gereformeerd leven in nederland

2 september 2011

Hartelijk welkom op deze weblog

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 18:00

Dit is een bloggebied van B. de Roos.
Op deze plaats verschijnen artikelen over het kerkelijk leven in Nederland. Ook zijn hier Schriftstudies en meditaties te lezen. De stukken zijn geschreven vanuit een Gereformeerd standpunt.

In de regel verschijnt hier op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag een nieuw artikel; dat gebeurt rond 7 uur ’s morgens. Op christelijke feestdagen en op Nieuwjaarsdag wordt deze internetpagina niet ververst.
Reacties op artikelen zijn welkom. De besluiten met betrekking tot plaatsing van die respons op deze pagina worden genomen door de eigenaar van deze weblog. Anonieme reacties worden nooit geplaatst.

Deze website bestaat sinds vrijdag 2 september 2011. De weblog is een voortzetting van ‘Artikelen over Gereformeerd leven in Nederland’, een blog die sinds woensdag 26 mei 2004 verscheen bij web-log.nl.

19 juni 2018

Genieten is een gave van God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Drinkt u wel eens een glas wijn?
Schrijver dezes doet dat regelmatig. Eén glas per dag, meestal.

In het Woord van God komen we mensen tegen die aanzienlijk meer wijn drinken. In Spreuken 23 bijvoorbeeld:
“Verkeer niet met hen die zich dronken drinken aan ​wijn,
of onder hen die zich te buiten gaan aan vlees.
Want een dronkaard en wie zich te buiten gaat, zullen arm worden,
en een roes doet verscheurde ​kleren​ dragen”[1].

Die tekst uit Spreuken 23 staat onder Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus. Het is een Schriftbewijs bij de zin: “Ook verbiedt Hij alle hebzucht, evenals alle misbruik en verkwisting van zijn gaven”[2].

De God van hemel en aarde geeft ons veel materialen om te gebruiken.
En ja, aan de één geeft hij meer dan aan de ander. Wij weten allen: het is ongelijk verdeeld in de wereld. Maar daar gaat het nu niet om.
De kwestie is: gebruiken wij die materialen, of verbruiken wij die?
Het is, wat mij betreft, tekenend dat een internetpagina die aan synoniemen gewijd is, bij het trefwoord ‘genieten’ met name focust op begrippen als: beschikken over, bezitten, hebben… Genieten lijkt voor velen pas mogelijk te zijn als je de beschikking hebt over veel geld en/of onroerend goed[3].

U kent vast die verhalen wel over mensen die, op kosten van de zaak, het er op allerlei manieren flink van nemen.
Een topambtenaar die 4400 euro bij de baas declareert, een ambtenaar die voor 190 euro declareert na een dinertje met een journalist van RTL, ambtenaren die omkoopbaar zijn zodat een auto-importeur een miljoenenorder kan binnenslepen – het is in de laatste jaren allemaal langs gekomen[4].

Volgelingen van Christus staan, als het goed is, heel anders in de wereld.

De Here deelt uit ons Zijn gaven uit. En daar mogen wij van genieten.
Prediker zegt in hoofdstuk 3: “Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun ​hart​ gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden. Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beter is dan zich te verblijden en het goede te doen in hun leven, ja ook, dat ieder mens eet en drinkt en het goede geniet van al zijn zwoegen. Dat is een gave van God”[5].
We kunnen het werk van God niet begrijpen. We hoeven de gang van zaken in de wereld niet voortdurend te analyseren. Wij mogen er eenvoudig van genieten.

Dat genieten is op zichzelf trouwens al een gave.
In een situatie van rijkdom ligt dikdoenerigheid op de loer.
Wie over voldoende financiële middelen beschikt, kan ook enigszins zwartgallig denken: ik zit hier rijk te wezen, maar een paar straten verder heerst armoede – wat is deze wereld toch onevenwichtig!
Welnu, de Here geeft ook het genieten. Uit Zijn hand ontvangen wij het gevoel dat wij een buitengewoon aangenaam leven hebben. Hij geeft ons de blijheid: wat mooi dat ik dit allemaal heb!
Genieten: dat betekent niet dat je je dik eet. Schriftuurlijk genieten, dat is: in dank aan God aanvaarden.

Diezelfde Prediker stelt in hoofdstuk 7: “Geniet op de dag van voorspoed van het goede, maar bedenk op de dag van tegenspoed dat God zowel de ene als de andere gemaakt heeft, zodat de mens niet kan doorgronden iets wat na hem zijn zal”[6].
Over oude mensen zeggen we wel eens: zij zijn mensen van de dag. Maar eigenlijk zijn wij dat allen – jong en oud.
En in al onze omstandigheden moeten we bedenken dat God onze dagen maakt. ‘Maak er wat van’, zeggen we soms tegen elkaar. Maar één ding is zeker: God maakt de dag. Die dag vullen wij, als het goed is, zo dat het tot Gods eer is.
En ja, dan zijn de omstandigheden zeer verschillend:
* in kerkelijk werk dat in de huizen van gemeenteleden en in studeerkamers gebeurt
* in de drukte van een bouwbedrijf waar koortsachtig gewerkt wordt om zo snel mogelijk een goed product neer te zetten
* in de keuken, waar een oude man zijn eigen potje kookt.

