gereformeerd leven in nederland

2 september 2011

Hartelijk welkom op deze weblog

Gearchiveerd onder: Uncategorized — Bastiaan de Roos @ 18:00

Dit is een bloggebied van Bastiaan de Roos.
Op deze plaats verschijnen artikelen over het kerkelijk leven in Nederland. Ook zijn hier Schriftstudies en meditaties te lezen. De stukken zijn geschreven vanuit een Gereformeerd standpunt.

Deze website bestaat sinds vrijdag 2 september 2011. De weblog is een voortzetting van ‘Artikelen over Gereformeerd leven in Nederland’, een blog die sinds woensdag 26 mei 2004 verscheen bij web-log.nl.

In de regel verschijnt hier op iedere werkdag een nieuw artikel; dat gebeurt rond 8 uur in de morgen.

24 mei 2012

De wapens in de hand

Gearchiveerd onder: Uncategorized — Bastiaan de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De Here heeft dagwerk aan Zijn kerk. Dat zien we lang niet altijd. Maar ’t is wel zo. De Here verleent geen zorg in deeltijd. Hij is altijd present!

Daarom is het bouwen van de kerk een zaak waar garánties aan hangen. De bouw is omgeven met de zekerheid van Gods aanwezigheid[1].
In zijn tijd weet Nehemia dat óók.
Maar er is meer. Dat zal hieronder blijken.

Nehemia krijgt van Arthahsasta toestemming om naar Jeruzalem te gaan. Daar leidt hij de herbouw van de muren.
Die herbouw gaat niet zonder slag of stoot; er is veel tegenstand. Vandaar dat bouwers en sjouwers in de ene hand een wapen hebben en in de andere hand bouwmaterialen. Een hoornblazer doet dienst als verbindingsofficier en beveiliger.
Wij lezen: “Toen nu onze vijanden gehoord hadden, dat wij op de hoogte gekomen waren en dat God hun plan verijdeld had, konden wij allen terugkeren naar de muur, ieder tot zijn werk. En sinds die dag deed de ene helft van mijn knechten het werk en de andere helft droeg de speren, de schilden, de bogen en de pantsers, terwijl de oversten achter het gehele huis Juda stonden, dat aan de muur bouwde. De lastdragers verrichtten hun arbeid zo, dat zij met de ene hand het werk deden en met de andere hand de werpspies vasthielden; de bouwers hadden ieder zijn zwaard aan de heup gegord, terwijl zij aan het bouwen waren. De hoornblazer stond naast mij”[2].

De namen van de belangrijkste tegenstanders zijn wellicht wel bekend:
* Sanballat: de stadhouder van Samaria, die zich mogelijk in zijn positie bedreigd voelt nu Jeruzalem herbouwd wordt
* Tobia: een Jood die met de vijand heult, en zo een hoge positie verworven heeft
* Gesem: de Arabierenkoning[3].
Met spot en cynisme proberen zij eerst de publieke opinie te beïnvloeden. Als echter blijkt dat het werk aan Jeruzalems muren niet gestopt kan worden met sarcasme en schimpscheuten, wordt een ander middel ingezet. Lichamelijke bedreiging, namelijk.
Die dreiging, in combinatie met de grootte van het karwei en de psychische druk, werkt bij het volk verlammend.
De kracht van de Satan, de tegenstander van God, blijkt groot te zijn. En dat, geachte lezer, lijkt mij iets om vandaag te signaleren.

In Nehemia 4 is de Satan heel duidelijk aanwezig.
En we zijn geneigd te zeggen: zo gáát dat als je de Satan toelaat. Zo wérkt dat als beleidsbepalende figuren bewust de verkeerde kant op gaan.
Maar dat is iets te makkelijk.
Nehemia heeft van Arthahsasta expliciete tóestemming gekregen om de arbeid in Jeruzalem aan te vangen. En wat meer is: de Here God is de stuwende kracht achter Nehemia’s plannen. In Nehemia 1 bidt Gods kind tot zijn hemelse Heer. En in Nehemia 2 gebeurt dat nog eens[4]. Dus: ondanks de hemelse energie van de Here is de Satan actief.
Mijn conclusie: daar waar de Here werkt, geeft ook de Satan acte de présence! Altijd en overal, op allerlei manieren, probeert de Satan Gods werk af te breken. De les uit het Bijbelboek Nehemia is: de Here is aanwezig, en dús de Satan ook. In Nehemia kan niemand daar omheen kijken. Maar we moeten er in alle omstandigheden rekening mee houden!

Er zijn ook situaties waarin Gods tegenstander zich op een veel geniepiger wijze laat gelden.
En als wij dat constateren, wandelen wij als vanzelf de eenentwintigste eeuw binnen.

Zo kan het anno Domini 2012 gebeuren dat het Evangelie een kwestie van goeie wil is. Als je positief in het leven staat, dan zijn u en ik al een heel eind op de goede weg.
De Nederlands Gereformeerde emerituspredikant drs. H. de Jong omschreef dat onlangs als volgt: “De tijd lijkt aanstaande dat we ophouden de boodschap van het evangelie zo te verwoorden dat we er de goedkeuring van de samenleving mee zoeken te verkrijgen. De schijn is lang opgehouden dat de kerk eigenlijk hetzelfde bedoelde als alle goedwillende mensen. Het eigene van de Bijbelse boodschap werd ten onder gehouden. Niet eens zozeer ontkend of bestreden, maar verzwegen. Geloven wilde zeggen dat God van je hield, dat je er als mens mocht zijn, dat je streefde naar politieke gerechtigheid en dat je voor het behoud van de groene aarde was. Maar niemand bekeerde zich op die boodschap, de kerken stroomden erbij leeg. Het wordt nu tijd dat we terugkeren naar de kern van ons geloof die bestaat uit het feit dat God ons om Christus’ wil de zonden vergeeft”[5].
De kerk behoort díe boodschap te prediken.
Niet dat de kerkzalen daar voller van worden. Dat niet. Dominee de Jong zegt: “Dat verwacht ik niet, maar wie God echt zoeken, zullen op die oude kern afkomen en er blij mee zijn”. En verder: “De kloof met de wereld wordt er diep, zeer diep van”[6].

In het Bijbelboek Nehemia zien we de antithese: de tegenstelling tussen kerk en wereld.
Die tegenstelling was er in de tijd van Nehemia.
Dat scherpe contrast is er in 2012 nog altijd.

Daarom moeten we ook nu wapens bij de hand hebben waarmee Gods kinderen zich verdedigen kunnen.
Wat zijn ónze wapens?
De waarheid en de gerechtigheid. De bereidwilligheid om het Evangelie van werkelijke vrede te brengen. Het geloof in Gods beloften. En het gebed.
De inventarisatie van ons wapenarsenaal heb ik overigens niet zelf gedaan. Die inventarisatie werd gemaakt door Paulus. De betreffende lijst vindt u in Efeziërs 6[7].

