevend. Zeker in een tijd als de onze gebeurt het nogal eens dat bepaalde klussen blijven liggen. Beroepszorgers doen vaak wel hun best, maar de realiteit is dat zij niet overal tijd voor hebben. De bloemen in de vensterbank, de vuilniszak in de prullenmand, het opruimen van een kamer in huis – ach, het blijft er zomaar bij. Bij ouderen ontbreekt nogal eens de energie om er wat aan te doen.
Wat kunnen mantelzorgers in zulke situaties reuze waardevol zijn!
Het is, ook vandaag, van het hoogste belang om elkaar in de praktijk van het leven te ondersteunen.

Een exegeet schrijft: “Wanneer geloof vrucht draagt, blijkt het echt te zijn. Op grond van het daadwerkelijk liefhebben van hun medechristenen weten de lezers dat het goed zit tussen God en hen (…). Op basis van deze zekerheid kunnen ze hun geweten kalmeren wanneer geloofstwijfel de kop mocht opsteken. En als dat niet lukt, mogen ze weten dat God alles weet”[4].
Wie met God leeft, ontvangt rust.

Dat klinkt prachtig.
Ideaal.
Paradijselijk bijna.

Maar ach – soms blijven we steken in formules[5].
Soms zijn we er met ons hart niet bij. Wij beloven dat we de Here met al onze krachten zullen dienen en nu ja – wat brengen we er van terecht? Niet zo heel veel. En dan staat in 1 Johannes 3 ook nog: “Mijn lieve ​kinderen, laten wij niet ​liefhebben​ met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid”[6].
En je vraagt je in gemoede af: walst Johannes hier niet met overigens bewonderenswaardige soepelheid over onze problemen heen? Immers – een dag heeft maar vierentwintig uur. Ons leven is hectisch. En we kunnen niet alles tegelijk – zegt u nu zelf. Bovendien – u weet vast wel wat het probleem van mantelzorgers is: balanceren tussen zorgen, gezin, school, werk, sporten van de kinderen…

Toch heeft Johannes heeft wel degelijk oog voor de realiteit van het leven.
Want er staat wat bij.
“En hieraan weten wij dat wij uit de waarheid zijn, en zo zullen wij ons ​hart​ voor Hem geruststellen. Want als ons ​hart​ ons veroordeelt, God is meer dan ons ​hart, en Hij weet alle dingen”[7].
Jazeker, er gaat in ons leven heel veel fout. Tekortkomingen zijn telkens aan de orde van de dag.
Maar we weten vast en zeker: Jezus Christus is voor onze zonden gestorven. En we willen elkaar werkelijk liefhebben. En waarom? Omdat God het zegt. Punt. Zulke belijders zijn en blijven welkom bij Gods troon.
Om met Johannes te spreken: “Geliefden! Als ons ​hart​ ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid om tot God te gaan; en wat wij ook maar ​bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden in acht nemen en doen wat Hem welgevallig is. En dit is Zijn gebod: dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon, ​Jezus​ ​Christus, en dat wij elkaar ​liefhebben, zoals Hij ons een gebod gegeven heeft. En wie Zijn geboden in acht neemt, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan weten wij dat Hij in ons blijft, namelijk aan de Geest, Die Hij ons gegeven heeft”[8].

Ja, er is altijd veel werk in de kerk.
En dan gaat het in eerste instantie niet over managing, of over leiderschap, of over diverse bestuursconcepten.
Er is onderwijzing nodig.
En vertroosting, vooral.
En hulp, heel vaak.
Maar wij mogen weten: de Heilige Geest woont in ons hart. En daarom beschikken wij over voldoende Geestelijke spankracht.

Laten wij daarom het advies van de Prediker maar opvolgen: “Alles wat uw hand vindt om te doen, doe dat naar uw vermogen”[9].

Noten:
[1] Namelijk in vers 3 (2 keer), en in de verzen 6 en 7.
[2] 1 Johannes 3:16 a.
[3] 1 Johannes 3:16 b en 17.
[4] Pieter J. Lalleman, “1, 2 en 3 Johannes; brieven van een kroongetuige”. – Kampen: Uitgeverij Kok, 2005; tweede druk 2008. – p. 181.
[5] In het onderstaande gebruik ik onder meer mijn artikel ‘Waarheid’; dat artikel is gedateerd op vrijdag 14 oktober 2005.
[6] 1 Johannes 3:18.
[7] 1 Johannes 3:19 en 20.
[8] 1 Johannes 3:21-24.
[9] Prediker 9:10 a.

