gereformeerd leven in nederland

2 september 2011

Hartelijk welkom op deze weblog

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 18:00

Dit is een bloggebied van B. de Roos.
Op deze plaats verschijnen artikelen over het kerkelijk leven in Nederland. Ook zijn hier Schriftstudies en meditaties te lezen. De stukken zijn geschreven vanuit een Gereformeerd standpunt.

In de regel verschijnt hier op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag een nieuw artikel; dat gebeurt rond 7 uur ’s morgens. Op christelijke feestdagen en op Nieuwjaarsdag wordt deze internetpagina niet ververst.
Reacties op artikelen zijn welkom. De besluiten met betrekking tot plaatsing van die respons op deze pagina worden genomen door de eigenaar van deze weblog. Anonieme reacties worden nooit geplaatst.

Deze website bestaat sinds vrijdag 2 september 2011. De weblog is een voortzetting van ‘Artikelen over Gereformeerd leven in Nederland’, een blog die sinds woensdag 26 mei 2004 verscheen bij web-log.nl.

22 februari 2018

Opdat wij het luisteren niet verleren

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Het is vandaag precies vijfenveertig jaar geleden.
Op donderdag 22 februari 1973 staat in het Nederlands Dagblad een nieuwsbericht waar de volgende kop boven prijkt: “Kern eredienst is: Spreek Here, want uw knecht hoort!”[1].
En daaronder staat: “Wie de prediking wegneemt, snijdt de kern uit de eredienst. Daarom mag het ‘Spreek Here, want uw knecht hoort’, nooit worden vervangen door ‘Hoor Here, want uw knecht spreekt’”.

Dat statement is afkomstig van drs. K. Deddens. Hij spreekt op de Friese ouderlingenconferentie te Leeuwarden over ‘De liturgie in onze kerken’. Voor een goed begrip der lezers: dat zijn de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).

Wie het bovenstaande beziet, zit – wat mij betreft – meteen in de moderne maatschappij van 2018.
Luisteren naar een preek is voor heel veel mensen heden ten dage reuze ingewikkeld geworden. Want ach, zo’n preek is zo eenzijdig nietwaar? Mensen willen graag meepraten. Mensen willen direct reageren op wat zij horen, of hun reacties nu doordacht zijn of niet.
Luisteren – dat werkwoord schrijven wij tegenwoordig het liefst met kleine lettertjes.

Dominee Deddens keert zich in zijn lezing “tegen de opvatting dat de waarde van de kerkdienst niet afhangt van de preek, maar dat de liturgie het fundament van de kerkdienst vormt (…).
Ook de liturgische beweging denkt in deze richting en wil zelfs het altaar weer in de kerk halen.
Maar wie dat wil, zet de klok terug.
Immers de cultus van het oude Testament werd tot een einde gebracht door onze Here Jezus Christus en Zijn Kerk heeft naar Hebreeën 8:6 een altaar in de hemel waar Hij liturg is. Die liturgie gaat niet buiten ons om (Hebreeën 12). In de kerkdienst is de Here de eerste. Hij roept!”.

Daar valt de term ‘liturgische beweging’.
Die beweging komt van oorsprong uit de Rooms-katholieke kerk. Het beginpunt ligt zo rond 1903. Paus Pius X pleit in dat jaar voor een meer actieve deelname van kerkgangers aan de kerkmuziek.
Later komen ook in andere kerken liturgische bewegingen op gang. Onder meer in de Nederlands Hervormde Kerk komt veel aandacht voor vormgeving en rituelen. De doorwerking van dat gedachtegoed kunt u terugzien in het Liedboek voor de Kerken.

Nu is attentie voor liturgie in het geheel niet verkeerd. En zingen ter ere van God is prachtig werk. Maar bij dat nadenken over de vormgeving daarvan dient Gods Woord immer het uitgangspunt te blijven.
Als dat startpunt verandert, gaan de kerkdeuren ten langen leste dicht. Gaat u maar na: de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt): dat zijn allen kerken waar het Woord Gods steeds minder vaak klinkt.

De woorden van dominee Deddens blijken ook vandaag nog zeer behartenswaardig.

