gereformeerd leven in nederland

2 september 2011

Hartelijk welkom op deze weblog

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 18:00

Dit is een bloggebied van B. de Roos.
Op deze plaats verschijnen artikelen over het kerkelijk leven in Nederland. Ook zijn hier Schriftstudies en meditaties te lezen. De stukken zijn geschreven vanuit een Gereformeerd standpunt.

In de regel verschijnt hier op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag een nieuw artikel; dat gebeurt rond 7 uur ’s morgens. Op christelijke feestdagen en op Nieuwjaarsdag wordt deze internetpagina niet ververst.
Reacties op artikelen zijn welkom. De besluiten met betrekking tot plaatsing van die respons op deze pagina worden genomen door de eigenaar van deze weblog. Anonieme reacties worden nooit geplaatst.

Deze website bestaat sinds vrijdag 2 september 2011. De weblog is een voortzetting van ‘Artikelen over Gereformeerd leven in Nederland’, een blog die sinds woensdag 26 mei 2004 verscheen bij web-log.nl.

25 september 2018

Tegen de huichelarij

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

In de kerk zitten gelovige mensen.
Maar daar bevinden zich ook anderen.
Dat zijn “de huichelaars, die zich in de kerk tussen de oprechte gelovigen bevinden en toch niet bij de kerk horen, al zijn zij voor het oog wel in de kerk”[1].

Is dat niet heel vreemd?
En is dat niet heel hard?
Mensen die eigenlijk nep-kerkgangers zijn… – voor echt gelovige kinderen is het moeilijk voor te stellen dat er in de kerk namaak-gelovigen rondlopen.
Huichelaars… – mensen die doen alsóf. Je zou toch zeggen: besteedt uw tijd beter.

Als de kerk over zulke mensen praat, wordt nogal eens verwezen naar Romeinen 9: “…niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël. Ook niet omdat zij ​Abrahams​ nageslacht zijn, zijn zij allen ​kinderen”[2].

Israëlieten die geen Israëlieten zijn: dat klinkt merkwaardig.
Hoe zit dat?

Israël is vanouds het volk van God.
Maar er zijn heel veel Joden die niet in Jezus Christus geloven. Terwijl Hij de beloofde Redder is.
Joden zeggen: de beloofde Messias – ‘Messias’ is het Hebreeuwse woord voor Verlosser – … de beloofde Messias moet nog komen.
Trouwens, alle eeuwen door waren er Israëlieten die geloof hechtten aan de woorden die de profeten spraken en Israëlieten die zeiden: ‘laat die profeten maar praten’.
Van oude tijden af is er dus een scheiding.

Welnu – de God van hemel en aarde kijkt heden ten dage niet alleen naar Israël. Hij kijkt wereldwijd.
De profeet Jesaja heeft het er in Jesaja 49 al over.
Over Jezus Christus, die naar de aarde gaat komen, zegt de profeet: “Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen van ​Jakob en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen. Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde”[3].
De apostel Paulus zegt het in Romeinen 9 zo: “Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de ​Joden, maar ook uit de heidenen”[4].
De Heiland richt zich niet alleen meer op Israël.
Hij kijkt verder. Zijn ogen omvatten de ganse aarde, in één blik.
Hij verzamelt Zijn kinderen vanuit alle hoeken en gaten in heel de wereld.

Zodoende loopt die scheidingslijn tussen gelovigen en ongelovigen vandaag over de hele aardbol.
Overal ter wereld zijn er vandaag mensen die zeggen: ‘de dominee kan mij nog meer vertellen’. Of: ‘de ouderling praat wel mooi, maar hij begrijpt helemaal niet hoe mijn leven in elkaar zit’.

Waar het altijd om gaat is dit: spreken de gezanten van God – de profeet, de dominee, de ouderling, de diaken  – Gods Woord na?
Als boodschappers van God dat Woord brengen, gebeurt dat – als het goed is – met zachtmoedigheid. In Romeinen 9 gaat het namelijk ook over Gods ontferming.
Leest u maar mee: “Want Hij zegt tegen ​Mozes: Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm en zal ​barmhartig​ zijn voor wie Ik ​barmhartig​ ben. Zo hangt het dan niet af van hem die wil, ook niet van hem die hardloopt, maar van God Die Zich ontfermt. Want de Schrift zegt tegen de ​farao: Juist hiertoe heb Ik u verwekt: dat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en dat Mijn Naam verkondigd zou worden op de hele aarde. Dus Hij ontfermt Zich over wie Hij wil, en Hij verhardt wie Hij wil”[5].
Godsgezanten mogen die zachtzinnigheid nooit kwijtraken!

Spreken de gezanten van God Zijn Woord na?
Die laatste vraag is – als ik het goed zie – ook van belang in zaken met betrekking tot kerkelijke eenheid.