Juist omdat die omstandigheden zo uiteenlopen, ziet dat genieten er heel verschillend uit. Met een schuin oog op de voorbeelden van hierboven noteer ik het volgende:
* genieten van een goed gesprek over Gods Woord en de praktische consequenties daarvan
* genieten omdat jouw werk in het bouwbedrijf ervoor zorgt dat alle collega’s verder kunnen werken
* genieten van de geur van heerlijke soep.

Genieten – dat lukt in deze wereld vrijwel nooit de hele dag.
Maar juist daarom is het van belang om er ons tijdens die spaarzame genietmomenten van bewust te zijn dat Schriftuurlijk genieten betekent: in dank aan God aanvaarden.

Misschien zegt u: hierboven staat een mooi verhaal.
Maar in mijn omstandigheden lukt dat genieten mij eigenlijk niet zo goed. Vanwege mijn verleden. Vanwege mijn situatie in het heden. En die toekomst in de hemel? Daar zie ik nu nog zo weinig van. Dat laatste zal waar wezen.
Laat ik u dan op Jesaja 65 mogen wijzen. In dat hoofdstuk presenteert de profeet Jesaja, om zo te zeggen, een uitvergroting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Jesaja zegt: “Want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom, en Mijn uitverkorenen zullen lang genieten van het werk van hun handen”[7].
Ziet u het?
Genietmomenten zijn er dan niet meer. Want daar hebben wij te maken met de eeuwige heerlijkheid. Een glorieuze tijd waar niet genieten eenvoudigweg nooit meer aan de orde is.
Als het leven op deze aarde bij tijden moeilijk is, kunnen we ons altijd nog verheugen op het eeuwige genieten in de hemel!

Noten:
[1] Spreuken 23:20 en 21.
[2] Geciteerd uit: Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, antwoord 110.
[3] Zie https://synoniemen.net/index.php?zoekterm=genieten ; geraadpleegd op woensdag 6 juni 2018.
[4] “RTL-journalist at te duur”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 13 november 2015, p. 4; “Corruptie in Nederland”, redactioneel commentaar. In: Nederlands Dagblad, maandag 12 juni 2017, p. 3.
[5] Prediker 3:11, 12 en 13.
[6] Prediker 7:14.
[7] Jesaja 65:22.

18 juni 2018

Verlangen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

We hebben allemaal zo onze verlangens. Misschien heeft u, voor uw gevoel, wel heel vréémde begeerten en behoeftes; wellicht zelfs ideeën waarmee u liever niet te koop loopt.

Echter: sommige verlangens worden werkelijkheid.
Wat kun je daar diep-blij om zijn!

Dat zijn de Israëlieten in 2 Kronieken 15 ook.
Leest u maar mee: “Heel Juda was verblijd over de eed, want zij hadden met heel hun ​hart​ gezworen, en met heel hun verlangen Hem gezocht. Hij werd door hen gevonden, en de HEERE gaf hun rust van rondom”[1].

Waar gaat dit over?
In welk tekstverband staan de bovenstaande woorden?
Daarover hieronder meer.

Eerst een driedelig antwoord op de vraag: wat is 2 Kronieken eigenlijk voor een Bijbelboek?[2]
1.
De Bijbelboeken 1 en 2 Kronieken vormden oorspronkelijk één geheel. Ze beschrijven met name de geschiedenis van de regering van koning David, van zijn zoon Salomo en van de overige koningen uit dat geslacht.
2.
De Joden nemen aan dat de schriftgeleerde Ezra de auteur van de Kronieken is. Maar dat is lang niet zeker.
3.
De boodschap van 2 Kronieken is: zoek de Here!
Dat betekent: betrek de God van hemel en aarde bij alles wat je doet.
En ook: ga in het gebed naar Hem toe. En leg Hem dan je problemen maar voor. Al jouw vragen. Al het verdriet dat je in stilte met je mee draagt. Het heimwee dat u hebt naar uw overleden echtgenoot. Enzovoort.
En ook: zeg Hem maar hoe blij je bent. Met jouw huis. Met de natuur om je heen. Met jouw vrienden. Met jouw dagelijks werk. Met uw gezondheid.
Die boodschap geldt ook vandaag nog. Zeker wel!

In 2 Kronieken 15 lezen we over een gebeurtenis rond koning Asa[3].

Asa’s regering verplaatst ons zo ongeveer naar de periode 912-870 voor Christus.
Asa doet aan reformatie. Re-formatie, dat houdt in: opnieuw vormgeven aan ware godsdienst. En dat is precies waar Asa mee bezig is. Hij heeft namelijk een enorme hekel aan afgoderij.
Asa bouwt vestingen. En hij verslaat de Ethiopiërs.
Is er niks op Asa aan te merken? Jawel. Op een bepaald moment zoekt hij steun bij Benhadad I, de koning van Syrië. Er is een profeet – hij heet Hanani – die Asa daarvan probeert terug te houden. Want je moet geen steun zoeken bij mensen, maar bij God. Maar dat helpt niet. Asa zet zijn eigen zin door.

Nu dan 2 Kronieken 15.

