gereformeerd leven in nederland

2 september 2011

Hartelijk welkom op deze weblog

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 18:00

Dit is een bloggebied van B. de Roos.
Op deze plaats verschijnen artikelen over het kerkelijk leven in Nederland. Ook zijn hier Schriftstudies en meditaties te lezen. De stukken zijn geschreven vanuit een Gereformeerd standpunt.

In de regel verschijnt hier op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag een nieuw artikel; dat gebeurt rond rond 8 uur ’s morgens.
Reacties zijn welkom. De besluiten met betrekking tot plaatsing van die respons op deze internetpagina worden genomen door de eigenaar van deze weblog. Anonieme reacties worden nooit geplaatst.

Deze website bestaat sinds vrijdag 2 september 2011. De weblog is een voortzetting van ‘Artikelen over Gereformeerd leven in Nederland’, een blog die sinds woensdag 26 mei 2004 verscheen bij web-log.nl.

5 december 2016

De vrouw in het ambt?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Over de plaats van de vrouw in de kerk wordt de laatste jaren veel geschreven. Er wordt gediscussieerd over de vrouw in het ambt. De plek die zij heeft in de kerk moet, zo lijken velen te menen, sprekend lijken op de plaats van de vrouw in de wereld. Want aan de cultuur moet recht worden gedaan, nietwaar?

Maar wat moeten u en ik dan aanvangen met 1 Timotheüs 2? Ik citeer:
“Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen; doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid”[1].

Het woord ‘rustig’ duidt hier op rust van binnenuit. Onderwijs dat gegeven wordt moet met gepaste onderdanigheid worden aanvaard.

Dat een vrouw geen onderwijs mag geven, wil niet zeggen dat zij zich in stilzwijgen moet hullen. Zij mag wel bidden. En zij mag ook profeteren.
Leest u maar mee 1 Corinthiërs 11: “Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn hoofd schande aan. Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen”[2].

Mag een vrouw helemaal niet onderwijzen?
Jawel, zij moet namelijk kinderen opvoeden. De Spreukenleraar zegt: “Hoor, mijn zoon, de tucht van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet”[3].
Zij mag andere vrouwen onderwijzen. Paulus schrijft immers in Titus 2: “Oude mannen moeten nuchter zijn, waardig, bezadigd, gezond in het geloof, de liefde en de volharding. Oude vrouwen eveneens, priesterlijk in haar optreden, niet kwaadsprekend, niet verslaafd aan veel wijn, in het goede onderrichtende”[4].
Privéonderwijs geven mag ook. Dat blijkt uit Handelingen 18: “En een zekere Jood, genaamd Apollos, geboortig uit Alexandrië, een geleerd man, doorkneed in de Schriften, kwam te Efeze. Deze was ingelicht omtrent de weg des Heren en, vurig van geest, sprak en leerde hij nauwkeurig hetgeen op Jezus betrekking had, ofschoon hij alleen wist van de doop van Johannes. En deze begon vrijmoedig op te treden in de synagoge. En toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen zij hem tot zich en legden hem de weg Gods nauwkeuriger uit”[5]. In dat privéonderwijs heeft blijkbaar ook een vrouw een aandeel.

Maar wat is dan het punt dat Paulus in 1 Timotheüs 2 maken wil?
Dat is dit: een vrouw mag niet gezaghebbend spreken in de gemeente.

Die beperking heeft te maken met de scheppingsvolgorde. Daarnaast ook met het feit dat Eva zich door de slang heeft laten verleiden, en daarna ook haar man heeft overgehaald om te gaan zondigen.
De vrouw is zo geschapen dat zij makkelijker te beïnvloeden is. Dat kan heel positief uitwerken, maar ook heel negatief. Juist die gemakkelijke beïnvloeding maakt een vrouw ongeschikt om in een gemeente leiding te geven.

Is een vrouw daarom minderwaardig? Welnee. Niets is minder waar.
De vrouw heeft een andere hoofdtaak in het aardse leven. Het baren en groot brengen van kinderen is haar eerste taak[6].

Terecht zei dominee J.R. Visser, momenteel predikant binnen de Gereformeerde Kerken Nederland, eens in een preek over 1 Timotheüs 2: “…de Geest laat hier zien dat de vrouw in het algemeen een bijzondere taak heeft in het moeder zijn. Zij baart kinderen. Zij mag in de verzorging en opvoeding van de kinderen dan als moeder een heel bijzondere plaats innemen. Dat is Gods orde. Dat laat ook zien dat het verzorgen en veel tijd doorbrengen met de kinderen een heel belangrijke taak is als de HERE jou kinderen geeft. Dat mag en moet dan ook vorm krijgen in de manier waarop je jouw leven inricht. Laat je dan ook niet meenemen als mensen tegen je zeggen: Ben jij zo vaak thuis voor je kinderen, dat is toch zonde, je doet jezelf tekort. We zien nu in de samenleving wat de negatieve effecten zijn dat moeders, dat ouders zo weinig thuis zijn en kinderen zichzelf moeten redden. Ook hier is Gods gebod goed en genezend ook als dat betekent dat je financieel minder kunt doen. Er zijn heel wat belangrijkere dingen dan geld en wat de wereld jouw ontplooiing noemt”[7].