Gereformeerde mensen moeten die wapens bij de hand houden. Ja – zelfs IN de hand houden.
Die wapens dienen optimaal gebrúikt te worden.
We moeten ze niet wegleggen. Zo van: de wereld snapt het niet als wij met scherp gaan schieten. Of misschien zelfs: die wapens zijn onnut geworden, want de samenleving is vredig en stil.
Laten wij ons niet vergissen: als de Here in de kerk bezig is, zijn satanische machten in de buurt!

Noten:
[1] Zie hierover ook mijn artikel ‘De Here staat nooit aan de zijlijn’, hier gepubliceerd op donderdag 10 mei 2012. Het is te vinden op http://bderoos.wordpress.com/2012/05/10/nooit-aan-de-zijlijn/ .
[2] Nehemia 4:15-18.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://www.prekendiespreken.nl/preken/dutch/neh04.html .
[4] Zie Nehemia 1:4-11. Ik citeer de verzen 4, 5 en 6: “Ook vastte en bad ik voor het aangezicht van de God des hemels en zeide: Ach, HERE, God des hemels, grote en geduchte God, die het verbond en de goedertierenheid gestand doet jegens hen die U liefhebben en uw geboden onderhouden, laat toch uw oor opmerkzaam en uw ogen geopend zijn, om te horen naar het gebed van uw knecht…”. Zie ook Nehemia 2:4: “Toen bad ik tot de God des hemels”.
[5] Dit citaat komt van http://eeninwaarheid.info/, zaterdag 19 mei 2012. De gegevens van het betreffende boek zijn: Drs. H. de Jong, “Vergeving. De kern van het christelijk geloof”. – Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 2012. – 112 p.
[6] Zie: “De Jong: kerk moet weer vergeving van zonden prediken”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 15 mei 2012, p. 2.
[7] Efeziërs 6:10-20. Ik citeer de verzen 14, 15, 16, 17 en 18: “Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven; en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God. En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen”.

23 mei 2012

Leraren gezocht

Gearchiveerd onder: Uncategorized — Bastiaan de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Wat is het eigene van het ambt van predikant?

Er is een goede reden om over bovenstaande vraag na te denken. In heel wat in zich Gereformeerd noemende kerken functioneert naast de predikanten ook de kerkelijk werker.
De editie van het Gereformeerd-vrijgemaakte blad De Reformatie van vrijdag 24 februari 2012 zette die figuur in het middelpunt. In de rubriek Signalen van de website Eeninwaarheid.info kwam het onderwerp afgelopen zaterdag – 19 mei – nog eens langs.
Ik citeer: “Ds. J.H.F. Schaeffer (GKv) en kerkelijk werkster J. Burger-Niemeijer (GKv) vragen zich af of een kerkelijk werker een pseudopredikant is. Zij constateren dat er een groeiend tekort aan predikanten in de GKv is. Uit onderzoek is gebleken dat het aantal dienstdoende predikanten in 2025 naar verwachting zal zijn afgenomen met bijna 40 procent ten opzichte van 2008. Het aantal vacatures zal zijn toegenomen met ruim 200 procent. Het werk zal door steeds minder predikanten gedaan moet worden oftewel ‘er zullen aanzienlijk meer taken door niet predikanten (mv!) gedaan moeten worden om de gemeenten te kunnen blijven dienen’.
Volgens het tweetal kan de mondige gemeente dat invullen: ‘Waarom zouden gemeenteleden niet kunnen preken, toerusten en pastoraal actief zijn?’ En ‘in sommige gevallen kunnen mannelijke kerkelijk werkers binnen de GKv preekconsent krijgen. Is er in de beleving van de gemeente verschil tussen de preek van een dominee en die van een kerkelijk werker? Wat maakt het ambt hierbij nog voor verschil?’ , zo vragen de schrijvers zich af”[1].

Wat kan een dominee, wat een gewoon gemeentelid niet kan?
Klaarblijkelijk is dat de vraag die velen door de ziel prangt.
En de conclusie ligt voor de hand: gewone gemeenteleden hebben, globaal bekeken, ongeveer dezelfde bekwaamheden als dominees. Zodoende heeft het ambt van predikant niet zoveel unieks.

In onze tijd, waarin zoveel informatie van allerlei soort makkelijk toegankelijk is, kunnen mondige gemeenteleden best een opstel maken over een Bijbeltekst; wie van ‘goede wil’ is noemt dat een preek. Gewone gemeenteleden kunnen kerkmensen in hun buurt bemoedigen of, zo u wilt, coachen. Gewone gemeenteleden kunnen, als hun broeders en zusters problemen hebben, hen de Weg wijzen.

Toch bevredigt het mij niet.
Helemaal niet.

De eerste vraag die aan dominees bij hun bevestiging wordt gesteld is: “Bent u ervan overtuigd, dat God zelf u door zijn gemeente tot deze heilige dienst heeft geroepen?”[2].
Dominees worden door de Here GEROEPEN.
Dominees worden vrijgesteld om Gods Woord te bestuderen en te verkondigen.
Dominees weiden de kudde. Zij verkennen het culturele landschap van 2012. Zij volgen maatschappelijke ontwikkelingen, en confronteren die met Gods Woord. Zo ontstaat het antwoord op de vragen: waar staat de kerk in onze maatschappij? en: welke antwoorden geeft de kerk aan de samenleving?
De kudde wordt – kortom – verzorgd.

Gewone gemeenteleden zijn daartoe eveneens in staat.
Zij kunnen Gods Woord bestuderen. En zij volgen de maatschappelijke ontwikkelingen meestentijds nauwkeurig.
En in onze tijd is dat ook een stuk mákkelijker geworden.
Maar zij oefenen overdag een beroep uit. Van accountant tot verpleger, van hovenier tot timmerman: ieder hebben zij hun dagelijkse werk. Het kerkenwerk doen zij er naast.
In de kerk zijn mensen die goed kunnen studeren. Anderen kunnen dat minder goed. Maar daarbij speelt de tijd die beschikbaar is ook een rol. De beroepsbevolking in de kerkelijke gemeente heeft gewoon minder uren beschikbaar om het Woord te bestuderen, pastoraal werk te doen en de ontwikkelingen in seculier wordend Nederland te volgen.

Mijn stelling is: als dominees
* simpele preekjes houden
* preken houden waarin de actualiteit niet is verdisconteerd
* niet of nauwelijks in de gemeente komen
* het merendeel van de catechisaties aan anderen overlaten
* het kerkrecht niet kennen en niet willen toepassen,
dan laten zij heel veel van de hen gegeven gaven onbenut.

