Het schijnt dat u en ik vandaag een voortdurend veranderende visie op de kerk moeten hebben.
Op Hemelvaartsdag – donderdag 17 mei jongstleden – bracht de Evangelische Omroep op Nederland 2 het televisieprogramma Nederland Zingt op Hemelvaartsdag. De presentator, dominee A. van der Veer, stelde als centrale vraag: wat is uw visie op de kerk?
Het Diaconaal Steunpunt van de Gereformeerd-vrijgemaakte kerken start “met een frisse, nieuwe cursus voor diakenen: ‘de barmhartige kerk’”. Eén van de doelen van de cursus is: “Je eigent je een inspirerende visie toe op een diaconale, Barmhartige Gemeente”[1]. Daar is dat woord ‘visie’ weer. En die visie is inspirerénd, ook nog. Toe maar…!
Laat ik het maar eerlijk zeggen: dat woord ‘visie’ klinkt mij te aards.
Dat woord houdt in dat u en ik een mening over de kerk moeten hebben. Het wordt tijd dat wij bepaalde inzichten over de kerk verwerven. Het woord impliceert dat wij de kerk op onderscheiden punten kunnen en mogen beoordelen. Als het een beetje meezit kunnen wij vanuit een verschillende optiek naar de kerk kijken. We kunnen er, na uitgebreide studie, een andere kijk op krijgen. ‘Visie’ betekent ook: ‘de psychische interpretatie van iets wat is waargenomen’; onze geestelijke gezondheid heeft derhalve alles te maken met onze kijk op de kerk[2].
Volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis is hét overheersende kenmerk van de kerk “dat men zich richt naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd”[3].
Jezus Christus is dus het Hoofd van de Kerk. Daarmee wil in ieder geval gezegd zijn dat onze, zich immer ontwikkelende, visie op de kerk niet het allerbelangrijkste is. Lijkt mij althans.
Wat is hier het probleem[4]?
In de Heidelbergse Catechismus leren we dat de Here Jezus Christus Zich een kerk vergádert[5]. Daar is Hij dus nu mee bezig.
K. Schilder heeft eens geschreven: “Het is dus de weg tot voltooiing der wereld, men is alleen dán Zijn medearbeider, en dus ook alleen dan sociaal, als men den concreten kerk-vergaderingsarbeid, zover het geloof zien kan, in gehoorzaamheid aan Zijn gebod volbrengt”[6]. In de vorenstaande zin staan twee woorden centraal: ‘kerk-vergaderingsarbeid’ en ‘gehoorzaamheid’. Die gehoorzaamheid heeft Schilder niet zelf bedacht. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat het in artikel 28 over Gods bevel[7]. En een dienstorder moet je opvolgen.
Er zijn veel mensen die zeggen dat we in onze tijd een beetje bescheiden moeten zijn over de kerk. Christus trekt, zo leerden wij vroeger, een spoor in de kerkgeschiedenis. Maar voor ons is dat spoor op dit moment amper meer te zien. Gereformeerden zitten her en der, ze leven overal en nergens.
In verband met de relevantie van artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis schreef de Gereformeerd-vrijgemaakte dr. A.N. Hendriks eens: het komt aan “op gehoorzame trouw aan wat zijn kerk [= de kerk van Jezus Christus, BdR] kenmerkt: het onderhouden van de zuivere prediking, de zuivere bediening van de sacramenten en de rechte handhaving van de kerkelijke tucht”[8].
Op zichzelf ben ik dat met de dominee eens.
Maar de vraag is natuurlijk waarin we die trouw dan zien. In prediking waarin de eigen geloofsbeleving geregeld meer aandacht krijgt dan Gods Woord? In een Avondmaalsbediening waaraan bijvoorbeeld ook leden van de Protestantse Kerk deelnemen? In het zwijgen rond situaties waarin kerkleden samenwonen?
Laat ik eerlijk zijn: in de GKv – en overigens ook in heel wat andere kerken – zie ik, als het over deze dingen gaat, een tendens van ontrouw. Een tendéns: in de gegeven omstandigheden kan men niet meer over incidenten spreken. Óntrouw: mensen en hun gevoelens krijgen, voor zover ik dat zien kan, maar al te vaak voorrang op het oordeel dat God in Zijn Woord geeft.
We moeten bescheiden zijn als we over de kerk spreken, zo wordt gezegd.
Daar ben ik het mee eens.
Waarom? Omdat mensen zondig zijn.
Die zonde is er ten diepste de oorzaak van dat er soms ook dwaalleer in de kerk voorkomt. In Openbaring 2 lezen we zelfs dat in de gemeente van Pergamum een troon van de Satan stond[9]. Uit datzelfde Schriftgedeelte kunnen we afleiden dat er in Thyatíra van alles mis was met de tuchtoefening[10].
Nee – de kerken in Pergamum en Thyatíra worden, bij mijn weten, in Gods Woord niet ‘vals’ genoemd.
Maar daar is niet alles mee gezegd.
Want de Here zegt tegen de kerk van Pergamum óók: “Bekeer u dan; maar zo niet, dan kom Ik spoedig tot u en Ik zal strijd tegen hen voeren met het zwaard mijns monds. Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt”[11].
En tegen Thyatíra zegt Hij óók: “Doch Ik zeg tot u allen, die voorts te Thyatíra zijt, en deze leer niet hebt en die niet, gelijk zij zeggen, de diepten des satans hebt leren kennen: Ik leg u geen andere last op. Maar wat gij hebt, houdt dat vast, totdat Ik gekomen ben”[12].