Men zegt dat jonge carrièrevrouwen tegenwoordig snel leidinggevende functies bereiken.
“Er wordt gesteld dat jongere vrouwen in “de ideale positie” verkeren om het voortouw te nemen als het gaat om leiderschap.
Deze generatie vrouwen brengt als leider andere vaardigheden in een zakelijke omgeving. Ze zouden meer sociaal vertrouwen hebben en behulpzamer, georganiseerder en zorgvuldiger zijn dan hun mannelijke leeftijdsgenoten.
In vergelijking met mannelijke babyboomers zijn deze verschillen nog groter. Zo hebben vrouwen meer ambitie en sociale vaardigheden. Aan de andere kant scoren mannen tussen de vijftig en zeventig jaar, babyboomers, hoger op beslissingen nemen en motiveren”[8].

Dat klinkt allemaal prachtig.
Maar de vraag is: zijn vrouwen opeens tien keer energieker geworden, of leunen de mannen steeds sneller achterover? Oftewel: is er sprake van mannelijke slapte, zodat vrouwen sneller omhoog komen?

Hoe dat zij: ik ken heel veel vrouwen die met liefde moeder zijn, en dat ook heel belangrijk vinden.
Laten we ‘t maar zuiver stellen: Schriftuurlijk bezien is het moederschap de hoofdtaak van de vrouw; als zij gezond is, althans.
En laten we er maar niet omheen draaien: heel veel vrouwen willen liever geen leidinggeven. En dat is heel natuurlijk, heus waar.

De plek die de vrouw heeft in de kerk moet, zo vinden velen, sprekend lijken op de plaats van de vrouw in de wereld.
Op grond van 1 Timotheüs 2 zeg ik: dat is een onjuiste voorstelling van zaken.

Noten:
[1] 1 Timotheüs 2:11-15.
[2] 1 Corinthiërs 11:4, 5 en 6.
[3] Spreuken 1:8.
[4] Titus 2:2 en 3.
[5] Handelingen 18:24, 25 en 26.
[6] In het bovenstaande maak ik onder meer gebruik van de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Timotheüs 2:11-15.
[7] Zie http://www.evangelie-voor-elke-dag.nl/products/vrouw-in-alle-ambten-/ ; geraadpleegd op maandag 28 november 2016.
[8] Zie http://www.nu.nl/carriere/3921253/jonge-vrouwen-bereiken-sneller-leidinggevende-functie.html ; geraadpleegd op maandag 28 november 2016.

2 december 2016

De kerk wordt staande gehouden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Kent u Herman Fiolet?
Herman Antonius Maria Fiolet bedoel ik. Hij leeft van 1920 tot 2012. Hij is Rooms-katholiek priester, en oprichter van de Raad van Kerken. Een man van de oecumene dus.
Fiolet werkt overigens niet zo ijverig aan de totstandkoming van één kerk. Zijn insteek is simpel: wederzijdse erkenning. Hij hoopt op gezamenlijke vernieuwing.
Een organisatorische eenheid? Nee, dat hoeft van hem niet zo[1] .
Herman Fiolet is goed in prikkelende statements.

Op dinsdag 23 november 1971 citeert het Nederlands Dagblad hem als volgt.
“Over 25 jaar zal er of één kerk of helemaal geen kerk meer zijn. Dat voorspel ik op grond van de huidige situatie, waar dwars door de kerkgrenzen heen zich nieuwe groepen vormen. De barsten die de kerken nu vertonen, zijn geen oude maar gloednieuwe barsten. Alle kerken staan voor de zelfde gemeenschappelijke vragen en problemen. Het zal er dan ook om gaan dat er een vernieuwde kerk komt. Gebeurt dat in de toekomst niet, dan blijft er weinig meer over. Wat restantjes, maar die zullen dan niet meer betekenen dan een asiel voor immobiele mensen”.
Fiolet vindt een gemengd huwelijk niet zo ernstig. Wie daar tegen is, rijdt – meent hij – op een te smal spoor. “Kerkelijk gemengde huwelijken zijn trouwens maar achterhoedegevechten”[2].

Wij zouden kunnen opmerken dat Fiolet een vooruitziende blik heeft gehad. Want er wordt momenteel hard gewerkt aan ‘de vernieuwing van de kerk’. Kerkmuren worden omver gehaald. Van gemengde huwelijken ligt vrijwel niemand meer wakker.

Toch is er meer.

Graag wijs ik u op een bundel opstellen van de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J.J. Arnold (1916-2008)[3].
Daarin lees ik dingen die mij op een prachtig gelegen Gereformeerd spoor zetten.
Misschien wilt u daar even van meegenieten.
Bij deze dan.

In dat boek van dominee Arnold worden onder meer woorden gewijd aan “de kerk in het evangelisatie-‘gesprek’”. Met andere woorden: er wordt naar buiten gekeken.
Dat doet Herman Fiolet ook. Zijn ogen dwalen over het kerkplein.
Dominee Arnold kijkt wat verder. En in zijn denken neemt de kerk waarvan Christus het Hoofd is een grote plaats in.
De gedachten van dominee kunnen ons ook vandaag verder helpen. Hieronder zal dat alras blijken.

Wij moeten, zegt dominee Arnold, tijdens ons evangeliseren “overtuigend spreken”.
De vraag is, zo merkt Arnold op: “Hoe spreekt de Bijbel over de Verlósser; over wàt Hij doet en over hóe Hij dat doet en over wat Hij vráágt? Als we deze vragen stellen spreken we al over de kerk, over de ‘ware kerk’ en over de ‘valse kerk’, zonder deze termen, waar ze toch niets van kunnen begrijpen, te gebruiken”[4].

Wat moet je aan met de opmerking “als je Jezus maar liefhebt”?
Hoe moet men reageren als allerlei oecumenische gedachten de media in worden geslingerd?