Een dominee merkte op zijn internetpagina eens op “dat er aan de ene kant geaccepteerd mag worden dat er een zekere rivaliteit tussen verschillende groepen bestaat; dat verschillen er nu eenmaal zijn en dat die ruimte mogen krijgen. Wat je hiermee bereikt, is dat mensen gepassioneerd met de gemeente bezig zijn, zonder die te domineren en anderen hun plek te ontzeggen”[3].
Dat klinkt prachtig.
Maar dat iedereen gelijkwaardig is, wil nog niet zeggen dat iedereen gelijk is!

Ik wijs erop dat er in Gods Woord veel aandacht voor Bijbels onderwijs en Schriftuurlijk onderzoek is.
Ik geef een paar voorbeelden.
In Exodus 35 wordt gezegd dat Oholiab de gave heeft gekregen om te onderwijzen[4]. In Daniël 9 krijgt Daniël onderricht van Gabriël[5]. In Habakuk 2 wijst de Here er met nadruk op dat afgoden geen onderwijs kunnen geven[6]. In zijn brief aan de Colossenzen typeert Paulus zijn ambt als volgt: “Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in Christus volmaakt te doen zijn”[7]. In 1 Timotheüs 2 vinden we Paulus’ opmerking dat vrouwen zich door mannen moeten laten onderwijzen[8]. Ik kom bij 2 Timotheüs 2; Paulus draagt Timotheüs daar op om op zoek te gaan naar mensen die in staat zijn om het geloof op aansprekende wijze over te dragen[9]. In 2 Timotheüs 3 staat geschreven dat Gods Woord, om zo te zeggen, buitengewoon geschikt is als lesboek voor het leven[10].

Nu kom ik weer bij die beginvraag: wat is het eigene van het ambt van predikant?
Gods Woord lezend, luidt het antwoord: predikanten zijn herders en leraars. Die term – herders en leraars – kennen we uit Efeziërs 4: de herders en leraars zijn door de Here aangesteld[11].
Predikanten zijn door God geroepen om herders en leraars te zijn.

Dit alles overziende bekruipt mij de hinderlijke gedachte dat achter al dat gedoe over dominees, kerkelijke werkers, pastorale medewerkers en pastoranten een groot probleem schuilgaat[12]. De gezagscrisis, namelijk.
We hebben er op het kerkplein moeite mee dat een ander het over ons te zeggen heeft. We hebben er een hekel aan dat een ander ons de richting wijst die wij hebben in te slaan.
Kennis vergaren en de richting zoeken: dat kunnen wij zelf net zo goed als een ander.
En dominees? Zij laten, zonder al te veel tegenspraak, hun takenpakket uitdunnen. Foei toch!

Wat is de taak van de kerk?
Laat zij op zoek gaan naar herders en leraars.
En als die leraars er dan eenmaal zijn, laten kerkmensen dan niet teveel mopperen op het feit dat zij onderwijs krijgen.
De Here wil ons onderwijs laten geven. De Here laat ons de richting wijzen. Zó doet de Here dat.

Noten:
[1] Zie http://eeninwaarheid.info/ , zaterdag 19 mei 2012.
[2] Zie het Formulier voor de bevestiging van Dienaren des Woords in het Gereformeerd Kerkboek.
[3] Zie http://www.nieuweverhalen.nl/?e=40 .
[4] Exodus 35:34: “En Hij heeft hem en Oholiab, de zoon van Ahisamach, uit de stam van Dan in het hart gegeven om anderen te onderrichten”.
[5] Daniël 9:22: “En hij begon mij te onderrichten en sprak met mij en zeide: Daniël, nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven”.
[6] Habakuk 2:19: “Wee hem die tot een stuk hout zegt: Ontwaak, en tot een stomme steen: Word wakker. Zou die onderrichten? Zie, hij is gevat in goud en zilver, doch er is volstrekt geen geest in hem”.
[7] Colossenzen 1:28.
[8] 1 Timotheüs 2:11 en 12: “Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft”.
[9] 2 Timotheüs 2:2: “…en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten”.
[10] Ik citeer het eerste deel van 2 Timotheüs 3:16 uit de Herziene Statenvertaling: “Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen”.
[11] Efeziërs 4:11 en 12: “En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus”.
[12] Pastoranten zijn degenen die pastoraat ontvangen.

22 mei 2012

Met Christus op weg naar de nieuwe wereld

Gearchiveerd onder: Uncategorized — Bastiaan de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Kerkleden lopen nogal eens met vraagtekens rond.

Heeft de Here nog oog en oor voor kerkmensen in Nederland?
Ziet de Here mij nog wel?
Is mijn geloof wel voldoende degelijk?

Mensen die antwoorden op zulke vragen zoeken, kunnen terecht bij Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus. Waar geloof is “een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus”[1].
De Heilige Geest bewerkt echt geloof. Door God uitgekozen kinderen mogen er vast op vertrouwen dat Gods Geest daar ook álles aan zal doen.

Vandaag wil ik daar nog wat meer over schrijven. Dat doe ik in twee punten.

1 ware gelovigen verwachten alles van Christus
Blijkbaar moeten wij deze zondagsafdeling van de Catechismus niet meteen heel erg persoonlijk maken.
Als het gaat om de gave van het geloof wijzen de opstellers van dit leerboekje namelijk eerst op de ánderen.
Het begint niet met mij. Er zijn heel veel mensen die het geloof ontvangen hebben. Al die mensen zitten, als het goed is, in de kerk.
In die kerk zit ik ook. Het is echter niet de bedoeling dat ik mij concentreer op zelfonderzoek.
Wij dienen samen de Here. Daar moeten we ons ook in óefenen. Dat betekent dan niet dat we in de kerk naar elkáár gaan zitten kijken. We richten ons op Jezus Christus.

Een echt geloof is geen volmaakt geloof[2]. Als dat zo was, dan konden we de kerkdeuren wel dicht houden.
Maar met het gebrekkige geloof dat we hebben, kunnen we álle beloften van God aannemen. Met het bevlekte geloof van deze aarde zijn wij in staat om heel Gods Woord te aanvaarden. Wij mogen Jezus Christus, zo zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis, omhelzen: wij zijn hecht en duurzaam met hem verbonden[3].

Dat geloof geeft de Heilige Geest ons. We hoeven dat geloof dus niet zelf op te zoeken.
Dat geeft rust in het leven.
En evenwicht.
De Here ziet ons. Gewoon, in ons dagelijkse doen.
Hij wil “’t geloof in ons versterken.
Dan zullen wij,
gereed en blij,
uit liefde ’t goede werken”[4]!