Nee, het is heel vaak niet zo dat men het geloof loslaat.
Welnee.
Men richt zich op Jezus en op de omgeving, heet het. Men is vol van Jezus en omarmt de omgeving[2].
Dat klinkt modern. Bij de tijd. Solide. Sociaal. Alleen maar: het Evangelie klinkt in de kerk. Daar verzamelt de God van hemel en aarde Zijn kinderen.
Aandacht voor de buurt is prachtig. Een open oog voor de omgeving is een alleszins goede zaak. Maar mét dat al mag de kerk nooit een buurthuis-plus worden. De kerk mag nooit een warme gemeenschap-met-de-Bijbel-als-toegevoegde-waarde worden.
En dat kan zomaar gebeuren als men aan de liturgie in de kerk gaat morrelen. Voordat wij ’t weten is menselijke inbreng reuze belangrijk geworden!

Het bovenstaande heeft alles te maken met de manier waarop u en ik tegen Gods volk aan kijken. Wat is het eigene van de kerk?
Dominee Deddens wijst daar ook op. Ik citeer: “Zijn verbondsvolk verschijnt op het appèl. Het komt samen om dienst – de oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord leitourgia is: dienst, het volk ten baat – te verrichten. Die verbondsdienst betekent gemeenschapsdienst, want de gemeente is de bruid van Christus. Wie de samenkomsten der gemeente dus ziet als een godsdienstig samenzijn van een aantal mensen, komt terecht bij het conventikel en de sekte. Christus roept samen door middel van ambtsdragers en al hun handelen zal steeds weer getoetst moeten worden aan de lastbrief van de Schrift. Daarom is het dwaas om te zeggen, dat er meer liturgie moet komen en minder preek. De Vader spreekt immers in Christus”.

De zo vaak gezongen Psalm 105 wijst ons op onze taak:
“Vraagt naar de HEER en naar zijn sterkte
naar Hem die al uw heil bewerkte.
Zoekt dagelijks zijn aangezicht,
gedenkt al wat Hij heeft verricht.
Slaat acht op ’t oordeel van zijn mond
en vreest Hem, volk van Gods verbond”[3].
In die laatste versregel leren wij van het karakter van de kerk is: Verbondsvolk.

Nog één citaat uit het onderwijs van dominee Deddens.
“Uit Handelingen 2 blijkt, dat men bijeen kwam om te blijven bij de leer der apostelen, het breken van het brood, de dienst der gebeden, en de dienst der barmhartigheid. Maar in de loop der eeuwen werd de Woorddienst vervangen door de offerdienst, waarbij de ambtsdrager — die niet mag worden miskend — werd overschat. Het altaar kwam centraal te staan en de prediking ging zwijgen. Dit vond zijn dieptepunt in 1215, toen de leer van de transsubstantiatie officieel werd vastgesteld. Christus geeft dus, volgens Rome, elke dag een onbloedige herhaling van Zijn offer.
Door de Reformatie ging men echter weer zien, dat er maar één Middelaar Gods en der mensen is. Het Woord des Heren kreeg weer de centrale plaats en de sacramenten zijn tekenen en zegelen. De sacramenten werden dan ook bediend na de Woorddienst en het zogenaamde ‘grote gebed’ werd ook op dat tijdstip uitgesproken. Calvijn heeft steeds de volle aandacht gevraagd voor het Woord.
Ook in later eeuwen is men niet ontkomen aan sacramentalisme zoals bijvoorbeeld in de 18e eeuw toen de prediking ontaardde in het ‘verhelderen van het verstand’ en de kerk een ‘volksvergadering zonder tucht’ werd. Bij het liturgisch réveil van plusminus 1850 in Engeland, Frankrijk en Duitsland keerde men niet terug tot het hart van de eredienst. En elke reformatie van de eredienst zal steeds weer moeten beginnen bij de reformatie van de prediking. Het Woord des levens vraagt levende woorden”.

De Gereformeerde kerk is een lezende kerk: de Schrift ligt telkenmale open.
De Gereformeerde kerk is daarnaast een kerk met een scherp gehoor. Om met Psalm 85 te spreken:
“Toon ons uw heil en goedertierenheid;
ik ben o God tot luisteren bereid”[4]!

Noten:
[1] Nederlands Dagblad, donderdag 22 februari 1973, p. 4.
[2] Zie hierover bijvoorbeeld: “Afscheid van een kerkherplanter”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 17 februari 2018, p. 11. In dat artikel gaat het over de Gereformeerd-vrijgemaakte Veenhartkerk te Mijdrecht.
[3] Psalm 105:3, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[4] Psalm 85:2, Gereformeerd Kerkboek-1986.