Tijdens sommige kerkscheidingen ontkom je namelijk maar heel moeilijk aan de indruk dat de personen die in de conflicten een centrale rol spelen niet met elkaar door één deur kunnen.
Dat is heel menselijk, doch niettemin zeer onjuist. Want het gaat erom: wie leeft en werkt naar Gods Woord?
Misschien is er een situatie waarbij men kan opmerken: vanuit de Bijbel is er wat te zeggen voor zowel het standpunt van de ene als van de andere partij. In zo’n geval is de vraag: willen we elkaar op basis van het Woord dienen, of niet?

Het geheel overziende zien wij tenminste drie springende punten in het bovenstaande.

Het eerste is dit.
Laten wij dankbaar zijn dat de God van hemel en aarde wereldwijd werkt. Hij kiest Zijn kinderen van overal. Hij roept hen en zij komen. En op aarde is er niemand, helemaal niemand die hen uit Zijn hand kan rukken.
In volken die van oorsprong heidens waren, bevinden zich nu mensen die heel hun leven toevertrouwen aan de Here. In Nederland, in Suriname, in Canada, in de Verenigde Staten…  Wonderlijk, maar waar!

En dan het tweede.
Er zijn in de kerk mensen die, koste wat het kost, hun eigen zin willen doorzetten. Als het een beetje tegenzit houden zij daar ook nog een vroom klinkend verhaal bij.
In de kerk moeten wij ons echter te allen tijde afvragen: wat wil de Here dat wij doen?
Daarom is het van groot belang dat we de hoofdlijnen in de Bijbel duidelijk zien. Het is, als het er op aankomt, niet zo erg moeilijk een hele rij teksten over een bepaald onderwerp onder elkaar te zetten. Maar we moeten steeds op zoek naar de boodschap die de Machthebber van hemel en aarde in Zijn Woord aan ons doorgeeft.
Mensen die niet naar dat Woord willen luisteren zijn stoorzenders in de kerk.
Zulke mensen mogen en moeten op Gods ontferming gewezen worden. Op Zijn genade.
Ja, wij moeten allen lankmoedigheid leren. In deze niets ontziende wereld is die Schriftuurlijke kalmte zomaar verdwenen. Laten wij nimmer vergeten wat het woord ‘ootmoed’ betekent!

Tenslotte dat derde.
Door alle eeuwen heen is de schrijnende werkelijkheid dat er ook huichelaars in de kerk zitten. We komen hen voortdurend tegen. Hypocriete mensen zitten in de kerkbank alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.
Hoe herken je huichelaars?
Dergelijke mensen hebben tenminste één belangrijk kenmerk: zij zijn hard. Meedogenloos. Compromisloos. Onverbiddelijk. Streng. Wreed.
Voor zulke mensen moeten we oppassen!
Daarbij zullen we er zelf voor moeten uitkijken dat ons hart hard wordt.
Het is belangrijk om in de kerk telkenmale dat woord uit Spreuken 15 te repeteren:
“Een zacht antwoord keert woede af,
maar een krenkend woord wekt toorn op”[6].

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[2] Romeinen 9:6 b en 7 a.
[3] Jesaja 49:6.
[4] Romeinen 9:24.
[5] Romeinen 9:15-18.
[6] Spreuken 15:1.

24 september 2018

De kerk en de buurman

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Een jaar of tien geleden schreef een columnist: “De vrijgemaakte kerk lijkt wel een gewone kerk te zijn geworden”.

Op de keper beschouwd is dat een wat merkwaardige opmerking.
De kerk is namelijk niet gewoon.
De kerk is een wonder[1].
Want als mensen naar zichzelf kijken, hebben ze geen zin in de kerk. Immers, aldaar moeten zij zich aanpassen aan anderen. Zij moeten daar luisteren naar het Woord. Zij moeten daar gehoorzaam leven, naar de regels die het gepredikte Woord geeft.

Het kenmerk van de kerk is “dat men zich richt naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd”. Dat belijden we in de kerk[2].
Die koers volgen wij, dankzij het werk van de Heilige Geest.

Nogmaals, als mensen naar zichzelf kijken hebben ze geen zin in de kerk.
Toegegeven, sommigen willen wel graag een kerk. Maar dat moet dan een kerk zijn die zij zelf naar believen kunnen modelleren.
In een dergelijke situatie geldt: die gemeenschap lijkt wel op een kerk, maar is het net niet.

In Openbaring 2 worden daar harde woorden over gesproken. Leest u maar mee: “Ik ken uw werken, verdrukking en armoede – u bent echter rijk – en Ik ken de lastering van hen die zeggen dat zij ​Joden​ zijn, maar het niet zijn; zij zijn namelijk een ​synagoge​ van de ​satan”[3].