4 december 2018

Beter dan aardse zorgprofessionals

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Maar mijn God zal u, overeenkomstig Zijn rijkdom, voorzien van alles wat u nodig hebt, in heerlijkheid, door ​Christus​ Jezus”[1].
Deze opbeurende woorden noteert de apostel Paulus in Philippenzen 4.

De christenen in Philippi hebben Paulus materieel ondersteund. Maar het leven is meer dan geld. Hun giften kunnen zij namelijk ten diepste beschouwen als evenzovele offers aan God.
Paulus zegt: u heeft in mijn behoefte voorzien; wees er maar zeker van dat de Here ook in uw behoefte zal voorzien. Niet dat alle wensen per onmiddellijk vervuld zullen worden. Maar wat de Here voor de christenen in Philippi nodig vindt, dat zal er komen. Zoveel is zeker!

Dat is een Paulinische stimulans. Maar tevens een bemoediging. En die is wel op z’n plaats.
Waarom?[2]
In de eerste plaats zijn er in Philippi twee vrouwen, Euódia en Syntyche, die elkaar klaarblijkelijk niet zo liggen. Paulus vermaant de dames om eensgezind op te treden. Dat is blijkbaar nog niet zo eenvoudig. De kerkelijke gemeente lijkt er knap last van te hebben.
In de tweede plaats zijn er in en rond Philippi nogal wat afgoden.
In Italië heeft men de Romeinse goden; Jupiter bijvoorbeeld, de oppergod en de god van de hemel en het onweer[3]. In Griekenland is er de oppergod Zeus[4]. En natuurlijk zijn er nog een heel stel lagere goden.
Er zijn in Philippi heel wat verleidingen!

Daartegenover staat de God van de Bijbel.
De machtige God die, ook heden ten dage nog, mensen tot geweldige dingen in staat stelt. Dingen waarvan men zegt: ik wist niet dat ik het in mij had.
David zegt in Psalm 18:
“Want met U ren ik door een legerbende,
met mijn God spring ik over een muur”[5].
Dat concludeert David nadat hij – vanwege de reddende kracht van God – allerlei vijanden van zich heeft afgeschud; Saul inbegrepen.

David debiteert geen onzin.
Want de hemelse God is zorgzamer dan alle aardse zorgprofessionals bij elkaar. Zijn zorg eindigt nooit. In Philippenzen 3 – even eerder in zijn brief – heeft Paulus het al opgeschreven: “Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere ​Jezus​ ​Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam…”[6]. Gods zorg voor Zijn kinderen houdt niet op bij de grens van het aardse leven. Zijn zorg gaat in de hemel gewoon verder!

Het is niet voor niets dat de Spreukenleraar in hoofdstuk 23 zegt:
“Mijn zoon, geef mij je ​hart,
en laten je ogen behagen scheppen in mijn wegen”[7].
Want de weg van de Here is het pad naar de hemel!
Hier op aarde kijken we soms op een afstandje naar onszelf. Naar ons gefröbel. Naar ons onhandig geknutsel. Naar ons aards geknoei. Naar ons goed bedoeld geklungel. Daar staren we naar. En misschien ergeren wij ons wel een beetje aan onszelf. Dat moeten we echter niet te vaak doen. Want de Here toont ons de wegen die naar Zijn troon leiden; Hij heeft Hoogstpersoonlijk de route voor ons uitgestippeld!
Om met Psalm 23 te spreken:
“Hij sterkt mijn ziel, verkwikt mij met zijn zegen,
leidt om zijn naam mij op de rechte wegen”[8].

Onze God is een gevende God.
Hij deelt uit. Met gulle hand. Dat doet Hij graag. Dat doet Hij veel.
Paulus weet daar wel van.