2 ware gelovigen verwachten de volmaking
Intussen zijn heel wat mensen, vol twijfel en wispelturigheid, op zoek naar zichzelf.
De onzekerheid van al die wereldburgers wordt bij tijd en wijle bevorderd door de sociale media[5]. Mensen kunnen heel charmant lijken, maar intussen onaardige bedoelingen hebben.
Soms denk je: de hele wereld is een rollenspel. Hoe dat spel gespeeld wordt kunnen wij, bijvoorbeeld, in de politiek zien. Onder invloed van machtswellust en begeerte gaat het gedrag van mensen veranderen.
Het is geen wonder als wij ons bij tijd en wijle afvragen: welke mensen hebben een masker op? En: wat is in deze wereld eigenlijk nog echt?

In de kerk weten we wél wie we zijn. Wij zijn immers allen schepselen van God. Hij heeft ons gemaakt. Hij stuurt ons aan. Hij leidt ons naar Zijn toekomst.
In de kerk worden wij ook zélf actief. Wij willen ons vertrouwen voeden. Dat doen we door de Schriftlezing. En door de kerkgang. Door spreken en schrijven. Door onze daad bij het Woord te voegen.
De Dordtse Leerregels zeggen dat zo: allen “bij wie God op deze bewonderenswaardige wijze in het hart werkt, [worden] volstrekt zeker en met kracht wedergeboren en [zij] gaan (…) metterdaad geloven. En wanneer de wil vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf. Daarom wordt terecht gezegd dat de mens zelf gelooft en zich bekeert door de genade, die hij ontvangen heeft”[6].

Heel wat meer of minder geleerde mensen roepen vandaag de dag dat we ons eigen levensverhaal construeren. Via Facebook bijvoorbeeld. Of via Twitter.
Gelooft u dat maar niet.
De Here Zelf houdt de lijn van de geslachten vast. Via al die generaties werkt Hij naar een toekomst toe, waarin al Zijn kinderen bij hem in de hemelstad zullen wonen. Om het met Jesaja 60 te zeggen: Ik zal “u stellen tot een eeuwige praal, tot een vreugde voor geslacht op geslacht”[7].
We construeren ons eigen verhaal, zeggen de mensen. Nou, vergeet het maar. Als we zelf aan het construeren slaan, dan wordt het een rommeltje. We maken er niets van.
Gods Geest grijpt op fameuze wijze in. Hij pakt een groots werk aan. Zijn opdracht is om heel onze existentie te saneren en te restaureren.
De Heilige Geest reconstrueert niet alleen ons verhaal. Hij verandert heel ons léven.
In de kerk weten we dat wij zo, door het vernieuwende werk van Gods Geest, volmaakte mensen zullen worden.
Mensen zonder maskers.
Mensen voor wie Godsdienst steeds vaker de hoogste prioriteit krijgt.
Mensen die, om zo te zeggen, paradijselijk echt zijn.
Mensen naar het beeld van God.

Hoe die verandering precies in zijn werk gaat?
Geen idee.
Maar te Zijner tijd weet ik het wel.
Op Zijn tijd weten wij het allemáál.
Dan hoeft de Here ons ook weinig meer uit te leggen. Niet voor niets schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 13: “Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben”[8]. Dan krijgen alle broeders en zusters een prijs. Alle kinderen van God ontvangen een éreprijs. In Philippenzen 3 heet die beloning “de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus”[9].

Nee, de kerk is vandaag niet altijd in een hoerastemming.
De schepping zucht. Mensen zijn zwak en zondig; kinderen van God inbegrepen. Paulus heeft dat in Romeinen 8 levensecht beschreven[10].
Maar er komt een nieuwe tijd.
En één ding is zeker: de Heilige Geest weet hoe mensen, die op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde gaan wonen, er uit moeten komen te zien. Want, zo leren we in 1 Corinthiërs 2, “…de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods”[11].
Te midden van die koortsachtige Geestelijke activiteit heeft de Here altijd oog voor ware gelovigen op aarde.
Hij ziet kerkleden in alle tijden. Hij ziet kerkleden op alle plaatsen.
Ja, dat geldt ook op dinsdag 22 mei 2012.
En Zijn boodschap is, op de keper beschouwd, kinderlijk eenvoudig: geloof alles maar wat Ik in het Evangelie beloofd heb[12]!
Die Boodschap is ongelooflijk.
Maar die Boodschap is wel waar.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 7, antwoord 21.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer: Drs. C. Bijl, “Houvast en troost – de kern van het geloof volgens de Heidelbergse Catechismus; Zondag 1-7”. – Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 1998. – p. 78-80.
[3] Zie artikel 22 uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven dat de Heilige Geest, om ons ware kennis van deze grote verborgenheid te doen verwerven, in ons hart waar geloof ontsteekt, dat Jezus Christus met al zijn verdiensten omhelst, Hem zich toeëigent en niets meer buiten Hem zoekt”.
[4] Dit zijn regels uit Gezang 17:5 (Gereformeerd Kerkboek; uitgave 1986).
[5] In het onderstaande gebruik ik onder meer: Ds. Simon van der Lugt, “Als je niet weet wie je bent, is dat niet erg”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 19 mei 2012, p. 14 en 15.
[6] Zie Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 12.
[7] Jesaja 60:15.
[8] 1 Corinthiërs 13:12.
[9] Philippenzen 3:14.
[10] Zie Romeinen 8:22 en 23: “Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam”.
[11] 1 Corinthiërs 2:9-11: “Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben. Want óns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods”.
[12] Dát is het enige dat wij moeten doen. Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 7, vraag 22 en het eerste gedeelte van het bijbehorende antwoord: “Wat moet een christen geloven? Antwoord: Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt”.

21 mei 2012

Veranderende visie?

Gearchiveerd onder: Uncategorized — Bastiaan de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , , , ,

Het schijnt dat u en ik vandaag een voortdurend veranderende visie op de kerk moeten hebben.

Op Hemelvaartsdag – donderdag 17 mei jongstleden – bracht de Evangelische Omroep op Nederland 2 het televisieprogramma Nederland Zingt op Hemelvaartsdag. De presentator, dominee A. van der Veer, stelde als centrale vraag: wat is uw visie op de kerk?

Het Diaconaal Steunpunt van de Gereformeerd-vrijgemaakte kerken start “met een frisse, nieuwe cursus voor diakenen: ‘de barmhartige kerk’”. Eén van de doelen van de cursus is: “Je eigent je een inspirerende visie toe op een diaconale, Barmhartige Gemeente”[1]. Daar is dat woord ‘visie’ weer. En die visie is inspirerénd, ook nog. Toe maar…!