Dat zijn woorden uit een briefje aan de christelijke gemeente in Smyrna.
Voor dat woord ‘lastering’ staat er blasphemia: kwaadspreken over geloofsopvattingen.
Een uitlegger noteert hier onder meer bij: “Het is duidelijk dat de tegenstanders joden zijn. Toch is het van belang op te merken dat niet de joden in het algemeen veroordeeld worden, maar alleen zij die verbonden zijn aan de synagoge van Smyrna en Filadelfia”.
En verder:
“Hoewel ze zelf zeggen een ‘synagoge van de Here’ te zijn (…), worden de joden van Smyrna hier door Jezus Christus vanwege hun lastering en tegenstand een ‘synagoge van satan’ genoemd. Harde uitspraken als deze werden in die tijd door joodse groeperingen ook over elkaar gebezigd, zoals onder meer blijkt uit de Dode-Zeerollen”[4].

De grenzen liggen dus scherp.
Vandaag de dag hebben mensen nogal eens de neiging de scheidslijnen een beetje weg te gummen. Dat is, zo stelt men dan, in deze wereld harde noodzaak.
Maar wie naar Openbaring 2 kijkt, moet die mening gaan herzien.

Ook vandaag zijn er kerken die voluit kerken zijn. Maar er zijn ook kerken die dat net niet zijn. Ze lijken er wel op, maar ze zijn het net niet.
Openbaring 2 leert ons op dit punt scherp te zijn.
We zijn er niet met een mooie gemeenschap en goede onderlinge verhoudingen. Het moet altijd en overal duidelijk zijn Wie in het centrum van de kerk staat: Jezus Christus, onze Heiland. Zodra Hij, om zo te zeggen, een paar centimeter uit beeld wordt geschoven gaat er iets fout. Zodra er in de kerk wordt opgemerkt dat er veel ruimte voor gevoelens en opvattingen van mensen moet komen, is het oppassen geblazen.

Synagoge van de satan: dat klinkt zwaar. Het gaat helemaal de verkeerde kant op!
Intussen moeten wij goed weten wat die term betekent.
Dr. C. van der Waal (1919-1980) schreef eens: “Haat van ‘de wereld’ is heus niet haat-in-het-algemeen, maar haat van de zijde van ‘de synagoge des satans’. Valse profetie is (…) niet iets puur heidens, doch een uiting van de verbasterde kerk. Zeer nadrukkelijk grijpt Johannes daarom telkens terug naar de traditie: het overgeleverde getuigenis (…), het Woord zélf. Al te weinig – en daar wordt de arme gemeente de dupe van! – is door de geleerden ermee gerekend, dat Johannes zelf in zijn brief de sleutel op zijn schrijven duidelijk aanwijst: het overgeleverde evangelie!”[5][6].
Haat van de wereld: dat is maar niet iets van een andere planeet. Het is niet iets van de andere kant van de wereld. Spot en hoon komen, om zo te zeggen, van de buurman. Oftewel: van de ‘kerk’ die vlak naast de kerk staat.

Het is belangrijk om dat vast te stellen.
In de kerk spreken we vaak over dwaalleer. Over onzuiverheid. Over ketterijen, soms ook. En dan wijzen we naar kerken die kilometers van ons verwijderd zijn. Naar kerken waarvan het voor Gereformeerden zonneklaar is dat die van Gods Woord afdwalen. Naar kerken waar verhalen van mensen meer waarde hebben dan de heilshistorie die we in de Bijbel aantreffen.
Openbaring 2 leert ons echter dat afwijkingen in de leer veel dichterbij zijn dan wij denken.
Openbaring 2 leert ons met name dat wij zelf attent moeten wezen. Wij dienen ons met een zekere regelmaat af te vragen of wij wel echt in de kerk zitten. Immers, voor u en ik het weten bivakkeren we in een nep-kerk.

Het moge helder zijn: in de kerk moeten we niet gaan zitten dommelen.
Daar komen ongelukken van.

Noten:
[1] Het bovenstaande ontleen ik aan een artikel dat ik eerder schreef. Dat artikel is getiteld ‘Een bedachtzame dominee over de kerk’, en is gedateerd op dinsdag 23 september 2008.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[3] Openbaring 2:9.
[4] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Openbaring 2:9.
[5] Dr. C. van der Waal, “Sola Scriptura – wegwijzer bij het bijbellezen deel 2: het Nieuwe Testament”. – vierde druk. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1985. – p. 210.
[6] Zie voor meer informatie over dr. Van der Waal https://nl.wikipedia.org/wiki/Cornelis_van_der_Waal en https://www.welleweerd.net/vdwaal/ ; geraadpleegd op zaterdag 15 september 2018.

21 september 2018

Nieuw begin door Gods Geest

God vertoornt Zich verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons aangeboren is als over de zonden die wij doen.
Wij zijn zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad. Behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden.
Zo belijden wij dat in de kerk[1].

Mensen zijn van nature geheel en al bedorven.