21 februari 2018

Tabernakel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden”.

Die zin herkent u wellicht wel. Die komt uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis[1].
Gods Woord geeft ons genoeg om met de Here door deze wereld te wandelen.
Dat belijden wij.

Maar er zijn Bijbelgedeelten waarvan u en ik ons kunnen afvragen: waar hebben wij die nu toch voor nodig?

Neem nu de hele instructie met betrekking tot de tabernakel[2]. Exodus 26, 27, 28… – het gaat maar door. En dan is er nog de uitvoering. Precies volgens de dienstvoorschriften.
Wat moeten we anno 2018 met dat alles aanvangen?

Het is belangrijk om ons eerst en vooral te realiseren dat God bij Zijn volk gaat wonen. Bij alles wat de Israëlieten doen, is de Here present. Hij beziet nauwkeurig waar het volk mee bezig is. Hier gebeurt een groot wonder: de machtigste Vorst van heel de kosmos komt, om zo te zeggen, naar beneden.
Stel u voor dat de Amerikaanse president Trump zich in een krottenwijk vestigt! Stel u voor dat president Poetin middenin een Braziliaanse favela leven gaat!
Welnu, in Exodus 26 en volgende is de tegenstelling nog groter: de grote God kiest – om zo te zeggen – een woonplaats bij stofjes aan een weegschaal.

U weet het wel, na Pinksteren wordt het allemaal nog grootser: de Heilige Geest komt in de harten van Zijn kinderen wonen. De hemelse God gaat met ons mee.
De tabernakel laat het ons beseffen: de presentie van God in deze wereld is, op de keper beschouwd, een geweldig wonder!

Dit alles inmiddels zo zijnde, zou het ondenkbaar wezen dat mensen bij de Here weglopen.
Wat is het erg dat twee getrouwde mensen in één huis wonen, maar dat één zegt: ‘Ik ga in het vervolg ergens anders eten. Want die voeding van jou, daar kan ik niet alleen op leven. Eigenlijk hangt er permanent een bordje boven mijn leven: gaarne bijvoeren’!
Toegegeven: in onze maatschappij gebeurt het bovenstaande met een benauwende regelmaat. Maar normaal is het zeker niet.
En in de verhouding tussen God en mensen is het helemaal niet normaal. Niettemin gebeurt het wel! Leest u maar mee in Psalm 78:
“Zij verwekten Hem tot toorn door hun offerhoogten,
verwekten Hem tot na-ijver door hun afgodsbeelden.
God hoorde het en werd verbolgen,
Hij verachtte Israël zeer.
Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo,
de tent waarin Hij woonde onder de mensen.
Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap,
Zijn luister in de hand van de tegenstander.
Hij leverde Zijn volk over aan het ​zwaard
en werd verbolgen op Zijn eigendom”[3].
De kerk bestaat uit mensen die, vanuit zichzelf, voortdurend zondige dingen bedenken. Steeds weer lopen zij, al of niet gedachteloos, het verkeerde pad op.
Wie dat beseft, realiseert zich eens te meer hoe genadig God eigenlijk is!

Asaf wijst er in Psalm 78 op dat God de tabernakel toornig verlaat.
Die aanwijzing kan voeding geven aan de gedachte dat de hemelse God ook zomaar weer bij ons weglopen kan.
Echter – dat denkbeeld is, bij nader inzien, tamelijk ongerijmd. De God van hemel en aarde is namelijk de trouwe Verbondsgod. Hij laat het werk van Zijn handen niet varen. Als het verbond verbroken wordt, ligt dat nooit aan de Here, maar altijd aan trouweloze kerkmensen!
Ten bewijze daarvan neem ik graag even mee naar Ezechiël 37. Daar worden Efraïm en Juda door de Here bij elkaar gevoegd. En wel op de tijd en de plaats die de hemelse God voor ogen heeft. Alle Israëlieten komen weer bijeen. Sterker: de Here brengt heel Zijn volk weer samen. Daar wordt Psalm 68 waar:
“Zij stromen samen van alom,
want, Here, naar uw heiligdom
gaat uit hun sterk verlangen
Ter wille van uw tempel, Heer,
brengt U Jeruzalem tot eer,
daar zult U lof ontvangen”[4].
In Ezechiël 37 staat dan: “Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn ​heiligdom​ voor eeuwig in hun midden zal zijn”[5].
Weet u waar de profeet Ezechiël feitelijk op doelt?
Ezechiël geeft in hoofdstuk 37 een vingerwijzing naar de toekomst. Jezus Christus, de Heiland, zal komen. Door Zijn Heilige Geest zal Hij Zich een woning verschaffen in het Israël van de toekomst.
De Heiland zal – om het zo uit te drukken – te midden van Zijn ganse volk ‘tabernakelen’.
En ik wil maar zeggen: laten wij in dezen vooral niet bij het Bijbelboek Exodus blijven staan!