Dominee Arnold schrijft:
“… in de eerste plaats gaat het om zijn volk. En hoezeer het telkens ook om een mens gaat die de Vader aan Hem heeft gegeven en hoezeer alles uiterst persoonlijk is (…), het gaat niet om losse individuen. We moeten behoren tot zijn volk. Hier zijn we al bezig te spreken over de kerk, zonder dat we het woord kerk gebruiken of zelfs ook kunnen gebruiken”.
En:
“In de tweede plaats is Hij het die zijn volk zal redden van hun zonden. Wat betekent dat? Dat betekent dat Hij voor hun zonden gaat betalen; dat Hij hen van de zonde bevrijdt door hun deel te geven aan wat Hij verdiend heeft; dat Hij ambtsdragers aanstelt (apostelen, profeten, herders, leraars, opzieners, diakenen); dat Hij de bediening van het evangelie door wettig geroepen bedienaars geeft; dat Hij de doop en het avondmaal geeft; dat Hij met het grote geschenk van de kerkelijke tucht komt (…). Het is aangrijpend zoals de Heilige Geest in de Schriften spreekt over het lichaam van Christus, de kudde van de goede Herder, de gemeente van de levende God als en pijler en fundament van de waarheid en over ‘een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap , een heilige natie, een volk Gode ten eigendom’. En het is de moeite waard om al deze woorden en uitdrukkingen goed te overwegen”[5].

Wij lezen ook: “We behoeven (…) helemaal niet opzettelijk over de kerk te praten. We onderwerpen onszelf aan de bijbel en brengen tot onderwerping aan de bijbel. En we hebben daarmee de kerk al genoemd, zonder dat we het woord ‘kerk’ gebruikten: we hebben namelijk de ander dringend uitgenodigd: vlucht bij menseninstellingen weg!”[6].

De Here spreekt over “tweeërlei volk”: “een volk dat dat Hem niet dient en een volk dat Hem dient”.
“…we ontkomen er niet aan: het gaat aan de kant van de Verlosser in de grote strijd, over een nieuwe eenheid, een nieuwe geméénschap. We spreken dan maar niet óver de kerk, maar leiden wel mensen op de weg vàn de kerk”[7].

“We moeten niet spreken van de werfkracht van de kerk, maar van die van de Heilige Geest. De kerk overtuigt de mensen niet van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Mensen overtuigen niet van zonde, gerechtigheid en oordeel. De Heilige Geest overtuigt de wereld (dat is: de afgevallen en bondsbreukige mensen) ervan. De vraag moet dus zijn: is de Heilige Geest daar in de kerk of in wat zich ‘met de naam der kerk bedekt’ (art. 29 NGB) aan het woord? Is de preek préék? (…) Daar waar Gods Woord wordt bediend en alleen dàt Woord, daar staan de kerkdeuren wijd open. De vraag is: spreekt de Heilige Geest hier of de mens, de schijnbaar innemende ‘ik denk’-dominee, die in werkelijkheid de lokkende Geest van de waarheid in de weg staat?”[8].

Tot zover het onderwijs van dominee Arnold.

Herman Fiolet verwachtte dat de kerk eind jaren ’90 van de vorige eeuw goeddeels verdwenen zou zijn. Maar niets blijkt minder waar.
Geen wonder eigenlijk.
Want sinds jaar en dag belijdt de kerk: “Wij geloven en belijden één katholieke of algemene kerk. Zij is een heilige vergadering van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Deze kerk is er geweest vanaf het begin van de wereld en zal er zijn tot het einde toe. Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn. Deze heilige kerk wordt door God staande gehouden tegen het woeden van de hele wereld, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein en ogenschijnlijk verdwenen is”[9].

Dat heeft Herman Fiolet nooit geloofd.
Droevig.
Heel droevig.

Wij moeten het onderwijs en het geloof van dominee Arnold maar navolgen.
Dan komen wij beter uit.
Veel beter.

Noten:
[1] Zie over hem https://nl.wikipedia.org/wiki/Herman_Fiolet ; geraadpleegd op maandag 21 november 2016.
[2] “Eén kerk of geen kerk”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 23 november 1971, p. 2. Ook te vinden via www.delpher.nl .
[3] Ds. J.J. Arnold, “Als de kerk kerk is”. Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1985. – tweede druk, 1986.
[4] Arnold, p. 157.
[5] Arnold, p. 159.
[6] Arnold, p. 161.
[7] Arnold, p. 161 en 162.
[8] Arnold, p. 166.
[9] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.

1 december 2016

Geheiligde gemeente

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Kerklid zijn: dat is voor Gereformeerde mensen de gewoonste zaak van de wereld[1]. Daar is, voor ons gevoel althans, niets aparts aan.
Dat gevoel is echter zeer bedrieglijk.
In Exodus 19 zegt de Here immers reeds tegen de Israëlieten: “En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk”[2] .
Ook in het Nieuwe Testament wordt de noodzaak van die heiligheid benadrukt. Denkt u maar aan 1 Petrus 1: “… gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt zo ook gijzelf heilig in al uw wandel; er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig”[3].

Dat weten wij wel.
Maar de ernst van die woorden blijft boven de markt hangen. We zijn geneigd om de zaak zo nuchter mogelijk te bekijken. We blijven maar gewone mensen, nietwaar?
En er overkomt ons niets van als we een beetje minder heilig zijn. De wereld draait er wel om door.

Welnu, in de Heilige Schrift wordt ons dat anders geleerd.

Ik wijs, nu het hierom gaat, eerst op Jozua 6 en 7. Daar lees ik over de verovering van Jericho. En ook over de misdaad van Achan.