Toch kunnen zij, ook al doen zij aan God noch gebod, nog wel onderscheiden wat fatsoenlijk of onbetamelijk is.
Zij hebben enige kennis van God.
Zij zijn in staat om kinderen en jongeren op het juiste pad te brengen.
Hoe kan dat?
Dat kan omdat God genadig is.
Dankzij Hem geraakt deze wereld niet geheel en al in de vernieling.

Daarin zien we iets van Gods liefde.
Als God niet zou hebben ingegrepen was deze wereld binnen de kortste keren een woestenij geworden. Een puinhoop. De geschiedenis van de aarde zou roemloos geëindigd wezen.
De Heidelbergse Catechismus leert ons een treurige les: als het aan onszelf ligt, wordt het niets meer met de wereld.
Maar diezelfde Catechismus brengt bij de kerk meteen ook Gods Heilige Geest in beeld.

Want in de kerk zorgt die Heilige Geest voor een nieuw begin.
In zijn tweede brief aan de christenen in Corinthe omschrijft Paulus de activiteit van Gods Geest zo: “Niet omdat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als was het uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God. Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om dienaars van het nieuwe ​verbond​ te zijn, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend”[2].

Vroeger was er het oude verbond tussen God en Israël. Israël moest gehoorzaam zijn, en God zou Zijn volk zegenen. De regels die binnen dat verbond golden werden op twee tafels geschreven. De Tien Geboden waren, om zo te zeggen, in steen gegrift.
Maar nu is er een nieuw verbond.
Niet slechts met regels die voor ons liggen, en die Gods kinderen – waar zij zich ter wereld ook bevinden – moeten lezen. Het betreft niet alleen geschreven wetten die we toe moeten passen in ons dagelijkse doen.
Nee, er is meer.
In het nieuwe verbond creëert Gods Heilige Geest in de harten van gelovige mensen een heerlijk huis. De Heilige Geest is de gids op weg naar het eeuwige leven. De Heilige Geest is ook de garantie: dat eeuwige leven komt er echt aan!

Als wij met een schuin oog op het bovenstaande de krant gaan lezen, komt het nieuws heel anders bij ons binnen.
Neem nu het Nederlands Dagblad. In één editie vinden we de koppen “Grootschalig misbruik in Duitse kerk”, “Extra misbruikberaad in Rome”, “Toezicht op verwarde personen niet beter”, “Coalitie in Duitsland ruziet over inzet Syrië” en “Zo gelukkig is onze jeugd niet”[3].
Zo zit de wereld in elkaar.
Dat is de lijn in de wereld.
En dat verandert werkelijk niet.

Maar in de kerk staan de zaken anders.
Heel anders.

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant dr. A.N. Hendriks schreef daar eens over: “Hoezeer de nieuwe wereld van Gods herschepping reeds in onze wereld doorgedrongen is, brengt Paulus in 2 Korinte 5:17 treffend onder woorden: ‘Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen’. De gelovige is niet slechts een nieuw schepsel, Paulus zegt het krasser: een nieuwe schépping. Hij deelt in wat in Christus’ opstanding openbaar werd: Gods nieuwe wereld.
Juist aan de gelovigen mag zichtbaar worden dat ‘het oude’ -de onverloste wereld- voorbijgegaan is en dat ‘het nieuwe’ -de verloste wereld- gekomen is.
Nee, Paulus vergeet niet dat de jongste dag nog moet aanbreken. De apostel weet dat de heerlijkheid nog over Gods kinderen geopenbaard moet worden (…). Maar deze wetenschap verhindert hem niet zo stellig te spreken over de grote doorbraak, die bij allen die in Christus zijn, zich mag voltrekken. Zij behoren niet meer tot de oude wereld, maar zijn burgers van Gods nieuwe wereld. In feite zijn zij al een stukje van die nieuwe wereld”[4].

In dat licht bezien is de stimulans van de apostel Paulus in Efeziërs 4 heel logisch: “En bedroef de ​Heilige​ ​Geest​ van God​ niet, door Wie u ​verzegeld​ bent tot de dag van de verlossing”[5].
En wij begrijpen het wel: die stimulans is ook een troost – de duivel zal nooit in staat zijn Gods uitverkoren kinderen naar de oude wereld terug te trekken!

De wereld kijkt maar al te vaak narrig en verongelijkt naar de mensen in het Nederlandse kerkelijke leven. En men mompelt: ‘Het ziet er allemaal zo vroom uit, maar ondertussen…’.
Laten wij in die situatie 1 Petrus 4 maar naspreken: “Als u smaad wordt aangedaan om de Naam van ​Christus, dan bent u zalig, want de Geest van de heerlijkheid en van God rust op u. Wat hen betreft wordt Hij wel gelasterd, maar wat u betreft wordt Hij verheerlijkt”[6].
Dat betekent:
* “De Geest wordt weliswaar door de ongelovigen gelasterd, dat wil zeggen: zij wijzen Christus af en gaan daarmee in tegen het werk van de Heilige Geest
* maar in de kring van de gelovigen wordt Hij verheerlijkt”[7].