Laat ik het maar eerlijk zeggen: dat woord ‘visie’ klinkt mij te aards.
Dat woord houdt in dat u en ik een mening over de kerk moeten hebben. Het wordt tijd dat wij bepaalde inzichten over de kerk verwerven. Het woord impliceert dat wij de kerk op onderscheiden punten kunnen en mogen beoordelen. Als het een beetje meezit kunnen wij vanuit een verschillende optiek naar de kerk kijken. We kunnen er, na uitgebreide studie, een andere kijk op krijgen. ‘Visie’ betekent ook: ‘de psychische interpretatie van iets wat is waargenomen’; onze geestelijke gezondheid heeft derhalve alles te maken met onze kijk op de kerk[2].
Volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis is hét overheersende kenmerk van de kerk “dat men zich richt naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd”[3].
Jezus Christus is dus het Hoofd van de Kerk. Daarmee wil in ieder geval gezegd zijn dat onze, zich immer ontwikkelende, visie op de kerk niet het allerbelangrijkste is. Lijkt mij althans.

Wat is hier het probleem[4]?
In de Heidelbergse Catechismus leren we dat de Here Jezus Christus Zich een kerk vergádert[5]. Daar is Hij dus nu mee bezig.
K. Schilder heeft eens geschreven: “Het is dus de weg tot voltooiing der wereld, men is alleen dán Zijn medearbeider, en dus ook alleen dan sociaal, als men den concreten kerk-vergaderingsarbeid, zover het geloof zien kan, in gehoorzaamheid aan Zijn gebod volbrengt”[6]. In de vorenstaande zin staan twee woorden centraal: ‘kerk-vergaderingsarbeid’ en ‘gehoorzaamheid’. Die gehoorzaamheid heeft Schilder niet zelf bedacht. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat het in artikel 28 over Gods bevel[7]. En een dienstorder moet je opvolgen.

Er zijn veel mensen die zeggen dat we in onze tijd een beetje bescheiden moeten zijn over de kerk. Christus trekt, zo leerden wij vroeger, een spoor in de kerkgeschiedenis. Maar voor ons is dat spoor op dit moment amper meer te zien. Gereformeerden zitten her en der, ze leven overal en nergens.

In verband met de relevantie van artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis schreef de Gereformeerd-vrijgemaakte dr. A.N. Hendriks eens: het komt aan “op gehoorzame trouw aan wat zijn kerk [= de kerk van Jezus Christus, BdR] kenmerkt: het onderhouden van de zuivere prediking, de zuivere bediening van de sacramenten en de rechte handhaving van de kerkelijke tucht”[8].
Op zichzelf ben ik dat met de dominee eens.
Maar de vraag is natuurlijk waarin we die trouw dan zien. In prediking waarin de eigen geloofsbeleving geregeld meer aandacht krijgt dan Gods Woord? In een Avondmaalsbediening waaraan bijvoorbeeld ook leden van de Protestantse Kerk deelnemen? In het zwijgen rond situaties waarin kerkleden samenwonen?
Laat ik eerlijk zijn: in de GKv – en overigens ook in heel wat andere kerken – zie ik, als het over deze dingen gaat, een tendens van ontrouw. Een tendéns: in de gegeven omstandigheden kan men niet meer over incidenten spreken. Óntrouw: mensen en hun gevoelens krijgen, voor zover ik dat zien kan, maar al te vaak voorrang op het oordeel dat God in Zijn Woord geeft.

We moeten bescheiden zijn als we over de kerk spreken, zo wordt gezegd.
Daar ben ik het mee eens.
Waarom? Omdat mensen zondig zijn.
Die zonde is er ten diepste de oorzaak van dat er soms ook dwaalleer in de kerk voorkomt. In Openbaring 2 lezen we zelfs dat in de gemeente van Pergamum een troon van de Satan stond[9]. Uit datzelfde Schriftgedeelte kunnen we afleiden dat er in Thyatíra van alles mis was met de tuchtoefening[10].
Nee – de kerken in Pergamum en Thyatíra worden, bij mijn weten, in Gods Woord niet ‘vals’ genoemd.
Maar daar is niet alles mee gezegd.

Want de Here zegt tegen de kerk van Pergamum óók: “Bekeer u dan; maar zo niet, dan kom Ik spoedig tot u en Ik zal strijd tegen hen voeren met het zwaard mijns monds. Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt”[11].
En tegen Thyatíra zegt Hij óók: “Doch Ik zeg tot u allen, die voorts te Thyatíra zijt, en deze leer niet hebt en die niet, gelijk zij zeggen, de diepten des satans hebt leren kennen: Ik leg u geen andere last op. Maar wat gij hebt, houdt dat vast, totdat Ik gekomen ben”[12].
Dus: volgelingen van Christus mogen niet in de zonde blijven hangen; zij moeten zich bekéren.
En: volgelingen van Christus mogen misstanden niet in hun midden laten staan; ze moeten het ware Evangelie helemaal blijven verkondigen.

Nu keer ik weer terug naar het startpunt: wij moeten een flexibele visie op de kerk hebben.
Welnu, als ik Gods Woord lees, zeg ik: wij hóeven die visie niet steeds te veranderen. Dat zou namelijk betekenen dat we heel vaak naar onszelf moeten kijken. En dat is nergens voor nodig.
De Here zegt: kijk naar Mij! De Here zegt tegen ons: keer u om naar naar Mij; ga met uw gezicht naar Mij toestaan.
De Here zegt: verkondig het Woord; en leef er naar – overal en altijd. En als er dan een zonde in uw midden is, dóe er dan wat aan!
Nee, dan is die bescheidenheid van hierboven niet eensklaps verdwenen. Maar dan wandelen wij wél met God – in alle omstandigheden van het leven.

Jezus Christus trekt een spoor door de kerkgeschiedenis.
Het was K. Schilder die daarover schreef: “Men moet integendeel met vreze en beven vragen: waarheen trekt de levende Christus? Waarheen gaat Hij? Waarheen gaat Hij vóór? Voorop? Waarheen mòet men zijn eigen menselijken, levenden, actuelen gang achter Hem aan gaan?” [13].
Dat spoor is, zo klagen wij anno Domini 2012, zo moeilijk te zíen. En dat is waar. Maar ik heb nog nergens gelezen dat wij – vanwege alle wereldse problemen, de overweldigende complicaties en ons ingewikkelde geestelijke bochtenwerk – dat spoor dan maar links moeten laten liggen.
Wij zijn gehouden die lijn te zoeken en ‘m dan ook te volgen.

Het spoor van Christus door de kerkgeschiedenis: dat is er nog altijd.
Alleen maar: dat wordt door weinigen gevolgd.
De kerk lijkt net een met water gevulde ballon die uit elkaar spat: de spetters vliegen overal. Laten we er maar niet omheen draaien: dat is de schuld van ménsen.