Jozua heeft afgekondigd: “Doch de stad en al wat erin is, zal door de ban de HERE gewijd zijn; alleen de hoer Rachab zal in leven blijven, zij en allen die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgezonden hadden, heeft verborgen. Gij echter, neemt u in acht voor het gebannene, opdat gij niet, terwijl gij met de ban slaat, van het gebannene neemt en de legerplaats van Israël onder de ban brengt en in het ongeluk stort. Al het zilver en goud en de koperen en ijzeren voorwerpen zullen de HERE heilig zijn: het zal bij de schat des HEREN komen”[4].

Achan houdt zich daar echter niet aan. Bij hem is het leven sterker dan de leer. Hij eigent zichzelf een mooie mantel toe, en zilver en goud.

Die misdaad heeft grote gevolgen.
De Israëlieten lijden bij Ai een gevoelige nederlaag.
Achan, heel zijn familie, al zijn huisraad en de gestolen goederen – alles wat maar enigszins aan de misdaad herinnert – wordt weggedaan.
Achan wordt gestenigd. Alles en iedereen wordt verbrand.
Uitgeroeid.
Compleet van de wereld af.
Verschrikkelijk is dat!

Er blijft een hoop stenen liggen: een stille getuige van het drama dat zich op de executieplaats voltrokken heeft.

We zijn wellicht geneigd om te zeggen: nu ja, zo gaat dat in het oude verbond.
In het nieuwe verbond gaat het allemaal niet meer zo ruig toe.
Daar is het wat beschaafder.
Maar dat moeten wij maar niet te hard zeggen.

In de Handelingen der apostelen komen wij in hoofdstuk 5 Ananias en Saffira tegen[5].
Zij maken deel uit van een mooie gemeente. De leden hebben alles gemeenschappelijk, de apostelen houden prachtige preken en de diaconie heeft geen geldgebrek.
Het mooiste voorbeeld van die vrijgevigheid is wel de bijdrage van Jozef uit Cyprus: hij brengt de opbrengst van een verkochte akker bij de apostelen. Hij genoot al een goede reputatie. Hij heeft namelijk de bijnaam Barnabas gekregen; ‘zoon der vertroosting’ betekent dat[6].
Ananias en Saffira denken blijkbaar: dat kunnen wij ook wel.
Maar uiteindelijk valt hun vrijgevigheid erg tegen. Ananias brengt een deel van de opbrengst van de verkoop van zijn akker bij de apostelen. Dat is mooi. Maar hij doet het voorkomen dat dat de hele opbrengst is.
Hoe Petrus weet dat Ananias en Saffira met geld sjoemelen weten we niet.
Wel weten we hoe het afloopt.
Als Ananias volhoudt dat hij het hele verkoopbedrag bij de apostelen heeft gebracht, wordt hij onmiddellijk gestraft. Hij valt dood neer. Zijn vrouw ondergaat als medeplichtige het zelfde lot.

Het is een historie die buitengewoon merkwaardige trekken heeft.
Blijkbaar vindt er een gemeentevergadering plaats. En tijdens die bijeenkomst overlijdt er een gemeentelid. Zeer plotseling. Je zou toch zeggen dat er, gezien de omstandigheden, alle reden is om de vergadering op een later tijdstip voort te zetten. Maar daar lees ik niets over. Het lijkt erop dat de vergadering gewoon wordt voortgezet.
Drie uur later overlijdt er nog een gemeentelid, uit hetzelfde gezin notabene. Dat is toch tragisch?
Het is ronduit schokkend.
Goed beschouwd is het geen wonder dat heel veel mensen van de gebeurtenissen onder de indruk zijn. Er staat: “En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden”[7].

Jozua 7 en Handelingen 5 beschrijven gebeurtenissen waarvan wij wellicht zeggen: nou ja, het is wel erg; maar er zijn veel ernstiger zonden.

Want uiteindelijk willen wij allemaal graag handig zijn met geld.
Wij zijn blij met onze mooie huizen.
Als u een koophuis hebt, is het prettig als u de verkoopprijzen van huizen ziet stijgen; dat is mijn spaarpot, zegt u dan.
Een mooie auto voor de deur is meegenomen.
Een tweede huis? Of een caravan? Graag natuurlijk.
En als u zulke grote aankopen doet, dan wilt u graag een beetje handig zijn. Het moet wel zakelijk blijven, roepen wij in koor.
Maar dat is het punt ook niet.
Want zowel in Jozua 7 als in Handelingen 5 is de heiligheid van de gemeente in het geding. De kerk is niet meer helemaal aan de Here gewijd. In de gemeente zijn de mensen ook een beetje belangrijk geworden. Denkt men. In de kerk spreekt niet alles meer van Hem.
En dat neemt de Here niet.
Hij is er boos over.
Toornig.
Die heiligheid van de kerk is een zaak van het oude verbond. Maar in het nieuwe verbond is die zaak nog net zo actueel.

Een echt heilige gemeente, dat is prachtig.
Maar als we dat afzetten tegen de situatie van vandaag dan sijpelt het enthousiasme al gauw weg. Sterker nog, de geestdrift is al snel bijkans geheel verdwenen.
Want hoe heilig zijn we eigenlijk? Hoe Godgewijd zijn wij zelf?

Ach, u weet hoe dat gaat. We grenzen keurig af: dat doen we wel, en dat doen we niet. Want onze agenda is blauw van de activiteiten. U en ik moeten in deze wereld goed voor onszelf zorgen. Want anders gaan we er met z’n allen onder door. En dat kan toch niet de bedoeling wezen?
Intussen weten we het best: afgrenzen is noodzakelijk; maar we schieten te kort. Wat wij hier op aarde presteren is verre van volmaakt. Het is stukwerk, zei men vroeger. Het is maar een klein stukje van al datgene dat er eigenlijk komen moet.