De Zondagen 3 en 4 van de Heidelbergse Catechismus bepalen ons bij onze ellende. Jazeker.
Maar midden in die ellende schittert ook het licht van de nieuwe toekomst.
Wilt u die toekomst zien? Kom dan maar naar de kerk!

Noten:
[1] U vindt de woorden terug in de Heidelbergse Catechismus. Achtereenvolgens citeer ik uit Zondag 4, antwoord 10 en Zondag 3, antwoord 8.
[2] 2 Corinthiërs 3:5 en 6.
[3] Dat zijn koppen in de editie van het Nederlands Dagblad die verscheen op donderdag 13 september 2018.
[4] Dr. A.N. Hendriks, “Die Here is en levend maakt; Schriftstudies over de Heilige Geest en zijn werk”. – Kampen: Uitgeverij Van den Berg, 1984. – p. 63 en 64.
[5] Efeziërs 4:30.
[6] 1 Petrus 4:14.
[7] Citaat uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Petrus 4:14.

20 september 2018

De afgod van de weet-wel-kunde

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Leviticus: dat is een Bijbelboek met lessen over de omgang met God.
Iemand typeert dat als volgt: “Hoe dat gaat en de voorwaarden die daarbij door God worden gesteld, wordt voorgesteld in de verschillende offers en de daarmee verbonden priesterdienst. Voor nieuwtestamentische gelovigen wordt in zinnebeelden getoond dat zij gemeenschap mogen hebben met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus”[1].

Het is goed om het bovenstaande in het achterhoofd te houden als wij in het begin van Leviticus 20 lezen: “Iedereen uit de Israëlieten en uit de ​vreemdelingen​ die in Israël verblijven, die iemand uit zijn nageslacht aan de Moloch overgegeven heeft, moet zeker gedood worden: de bevolking van het land moet hem met stenen ​stenigen. En Ikzelf zal Mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien. Hij heeft immers iemand uit zijn nageslacht aan de Moloch overgegeven, waardoor Mijn ​heiligdom​ ​verontreinigd​ en Mijn ​heilige​ Naam​ ontheiligd is”[2][3].

Moloch – wie is dat?
Een uitlegger noteert: “Via deze god werden ook kinderen gewijd aan hun voorouders. Deze wijding kan zowel inhouden dat ze in leven bleven en in dienst van de godheid stonden, maar misschien ook dat ze voor het aangezicht van deze god werden verbrand. Deze laatste opvatting, dat kinderen voor Moloch werden verbrand, staat momenteel ter discussie”[4].
Moloch heet in de Bijbel soms ook Milkom.

Hoe dat zij: het offeren van mensen gaat rechtstreeks in tegen Gods gebod. Hij zegt immers: eer Mij met heel uw hebben en houden. Geen wonder dat God dat zo streng verbiedt!
In de toenmalige wereld wordt Moloch wijd en zijd vereerd. Uit 1 Koningen 11 blijkt dat zelfs Salomo niet aan de aantrekkingskracht van Moloch ontkomt[5]!

Waarom vindt God het dienen van afgoden zo verschrikkelijk en afschuwelijk?
Omdat Hij bezig is met de uitvoering van een groots verlossingsplan. In dat plan heeft de Here Jezus Christus, de Heiland, de meest centrale plaats.
In de eerste algemene brief van de apostel Johannes vinden we een adequate omschrijving van dat plan: “Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens – want het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard – wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u, opdat ook u gemeenschap met ons hebt; en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader en met Zijn Zoon ​Jezus​ ​Christus. En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap volkomen wordt”[6].

In het boek Leviticus wordt, om zo te zeggen, al naar Hem toe gewerkt.
De wereld moet er op rekenen: de Verlosser komt!

Wij weten het: de Verlosser is gekomen. Maar in Leviticus is het nog lang niet zo ver. Het zal nog zo’n 1450 jaar duren voordat Hij naar de aarde komt.
Maar het boek Leviticus roept de mensen er al toe op: bereid u voor op Zijn komst!

De God van hemel en aarde legt er de nadruk op: men mag Gods heiligdom niet verontreinigen. Gods heilige naam mag niet worden besmeurd.

Waar is het heiligdom vandaag? Waar moeten wij dat zoeken?[7]
Antwoord: in de kerk.

Paulus schrijft aan de christenen in Corinthe: “Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de ​Geest van God​ in u woont? Als iemand de tempel van God te gronde richt, zal God hem te gronde richten, want de tempel van God is ​heilig, en deze tempel bent u”[8].
Die gemeente is wellicht heel klein. Niettemin is zelfs dat kleine onbetekenende kerkje zeer de moeite waard! Want Jezus zegt in Mattheüs 18: “Verder zeg Ik u dat, als twee van u op de aarde iets, wat dan ook, eenstemmig verlangen, het hun ten deel zal vallen van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden”[9].