Daar krijgt Azarja door toedoen van de Geest van God profetische gaven.
Azarja zegt: de houding van God zal afhangen van uw eigen handelwijze.
Dat illustreert Azarja met de geschiedenis van Israël. De Israëlieten hebben zich heel lang van God afgekeerd. Zij moesten niks meer van Hem hebben. Er gebeurden een aantal rampen achter elkaar. Pas toen gingen de Israëlieten weer terug naar de hemelse Heer.
In de tijd van de Richteren was het land eigenlijk heel erg onveilig. Allerlei volksstammen raakten met elkaar in gevecht.
Zo gaat dat als je de Here maar laat praten. Zo gaat dat als je Hem in de praktijk van het leven negeert.

En wat is de boodschap voor Asa?
Wat is de boodschap voor het volk waarover Asa regeert?
Koning Asa heeft de Here aangeroepen voor hij een strijd aanging. Asa heeft de belofte gekregen dat de Here naar Zijn kinderen toe komt als zij daar om vragen. Hij zal Zich naar hen toe keren en hen helpen.

Van die boodschap krijgt koning Asa nieuwe energie.
Hij laat afgodsbeelden uit het land verwijderen.

Dat trekt volk aan.
Een exegeet schrijft: “In groten getale zijn er Israëlieten weggetrokken uit Noord-Israël naar het koninkrijk Juda om daar te wonen, toen ze merkten dat de HERE het bewind van Asa zegende (…). In de lente van 898/897 v.Chr. (de derde maand van Asa’s vijftiende regeringsjaar) komt het volk samen in Jeruzalem (…) en offert zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen en geiten uit de oorlogsbuit”[4].

Het is menens.
De burgers leggen zelfs een eed af: iedereen die geen ernst maakt met de ware godsdienst wordt ter dood gebracht!
Dat klinkt in onze oren niet zo goed. Is er geen godsdienstvrijheid? Is dit niet heel kort door de bocht? Gaat dit niet veel te ver?
Het is belangrijk dat we beseffen dat de God van hemel en aarde Zijn volk leiden wil. Hij wil al Zijn kinderen naar een heerlijke toekomst brengen. Maar als het hier om gaat, geldt:
* het is zwart of wit
* voor of tegen God
* godvrezend of goddeloos.
En nee, daar zit niks tussen.
Voor mensen uit de eenentwintigste eeuw is dat maar moeilijk voorstelbaar. Wij denken immers in nuances. In schakeringen.
In de eenentwintigste eeuw zijn wij het verleerd om in ‘voor’ of ‘tegen’ te denken. Maar een Bijbelgedeelte als 2 Kronieken 15 bepaalt ons erbij dat ware godsdienst echt op de eer van God gericht moet zijn. En nergens anders op!

In 2 Kronieken 15 staat iets opvallends: heel Juda had “met heel hun verlangen Hem gezocht. Hij werd door hen gevonden”.
Heel Juda notabene! Ze zijn verenigd in hun verlangen naar Hem. Zij willen niets liever dan leven met Hem. Iedere stap in hun bestaan willen zij met Hem doen.

Die eensgezindheid zien we in het kerkelijk leven van vandaag niet vaak terug. Integendeel. Er is veel gerommel. Er is niet zelden gedoe. Het lijkt steeds meer voor te komen dat kerkmensen de kerk verlaten omdat zij met een aantal van hun broeders en zusters niet langer door één deur kunnen.
Als u het mij vraagt is 2 Kronieken 15 ook voor ons een heel leerzaam hoofdstuk. Tenminste – als wij dat met aandacht willen lezen en tot ons door willen laten dringen.

Wij hebben allemaal zo onze verlangens.
Soms ook heel vréémde verlangens.
Gods Woord leert ons in 2 Kronieken 15 welk verlangen altijd in ons hart moet zijn.

Met dat verlangen mogen wij gerust te koop lopen.
In de evangelisatie.
In de zending.
Onophoudelijk. En overal.

Noten:
[1] 2 Kronieken 15:15.
[2] In het onderstaande maak ik gebruik van http://christipedia.nl/Artikelen/K/Kronieken_(2e_boek) ; geraadpleegd op dinsdag 5 juni 2018.
[3] In het onderstaande maak ik gebruik van https://christipedia.miraheze.org/wiki/Asa ; geraadpleegd op dinsdag 5 juni 2018.
[4] Citaat uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 2 Kronieken 15:8-19.

15 juni 2018

Stevig Evangelie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Laat de kerk ontspannen onderzoek doen naar de groter wordende plaats van religie en spiritualiteit buiten de kerkmuren. De kerk moet haar eigen vormen en opvattingen niet krampachtig aanpassen, maar blijven geloven in de eeuwenoude tradities.

Aldus mevrouw dominee Epema[1].
De dominee is gepromoveerd op de theorieën van een Canadese filosoof.
Die filosoof heet Charles Taylor.

Die Canadese geleerde zegt: er zijn twee tegenpolen:
* klassiek geloof in God
* modern atheïsme.

Maar er is meer.
Een geleerde theoloog legde de denkbeelden van Taylor nader uit: “Wie gelooft, is zich altijd bewust van de mogelijkheid om niet te geloven en wordt daardoor beïnvloed. Wie atheïst is, kan zich niet werkelijk onttrekken aan de optie dat je ook zou kunnen geloven. In dat spanningsveld ontstaat een waaier aan mengvormen tussen klassiek godsgeloof en modern atheïsme. Tegelijk worden die twee polen in hun zuivere vorm zwakker”[2].