Dat is de waarheid. En dat erkennen we volmondig.
Het is de keiharde werkelijkheid.
Als het op ons zelf aan komt, dan wordt het niks met deze wereld.

Als u het mij vraagt, brengen deze Schriftgedeelten ons dicht bij Advent en Kerst.
Ze brengen ons tot het besef dat de komst van onze Here Jezus Christus de enige is waar Gods kinderen het van kunnen verwachten.
Laat ik het met Zondag 14 van de Heidelbergse Catechismus mogen zeggen: “De eeuwige Zoon van God, die echt en eeuwig God is en blijft, heeft door de werking van de Heilige Geest echte menselijke natuur aangenomen uit het vlees en bloed van de maagd Maria, om het ware zaad van David te zijn, zijn broeders in alles gelijk, maar zonder zonde”[8]. Zonder zonde: dat is de crux.
Met andere woorden: de heiligheid van de gemeente hangt niet van ons zelf af. Wij zijn heilig in Christus. Wij rusten in Zijn werk.

Nu het hierom gaat, wil ik u ook graag wijzen op woorden van de Gereformeerd-vrijgemaakte professor doctor J. Kamphuis (1921-2011).
Over de heiligheid van de gemeente schreef hij onder meer dit: “Men kán op een doperse wijze de heiligheid van de gemeente misverstaan. Dan wordt die heiligheid een kwaliteit, een hoedanigheid van de gemeente van de wedergeborenen die ze als het ware als hun eigen bezit moeten verdedigen tegenover de aanslagen van buiten. Dan wordt de tucht een middel van zélfverdediging. Dan verwordt de tucht tot het instrument, waarmee de geestelijke élite zich afgezonderd houdt. Juist wanneer wij ook in deze tijd het pleit willen én moeten voeren voor de kerkelijke tucht, dan zullen we voor dit misverstand, voor deze corruptie van de tucht op onze hoede zijn: er is een scherpe antithese tussen de doperse ‘ban’ én de gereformeerde tucht. Het is een tegenstelling in de aard van die beide. Het is ook een tegenstelling die zich in de praktijk steeds weer laat merken. We zullen dus altijd weer de Schrift zelf moeten gebruiken als de lamp die ons ook voorlicht op het pad van de tucht en bij het licht waarvan we kunnen zien door het geloof, wat het betekent dat de gemeente heilig is en heeft te zijn”.
En:
“De gemeente is heilig, niet uit zichzelf, maar uit kracht van het Verbond van God. Zij is ‘gemeente des HEREN’”[9].

Het wordt nog wel eens wat met de kerk.
Het is al heel veel met de kerk.
En het wordt nog veel mooier.
Denkt u maar aan Openbaring 21: “En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw”[10].
Dat restauratieproces zal worden voltooid.
Want Hij laat niet varen wat Zijn hand begon.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 4 december 2007.
[2] Exodus 19:6.
[3] 1 Petrus 1:15 en 16.
[4] Jozua 6:17, 18 en 19.
[5] Handelingen 5:1-11.
[6] Zie Handelingen 4:32-37.
[7] Handelingen 5:11.
[8] Heidelbergse Catechismus – Zondag 14, antwoord 35.
[9] J. Kamphuis, “Om de heiligheid van de gemeente”. – Kampen: Copiëerinrichting van den Berg, 1982. – Citaat van p. 31 en 32. Ook te vinden via www.kerkrecht.nl ; geraadpleegd op vrijdag 18 november 2016.
[10] Openbaring 21:5 a.

30 november 2016

Een cruciaal moment

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

“Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen zijner discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam”[1].

Hierboven staat het ‘eerste slot’ van het evangelie naar Johannes. Hij maakt duidelijk met welk doel hij zijn evangelie schreef. De lezers moeten geloven wat Johannes schreef. Daarmee is de weg naar het eeuwig leven gebaand.

Dit voor ogen hebbende, stel ik vandaag een gedeelte van Johannes 19 aan de orde[2].
Dat is een perikoop waarin duidelijk wordt hoezeer de ‘rechtszitting’ met betrekking tot Jezus Christus een schijnproces is. Juridisch rammelt het aan alle kanten.

Het begint met een geseling.

Soldaten slaan Jezus vervolgens ook in het gezicht. Hier wordt de Majesteit – de Goddelijke Majesteit – door mensen mishandeld.
Die soldaten noemen Jezus ook ‘Koning der Joden’. Dat is nu juist wat Hij niet wil zijn!

Pilatus laat Jezus naar buiten leiden. De Heiland heeft een doornenkroon op en een purperen kleed om.
Pilatus vraagt als het ware: ziet u nu hoe belachelijk dit is? En: ziet u hoe ongevaarlijk deze man is?

Niettemin wordt er geschreeuwd om de kruisiging van Jezus.
Pilatus voelt hoe de zaak de verkeerde kant op gaat. Hij beijvert zich om de zaak aan de Joden over te dragen. Dan is Hij er immers van af?
Een doodvonnis mogen de Joden echter niet uitvoeren. In Johannes 18 is dat al helder geworden: “Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen”[3].

Nu komen de Joden met hun echte aanklacht aan.
Jezus heeft Zichzelf Gods Zoon genoemd. Dat is Godslastering. Daarom moet Jezus ter dood gebracht worden.