Gereformeerde mensen hebben geen evoluerende visie op de kerk.
Hun eenduidige visie op het Goddelijke vergader-werk is:
* Jezus Christus gaat door de wereld
* vanwege Zijn presentie mogen wij de kenmerken van de kerk nooit scheiden van Zijn aanwezigheid.
* de kerk is overal ter wereld
* de situatie waarin de kerk zich bevindt, verschilt per plaats: in Nederland is die anders dan in Noord-Korea, en in Australië zijn de omstandigheden dan in Amerika.
* maar altijd en overal geldt: de Here Jezus zet alle ware gelovigen bij elkaar!
In de woorden van K. Schilder klinkt dat, tenslotte, als volgt: “Maar HIJ gaat over de wereld; onzichtbaar, doch steeds actueel, waaràchtig. Men mag dáárom de ‘notae’, de kenmerken, van de kerk, nimmer scheiden van ZIJN actuelen, dagelijks zich voltrekkenden, nooit op één plekje van de wereld gelijke toestanden vindenden, maar in alle ongelijke toestanden één wet stellenden, en die ENE wet aan ons opdragenden kerk-vergaderings-rondgang, -voortgang”[14] .

Noten:
[1] Zie http://www.diaconaalsteunpunt.nl/informatie/de-barmhartige-kerk/11208/#.T7YVT0W0BBR .
[2] Zie http://www.woorden-boek.nl/index.php?woord=visie .
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer: Dr. A.N. Hendriks, “Naar de kerk: waar en waarom – populair-theologische bijdragen” (= Woord & Wereld; 92). – Uitgeverij Woord en Wereld, 2012. – p. 14-17 en 29-34.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 54.
[6] K. Schilder, “De Kerk”, deel II, p. 247. Ook te vinden op http://dbnl.nl/tekst/schi008kerk04_01/schi008kerk04_01_0021.php .
[7] Daarin belijden we over de kerk: “Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen, in strijd met Gods bevel”.
[8] Hendriks, a.w., p. 34.
[9] Openbaring 2:12-15: “En schrijf aan de engel der gemeente te Pergamum: Dit zegt Hij, die het tweesnijdende scherpe zwaard heeft: Ik weet, waar gij woont, dáár waar de troon des satans is; en gij houdt vast aan mijn naam en hebt het geloof in Mij niet verloochend, ook niet in de dagen van Antipas, mijn getuige, mijn getrouwe, die gedood werd bij u, waar de satan woont. Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat gij daar sommigen hebt, die vasthouden aan de leer van Bileam, die Balak leerde de kinderen Israëls een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en hoereren. Zo hebt ook gij sommigen, die op gelijke wijze aan de leer der Nikolaïeten vasthouden”.
[10] Openbaring 2:20: “Maar Ik heb tegen u, dat gij de vrouw Izebel laat begaan, die zegt, dat zij een profetes is, en zij leert en verleidt mijn knechten om te hoereren en afgodenoffers te eten”.
[11] Openbaring 2:16 en 17.
[12] Openbaring 2:24 en 25.
[13] K. Schilder, “De Kerk”, deel I, p. 206. Ook te vinden op http://dbnl.nl/tekst/schi008kerk03_01/schi008kerk03_01_0040.php .
[14] K. Schilder, “De Kerk”, deel I, p. 206.

18 mei 2012

Zacheüs leert ons geloofsblijdschap

Gearchiveerd onder: Uncategorized — Bastiaan de Roos @ 08:00
Tags: , ,

De geschiedenis van Zacheüs intrigeert mij zeer. Een man die in een boom klimt, dat is geen dagelijkse gebeurtenis. Trouwens, Jezus met blijdschap ontvangen: dat is óók al niet zo gewoon.
Een dominee schreef eens: “Vroeger heb ik het met plezier op de Zondagsschool verteld. Je kon er zo veel kleur aan geven en er spanning in leggen. Ik herinner me nog goed, hoe ik Zacheüs boven in de boom had gekregen, maar toen niet meer wist hoe ik hem er uit moest krijgen!”[1].

In Lucas 19 zijn tien verzen aan Zacheüs gewijd.
De meest verblijdende zin uit de betreffende perikoop vind ik deze: “Zacheüs, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven”[2]. Dat zegt Jezus als Hij omhoog kijkt om de kleine tollenaar aan te spreken.
Moeten is dwang, plegen wij zo nu en dan te zeggen.
Maar dat ‘moeten’ betekent bij Lucas iets anders[3]. Jezus Christus moet Zijn heilsplan uitvoeren. De liefde die Hij voor Zijn kinderen heeft, dwingt Hem daartoe. Het moet-motief komen we bij Lucas vaker tegen. In Lucas 4 bijvoorbeeld: “Ook aan de andere steden moet Ik het evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen, want daartoe ben Ik uitgezonden”[4]. In Lucas 9 maakt Jezus duidelijk dat het Goddelijk reddingsplan vollédig uitgevoerd dient te worden: “De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden door de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en ten derden dage worden opgewekt”[5]. In de rede over de laatste dingen – die in Lucas 21 te vinden is – zegt Jezus: “En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten, laat u niet beangstigen. Want die dingen moeten eerst geschieden, maar dat is nog niet terstond het einde”[6]. De Here God is bezig met het verwezenlijken van een heerlijk plan.
De Here attendeert ons in Lucas 19 op de uitverkiezing. Let op Zacheüs, zegt Hij. Hij werd door Mij uitgekozen. Zo is het ook met u gegaan.
En Hij laat blijken: het is een levensgroot misverstand om te denken dat Ik u niet zie. Nu het hierom gaat, doen wij er – denk ik – goed aan om op te merken dat het vóórgaande Bijbelhoofdstuk eindigt met de genezing van de blinde Bartimeüs. Graag citeer ik de laatste verzen van Lucas 18: “En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende en hij volgde Hem, God lovende. En al het volk zag het en gaf Gode lof”[7].
De Here zegt ook tegen óns: het is een vergissing als u denkt dat ik uw problemen niet gesignaleerd heb. Zacheüs zag Ik zelfs toen hij zich in de boom verborgen had. Nou dan! Dacht u dat Mijn alomvattend zicht op de wereld in 2012 plotsklaps verduisterd was? Kóm nou… De kernkwestie is: u mag Mijn werk leren zien; als u dat ontdekt, dan gaat de wereld open.

Over Zacheüs kunnen u en ik, zonder al te veel moeilijkheden, een verhaal ophangen waarin het vooral gaat over de verliezers in de maatschappij.
Dan wijzen wij met de vinger naar de knoeiers en de lummelaars. Zo gaat het, mompelen wij lichtelijk gefrustreerd, altijd in onze samenleving. Zó gaan we met elkaar om. En dat is verkeerd. Het moet menselijker. Een stuk humaner. Het staat er bij: “… de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden”[8]. Waar is, zo vragen we dan, onze medemenselijkheid gebleven?
In zo’n vraag kijken we voorbij aan het brandpunt van Gods werkzaamheden: de redding van Zijn kinderen. We moeten niet op deze aarde blijven steken. Het gaat in Lucas 19 niet slechts om platte humaniteit. Alles draait niet alleen om altoosdurende vriendelijkheid. Er is méér dan milde hulpvaardigheid. Het gaat hier om de zaak van verkiezing en verwerping. Het is een zaak van de ééuwigheid!