Bij zijn naamgenoot Paul uit 2018 is het een beetje weggezakt.
Bij de bekende cabaretier Paul van Vliet, bedoel ik.
In het Nederlands Dagblad zei Paul onlangs: “Misschien vind ik God terug nu ik meer rust en ruimte in mijn leven krijg. De afgelopen jaren liep ik op zondag naar de schouwburg, misschien loop ik straks naar de Kloosterkerk – allebei vijf minuten. Maar God zal niet dezelfde zijn als in mijn kindertijd. Hij is abstracter geworden. Ik vind Hem in adembenemende kunst, in de natuur, in een mens, soms. In het mysterie. Ik vind het prettig om te geloven in het onbegrijpelijke. Ervan uit te gaan dat je als mens niet de maat der dingen bent. Voor het gemak spreek ik over ‘God’, maar de formulering is niet toereikend. Je gaat altijd stamelen hè, als je het probeert uit te leggen. Als je rotsvast in de Bijbel gelooft, is het veel makkelijker om God te beschrijven”[9].

Natuurlijk is God vele, vele malen groter dan wij. Hij is onbegrijpelijk.
Maar Hij is zeker niet mysterieus. Want Hij maakt Zich in Zijn Woord bekend. En de gaven van de gulle Gever zijn reuze concreet.
Terecht zei een dominee eens: “God geeft uit Zijn volheid en dat valt niet tegen. (…) Wij vallen tegen, maar God niet”[10].
Hij geeft van alles: vergeving en verzoening van zonden, totale vernieuwing van het leven, bescherming en beloften over het eeuwige leven – een verrukkelijk bestaan dat nooit ophoudt!

Ja, God is echt een Vader. Een Vader die zorgt.
Wij weten het wel: aardse vaders moeten op een bepaald moment hun kinderen loslaten. Er komt een moment dat aardse vaders bijna alleen maar meer bezorgd kunnen zijn over hun kinderen. Veel meer kunnen zij niet doen.
Welnu, onze hemelse Vader laat Zijn kinderen nooit los. Hij stuurt hen langs allerlei wegen. Soms zijn het wegen waarvan wij het bestaan niet konden vermoeden. Soms zijn er weggetjes en stopplaatsen waar Zijn kinderen vragen: wat moeten wij hier nu toch doen? Wij mogen ons realiseren: ooit zullen de vraagtekens verdwenen wezen!

Laten wij intussen onze Vader maar eren.
Laten wij ons, al werkende weg, maar verheugen op het grootse bestaan dat wij tegemoet gaan.
En laten wij het Paulus maar nazeggen: “Onze God en Vader nu zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. ​Amen”[11]!

Noten:
[1] Philippenzen 4:19.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.prekenweb.nl/m/Preek/Open/21742 ; geraadpleegd op donderdag 29 november 2018.
[3] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Jupiter_(mythologie) ; geraadpleegd op donderdag 29 november 2018.
[4] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Zeus ; geraadpleegd op donderdag 29 november 2018.
[5] Psalm 18:30.
[6] Philippenzen 3:20 en 21 a.
[7] Spreuken 23:26.
[8] Psalm 23:1 – berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[9] “Ik ben een verwend jochie”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 29 november 2018, p. 20 – rubriek Houvast.
[10] De woorden werden gesproken door dominee W. Visscher, predikant van de Gereformeerde Gemeente in Amersfoort.
[11] Philippenzen 4:20.

7 augustus 2018

Met ongekende kracht

De krachten van de hemel zijn enorm groot.
Als wij ons daar iets bij voorstellen, moeten we altijd bedenken: het is groter… nog luisterrijker… nóg magnifieker!

God – onze God – is fenomenaal en majestueus. Moeiteloos slaagt Hij er in om alle wereldburgers, hoofd voor hoofd, aan te sturen. Iedere minuut van de dag. En ja, ook ’s nachts.
Aldus gebeuren er goede, christelijke dingen in de wereld. God geeft ons er de gaven voor. Hij creëert de omstandigheden. Hij geeft de mogelijkheden.
En toch komt al dat werk op onze naam te staan. Wonderlijk maar waar!