De term ‘Gods Zoon’ maakt Pilatus uiterst nerveus en een beetje bang.
Waarom eigenlijk?
Onder de Romeinen leeft de gedachte dat goden in mensengedaante naar de aarde kunnen komen. De Romeinse politicus weet natuurlijk heel best dat Jezus allerlei wonderen heeft gedaan. Al die mirakels maken de stadhouder een tikkeltje voorzichtig.

Van geloof is bij Pilatus geen sprake. Hij heeft, om zo te zeggen, geen sonar voor de godsdienst der Joden. Dat is de reden dat Jezus op vragen van de stadhouder geen antwoord geeft.
In feite maakt dat zwijgen van Jezus de Romeinse machthebber nog onzekerder.
De Joodse filosoof Philo van Alexandrië omschrijft Pontius als een harde, onbuigzame man[4]. Maar, zoals zo vaak, geldt ook hier: een grote mond en een klein hartje.

En dan gaat Jezus spreken: “Jezus antwoordde: gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde”[5].
Met andere woorden: de macht die Pilatus heeft, ontving hij. Die macht is hem gegeven. Ten diepste is hij niet meer dan één van de vele instrumenten die de Here heeft om Zijn plan door te zetten.

Nee, Pilatus heeft geen oog voor de status van de Heiland. Eigenlijk voelt de Romein wel aan dat het, menselijk bezien, beter is om Jezus vrij te laten. Maar daar zijn de Joden het volstrekt niet mee eens.
Sterker nog: als er over vrijlating gesproken wordt, zal Pilatus zonder twijfel de gunst bij de keizer uit de gunst raken. Dan is hij geen amicus caesaris, geen vriend van de keizer meer.

Dat laatste zit Pontius Pilatus behoorlijk dwars.
Het kan toch niet zo wezen dat hij, ten gunste van dit belachelijke proces, zijn zorgvuldig opgebouwde reputatie geheel en al te grabbel gooit? Nee, dat kan – zo meent hij – de bedoeling niet wezen.
Aldus kiest Pilatus voor een veilige optie.
Hij veroordeelt Jezus tot de kruisdood.

Dat is in alle opzichten een cruciaal moment.
Door de Heilige Geest gedreven zet Johannes er in Johannes 19 de exacte plaats en het precieze tijdstip bij. Johannes wil het voor eens en voor altijd duidelijk maken: hier gebeurt iets dat de wereldgeschiedenis totaal zal veranderen!

Pilatus wrijft het het volk nog eens diep in: moet ik uw Koning kruisigen?
De overpriesters zijn, in reactie daarop, volkomen duidelijk: zij hebben geen koning, maar een keizer. En daarmee uit.

En dan wordt Jezus Christus overgegeven om te worden gekruisigd.

Dat is de inhoud van Johannes 18:28-19:16 in vogelvlucht.
Wat zijn hoofdlijnen in deze episode van de wereldhistorie? Ik noem er enkele.

1.
Jezus Christus en Zijn reddingswerk worden op een afschuwelijke wijze miskend. Hij wordt spottend Koning der Joden genoemd, terwijl hij – op de keper beschouwd – koning der wereld is.
Nee, dat is daar in de rechtszaal niet zichtbaar. En ook vandaag hebben velen er zo hun twijfels over. En zo kom ik tot het eerste waar ik vandaag op wijzen wil: in het verbond eist onze God geloof in Jezus Christus. Wij mogen en moeten geloven dat onze zonden om Christus’ wil vergeven worden. Wij mogen en moeten geloven dat voor al Gods kinderen, waar zij zich ter wereld ook bevinden, een plaats gereserveerd is in de woonplaats van God: de hemel.

2.
Dit is een bijzonder belangrijk moment in de strijd tussen God en satan. U en ik kunnen zien dat hier, om zo te zeggen, alles uit de kast gehaald wordt. Althans, vanuit satanisch oogpunt bezien. Want kinderen van God weten dat Jezus, door de dood heen, in Zijn opstanding de triomf behaalt.

3.
Wij kunnen zonder veel moeite zien hoe snel mensen door de duivel te beïnvloeden zijn. Want wij moeten niet denken dat al die overpriesters, Pontius Pilatus en alle andere betrokkenen hoofd voor hoofd mesjokke zijn geworden. Welnee, het zijn allen weldenkende en – naar wij mogen aannemen – rustige mensen.
Maar wie ongelovig is en blijft, wordt – zonder dat hij het zich realiseert – zomaar door de duivel binnen getrokken in een denkwereld die de zijne van oorsprong niet was.

4.
In Johannes 19 lezen we over een schijnproces. De eerlijkheid is ver te zoeken. Als het in dit hoofdstuk al om een reputatie gaat, draait het om die van Pontius Pilatus. Nee, rechtvaardigheid is hier mijlen ver weg. Maar juist omdat dat zo is, is het zonneklaar dat Jezus Christus, de rechtvaardige Redder, gestorven is voor mensen die tot in de vezels van hun bestaan, onrechtvaardig zijn.

5.
Alleen al het gaan en staan van Pontius Pilatus toont ons hoe gevoelig mensn zijn voor aantasting van hun reputaties.
Ook Gereformeerden willen, als het even kan, hun eigen naam hoog houden. Ook zij vinden hun reputatie belangrijk.
Bij een kerkelijke overgang wordt die reputatie niet zelden behoorlijk beschadigd. Sterker nog: wie werkelijk Gereformeerd wil denken in de wereld, staat zomaar alleen.
Wij zien dat terug in De Gereformeerde Kerken in Nederland (hersteld) en wellicht ook bij de Gereformeerde Kerken Nederland.
Wie daar naar toe gaat, moet er in veel gevallen op rekenen dat zijn kinderen, zijn broers of zijn zusters hem eigenlijk een spelbreker van een slecht klerikaal soort vinden. Weglopen, dat doe je toch niet?
Aan het adres van vele verontruste broeders en zusters zou ik willen schrijven: wees niet te bang voor uw reputatie. Waar het om gaat is dit: wij behoren gewoon Gereformeerd te blijven, wat er ook gebeurt!