Er is één troost: de gerichtheid op het hogere is een menselijke eigenschap, zegt meneer Taylor. Dus: mensen zullen altijd omhoog blijven kijken.

Nu kun je natuurlijk omhoog kijken.
Maar de vraag is natuurlijk: wat verwacht je dan eigenlijk?
Wat geloof je eigenlijk?
En van wie/Wie verwacht je het?
Kortom: wat stelt het geloof inhoudelijk nog voor?
Dominee Epema zegt: “Mijn punt is dat er momenteel door kerken veel energie wordt gestoken in aantrekkelijke vormen en een aansprekende presentatie, terwijl er te weinig gebeurt met de vraag wat de transformaties die Taylor beschrijft, betekenen voor de inhoud van het geloof. Het gesprek over de inhoud zou in de kerk meer gevoerd moeten worden, ook met mensen buiten de kerkmuren. Volgens mij is het mooie van deze tijd dat mensen openstaan voor dit gesprek”.

Dus:
* bijna iedereen doet verwoede pogingen om de kerk aantrekkelijk te maken
* heel weinig mensen praten vandaag over de inhoud van hun geloof.

Als ik dit alles lees, kom ik uit bij Colossenzen 4.
Daar schrijft de apostel Paulus onder meer dit: “Wandel met wijsheid bij hen die buiten zijn, en buit de geschikte tijd uit. Laat uw woord altijd aangenaam zijn, met zout smakelijk gemaakt, opdat u weet hoe u iedereen moet antwoorden”[3].

De brief is gericht aan christenen in Colosse, een stad in Turkije, ongeveer honderdzestig kilometer ten oosten van Efeze.
Paulus kent die christenen alleen maar van horen zeggen. Hij is er zelf niet geweest.

Paulus maakt zich zorgen over opvattingen die in de gemeente in Colosse worden verkondigd.
Daarom legt hij in het eerste deel het Evangelie van Jezus Christus en onze verlossing nog eens uit.
Hij is onze Schepper. Hij heeft een gemeente in Colosse. Een gemeente van mensen die verlost zijn van schuld. De zonde is in de kerk geen overheersende factor meer. En Paulus waarschuwt: laat niemand u van dat Evangelie af brengen! De christenen in Colosse, de Colossenzen moeten zich niet laten ompraten door allerlei filosofen en geleerd klinkende mensen die het beter lijken te weten.

Maar het is wel belangrijk om wijs en vriendelijk om te gaan met mensen die geen lid van de kerk zijn.
Wat de Colossenzen zeggen, moet welgevallig zijn. Het Evangelie mag op een prettige wijze worden ‘opgediend’. Opgepast dus voor lompheid. En voor tactloos gepraat. En voor onbehouwen gedoe. Dat past niet in de kerk.
De gesproken woorden moeten met zout smakelijk gemaakt worden. Dat betekent: geef God de belangrijkste plaats in uw leven. Leg maar uit dat het leven pas echt op smaak wordt gebracht met de troost van het Evangelie, zoals dat in de Bijbel staat.

Het is goed om te weten wat de diepste drijfveren zijn van de mensen om ons heen. Ook zij hebben hun principes en motieven.

Als u die kent, kunt u duidelijk aangeven wat de verschillen liggen.
Als u die kent, kunt u laten zien dat u bij de keuzes die u maakt wordt aangestuurd door de Heilige Geest van God. Door Zijn kracht slaagt u er steeds beter in om uw zondige aarde naar de achtergrond te duwen.

Dat levert stevigheid op.
Denkt u maar aan een omvangrijke boom. Een plataan bijvoorbeeld. Zo’n boom met een hele brede kruin, van een metertje of acht[4].
Paulus denkt blijkbaar ook aan zo’n boom. Want hij schrijft: “Zoals u dan ​Christus​ ​Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandel in Hem, geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, zoals u onderwezen bent; wees daarin overvloedig, met dankzegging”[5].
Kortom:
wie goed geworteld is, waait niet bij de eerste windvlaag om;
wie stevig staat is niet meteen bang als het in of rond de kerk stormt.

Die Canadese filosoof, de heer Charles Taylor, constateert dat er een waaier aan mengvormen tussen klassiek godsgeloof en modern atheïsme is.
Dat klinkt heel sjiek.
Maar in feite is er maar één vraag die er toe doet: bent u voor of tegen Christus?
Paulus schrijft in Colossenzen 4: “Bid​ meteen ook voor ons dat God voor ons de deur van het Woord opent, om van het geheimenis van ​Christus​ te spreken”[6].
Paulus schrijft dus over één deur. Niet over twee of drie.
Paulus over het geheimenis van Christus. Daar is er echt maar één van.
Het is derhalve niet zo dat Christus via vele ongedachte wegen te bereiken is!

Wie met buitenstaanders spreekt, hoeft niet bang te zijn dat hij er meteen minder Gereformeerd om wordt.
En wie door de Heilige Geest wordt aangestuurd, zal in een dergelijk gesprek ook zeker wel de goede woorden vinden.