Dus: volgelingen van Christus mogen niet in de zonde blijven hangen; zij moeten zich bekéren.
En: volgelingen van Christus mogen misstanden niet in hun midden laten staan; ze moeten het ware Evangelie helemaal blijven verkondigen.
Nu keer ik weer terug naar het startpunt: wij moeten een flexibele visie op de kerk hebben.
Welnu, als ik Gods Woord lees, zeg ik: wij hóeven die visie niet steeds te veranderen. Dat zou namelijk betekenen dat we heel vaak naar onszelf moeten kijken. En dat is nergens voor nodig.
De Here zegt: kijk naar Mij! De Here zegt tegen ons: keer u om naar naar Mij; ga met uw gezicht naar Mij toestaan.
De Here zegt: verkondig het Woord; en leef er naar – overal en altijd. En als er dan een zonde in uw midden is, dóe er dan wat aan!
Nee, dan is die bescheidenheid van hierboven niet eensklaps verdwenen. Maar dan wandelen wij wél met God – in alle omstandigheden van het leven.
Jezus Christus trekt een spoor door de kerkgeschiedenis.
Het was K. Schilder die daarover schreef: “Men moet integendeel met vreze en beven vragen: waarheen trekt de levende Christus? Waarheen gaat Hij? Waarheen gaat Hij vóór? Voorop? Waarheen mòet men zijn eigen menselijken, levenden, actuelen gang achter Hem aan gaan?” [13].
Dat spoor is, zo klagen wij anno Domini 2012, zo moeilijk te zíen. En dat is waar. Maar ik heb nog nergens gelezen dat wij – vanwege alle wereldse problemen, de overweldigende complicaties en ons ingewikkelde geestelijke bochtenwerk – dat spoor dan maar links moeten laten liggen.
Wij zijn gehouden die lijn te zoeken en ‘m dan ook te volgen.
Het spoor van Christus door de kerkgeschiedenis: dat is er nog altijd.
Alleen maar: dat wordt door weinigen gevolgd.
De kerk lijkt net een met water gevulde ballon die uit elkaar spat: de spetters vliegen overal. Laten we er maar niet omheen draaien: dat is de schuld van ménsen.
Gereformeerde mensen hebben geen evoluerende visie op de kerk.
Hun eenduidige visie op het Goddelijke vergader-werk is:
* Jezus Christus gaat door de wereld
* vanwege Zijn presentie mogen wij de kenmerken van de kerk nooit scheiden van Zijn aanwezigheid.
* de kerk is overal ter wereld
* de situatie waarin de kerk zich bevindt, verschilt per plaats: in Nederland is die anders dan in Noord-Korea, en in Australië zijn de omstandigheden dan in Amerika.
* maar altijd en overal geldt: de Here Jezus zet alle ware gelovigen bij elkaar!
In de woorden van K. Schilder klinkt dat, tenslotte, als volgt: “Maar HIJ gaat over de wereld; onzichtbaar, doch steeds actueel, waaràchtig. Men mag dáárom de ‘notae’, de kenmerken, van de kerk, nimmer scheiden van ZIJN actuelen, dagelijks zich voltrekkenden, nooit op één plekje van de wereld gelijke toestanden vindenden, maar in alle ongelijke toestanden één wet stellenden, en die ENE wet aan ons opdragenden kerk-vergaderings-rondgang, -voortgang”[14] .
Noten:
[1] Zie http://www.diaconaalsteunpunt.nl/informatie/de-barmhartige-kerk/11208/#.T7YVT0W0BBR .
[2] Zie http://www.woorden-boek.nl/index.php?woord=visie .
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer: Dr. A.N. Hendriks, “Naar de kerk: waar en waarom – populair-theologische bijdragen” (= Woord & Wereld; 92). – Uitgeverij Woord en Wereld, 2012. – p. 14-17 en 29-34.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 54.
[6] K. Schilder, “De Kerk”, deel II, p. 247. Ook te vinden op http://dbnl.nl/tekst/schi008kerk04_01/schi008kerk04_01_0021.php .
[7] Daarin belijden we over de kerk: “Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen, in strijd met Gods bevel”.
[8] Hendriks, a.w., p. 34.
[9] Openbaring 2:12-15: “En schrijf aan de engel der gemeente te Pergamum: Dit zegt Hij, die het tweesnijdende scherpe zwaard heeft: Ik weet, waar gij woont, dáár waar de troon des satans is; en gij houdt vast aan mijn naam en hebt het geloof in Mij niet verloochend, ook niet in de dagen van Antipas, mijn getuige, mijn getrouwe, die gedood werd bij u, waar de satan woont. Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat gij daar sommigen hebt, die vasthouden aan de leer van Bileam, die Balak leerde de kinderen Israëls een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en hoereren. Zo hebt ook gij sommigen, die op gelijke wijze aan de leer der Nikolaïeten vasthouden”.
[10] Openbaring 2:20: “Maar Ik heb tegen u, dat gij de vrouw Izebel laat begaan, die zegt, dat zij een profetes is, en zij leert en verleidt mijn knechten om te hoereren en afgodenoffers te eten”.
[11] Openbaring 2:16 en 17.
[12] Openbaring 2:24 en 25.
[13] K. Schilder, “De Kerk”, deel I, p. 206. Ook te vinden op http://dbnl.nl/tekst/schi008kerk03_01/schi008kerk03_01_0040.php .
[14] K. Schilder, “De Kerk”, deel I, p. 206.