Noten:
[1] Johannes 20:30 en 31.
[2] Vanavond, woensdagavond 30 november 2016, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal Johannes 18:28-19:16 aan de orde komen. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[3] Johannes 18:31.
[4] Zie over Pontius Pilatus https://nl.wikipedia.org/wiki/Pontius_Pilatus , en over Philo van Alexandrië https://nl.wikipedia.org/wiki/Philo_van_Alexandrië ; geraadpleegd op donderdag 17 november 2016.
[5] Johannes 19:11.

29 november 2016

Prachtige stad

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Wat is het nut van de hemelvaart voor ons?
De Heidelbergse Catechismus geeft daar in Zondag 18 een helder antwoord op:
* de Heiland houdt voor ons een pleitrede bij de Vader
* de aanwezigheid van de Heiland in de hemel geeft ons de garantie dat wij daar ook zullen komen
* de aanwezigheid van de Heilige Geest in ons hart geeft ons werkkracht om ons voor te bereiden op die eeuwigheid[1].

Die pleitrede van Jezus Christus is hard nodig.

Wij leven in een wereld waarin het bouwen aan relaties soms reuze ingewikkeld geworden is.
Een voorbeeld.
Minister-president Rutte feliciteert telefonisch de aanstaande Amerikaanse president Trump met zijn verkiezing. Dat is niet best, zegt D66’er Pechtold. Want je moet tegen meneer Trump niet te welwillend doen. Ja maar, protesteert Rutte, je kunt toch niet meteen met het vingertje gaan wijzen[2]?

Wij leven in een wereld waarin veel mensen zich heel anders voordoen als zij zijn.
Opnieuw een voorbeeld.
Het Nederlands Dagblad berichtte onlangs: “De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft vorig jaar 21 boetes opgelegd aan mensen die zich ten onrechte uitgaven voor onder meer arts, tandarts of psychiater”[3].

En dan hebben we het nog niet gehad over krantenkoppen als: “EU zint op militaire hoofdrol in de wereld” en “‘Doorbraak’ in Syrië’: YPG-militie doet mee aan strijd om Raqqa”[4]. Oorlog en strijd zijn in allerlei vormen aan de orde van de dag.

Om kort te gaan, overal zien wij de zonde in deze wereld terug. Zo staat het er voor met de mensheid.
En wie alleen maar voor zich uit zou kijkt, kan zomaar denken: deze aarde vernietigt zichzelf, en met de kerk wordt het niets meer.

In die situatie kunnen we troost vinden in Zondag 18 van de Heidelbergse Catechismus.
Daar wordt ons gezegd dat de Zoon zijn Vader voorhoudt: Ik heb voor de zonden van de wereld betaald.

De Catechismus spreekt hier echt Gods Woord na.
We kunnen dat pleiten bijvoorbeeld terugvinden in 1 Johannes 2: “Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld”[5]. Er is een Parakletos: Iemand die erbij geroepen is, een helper, een zaakwaarnemer.
Een voorspraak: de Heiland spreekt namens ons. En Zijn Woord is het einde van alle tegenspraak.

Dankzij die voorspraak ontvangen kinderen van God toegang tot de hemel.
Zodoende moeten we ons daarop voorbereiden.

En hoe voelt dat?
Dat is een wel heel hedendaagse vraag, zegt u misschien. Moeten we op deze internetpagina nou ook al beginnen met al die moderne dingen?
Laten wij samen maar concluderen dat Gods Woord ons hierin voorgaat. Voorspreekt, om maar in stijl te blijven.
Leest u maar mee in Openbaring 21: “En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is”.
Zo voelt dat dus: als een bruid die haar trouwdag tegemoet gaat.
Zo voelt dat: als een bruid die naar een winkel gaat die in bruidsmode gespecialiseerd is.
Zo voelt dat: als een bruid die vast van plan is om, samen met haar liefhebbende man, het prachtigste leven te leiden dat er is.
Liefst in een heel mooi huis. Welnu, zegt de God van het verbond, dat gaat gebeuren!
Leest u maar weer mee in Openbaring 21: “En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God; en zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant”[6].
Ja, dat leest u goed.
Het gaat hier over stralende huizen. Niet maar over één glanzend onderkomen. Welnee, de hele stad ziet er magnifiek uit!
Zo voelt dat: als een wereldburger die zich nergens zorgen over maakt; want die prachtige stad kan niet stuk. Echt niet.

In die prachtige stad is het niet moeilijk meer om relaties op te bouwen.
In die prachtige stad zijn er geen mensen meer met nepdiploma’s in de hand.
In die prachtige stad kan niets de heerlijkheid bederven!