Maar Paulus schrijft in Colossenzen 4 wel: wees overvloedig, met dankzegging. Met andere woorden: breng de Here dank voor de mogelijkheden die Hij geeft, en houdt steeds contact met Hem.
Laten wij dat gebed nooit vergeten!

Noten:
[1] “Laat kerk over inhoud in gesprek gaan”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 31 mei 2018, p. 12.
[2] Ad de Bruijne, “Zinnig rechtzinnig” – column. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 10 maart 2018, p. 17.
[3] Colossenzen 4:5 en 6.
[4] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Plataan ; geraadpleegd op maandag 4 juni 2018.
[5] Colossenzen 4:6 en 7.
[6] Colossenzen 4:3.

14 juni 2018

Hulp bij spiritueel tekort

“Hulp van buiten is nodig om spiritueel tekort GKV aan te vullen”.
Dat zegt dominee Maarten van Loon over ‘zijn’ kerken, de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).

In het Nederlands Dagblad stond er laatst een stukje over.

Geloven is in de GKv “een set waarheden” geworden.
Geloven is momenteel alleen maar een kwestie van het hoofd.
Veel gemeenteleden voelen dat aan. Zij gaan vervolgens spiritueel bijtanken. Het maakt niet zoveel uit waar dat bijtanken gebeurt.

Dominee Van Loon schrijft: “Persoonlijk denk ik dat er hulp van buiten nodig is als we als GKv stappen willen maken in het aanvullen van ons spirituele tekort. (…) Het gaat namelijk niet om een trucje dat je moet leren, maar om een verdieping en verbreding van je eigen spiritualiteit, het aanboren van lagen die er wel zijn, maar die nog niet benut worden”[1].

Een kerk die hulp van buiten nodig heeft… ik heb daar even tegen aan zitten kijken.

De kerk heeft namelijk eerst en vooral hulp van boven nodig.

Nu ik dat constateer, wijs ik meteen op de toespraak die Mozes voor Israël houdt, vlak voordat hij sterven gaat.
De laatste zinnen van die toespraak zijn: “Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u? U bent een volk dat door de HEERE verlost is. Hij is een ​schild​ en een hulp voor u, Hij is uw majesteitelijke ​zwaard; daarom zullen uw vijanden zich geveinsd aan u onderwerpen, en ú zult hun hoogten betreden!”[2].

Veertig jaar lang heeft Mozes het volk geleid, uit Egypte tot vlak voor het beloofde land Kanaän.

Mozes prijst de Israëlieten gelukkig.
De kerk van het Oude Testament is uniek. Want God staat aan hun kant.
Hij voert uiteindelijk de gevechten voor Zijn volk. Hij is de grote Beschermer. Hij helpt waar dat nodig is, op ieder gewenst moment van dag of nacht. Israëlieten hoeven niet in training te gaan om strijdkracht te ontwikkelen. Want de overwinning komt van God!
Dat maakt vijanden bang. Gespeeld-nederig komen zij bij Israël. En het volk van God kan zonder veel moeite verder trekken. Desnoods dwars óver de hoogten die door de vijandelijke volken opgeworpen zijn om hun afgoden te dienen. Zo laten de Israëlieten zien: afgoden zijn niets waard; je moet het van God hebben.

In Deuteronomium 33 is dat geen overbodige boodschap.
Een relatief klein volk dat Kanaän compleet gaat ‘overnemen’ – dat is op z’n zachtst gezegd nogal ambitieus, zou je zeggen.
Maar Mozes zegt: als je God aan je zijde hebt, dan kan het lukken. En wanneer lukt dat dan? Als het in Zijn plan past.
Het innemen van het land Kanaän gaat lukken, omdat dat het welzijn van de Oudtestamentische kerk bevordert. Het gaat lukken, omdat het een grote stap is in de richting van de heerlijke toekomst die God voor Zijn volk creëert.

Dat wil niet zeggen dat er geen momenten zullen komen waarop het volk in grote nood komt. Er zullen ogenblikken zijn waarop het volk wanhopig naar boven blikt: God is er toch nog wel? Hij heeft Zijn hulp toch gegarandeerd? – nou, waar blijft Hij dan?

Nee, Mozes’ laatste oproep, zo vlak voor zijn sterven, is zeker niet overbodig.

Nu kunnen wij zeggen: luister eens, beste schrijver – dat is Deuteronomium 33. Maar wat heeft dat met 2018 te maken?

We hebben vandaag te maken met de Nieuwtestamentische kerk.
Die kerk moet de wil van God doen.
Die kerk moet het Evangelie verkondigen. De blijde Boodschap: er is redding door Jezus Christus!

Maar wat zeggen veel kerkmensen?
Die boodschap is wel goed, maar die past niet meer zo goed in de eenentwintigste eeuw. Je kúnt er op werkdagen zo weinig mee. We hébben er in het gewone leven zo weinig aan.
En nou ja, eigenlijk gaat het best wel goed zo. We kunnen onszelf best redden. We hebben de zaakjes netjes geregeld. Dus – wie doet ons wat?

Dat is het probleem in de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt). En niet alleen daar.

Eigenlijk is dit een punt dat bij ons allemaal speelt: als we de boel nou keurig regelen, dan houden we de kerk wel overeind.