Eens parafraseerde iemand het verhaal van de tollenaar uit Lucas 19. De scribent noteerde onder meer: “Kom eens naar beneden, zegt Jezus. Ik wil graag bij jou eten. Daar schrikt Zacheüs van.
Wil je bij mij eten? Wil je dat echt? Ja, antwoordt Jezus. Of heb je geen eten in huis? Jawel hoor, zegt Zacheüs. Ik heb genoeg. Kom maar gauw mee. Zacheüs rent blij voor Jezus uit. Jezus komt bij mij eten, roept hij. De mensen kijken verbaasd. Ze vinden het niet aardig van Jezus. Zacheüs is geen lieve man”[9].
Inderdaad: de mensen begrijpen er weinig van. Ze mopperen over de actie van Jezus. Een weldenkend mens gaat toch niet eten bij iemand die de Romeinen dient?
Jezus brengt Zacheüs echter het Evangelie van de redding.
Nee – de tollenaar is, menselijk gesproken, geen lieve man. Maar Gods volk bestáát ook niet uit lieverdjes.
Elihu zei het vroeger al: “God is groot, en wij begrijpen Hem niet”[10]. Zodra het Goddelijke doen en laten ons boven de pet gaat, gaan wij protesteren. Net zoals de Israëlieten in Exodus 17, die tegen Mozes zeiden: “Waarom toch hebt gij ons uit Egypte gevoerd, om mij, mijn kinderen en mijn kudde van dorst te doen omkomen?”[11]. Wij raken in verwarring, en roepen: ‘Here, zo wérkt dat toch niet?’. In Numeri 14 zeiden de Israëlieten: “Waarom toch brengt ons de HERE naar dit land, opdat wij door het zwaard vallen, onze vrouwen en kinderen ten buit worden? Zou het voor ons niet beter zijn naar Egypte terug te keren?”[12].
Het lijkt wel 2012. Want ook vandáág zijn we geneigd te zeggen: vroeger was alles beter; nu is het niks meer.
Wij moeten, zo concludeer ik, maar niet proberen om het Goddelijk beleid te doorgronden. Laat het ons genoeg zijn om te weten dat God ons ziet. Zélfs als wij boven in de boom zitten. Christus’ boodschap van genade en redding is ook heden ten dage voluit geldig.

Zacheüs wordt blij.
Wij lezen: “En hij kwam vlug naar beneden en ontving Hem met blijdschap”[13].
Daar gebeurt wat de engelen, daar bij de herders in Lucas 2, al voorspeld hebben: “Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen”[14]. Jawel, Zacheüs hoort bij dat volk. En wij horen er óók bij.
Met zekere regelmaat wordt er geklaagd dat binnen de Gereformeerde gezindte zo weinig geloofsblijdschap te vinden is[15]. Persoonlijk sluit ik niet uit dat de oorzaak daarvan te vinden is in het zoeken op de verkeerde plek. Geloofsblijdschap dient, zo denken wij vaak, voortkomen uit ons eigen gevoel. Geloofsvreugde moet opborrelen uit onze eigen ziel.
Wie zoekt naar geloofsblijdschap moet echter beginnen bij God.
Daar wijst – bijvoorbeeld – Ezra ook op in Nehemia 8. Hij leest de wet voor. Daarna is het hele volk bedroefd. Waarom? Omdat men bang is voor Gods oordelen. In die situatie zegt Ezra: “…de vreugde in de HERE, die is uw toevlucht”[16].
De dichter van Psalm 43 spreekt over de God van mijn jubelende vreugde[17].
En Paulus schrijft in Galaten 5: “Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing”[18].
Geloofsblijdschap krijgen we van God.
Is het een wonder dat Zacheüs blij wordt als Jezus hem rechtstreeks aanspreekt? Welnee. Eigenlijk is dat lógisch.
Toegegeven: onze geloofsblijdschap wordt nogal eens gedempt. Dat komt niet zelden door het gedrag van ménsen in de kerk. Soms kost het moeite om blij te blijven.
Laten we in die moeite maar de Bijbel lezen. Altijd weer wil Hij in Zijn Woord tot ons spreken
Laten wij maar in het gebed naar God toe gaan. Hij zal ons graag in Zijn troonzaal ontvangen.
Laten wij maar bedenken dat Gods Geest in de harten van Zijn kinderen woont. Dichterbij kan en hoeft Hij niet komen.
Wilt u geloofsblijdschap? Wendt u dan tot God!

Noten:
[1] Zie http://www.pastoralekroes.nl/preken/zacheus.html .
[2] Lucas 19:5.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van de webversie van de Studiebijbel.
[4] Lucas 4:43.
[5] Lucas 9:22.
[6] Lucas 21:9.
[7] Lucas 18:42 en 43.
[8] Lucas 19:10.
[9] Zie http://www.eerstecommunie.be/school/Worddocumenten/Zaches_verteld.htm .
[10] Job 36:26: “Zie, God is groot, en wij begrijpen Hem niet, / het getal zijner jaren is onnaspeurlijk”.
[11] Exodus 17:3.
[12] Numeri 14:3.
[13] Lucas 19:6.
[14] Lucas 2:10.
[15] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.digibron.nl/search/share.jsp?uid=00000000012eac4c81a7f70cadff9ce2&sourceid=1011 .
[16] Nehemia 8:11.
[17] Psalm 43:3 en 4: “Zend uw licht en uw waarheid; / mogen die mij geleiden, / mij brengen naar uw heilige berg / en naar uw woningen, / zodat ik kan gaan tot Gods altaar, / tot de God mijner jubelende vreugde, / en U love met de citer, / o God, mijn God!”.
[18] Galaten 5:22.

16 mei 2012

Hemelvaartsdag: garanties voor vermoeide mensen

Gearchiveerd onder: Uncategorized — Bastiaan de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Omdat het morgen – donderdag 17 mei – Hemelvaartsdag is, pas ik deze weblog daar vandaag op aan.
Ik wil enkele woorden schrijven naar aanleiding van een passage uit Handelingen 1. Namelijk deze: Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde. En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen[1].

De discipelen vragen aan Jezus: wordt U koning over Israël?
De Here zegt geen ja. En ook geen nee. Als ik het goed begrijp zegt Hij impliciet: ja, Ik zal koning worden. En Hij zegt er expliciet bij: het moment waaróp Ik dat word, bepaal Ik. En: de methodiek die Ik daarbij gebruik ontwerp Ikzelf. Daar gaat u niet over.
Waar het voor de discipelen om gaat, is dit: u zult kracht ontvangen om het Evangelie in heel de wereld te verkondigen. Wij weten allemaal dat de Here duidt op de komst van de Heilige Geest.
Gods Geest is, om zo te zeggen, de motor van de evangelieverkondiging.
In dit alles zit voor de kerk een grote troost. Namelijk deze: er is altijd energie om de blijde Boodschap aan de man te brengen. En ook: als u zelf vermoeid bent, blijven er altijd krachten beschikbaar om het ware Woord te proclameren. Als u zelf moe bent, geeft de Here God de garantie dat de prediking van Gods Woord altijd door gaat.