Trouwens, ook de schrijver van de brief aan de Hebreeën nodigt ons van harte uit om verder te kijken dan onze neus lang is.
Leest u maar even mee in Hebreeën 8.
“De hoofdzaak nu van de dingen waarover wij spreken, is dit: Zo’n ​Hogepriester​ hebben wij, Eén Die Zich heeft gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen. Hij is een Dienaar in het ​heiligdom​ en in de ware ​tabernakel, die de Heere heeft opgericht en niet een mens”[6].
Exodus 26, 27 en volgende… – dat is nog maar het begin. Jezus Christus is Middelaar van een veel beter verbond.
In Hebreeën 9 staat daarover te lezen: “…toen is ​Christus​ verschenen, de ​Hogepriester​ van de toekomstige heilsgoederen. Hij is door de meerdere en meer volmaakte ​tabernakel​ gegaan, die niet met handen is gemaakt, dat is: die niet van deze schepping is. Hij is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed eens en voor altijd binnengegaan in het ​heiligdom​ en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht”[7].

De tabernakel wijst ons uiteindelijk op eeuwige verlossing. De tabernakel wijst ons op onze definitieve woonplaats.
Daarom helpt de tabernakel ons voorbij te kijken aan eigen zorgen. Aan eigen ziekten.
De tabernakel geeft antwoord op een kernvraag die bijkans de hele wereld stelt: komt er ooit een eind aan al dat aardse gefröbel en gefriemel? Oftewel: is er nog wel hoop als in ons leven de zoveelste nooddruft voorbij komt?
Laat mij u wijzen op datgene dat hierboven staat: hij heeft Zich gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen. Ja, dat leest u goed: de Heiland is gaan zitten. Zijn verlossingswerk heeft Hij helemaal klaargemaakt. Zijn reddingswerk is volbracht!

Exodus 26 en volgende geeft veel details over de bouw van de tabernakel. Het moet, om het maar ronduit te zeggen, precies zó en niet anders. En misschien vragen wij wel: had dat nu niet anders gekund? Of ook: al die bouwvoorschriften kunnen wij toch nimmer bevatten?

Maar laten wij dan maar weer even verder kijken.
Naar Ezechiël.
Naar Hebreeën.
En weer terug.
En laten wij het vervolgens maar zonder terughoudendheid en blijmoedig zeggen: Jezus Christus, de Heiland, is voor al onze zonden gestorven. Nee, Hij heeft niet per ongeluk één van onze kleinste zonden over het hoofd gezien.
Daarin ligt de reden dat wij onberispelijk voor de troon van God kunnen verschijnen.
Ja, ook op woensdag 21 februari 2018. Een doorsnee-doordeweekse dag. Met alle bekrompen toestanden van dien.
Ach, het kan ons niet meer deren.
Want wij hebben zicht op de tabernakel!

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 7.
[2] Vanavond staan Exodus 25 en 26 centraal tijdens een vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt vanavond, woensdagavond 21 februari 2018, plaats. Dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[3] Psalm 78:58-62.
[4] Psalm 68:11, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[5] Ezechiël 37:27 en 28.
[6] Hebreeën 8:1 en 2.
[7] Hebreeën 9:11 en 12.

20 februari 2018

Ingeschreven in Gods burgerlijke stand

De doop is niet zo populair vandaag. De mensen vragen liever: ‘bent u een christen?’ dan ‘bent u gedoopt?’.

Dat komt mede omdat gedoopte kinderen niet zelden eigen wegen gaan. Misschien hebt u wel zes, zeven kinderen ten doop gehouden. En waar zijn zij nu? Heel vaak zijn zij maar amper aanspreekbaar op hun doop. Want die kinderen hebben persoonlijke keuzes gemaakt. En ach, het hoe en waarom van die keuzes snappen pa en moe toch niet… – laat maar. Zo gaat dat toch?