Maar de kwestie ligt anders.

Als je God aan je zijde hebt, dan gaat het kerkelijk leven bloeien. En wanneer bloeit dat dan? Als het in Zijn plan past.
De kerk krijgt Gods zegen, als zij met Zijn Woord leeft. Niet alleen op zondag; maar ook op dinsdag tot en met zaterdag. Zo’n leven bevordert het welzijn van de Nieuwtestamentische kerk. Zo zet de kerk iedere dag een grote stap in de richting van de heerlijke toekomst die God voor Zijn volk creëert.

Wanneer zijn onze gebeden het meest dringend?
Antwoord: als de nood hoog is. Als je heftige pijn voelt. Als je het idee hebt, dat de duivel je te pakken heeft. Als de toekomst dichtgetimmerd is. Als het leven totaal klem zit.

Daar
zit het probleem van veel christenen, Gereformeerd-vrijgemaakten inbegrepen.
Want zij hebben niet het idee dat de nood hoog is. Want och, het hobbelt nog prettig door. Nietwaar?
Laten we met z’n allen beseffen dat de nood hoog is. Als God niet machtig ingrijpt, dan gaan we ’t niet redden!

En als we dan bidden, moeten we niet denken dat de oplossing ons binnen een halfuurtje wordt aangeboden op ’t deftigste bonbonschaaltje dat er momenteel te koop is.
Soms moet je jaren wachten tot er perspectief komt.
Want God test Zijn volk nog wel eens: vertrouwt u echt op Mij, of doet u ’t toch liever zelf?

Deuteronomium 33 staat nog altijd in onze Bijbels: “Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u? U bent een volk dat door de HEERE verlost is. Hij is een ​schild​ en een hulp voor u”.
Nee, dat merken wij niet altijd.
Onze God is niet voortdurend aanwezig met megafoon en zwaailicht.
Maar Hij is altijd present. In alle rust. In alle stilte, soms.

En soms beseffen we pas achteraf: God heeft ingegrepen. Oftewel: wat er nu gebeurd is, dat moet wel van God komen. Dan realiseren we ons: dit heeft de hemelse God zo bestuurd.

In God geloven…
Bij God horen…
Kind van God zijn…
uiteindelijk is dat de grootste troost die er in dit leven is.

Laten we ons maar gewoon aan Psalm 2 houden:
“Vreest God den HEER en dient Hem naar zijn eis,
verheugt u bevend, zoekt bij Hem uw vrede.
Kust toch de zoon, opdat gij niet te gronde
gaat op uw weg. Te licht wordt hij getart
en kan zijn gramschap tegen u ontbranden.
maar zalig zijn die schuilen aan zijn hart”[3].

Zalig zijn die schuilen aan zijn hart.
Die schuilplaats biedt eeuwige bescherming!

Noten:
[1] GKv ‘heeft hulp van buiten nodig’. In: Nederlands Dagblad, maandag 28 mei 2018, p. 2 (rubriek Blogs en bladen).
[2] Deuteronomium 33:29.
[3] Dit is het laatste deel van Psalm 2:4; berijmd – Gereformeerd Kerkboek-1986.

13 juni 2018

Mooi voor de bruiloft

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Vandaag begint de heerlijkheid. Vandaag doet de Here nog wonderen!
En dus moeten we er hard aan trekken. We moeten volmaakt worden. We moeten beter worden. Vromer. Godsdienstiger!

Dergelijke redeneringen hoor je nog wel eens in evangelische kringen.
Niet zelden krijg je de indruk dat protestanten – Gereformeerden inbegrepen – door christenen uit de evangelische hoek beschouwd worden als slapjanussen.
Want protestanten geven het veel te gauw op. Omdat er te weinig verandert blijven zij maar gewoon in hun stoel zitten. Dat zou verboden moeten worden!

Toegegeven – het bovenstaande is wat gechargeerd. Overdreven. Ietsje vertekend, wellicht.
Maar de vraag is duidelijk: moeten we in de Gereformeerde wereld vaker op jacht naar de volmaaktheid?

Wie die vraag beantwoorden wil, kan terecht in de Dordtse Leerregels.

Dat belijdenisgeschrift werd opgesteld in 1618/’19. Dat gebeurde in Dordrecht; te Dordt dus.
Daar werd de Gereformeerde leer nog eens opgeschreven. Het werden dus leer-regels.

Er werd bezwaar gemaakt tegen de redenering van de remonstranten. Die redenering hadden zij opgeschreven in de remonstrantie: dat is een bezwaarschrift, een verweerschrift.
De remonstranten zeiden:
* de mens is in staat om zichzelf te verlossen
* er zit nog wel iets van goede wil in hem
* als hij echt wil, krabbelt hij op eigen kracht wel weer een stukje omhoog, uit het dal.
De Gereformeerden zeggen: wij zijn helemaal afhankelijk van Gods redding, en van Zijn genade.

De Dordtse Leerregels zeggen ook: op eigen kracht word je niet volmaakt.
Dat klinkt bijvoorbeeld zo.