Leest u maar mee in Hebreeën 6: “Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten en de liefdevolle inspanning die u Zijn Naam bewezen hebt, doordat u de ​heiligen​ gediend hebt en nog dient. Maar wij verlangen ernaar dat ieder van u dezelfde inzet toont, tot volle zekerheid van de hoop, tot het einde toe, opdat u niet traag wordt, maar navolgers bent van hen die door geloof en geduld de beloften beërven”[1].
Laat ik, in verband hiermee, enkele zinnen uit de Dordtse Leerregels in herinnering brengen: “En wanneer de wil vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf. Daarom wordt terecht gezegd dat de mens zelf gelooft en zich bekeert door de genade, die hij ontvangen heeft”[2].
Met andere woorden:
als we – na een groots Goddelijk werk – op gang zijn gebracht, willen we ook niet meer anders.

Als wij ons dat realiseren gaan we – bijvoorbeeld – Zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus beter begrijpen.

De bede ‘Uw koninkrijk kome’ betekent: “Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder uw kerk; verbreek de werken van de duivel en alle macht die tegen U opstaat; verijdel ook alle boze plannen die tegen uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volmaaktheid van uw rijk komt, waarin U alles zult zijn in allen”[3].
Dus:
de God van hemel en aarde buigt onze wil om. En daarna worden we ook zelf actief. Als lid van de militia Christi gaan wij de strijd aan!

Vervolgens is het wel zaak om vol te houden. Wij moeten volharden zolang wij adem hebben.

Bij de formulering van de vorenstaande zin heb ik gedacht aan een boek waarin ervaringen van een longarts beschreven staan[4]. Deze arts behandelt veel patiënten met longkanker. Van de honderd patiënten blijven er slechts vijftien in leven. De dokter heeft afgeleerd om ‘Het valt wel mee’ te zeggen; dat doet het namelijk meestal niet. De dokter doet buitengewoon moeilijk werk!
De Engelse arts Cicely Saunders, één van de grondleggers van hospices en palliatieve zorg zei over haar werk eens: ‘Leven toevoegen aan de dagen, niet dagen aan het leven’[5].
Wie dat leest, beseft: wat liggen troost en verdriet soms dicht bij elkaar![6]

Als wij dat tot ons laten doordringen worden wij bepaald bij het antwoord op de vraag: wat is nu echt leven?
Het antwoord daarop luidt: wij weten zeker dat Jezus Christus terugkomt! Het Koninkrijk Gods breekt in alle volheid aan, schrijft iemand[7]. Kijk, dat is echt leven. Dan vangt het nieuwe leven aan.

Geloof en geduld: die twee zaken moeten Gereformeerde mensen vastgrijpen, zo lang als zij dat kunnen. En zij kunnen die beide dingen steeds in gedachten houden. Ook als zij zwakker worden. Ook als zij misschien wel snakken naar adem!

In Hebreeën 10 staat geschreven: “Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning met zich meebrengt. Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen. Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven”[8].
Dat woord ‘vrijmoedigheid’ heeft daar de kleur van: innerlijke zekerheid, vertrouwen[9].
Daar horen we, om zo te zeggen, de echo van Hebreeën 6.

Het is vakantietijd.
Na een druk kerkelijk seizoen ademen wij nu rustig in en uit.
Wij herademen, zogezegd.
Wij recreëren met diepe overgave en grote vreugd.
En dan kan ons, in een strandstoel, opeens de gedachte bekruipen: volgend seizoen moet ik het maar wat rustiger aan doen; dat is beter voor mij.
Laten wij, als wij zulke dingen denken, ook beseffen dat de Heilige Geest ons aanstuurt en dat God krachten geeft: laten wij vooral niet bang worden dat wij op een bepaald moment moe zullen wezen!
En trouwens: onze God werkt altijd.
Hij leidt ons door Zijn Woord en Geest.
Hij beschermt en vermeerdert Zijn kerk.
Het werk van de duivel maakt Hij uiteindelijk kapot.
Alle andere machten zullen ook stuk gemaakt worden.
De planning van iedereen die zich bezighoudt met het ondermijnen van Gods Woord en van het geloof wordt uiteindelijk totaal in de war geschopt.
Zo komt Gods Koninkrijk eraan, in al zijn glorie en volmaaktheid. Inderdaad, met ongekende kracht. Ongelooflijk, maar waar!