Noten:
[1] In de Heidelbergse Catechismus – Zondag 18, antwoord 49 staat het zo: “Ten eerste is Hij in de hemel voor het aangezicht van zijn Vader om voor ons te pleiten. Ten tweede hebben wij in Hem ons vlees in de hemel tot een onderpand, dat Hij als het Hoofd ons, zijn leden, ook tot Zich nemen zal. Ten derde zendt Hij ons zijn Geest als tegenpand; door zijn kracht zoeken wij wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God, en niet wat op de aarde is”.
[2] “Rutte feliciteert Trump en heeft geen spijt”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 16 november 2016, p. 2.
[3] “Inspectie beboet nepartsen”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 16 november 2016, p. 4.
[4] Nederlands Dagblad, woensdag 16 november 2016, p. 3; http://nos.nl/artikel/2143363-doorbraak-in-syrie-ypg-militie-doet-mee-aan-strijd-om-raqqa.html , geraadpleegd op woensdag 16 november 2016.
[5] 1 Johannes 2:1 en 2.
[6] Openbaring 21:10 en 11.

28 november 2016

De zegen van Psalm 133

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Samenwerken is niet gemakkelijk[1].
Dat blijkt ook in het Neêrlandse kerkelijk leven.
Samenwerken, samenspreken samen sterk…  – hoeveel jaren  spreekt men daar al over?
Kan het nog wel wat worden met de kerkelijke eenheid der Gereformeerden?

Valt hier, geachte lezer, nog iets zinnigs te zeggen?
Moeten wij er het zwijgen toe doen?

Toen ik het bovenstaande overwoog, dacht ik ook aan Psalm 133:
“Een bedevaartslied. Van David.
Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het,
als broeders ook tezamen wonen.
Het is als de kostelijke olie op het hoofd,
nedervloeiende op de baard, de baard van Aäron,
die nedergolft op de zoom van zijn klederen.
Het is als dauw van de Hermon,
die nederdaalt op de bergen van Sion.
Want daar gebiedt de HERE de zegen,
leven tot in eeuwigheid”.

Het samen optrekken van broeders kan alleen maar als daar de zegen van de Here op rust.
Als die zegen komt, dan is dat heel duidelijk merkbaar.

De zalving van de hogepriester is in het Oude Testament een kenmerk van Zijn zegen. Die zalving is compleet: de olie bereikt zelfs de zoom van zijn kleed. Die olie sijpelt langzaam naar beneden, helemaal tot onderaan.

In deze psalm zijn twee woorden heel belangrijk:
* goed
* neerdalen.
Een exegeet schrijft: “De woorden die met name gehoord willen worden, zijn het tweemaal gebruikte ‘goed’ en het driemaal gebruikte werkwoord ‘neerdalen’. Want nadat het neerdalen tweemaal van de heilige zalfolie gezegd is, wordt hetzelfde werkwoord nogmaals gebruikt voor het neerdalen van de dauw van de toppen van de Hermon (…). Rond de avond daalt deze dauw neer op de lagere bergtoppen in de omgeving. Het schijnt dat door toedoen van een koele wind na een warme dag de dauw van Hermon zelfs Jeruzalem bereikt. Zodoende daalt de dauw van Hermon neer op de bergen van Sion”[2].
De zegen van de Here geeft overvloed.
Tot in de eeuwigheid.

Het is prachtig als broeders werkelijk samen optrekken.
Dan krijgen ze de zegen van de Here mee. En dat zal op alle fronten te merken zijn. Zelfs tot onderin de kerk; ook op lokaal niveau kan men iets van die zegen zien.
De zegen van de Here zien we met name in de kerk.
De effecten van de zegen ziet men daar waar broeders en zusters zich groeperen.

Maar als die zegen nu eens niet blijkt?
Wat gebeurt er dan?

Erger nog: hoe loopt het af als mensen die broeders en zusters heten, eigenlijk geen broeders en zusters blijken te wezen?
Dan is de Here niet zo scheutig met Zijn zegen.
Zou het zo kunnen zijn dat dat ten diepste de kern is van de problemen die er landelijk zijn in allerlei verhoudingen tussen kerkgemeenschappen?
Natuurlijk kan ik dat niet met grote zekerheid zeggen. Ik weet immers niet precies welke wegen de God van het verbond met Zijn zegen gaat.
Als ik het geworstel rond kerkelijke eenheid zie, dan denk ik: dit kan geen toeval zijn.
Men zucht.
Men steunt.
Men voert verhitte discussies.
Maar al te vaak komt men geen steek verder.
Daar zie ik de hand van de Here in. Nee, ik weet niet wat God daar precies mee voor heeft. Wie zou dat, hier op aarde, trouwens  wel weten?

Wij moeten goed beseffen dat de Here hier bezig is.

Persoonlijk vind ik Psalm 133 wel helder.
Heel duidelijk.

Het zou kunnen zijn dat sommige kerkmensen die psalm hinderlijk duidelijk vinden.
Wie de zegen des Heren in volle omvang ontvangen wil moet in de kerk zijn. Er kunnen omstandigheden zijn die de gang daar naar toe niet makkelijk maken. Maar men kan er niet omheen: wie niet in de kerk is, moet er op den duur wel zien te komen.

Het komt mij voor dat Psalm 133 een bijzonder actuele psalm is.
Gereformeerde mensen moeten dat Schriftgedeelte maar weer eens goed lezen. Want in die psalm wordt ons onze plaats gewezen. In een paar regels. Zonder opsmuk en onomwonden.

Ik las Psalm 133.
En daar staat het werkelijk: de Here gebiedt Zijn zegen op de bergen van Sion[3].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 22 november 2007.
[2] De exegeet is professor dr. C.A. Tukker. Zie: “Tekst voor tekst: De Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht”. – Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum. – vijfde dr., 2001. – p. 348.
[3] Over Psalm 133 schreef ik op deze plaats ook op vrijdag 23 september 2011. Het artikel “Olie en dauw in Psalm 133” is te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2011/09/23/olie-en-dauw-in-psalm-133/ .

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.