De zonde is niet uit het leven van Gods kinderen verdwenen.
“Hierdoor zondigen zij in hun zwakheid elke dag weer en zelfs aan de beste werken van de heiligen kleven gebreken. Dit geeft hun voortdurend reden zich voor God te verootmoedigen en hun toevlucht tot de gekruisigde Christus te nemen. Ook gaan zij daardoor steeds meer het vlees doden door de Geest der gebeden en door zich te oefenen in een godvrezend leven en zij verlangen vurig naar het bereiken van de volmaaktheid. Dit doen zij, tot zij, verlost uit het lichaam des doods, met het Lam van God in de hemelen zullen regeren”[1].

Het staat er dan toch maar: “zij verlangen vurig naar het bereiken van de volmaaktheid”.
Dat is rigoureus. Radicaal.
En ja, dat is de Bijbel ook.

De apostel Paulus schrijft aan de christenen in Colosse, Colossenzen 3: “Dood dan uw leden die op de aarde zijn: ontucht, ​onreinheid, hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht, die ​afgoderij​ is”[2].
Doden nog wel!

Paulus schrijft aan Timotheüs: “Maar verwerp de onheilige en onzinnige verzinsels en oefen uzelf in de godsvrucht”[3].
Onheilige en onzinnige verzinsels verwerpen – alsof het niks is!

Paulus wil, hoe dan ook, opstaan uit de dood. Net als Jezus Christus, de Eersteling. Aan de christenen in Philippi schrijft hij: “Niet dat ik het al verkregen heb of al volmaakt ben, maar ik jaag ernaar om het ook te grijpen. Daartoe ben ik ook door ​Christus​ ​Jezus​ gegrepen. Broeders, ikzelf denk niet dat ik het gegrepen heb, maar één ding doe ik: vergetend wat achter is, mij uitstrekkend naar wat voor is, jaag ik naar het doel: de prijs van de roeping van God, die van boven is, in ​Christus​ ​Jezus”[4].
Jagen, uitstrekken – er moet nogal wat gebeuren!

Maar de volmaaktheid bereiken we hier op aarde niet.
Wij blijven zondig.
Wij moeten steeds beseffen dat wij, vergeleken met God, slechts klein en onbetekenend zijn.
Steeds moeten wij ons realiseren dat Jezus Christus voor ons aan het kruis heeft gehangen en dat Zijn lijden en opstanding de enige basis vormen voor onze redding.

Nee, de volmaaktheid bereiken we hier op aarde niet.
Maar we bereiden ons er wel op voor. We willen er op ons mooist uit zien. In ons mooiste pak. In een schitterende trouwjurk, misschien wel met sleep. Lang van tevoren wordt iedereen die maar enigszins belanghebbend zou kunnen zijn, officieel ingelicht.

De toestand van Mattheüs 22 is volkomen onbestaanbaar.
U weet wel: “Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zeker ​koning​ die voor zijn zoon een bruiloft bereid had, en hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor de bruiloft te roepen. Maar zij wilden niet komen. Opnieuw stuurde hij dienaren eropuit, andere, en hij zei: Zeg tegen de genodigden: Zie, ik heb mijn middagmaal gereedgemaakt; mijn ossen en de gemeste dieren zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed. Kom naar de bruiloft. Maar zij sloegen er geen acht op en gingen weg, de één naar zijn akker, de ander naar zijn zaken”[5].

Nee, zo doen wij dat niet in de kerk.
In de kerk verwachten we Jezus Christus terug, onze Bruidegom.

Hosea heeft er al over geprofeteerd: “Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen: ja, Ik zal u tot Mijn bruid nemen in ​gerechtigheid​ en in recht, in goedertierenheid en in ​barmhartigheid. In trouw zal Ik u voor Mij als bruid nemen; en u zult de HEERE kennen”[6].

Volmaakt zullen we op aarde niet worden.
Maar in de hemel wel.
Daar bereiden we ons op voor.
Daarom geven wij het beste wat we hebben, in de kerk.
Ja, wij maken er hier het beste van.
Want in de hemel wordt het prachtig!

Noten:
[1] Dordtse Leerregels, hoofdstuk V, artikel 2.
[2] Colossenzen 3:5.
[3] 1 Timotheüs 4:7.
[4] Philippenzen 3:12, 13 en 14.
[5] Mattheüs 22:2-5.
[6] Hosea 2:18 en 19.

12 juni 2018

Dwaal niet!

Zondag 41 van de Heidelbergse Catechismus gaat over heilig leven, “zowel in het heilig huwelijk als daarbuiten”[1].
In verband daarmee verbiedt de Here “alle onreine daden, gebaren, woorden, gedachten, begeerten en wat de mens daartoe verleiden kan”[2].

Wie is op dit gebied helemaal schoon? Rein? Volstrekt onberispelijk?
Niemand, denk ik.

Waarom is God daar eigenlijk zo streng op?
Omdat dit alles te maken heeft met de koers in ons leven.

Als het gaat over onreine daden, gebaren, woorden, gedachten, begeerten en wat de mens daartoe verleiden kan, wordt onder meer verwezen naar 1 Corinthiërs 15. Daar staat: “Dwaal niet: slecht gezelschap bederft goede zeden”[3].