Noten:
[1] Hebreeën 6:10, 11 en 12.
[2] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 12.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 48, antwoord 123.
[4] De gegevens van dit boek zijn: Sander de Hosson, “Slotcouplet. Ervaringen van een longarts”. – Amsterdam: De Arbeiderspers, 2018. – 215 p.
[5] Zie over Cicely Saunders https://nl.wikipedia.org/wiki/Cicely_Saunders ; geraadpleegd op dinsdag 24 juli 2018.
[6] Zie hierover ook: Willy Wouters-Maljaars, “In stille kamers, achter dichte deuren”. In: Puntkomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, vrijdag 20 juli 2018, p. 11.
[7] Citaat uit de onlineversie van de Studiebijbel, commentaar bij Hebreeën 6:11: “d.w.z. de zekerheid dat bij de wederkomst van Christus het Koninkrijk Gods in alle volheid aanbreekt en zij in de heerlijkheid van Christus zullen delen”.
[8] Hebreeën 10:35, 36 en 37.
[9] Zie de onlineversie van de Studiebijbel, commentaar bij Hebreeën 10:35.

16 juli 2018

Mag veroudering afgeremd worden?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Euthanasie? Dat is iets dat de rechtgeaarde kerkmens tot in het diepst van zijn wezen tegenstaat. Het opzettelijk beëindigen van een mensenleven, alleen vanwege de wens van die persoon zelf – nee, dat doet men niet. Want het leven is in Gods hand.
Daar zijn orthodox-Gereformeerden het wel over eens.

Maar mag je veroudering tegengaan?
Dat is een punt dat, dunkt mij, in onze tijd wel enige aandacht verdient.

Door de jaren heen wordt ons DNA – zeg maar even: ons celmateriaal – beschadigd. Na verloop van tijd kunnen er twee dingen gebeuren:
* stoppen met delen van cellen
* ongecontroleerd delen van cellen

Als de celdeling stopt, begint de veroudering. Hoe kun je dat tegengaan? Daar wordt heel wat onderzoek naar gedaan.
Men doet verwoede pogingen om stamcellen nieuw leven in te blazen. Zo’n stamcel is in staat om nieuwe cellen te laten ontstaan. Die stamcellen kan men herprogrammeren. Toegegeven: dat klinkt als een computerprogramma dat weer op gang wordt gebracht. Het is niettemin de realiteit van 2018.

Iemand schrijft: “Bij muizen werden na toediening van deze verjongde stamcellen de ouderdomskenmerken van de organen teruggedrongen. Met deze herprogrammeringstechniek konden in muizen nieuwe hersencellen groeien. Bij ratten en apen met Parkinson werden de symptomen minder ernstig na een behandeling met stamcellen. Een dergelijk experiment werd met succes uitgevoerd bij muizen met de ziekte van Alzheimer: het ruimtelijke geheugen werd weer beter. De veroudering werd dus teruggedraaid. Het lijkt een kwestie van tijd dat deze technieken ook bij mensen kunnen worden toegepast”[1].

Dat is allemaal heel knap. Heel wetenschappelijk, bovendien.
Maar kan dat allemaal?
Is het wel christelijk-verantwoord om zulk onderzoek te doen? Is dat een verantwoorde ingreep in het menselijk leven?

In Leviticus 19 staat te lezen: “U moet opstaan voor iemand met grijze haren en ​eer​ bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE”[2].

Leviticus – dat is een boek van zevenentwintig hoofdstukken, waarin wordt uiteengezet hoe Israël, het volk van God, met Hem moet omgaan. Op welke manier moeten de door God uitverkorenen hun Heer benaderen? Hoe moet de sfeer zijn als Israël naar God toegaat?[3]

Die gedragsregel ten aanzien van ouderen staat in het kader van het heilig leven voor de Here. Wat wij doen, moet naadloos passen bij de Machthebber van hemel en aarde. In het respect voor ouderen komt naar voren dat wij eerbied voor de Here hebben. Want Hij heeft in de Tien Geboden gezegd: respecteer je ouders.
Wij zien die norm trouwens ook terugkomen in Deuteronomium 5: “Eer​ uw vader en uw moeder, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden en opdat het u goed gaat in het land dat de HEERE, uw God, u geeft”[4].

Ziet u de belofte?
Daar staat het: “opdat uw dagen verlengd worden en opdat het u goed gaat in het land dat de HEERE, uw God, u geeft”. Kerkmensen van nu zijn wellicht geneigd om bij dat gegeven land meteen aan de hemel te denken. En dat is niet verkeerd. Welnee.
Maar wij hoeven, wat mij betreft, niet meteen aan het aardse leven voorbij kijken. In het Oude Testament werd toch ook vaak gedacht aan het leven in het land Kanaän?