Terug nu naar Leviticus 20.
Het begin van dat hoofdstuk is niet bepaald rustgevend.
Dood.
Steniging.
Uitroeiing.
Verontreiniging.
Ontheiliging.
Dat past, zou je zeggen, op geen enkele manier bij de eenentwintigste eeuw. Daar kun je nu toch niet meer mee aankomen?

Inderdaad – Leviticus 20 is een deel van het Oude Testament.
Steniging en uitroeiing: dat is niet meer aan de orde.
Maar het is wel duidelijk: kinderen van God moeten hun leven aan Hem wijden.

Maar wat moeten wij verder met Leviticus 20 aanvangen?
Het is, als u het mij vraagt, goed om te bedenken: de afgod slokt je op!

Wat voor afgoden hebben wij vandaag?
Ik noem vandaag de afgod van het alles weten. Oftewel: de afgod van de weet-wel-kunde.

Vandaag de dag kunnen wij alles opzoeken.
Wie iets niet weet, raadpleegt het internet. De zoeker komt geheid een stukje verder.
Maar juist omdat dat kan, worden wij allemaal geacht alles te weten.
En juist omdat dat kan, kunnen wij ook snel bekijken welke rechten wij hebben.
Wie iets niet weet, is eigenlijk een beetje dom.
Wie geen gebruik maakt van al zijn rechten, is een beetje onnozel. Een tikje suf. Om niet te zeggen: bekrompen en boers.

Hierboven wordt Salomo genoemd.
Hij is typisch zo’n man die verder kijkt dan zijn neus lang is.
Hij is groots. Wijs. Kundig. Hij weet hoe de zaken staan in de wereld.
En Moloch, oftewel Milkom, vereert hij ook. Niet dat hij zijn God vergeet. Welnee. God en Moloch staan naast elkaar.
Ach ja, waarom niet?
Hij staat midden in de wereld, nietwaar?

Leviticus 20 waarschuwt ons ervoor om er een afgod op na te houden.
In 2018 kan dat zomaar de afgod van de weet-wel-kunde zijn.
Je bent een beetje sullig als je de boel niet bijhoudt.
Je staat midden in de wereld, nietwaar?

In de kerk moeten en mogen wij op God vertrouwen.
We mogen en moeten een schuilplaats zoeken bij de Heiland.
Ook vandaag mogen wij weten: wij zullen – om met 1 Thessalonicenzen 4 te spreken – “opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn”.
De Verlosser komt!

Wij hoeven niet alles bij te houden.
Wij hoeven niet altijd van onze rechten gebruik te maken.
Er komt een moment dat de weet-wel-kunde geen redding meer biedt.
Dat zal het ogenblik zijn waarop God alles zal zijn in allen!

Noten:
[1] Geciteerd van http://christipedia.nl/Artikelen/L/Leviticus ; geraadpleegd op dinsdag 11 september 2018.
[2] Leviticus 20:2,3.
[3] De Herziene Statenvertaling noemt de afgod Molech. Ik gebruik de meer gangbare naam Moloch.
[4] Geciteerd van http://www.bijbelaantekeningen.nl/files/subject?1658 ; geraadpleegd op dinsdag 11 september 2018.
[5] Zie 1 Koningen 11:5: “want ​Salomo​ ging achter ​Astarte​ aan, de god van de Sidoniërs, en achter ​Milkom, de afschuwelijke afgod van de ​Ammonieten”.
[6] 1 Johannes 1:1-4.
[7] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1006.pdf ; geraadpleegd op dinsdag 11 september 2018.
[8] 1 Corinthiërs 3:16 en 17.
[9] Mattheüs 18:19 en 20.

19 september 2018

Tumult om twee tieners

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Lili en Howick – de namen van die kinderen kent u wel. Zij dreigden te worden uitgezet naar Armenië. Op het allerlaatste moment werd dat voorkómen. De kinderen zijn al tien jaar in Nederland.
Er is een lang verhaal aan vooraf gegaan. Een heel lange historie. Een veel te lange geschiedenis.

Schrijver dezes is niet op de hoogte van asielprocedures. Het is zijn vak niet. Hij weet er te weinig van.

Maar hij weet wel dat in Leviticus 19 staat: “Wanneer een ​vreemdeling​ bij u in uw land verblijft, mag u hem niet uitbuiten. De ​vreemdeling​ die bij u verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u. U moet hem ​liefhebben​ als uzelf, want u bent zelf ​vreemdelingen​ geweest in het land Egypte. Ik ben de HEERE, uw God”[1].
De vreemdeling als ingezetene; zo ver moet het gaan. Dat is de taak van de kerk in het Oude Testament.