Dwaal niet.
Die vermaning betekent in ieder geval dat we in ons leven een duidelijke richting moeten hebben. Waar gaat het naar toe met ons leven? Voor wie leven wij?
Gaan we eerlijk om met de mensen die het meest dichtbij ons staan?
Horen we, als het over ons huwelijk gaat, tot de categorie schuinsmarcheerders?
Geven we, als het over ons huwelijk gaat, duidelijk onze grenzen aan?
Geeft u, ook als u alleenstaand bent, een duidelijke afbakening – zover ga ik, en verder niet?

We leven in een maatschappij waarin het huwelijk niet zo heilig meer gevonden wordt. Als je elkaar, na verloop van vele jaren, niet zo interessant meer vindt… – nou, dan ga je toch elkaar? Dat gebeurt vaker. Zegt u nu zelf.
Maar de vraag is: worden onze zeden van zo’n scheiding nu zoveel beter? De grondregel moet blijven: “wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden”. Dat principe van Mattheüs 19 lijkt wel ouderwets geworden[4]. Maar als dat zo zou zijn, dan was heel Gods Woord een beetje uit de tijd. En dat is heus niet waar!

Trouwens, wie/Wie bepaalt eigenlijk wat goede zeden zijn?
En ja, daarna liggen de volgende vragen voor de hand: voor Wie leven wij? En: gaan we met onze problemen naar God, of willen wij het zo nodig zelf oplossen?

Wat is slecht gezelschap?
Dat zijn de mensen die hun normen aanpassen aan deze tijd. Omdat Gods Woord niet meer zo past op de algemeen aanvaarde stijl van de eenentwintigste eeuw.

Opnieuw noteer ik die vragen: Wie is op dit gebied helemaal schoon? Rein? Volstrekt onberispelijk?
En ik blijf het zeggen: niemand.

Hoe moet dat nu verder?
Moeten wij toch maar een beetje water bij de wijn doen?
Nee, dat is niet de oplossing.
Maar dat wil niet zeggen dat wij thans troosteloos voor ons uit moeten gaan zitten kijken.
Hieronder leg ik uit waarom.

Die oproep “dwaal niet: slecht gezelschap bederft goede zeden” staat in een hoofdstuk waarin de apostel Paulus een brede uiteenzetting geeft over nut en noodzaak van de opstanding van Jezus Christus.
Door Zijn lijden en opstanding heeft Jezus Christus voor onze zonden betaald.

In 1 Corinthiërs 15 legt Paulus uitgebreid uit wat dat voor ons betekent.

Opstanding uit de dood – dat is werkelijk ongelooflijk.
Er zijn dan ook massa’s mensen die niet geloven dat Christus’ opstanding echt gebeurd is.
Maar als je dat in twijfel trekt, komt heel de Boodschap van de Bijbel op losse schroeven te staan.

Paulus legt dat in acht stappen uit:
“a. …als er geen opstanding van de doden is, dan is ​Christus​ ook niet ​opgewekt.
b. En als ​Christus​ niet is ​opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.
c. En dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn. Wij hebben namelijk van God getuigd dat Hij ​Christus​ heeft opgewekt, terwijl Hij Die niet heeft opgewekt als inderdaad de doden niet opgewekt worden.
d. Immers, als de doden niet ​opgewekt​ worden, is ook ​Christus​ niet ​opgewekt.
e. En als ​Christus​ niet is ​opgewekt, is uw geloof zinloos; u bent dan nog in uw ​zonden.
f. Dan zijn ook zij die in ​Christus​ ontslapen zijn, verloren.
g. Als wij alleen voor dit leven op ​Christus​ onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen.
h. Maar nu, ​Christus​ ís ​opgewekt​ uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn”[5].

De Eersteling, inderdaad.
Want al Gods kinderen zullen uit de dood opstaan. Jazeker, zij hebben in hun aardse leven veel zonden gedaan. Het dienen van God ging gepaard met vallen en opstaan. Zij hebben tegen de zonde gestreden voor wat zij waard waren. En ze hebben dat gevecht vaak verloren.
En toch is dat geen reden tot wanhoop. Want de Redder van het leven heeft voor onze zonden betaald.
En dat geloof hebben Gods kinderen hun aardse leven lang beleden.
En daarom – vanwege de betaling door de trouwe Heiland – hebben Gods kinderen toch toegang tot de hemel. Zij mogen binnenkomen in de woonplaats van God!

Er komt een moment dat Jezus Christus, de Zoon van God, het koningschap overdraagt aan Zijn Vader.
God betekent dan alles.
Voor iedereen.
God heeft het te zeggen in heel de wereld. Bij alles en iedereen. Overal en altijd.

Dat is, in grote lijnen, het kader van die oproep: dwaal niet!
Oftewel: denk erom dat je goed op koers blijft in het leven.
Dat is niet alleen een kwestie van netjes en voorbeeldig leven. Nee, het is een kwestie van: op weg gaan naar de hemelse toekomst. Een toekomst die nooit ophoudt.

Een rein bestaan?
Een schoon leven?
Dat is de beste voorbereiding op een nieuw leven. Een eeuwig bestaan!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 41, antwoord 108.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 41, antwoord 109.
[3] 1 Corinthiërs 15:33.
[4] Ik citeer Mattheüs 19:6.
[5] 1 Corinthiërs 15:13-20.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.