Zorg voor oudere mensen betekent zeker ook dat wij hier op aarde negatieve gevolgen van veroudering helpen opheffen en/of opvangen.
Nee, dat wil niet zeggen dat we ’t leven hier maar eindeloos moeten rekken. Het doel van de zorg voor ouderen moet echter wel zijn: het blijven bevorderen van hun lichamelijke en geestelijke mogelijkheden, zodat zij in hun leven de God die hen schiep in al hun bezigheden kunnen eren.

Over dergelijke zorg hoeven wij trouwens niet altijd grote verhalen te houden. En nee, niet alle zorg hoeft professioneel te wezen. Vrijwillige zorg is misschien nog wel meer waard. Aandacht, oplettendheid en toewijding – dat zijn trefwoorden die daar zonder meer mee mogen worden verbonden.

In welk verband staat het respect voor ouderen in Leviticus 19 precies?
Ik citeer: “U moet Mijn sabbatten in acht nemen en ​eerbied​ hebben voor Mijn ​heiligdom. Ik ben de HEERE.
U mag u niet wenden tot de dodenbezweerders en tot de ​waarzeggers. U mag hen niet raadplegen, zodat u zich met hen verontreinigt. Ik ben de HEERE, uw God.
U moet opstaan voor iemand met grijze haren en ​eer​ bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE”[5].
Laat ik daar twee opmerkingen bij maken.
1.
Respect voor ouderen heeft blijkbaar alles te maken met de zondagse eredienst. Daar wordt het fundament gelegd voor een goede omgang met en verantwoorde zorg voor elkaar.
Wie in de kerk dat uitgangspunt huldigt, heeft het dodenrijk niet nodig. Kerkmensen hebben immers rechtstreeks uitzicht op de hemel, de woonplaats van God?
2.
Het is vervolgens ook duidelijk dat waarzeggers maar beter uit de buurt van de kerk weg kunnen blijven. Immers – wat moeten we aanvangen met die mensen, terwijl we in en vanuit de kerk onderweg zijn naar altoosdurend geluk en nimmer onderbroken vrede?

Dat klinkt, als u het mij vraagt, heel anders dan bijvoorbeeld de volgende reclame voor een tamelijk lijvig boekwerk: “Gezond zijn is iets dat van nature bij je hoort, ondanks je huidige gezondheidstoestand. In deze nieuwe, uitgebreide uitgave van ‘Tijdloze geheimen van gezondheid en verjonging’, onthult bestsellerauteur Andreas Moritz de meest voorkomende, maar zelden herkende oorzaken van ziekte en veroudering.
Hij biedt krachtige en bewezen methoden om de oorzaken van ziekten weg te nemen en een stralende gezondheid te bereiken, ongeacht je leeftijd. Terwijl de meeste artsen alleen maar proberen ziekte te bestrijden of te onderdrukken – wat meer doden veroorzaakt dan kanker of hartkwalen – weten ze te weinig van de werking van lichaam en geest om iemand werkelijk te kunnen helpen”[6].
Zeg nu zelf, het bovenstaande ziet er, zacht gezegd, ambitieus uit.
Maar eerbied voor onze God en Zijn werk vinden we in die verkoopbevorderende tekst niet terug.

We mogen en moeten goed voor onszelf zorgen.
De jongeren mogen de ouderen ondersteunen.
En de ouderen mogen de jongeren aanvuren: ‘jonge mensen, ga gerust je gang! – vind maar goede en mooie hulpmiddelen uit, en help ons maar waar je kunt; samen kunnen wij dan onze God nog beter eren!’.

Samen op weg naar de toekomst, zo doen we dat in de kerk.
Net zoals Psalm 86 dat zegt:
“Leer mij, HEERE, Uw weg,
ik zal in Uw waarheid wandelen,
maak mijn ​hart​ één om Uw Naam te vrezen.
Heere, mijn God, ik zal U loven met heel mijn ​hart,
ik zal Uw Naam voor eeuwig eren.
Want Uw goedertierenheid is groot over mij,
U hebt mijn ziel aan het diepst van het ​graf​ ontrukt”[7].