Het gaat in Leviticus 19 ook over respect voor ouderen: “U moet opstaan voor iemand met grijze haren en eer bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE”[2].
Vlak daarna wordt die bepaling over vreemdelingen vermeld.
De boodschap is helder: ondersteun kwetsbare groepen zoveel mogelijk.
De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat we, wat dat betreft, in de laatste jaren te vaak geconfronteerd zijn met negatieve berichtgeving: de overheid laat heel wat steken vallen.
De kerk moet echter vooral ook kritisch naar zichzelf blijven kijken. Het welzijn van kwetsbare groepen moet in de werkplaats van de Heilige Geest een ‘hot issue’ wezen!

Wij leven momenteel in de Nieuwtestamentische tijd.
Kunnen en mogen wij die regel over de opvang van vreemdelingen in Leviticus 19 vandaag nog toepassen?
Zeker wel.
Jezus zegt in Mattheüs 5 zelfs: hebt uw vijanden lief. Met andere woorden: ga nog een stap verder!
In het verlengde daarvan mogen we ook opmerken: wees niet te bang dat u die gastvrijheid niet meer vol kunt houden; loop gerust een stap harder.
Waarom is dat zo belangrijk?
Omdat christenen, Gereformeerde mensen inbegrepen, ervan uit moeten gaan dat de verzorging van vreemdelingen alles te maken heeft met het eren van Jezus Christus.

Dat blijkt uit Mattheüs 25.
Daar wijst Jezus op de gang van zaken bij het laatste oordeel. De mensen zullen van elkaar worden gescheiden. En wat is de reden voor die scheiding? Jezus zegt: “Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een ​vreemdeling​ en u hebt Mij gastvrij onthaald. Ik was naakt en u hebt Mij gekleed; Ik ben ​ziek​ geweest en u hebt Mij bezocht; Ik was in de ​gevangenis​ en u bent bij Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en te eten gegeven? Of dorstig en te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als een ​vreemdeling​ gezien en gastvrij onthaald, of naakt en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ​ziek​ gezien of in de ​gevangenis​ en zijn bij U gekomen? En de ​Koning​ zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan”[3].
Christenen werken voor hun Heiland als zij met vluchtelingen bezig zijn.
Christenen werken voor Jezus Christus als zij hun best doen om kwetsbare groepen te ondersteunen.

Dit alles overziende past het niet om vluchtelingen voortdurend maar aan het lijntje te houden. Het is niet goed om hen, gedurende lange jaren, een strohalm te geven waar zij zich aan vast kunnen houden.

Lili en Howick – vrijwel iedereen kent die voornamen. Hun achternamen zijn niet zo bekend. De reden daarvan ligt, mogen wij aannemen, in de sfeer van de privacy. En dat is goed.
Intussen zijn beide kinderen echter een symbool geworden.
Het volk ging mee in een soort positieve emotie waar alle nuances allengs uit verdwenen. ’Houdt de kinderen in Nederland; wat er ook gebeurt’ – dat was het algemeen gevoelen.
In zo’n situatie is de verleiding groot om niet teveel te gaan nadenken en simpelweg in te stemmen met de geëmotioneerde natie.
Laten we daar voorzichtig mee wezen.
Gereformeerden moeten zich maar eenvoudig houden aan de leefregel die Micha ons in hoofdstuk 6 leert: “Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God”[4].

Noten:
[1] Leviticus 19:33 en 34.
[2] Leviticus 19:32.
[3] Mattheüs 25:35-40.
[4] Micha 6:8.

18 september 2018

Haal obstakels weg

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

In deze wereld hebben wij veel onderscheidingsvermogen nodig. Dat wil zeggen: wij moeten weten wat belangrijk is in het leven. En we moeten goed weten wat bovenaan onze prioriteitenlijst staat.

In de kerk is zorgvuldig met elkaar omgaan van bijzonder groot belang. Natuurlijk – buiten de kerk moeten wij ook fatsoenlijk zijn. Maar in de kerk is voorzichtigheid nog belangrijker.
Daar gaat het namelijk om de eer van God.

Laat ik, in verband daarmee, wijzen op woorden uit Spreuken 18. Ik bedoel deze woorden:
“Een broeder wie ​onrecht​ is aangedaan, is erger dan een sterke stad,
en ruzies zijn als een grendel van een vesting”[1].

Een uitlegger noteert hier bij: “Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een versterkte stad en twisten zijn als een grendel van een burcht (…). De poort is de meest kwetsbare plek in een burcht en de vergrendelingen zijn hierin van groot belang. Wanneer een situatie escaleert, zetten de beide partijen de hakken diep in het zand en valt er weinig aan de situatie te veranderen. Daarom is het belangrijk dergelijke conflicten te voorkomen”[2].

Dat geldt in de familie.
En – bij wijze van spreken – driedúbbel in de Familie met een hoofdletter F.