Vandaag zet ik de doop graag weer eens in de schijnwerpers.
Wij moeten ons de troost van de doop vooral niet af laten nemen!

Eerst een paar citaten uit de Heidelbergse Catechismus.

Zondag 26
“Christus heeft het waterbad van de doop ingesteld en daarbij beloofd, dat ik met zijn bloed en Geest van de onreinheid van mijn ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben”[1].
Zondag 27
“God zegt dat niet zonder dringende reden. Want Hij wil ons daarmee leren, dat onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden, evenals de onreinheid van het lichaam door het water. Maar vooral wil Hij ons door dit goddelijk pand en teken ervan verzekeren, dat wij even werkelijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als ons lichaam met het water gewassen wordt”[2].

De doop is een waarborg.
Bij de Rooms-katholieken is de doop bijna een rituele wassing.
Maar in Gereformeerd Nederland is de doop een garantie.

De Zwitserse reformator Huldrych Zwingli (1484-1531) maakte er een herinneringsteken van. We moeten Gods beloften steeds in het hoofd houden, zei Zwingli. Op zichzelf is dat waar. Maar daarvoor is de doop niet bedoeld.
De doop is geen monument.
De doop is geen gedenkteken.
Zo vaak er wordt gedoopt, wordt het ons gegarandeerd:
“Welzalig hij wiens zonde is vergeven,
die van de straf genadig is ontheven,
wiens overtreding, die hem had bevlekt,
voor ’t heilig oog des HEREN is bedekt.
De HERE rekent hem niet toe zijn zonden,
de ongerechtigheid in hem gevonden.
Welzalig hij die zo bevrijd van schuld,
geen onoprechtheid in zijn geest meer duldt”[3].

Jazeker – dat eerste vers van Psalm 32 geeft precies aan wat de kern van de doop is.
De doop betekent: geen straf meer.
De doop betekent: de schuld weggedaan.
Maar de doop betekent ook: blijmoedig voor de Here leven. Niet omdat dat onze eigen keuze is geweest. Maar omdat Hij Zijn kinderen uitverkoren heeft.

Laat ik op dit punt de in 1986 overleden Gereformeerd-vrijgemaakte predikant P.K. Keizer citeren.
In een oude preek – daterend van vóór 1949 – zegt hij: “Nee, de doopshandeling is en blijft een bééld, een téken, een wáárteken, een zegel, een garantie van de zaak. Maar de doopshandeling is niet een léég teken! Zij is een beeld, waaraan de zaak verbonden is!
Op welke wijze? Niet op de manier van een tovermiddel of automatiek, maar op sacramentele wijze. Zó, dat God ons bij de instelling van het beeld de zaak-zelf beloofd heeft”[4].

De doop is, anno 2018, voor velen iets waar men zelf voor kiest. Men zegt dan bijvoorbeeld:
“Ik wil jou van harte dienen
en als Christus voor je zijn.
Bid dat ik genade vind, dat
jij het ook voor mij kunt zijn”[5].
Maar dat is allemaal te menselijk. Zo’n tekst – hoe sympathiek en charmant ook – begint precies aan de verkeerde kant: aan onze kant namelijk.
De doop is niet onze gave aan God.
De doop is Gods garantie aan ons.

Iemand schreef eens: “In de doop komt de God van het verkiezend welbehagen Zelf tot ons en zegt Hij tot ons, dat we helemaal van Hem zijn — geheel Hem toegeëigend. Wie gedoopt is, is geen baas meer in eigen leven. Gods verkiezende liefde heeft haar eigendomsmerk op zijn leven gedrukt”. En: “we worden overgeschreven op de drievuldige Naam van de God des Verbonds, in Gods burgerlijke stand”[6].

De doop betekent: het is honderd procent zeker dat u ingeschreven bent in het hemelse boek van het leven.

Wie in die kaartenbak staat, blijft – als de betekenis hem daarvan duidelijk is – te allen tijde Vaderlandslievend. Hemel-lievend, zeg maar gerust. Wie ingeschreven is in Gods burgerlijke stand gaat zich daar ook naar gedragen. Hij geeft antwoord op zijn doop.
Want hij kent Openbaring 20: “En ik zag de doden, klein en groot, voor God staan. En de boeken werden geopend en nog een ander boek werd geopend, namelijk het boek des levens. En de doden werden geoordeeld overeenkomstig wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken”[7].