Noten:
[1] Geciteerd uit: Arjen Mol, “Onderzoek dat verjonging beoogt, vraagt Bijbelse reactie”. In: Puntkomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 30 juni 2018, p. 14 en 15.
[2] Leviticus 19:32.
[3] Zie hierover bijvoorbeeld ook http://christipedia.nl/Artikelen/L/Leviticus ; geraadpleegd op maandag 2 juli 2018.
[4] Deuteronomium 5:16.
[5] Leviticus 19:30, 31 en 32.
[6] Geciteerd van https://www.varuvo.nl/nl/assortiment/835171/Succesboeken_Tijdloze_geheimen_gezondheid_verjonging ; geraadpleegd op maandag 2 juli 2018. De gegevens van het betreffende boek zijn: Moritz, Andreas, “Tijdloze geheimen van gezondheid en verjonging: ontdek de genezende kracht van de natuur in jezelf”. – Succesboeken.nl. – 576 p.
[7] Psalm 86:11, 12 en 13.

22 maart 2018

Overpeinzingen bij Psalm 139

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder ​geweven.
Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
en geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw ​boek​ beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond”.

Dat zijn woorden uit Psalm 139[1][2].

In het bovenstaande citaat gaat het over:
* Gods creatie
* onze laudatie
* hemelse registratie

Het gaat over Gods creatie: over Zijn schepping dus.

Het woord ‘laudatie’ betekent lofprijzing. In de academische wereld is het woord ‘laudatio’ bekend: de lof die een promovendus krijgt als zijn promotie achter de rug is. Het woord ‘laudatie’ gebruiken we niet vaak. Maar het is wel een Nederlands woord.

Al onze dagen zijn opgeschreven. Er is dus sprake van registratie in de hemel.

God kunnen we niet negeren, zegt David. Waar we ook zijn, altijd is Hij present. Reeds vanaf den beginne.
David leert ons dat we onze Schepper moeten eerbiedigen. Wij moeten Hem eren.
Maar David leert ons ook dat alle dagen van de wereld door de Here opgeschreven zijn. Hij weet precies wat er gebeurt, en wanneer!

Het Reformatorisch Dagblad schreef onlangs: “In zes dagen schiep God hemel en aarde in al zijn pracht. Die wonderschone schepping staat echter onder druk. Steeds vaker door toedoen van de mens. Zo trekken vervuiling, uitputting en de opwarming van de aarde diepe sporen op onze planeet”.
De boodschap die het RD wil geven is: “de mens dient de aarde als rentmeester op een verantwoorde, duurzame manier te bewaren”[3].

De hoofdredactie van voornoemd dagblad wees op woorden van Johannes Calvijn. Als volgt: “God heeft hem de aarde toevertrouwd ‘onder voorwaarde dat we tevreden zijn met een zuinig en matig gebruik ervan, we moeten ervoor zorgen dat er wat overblijft. Laat hij die beschikt over een akker, de jaarlijkse opbrengst daarvan zodanig gebruiken dat de grond geen schade lijdt door zijn verwaarlozing; maar laat hij zich inspannen om het te overhandigen aan zijn nageslacht zoals hij het ontvangen heeft, of zelfs beter’”[4].

Dit alles werpt, als u het mij vraagt, ander licht op Psalm 139.
Velen voelen bij het lezen van Psalm 139 ontroering opkomen. Wat zijn wij mooi gemaakt! Wat zijn wij toch kostbare schepselen!
En ja, dat laatste is ontegenzeglijk waar.
Maar in Psalm 139 gaat het niet in de eerste plaats over ons.
Alles draait om Gods macht.
Om Zijn scheppingsmacht.
Om de lof die Hij in onze monden legt.
Vanwege de leiding die Hij dagelijks heeft.

K. Schilder schreef eens: “…wanneer Genesis 1-3 een cultuuropdracht als Gods gebod voorstelt, dan gelooft een gereformeerde, dat dit een historische mededeeling is, bekleed met historische autoriteit. Dat derhalve een objectief gesproken Woord van God den wereldloop van den aanvang af heeft willen sturen en leiden ook door dit expresse bevel tot cultuur”[5].