Die uitdrukking ‘versterkte stad’ brengt ons onder meer bij Psalm 31.
In die psalm zien we een achtbaan van emoties voor ons. Er wordt gesmeekt om verlossing. Maar er is ook een geweldig vertrouwen op God. In Psalm 31 wisselt dat elkaar af.
Het is warempel net het echte leven.
Want zegt u nou zelf: het is niet voortdurend holadieee en hoempapa. Er is ook wel eens enige treurnis en een traan.
Maar juist als het leven, zoals dat heet, op een rollercoaster lijkt mogen we met de psalmschrijver zeggen:
“Geloofd zij de HEERE,
want Hij heeft wonderen aan mij gedaan,
wonderen van Zijn goedertierenheid:
Hij bracht mij in een versterkte stad”[3].

Wanneer is een stad sterk?
Als er dynamiek is. Als er activiteit is. Als er geleefd wordt. Een stad is nooit statisch, er gebeurt altijd wel wát. Als een gebouw wordt afgebroken, start men zo snel mogelijk met de bouw van iets anders.
Als het goed is tonen stedelingen, als er in hun woonplaats een ramp plaatsvindt, een zekere veerkracht. Zij maken front. Er is eensgezindheid. Zij gáán er voor. Net als in Efeziërs 4: daar gaat het over de “opbouw van het lichaam van ​Christus, totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de ​Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van ​Christus”[4].
Een stad is echter pas echt afdoende beschermd als de God van hemel en aarde daar actief is. Om het met de woorden van Psalm 60 te formuleren:
“Wie zal mij brengen in een versterkte stad?
Wie zal mij leiden tot in ​Edom?
Zult U het niet zijn, o God, Die ons verstoten had
en niet met onze legers uittrok, o God?”[5].

De mensen spreken de laatste jaren wel eens over een rubbertegelgeneratie.
Enkele jaren geleden schreef iemand daarover: we zijn “altijd ijverig in de weer met gevaar en bedreiging, terwijl de zelfmoordterroristen, tsunami’s en klodders lava ons toch niet direct om de oren vliegen. De rubbertegelgeneratie, noemen ze ons ook wel. Op de flats staan luchtalarmen terwijl het laatste vijandelijke vliegtuig al bijna zeventig jaar geleden achter de horizon verdween en van alle mensen die vorig jaar overleden, stierf 95,7 procent een natuurlijke dood, in plaats van door geweld of letsel”[6].
Er heerst, kortom, relatieve rust. Intussen lijkt het anno Domini 2018 bijna ondoenlijk een gezin of familie te vinden waarin geen frictie, onmin of ruzie voorkomt.
In de Familie met een hoofdletter F is het al net zo. Want tot hun schaamte moeten gelovigen toegeven dat de situatie op het kerkplein en in de diverse kerkgenootschappen weinig beter is.
In die omstandigheden is de vraag: laten Gods kinderen zich echt nog versterken door de Heer van hemel en aarde? Of willen zij op hun éigen rubberen tegels blijven lopen?

Wie zich wil laten versterken dient de grendel van zijn vesting open te laten doen.
Bij grote ruzies zijn bijkans alle harten gebarricadeerd. Er is geen doorkomen meer aan.
In zo’n situatie moeten wij in gebed tot God gaan: ‘wilt u reddend ingrijpen?’.
Die macht heeft Hij.
Die macht gebruikt Hij ook.
In de heilshistorie is dat al wel gebleken. Denkt u maar aan Jesaja 45: “Zelf zal Ik voor u uit gaan, het oneffene zal Ik rechtmaken, bronzen​ deuren zal Ik openbreken, en ijzeren grendels stukbreken”[7]. Die woorden worden gesproken in het kader van de herbouw van Jeruzalem, ten tijde van koning Kores[8].

Conflicten in de kerk?
Tegenwoordig lijken ze niet te voorkomen.
Maar als zulk gekrakeel vóórkomt moeten wij maar denken aan een metropool waar het verkeer totaal vastgelopen is; je komt niet door de stad heen.
Als er diepe verdeeldheid is, moeten we maar denken aan een stad waarvan alle toegangen geblokkeerd zijn; er is geen doorkomen aan.
Laten wij het elkaar maar voorhouden: in de kerk moeten de wegen zoveel mogelijk vrijblijven.
Haal obstakels weg!

Noten:
[1] Spreuken 18:19.
[2] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Spreuken 18:1-21.
[3] Psalm 31:22.
[4] Efeziërs 4:12.
[5] Psalm 60:11 en 12.
[6] Geciteerd van https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/het-rijk-der-rubbertegels~b2f582bf/ ; geraadpleegd op vrijdag 7 september 2018.
[7] Jesaja 45:2.
[8] We kennen Kores tegenwoordig beter als Cyrus II de Grote. Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Cyrus_II_de_Grote ; geraadpleegd op vrijdag 7 september 2018,

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.