Schrijvend over die moeheid, denk ik aan een artikel van de Gereformeerd-vrijgemaakte dr. H.J.C.C.J. Wilschut. Onder de titel ‘Moed verzamelen’ schreef hij op de website gereformeerdekerkblijven.nl onlangs het volgende.
“In de rubriek kerkelijk leven proberen we ontwikkelingen zowel binnen als buiten de GKv te volgen. Om stof zit je dan niet verlegen. Er gebeurt van alles en nog wat. Alleen, wie zit er – buiten de kring van de lezers van deze site – nog op ons commentaar te wachten? Soms is het werkelijk moed verzamelen om te blijven schrijven.
Dat klinkt best gefrustreerd. Misschien is het dat ook wel. Ik merk ook in de kring van onze lezers soms een stuk moedeloosheid. Wat zul je nog ergens wat van zeggen? Er verandert toch niets mee. Meer dan een legt het moede hoofd in de schoot. En probeert – al dan niet shoppend – kerkelijk te overleven”.
En:
“Van wat je aangereikt krijgt, word je niet altijd vrolijk. Je schrikt van het gemak, waarmee plaatselijk wordt meegedaan aan een oecumenische Pinksterviering, mogelijk inclusief de spirituele dans. Dit alles onder leiding van een predikant uit de GKv. Desgewenst is dit te documenteren, het is geen praatje. Maar denk niet dat je kerkelijk de poppen aan het dansen krijgt. Het wordt kennelijk geaccepteerd. The show must go on”.
En:
“Ben ik te somber? Ik sluit het niet uit. Maar te vaak hoor je hoe de vervreemding toeneemt voor wie gewoon gereformeerd wil zijn binnen de GKv. Er gebeuren dingen in kerkdiensten, die te gek voor woorden zijn. Ik heb het niet alleen van horen zeggen”[2].

Dit alles gelezen hebbende heb ik nogal met dr. Wilschut te doen. En ja, ik herken veel van zijn moedeloosheid. En van zijn moeheid. Mijn vrouw en ik hebben ons de laatste jaren in de GKv ook vaak vervreemd gevoeld. Die verwijdering heeft in juli 2011 geleid tot een kerkelijke overstap naar een Gereformeerde Kerk (hersteld). Niet dat alles daar ideaal is. Natuurlijk niet. Maar we zitten – als ik dat zo zeggen mag – een stuk rustiger in de kerk dan voorheen. Wij weten: volmaakt wordt de kerk hier op aarde nooit. Ergernissen in de kerk zullen er altijd blijven. Irritaties over kerkmensen zijn nooit helemaal verdwenen…
Mét dat al garandeert de Here God in Handelingen 1 dat de Evangelieprediking nooit eindigt. Altijd weer zullen er mensen zijn die de inhoud van Gods Woord in goede woorden vatten. In alle eeuwen zullen er mensen zijn die het ware geloof verdedigen.
Aan die troost denk ik, nu ik in de woorden van doctor Wilschut zoveel machteloosheid proef.

U hoeft ‘de tijden en gelegenheden’ niet te weten, zegt Jezus in Handelingen 1[3].
Daar staan – bij mijn weten – ook twee verschillende woorden:
* chronos: een algemeen woord voor tijd; de periode kan langer of korter zijn.
* kairos: het juiste punt, de precieze maat, de goede gelegenheid.
Het gebruik van die twee woorden houdt, naar het mij voorkomt, voor de discipelen ook tweeërlei boodschap in. De kerk zal met twee zaken rekening moeten houden:
* we weten niet precies hoe lang het nog duurt voor de Here Jezus weer terug komt op de wolken, en dat hoeft ook niet
* we weten niet wanneer de maat van de zonden van alle volken op aarde vol is, en dat is ook niet nodig.
De Here komt als een dief in de nacht. Zo staat dat in 1 Thessalonicenzen 5[4].
De term ‘maat van de zonden’ kennen we uit Gods Woord. Ik wijs u op Genesis 15 waar het over “de maat van de ongerechtigheid der Amorieten” gaat[5].
Hoe dan ook: de Here God zorgt ook voor een oplossing op maat: een terugkomst op een bijzonder knap gekozen tijdstip. Dat is zeker. Tot die tijd wordt het Evangelie verkondigd. Met náme aan de mensen die – om met Mattheüs 11 te spreken – “vermoeid en belast” zijn. Kom tot Mij, zegt Jezus tegen die vermoeide mensen. In dat verband proclameert Hij: “…niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren”. Kom tot Mij – dat is klaarblijkelijk een boodschap voor door God uitverkoren mensen[6]!
De kerk krijgt de kracht om het Evangelie te verkondigen. Die energie wordt ontvangen bij onze Here Jezus Christus. Bij Hem worden machteloze mensen krachtige kinderen van God. Bij Hem worden lusteloze voorgangers en kerkleden dynamische figuren die voor geen kleintje vervaard zijn.

Eeuwen geleden ontnam een wolk het zicht op de Here Jezus Christus. Twee engelen boodschapten de kerk: “Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen”[7].
Daarom is Hemelvaartsdag ook de dag van de eeuwige zekerheden. Kerkmensen hebben de zekerheid dat het geloof niet voor niets is. Gelovigen stralen zekerheid uit. Nee, Hemelvaartsdag is geen ‘arrogantiedag’. Integendeel, het is – om zo te zeggen – garantiedag. De inhuldiging van Jezus Christus als Koning van hemel en aarde garandeert een glorieus bestaan voor alle kinderen van God.
Om het met 1 Thessalonicenzen 4 te zeggen: “…de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen[8].
Dat blijde vooruitzicht wil de Here aan alle ware gelovigen geven.
Ook aan dominee Wilschut.

Noten:
[1] Handelingen 1:6-9.
[2] Zie http://www.gereformeerdekerkblijven.nl/wp/?page_id=6 .
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van de webversie van de Studiebijbel.
[4] 1 Thessalonicenzen 5:1 en 2: “Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt: immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zó komt, als een dief in de nacht”.
[5] Zie Genesis 15:13-16. Daar zegt de Here tegen Abram: “Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar. Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken. Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven worden. Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol”.
[6] Ik citeer hier Mattheüs 11:27-30:“Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren. Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht”.
[7] Handelingen 1:11.
[8] 1 Thessalonicenzen 4:16 en 17.

Volgende pagina »

Thema: Rubric. Blog op Wordpress.com.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.