In alle keuzes die wij maken, hebben wij te maken met Gods wijze leiding.
Bij alle dingen die wij doen, mogen wij bedenken dat God de wereld stuurt en ons tot activiteit stimuleert.

In dat kader moeten wij, anno Domini 2018, kijken naar de zorg voor onszelf en voor elkaar.

Een redacteur van het Nederlands Dagblad schreef onlangs met licht sarcasme: “We wisten dat het eraan zat te komen. De naoorlogse generatie heeft de leeftijd bereikt waarop de zorgvraag toeneemt. De afgelopen jaren stonden merkwaardig genoeg in het teken van de ‘herstructurering’ van de zorg – lees: bezuinigingen, reorganisaties. Er vlogen mensen uit, streekziekenhuizen werden opgedoekt, alles uit naam van Doelmatigheid.
En nu luidt het UWV de noodklok, ook daar kon je de klok op gelijkzetten. Komend jaar zijn er honderd- tot honderddertigduizend vacatures in de zorg te vervullen. Niemand weet hoe”.
En verder: “… dit los je dit niet op met regels, geld of scholing. Je gaat in de zorg werken als je je leven wilt wijden aan mensen die je nodig hebben. Waarom zou je je leven wijden aan een ideaal, als die wereld geregeerd wordt door rekenmachines en technocraten?”[6].

Wat is ons antwoord op de zorgen rond de zorg voor elkaar?

Dat antwoord vinden we alleen als we onszelf niet centraal zetten. We dienen te beseffen dat de mensen om ons heen hoofd voor hoofd schepselen van God zijn. Hij heeft alles gemaakt. Hij geeft ons een taak in de wereld, of wij nu 25 of 95 zijn. Natuurlijk, de ene klus is groot, de andere aanzienlijk kleiner. De God van het verbond belast ons niet boven vermogen. Maar onze taak ligt er. De cultuuropdracht mogen wij niet vergeten!

De lof op God is niet alleen een zaak van de zondagse kerkdienst.
Na de eerste dag der week volgen er nóg zes andere dagen. Dagen waarop we allerlei mensen en dingen kunnen verzorgen. Ieder op onze eigen plaats. Ieder met zijn eigen taak. Misschien is het, vanwege de omstandigheden, maar een klein taakje meer. Maar in al ons werk, of: in onze werkjes, kan de lof op God glanzen. Hij geeft ons de kracht om Hem te dienen. Op school. Bij het vakken vullen in de supermarkt. Bij een al of niet geslaagde deal in het zakenleven. In tijden van gezondheid. En in periodes van ziekte.
Altijd mogen we blijven zeggen: wij zijn in Gods hand.

Van dag tot dag zet Hij ons in, om Zijn schepping uiteindelijk klaar te maken voor een paradijselijke eeuwigheid.
Hoe zal die heerlijkheid er uit zien? Aardse woorden schieten te kort om die te beschrijven. Maar één ding is zeker: iedere dag brengt Gods kinderen een stap dichter bij die luisterrijke eeuwigheid.

Laten we daarom Psalm 71 maar meezingen, of desnoods meeneuriën:
“Ik hoop op U en zal U loven,
uw recht van dag tot dag
vermelden met ontzag.
Uw heil gaat elk begrip te boven.
Ik kan die grote schatten
niet tellen of bevatten”[7].

Noten:
[1] Psalm 139:13-16.
[2] Dit artikel is een uitwerking van gedachten na het beluisteren van een preek over Psalm 139:13-16. De preek werd gehouden door dominee M. Dijkstra uit Mariënberg, in een dienst van De Gereformeerde Kerk Groningen op zondagmorgen 11 maart 2018.
[3] Reformatorisch Dagblad, maandag 12 maart 2018, voorpagina.
[4] “Schepping” – commentaar in Reformatorisch Dagblad, maandag 12 maart 2018, p. 5.
[5] K. Schilder, “Over de Algemeene Genade – Antwoord aan Dr. O. Noordmans”. In: De Reformatie, jg. 16. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre. 1935-1936. – IV.
[6] Rien van den Berg, “Zorgzorgen” – redactioneel commentaar in: Nederlands Dagblad, dinsdag 13 maart 2018, p. 3.
[7] Psalm 71:8, Gereformeerd Kerkboek-1986.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.