En daarbij gelden dan die geruststellende woorden van Psalm 85:
“Gij waart goedgunstig voor uw land, o HEER,
in Jakobs harde lot bracht Gij een keer.
De schuld uws volks wilt Gij niet gadeslaan.
Gij hebt hun zonden uit uw boek gedaan”[8].
Daar staat het: de zonden zijn uit Zijn boek gedaan.
De zonden zijn weggestreept.
Geschrapt.
Uitgewist.
Daar is de doop de garantie van!

Schrijver dezes werd gedoopt op zondag 4 maart 1962.
Het werd indertijd eens en te meer duidelijk: deze jongen is ingeschreven in de burgerlijke stand van de hemel. Heel de toenmalige gemeente was er getuige van.
En anno Domini 2018 mag heel de kerk nog altijd uit volle borst zingen:
“Zo hoog en wijd de hemel staat gerezen
boven de aarde, is voor wie Hem vrezen
zijn liefde en zijn goedertierenheid.
Zo ver verwijderd ’t westen is van ’t oosten,
zo ver doet Hij van hen die Hij wil troosten
de zonden weg, ja Hij heeft ons bevrijd”[9].

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 26, antwoord 69.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 27, antwoord 73.
[3] Psalm 32:1, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[4] Deze preek is onder meer te vinden op http://reformata.nl/ ; geraadpleegd op donderdag 15 februari 2018.
[5] Dit – oorspronkelijk Engelse – lied staat in de bundel Opwekkingsliederen-2015 als nummer 378.
[6] Geciteerd uit: Ds. G. Zomer, ds. M.K. Drost en ds. C.J. Smelik, “Gesterkt door genade”. – Groningen: De Vuurbaak, 1966. – p. 65 en 66.
[7] Openbaring 20:12.
[8] Psalm 85:1, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[9] Psalm 103:4, Gereformeerd Kerkboek-1986.

19 februari 2018

Klerikale keuzestress?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

‘Kom hier! Leg al uw werk aan de kant en loop achter mij aan’.
‘Als u het zegt is dat prima. Ik kom eraan’.

Wie dit leest, denkt wellicht bij zichzelf dat dit toch een enigszins merkwaardige conversatie is. Een commando en een bijna dociel gehoorzamende volger. Kom daar vandaag eens om!
Dat komen we toch niet meer tegen, vandaag de dag?

Welnu, in de kerk is dat wel het geval.
Niet omdat de kerk vol zit met harken en horken.
Maar omdat we dergelijke situaties in Gods Woord tegenkomen.
Leest u maar eens mee in Marcus 1.
“En toen Hij bij de zee van Galilea wandelde, zag Hij ​Simon​ en ​Andreas, zijn broer, het ​net​ in de zee werpen, want zij waren ​vissers. En ​Jezus​ zei tegen hen: Kom achter Mij, en Ik zal maken dat u ​vissers​ van mensen wordt. En zij lieten meteen hun netten achter en volgden Hem. En toen Hij vandaar wat verdergegaan was, zag Hij ​Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en ​Johannes, zijn broer, die in het schip de netten aan het herstellen waren. En meteen riep Hij hen, en zij lieten hun vader Zebedeüs in het schip achter met de loonarbeiders en gingen weg, Hem achterna”[1].

In Marcus 1 zetten de vissers hun beroepservaring op prioriteit twee. Zomaar. Van het ene op het andere moment. Een wonder is het!
De Here Jezus Christus, de Heiland der wereld, kiest mensen uit om bij Hem te horen. Hij koopt hen vrij. Hij stuurt Zijn kinderen aan.
Dat is een grote troost.
Kinderen van God hoeven zich niet af te vragen: hoor ik er wel bij?

Op dit punt wijs ik gaarne op de Dordtse Leerregels.
Het onderwijs van dat belijdenisgeschrift wordt heden ten dage zo nu en dan bijna verguisd. Het boekje zou ouderwets zijn. Oubollig. En onbegrijpelijk bovendien.
Maar juist op het punt van de uitverkiezing zijn de leerregels reuze nuttig. De kerkleiders hebben in 1618 klerikale keuzestress willen voorkomen.

Klerikale keuzestress, inderdaad.
Spanning van het type: ben ik nou uitgekozen, of niet?
Goed beschouwd is er, ten diepste, trouwens weinig nieuws onder de zon.
Want zegt u nu zelf. Vandaag de dag horen we over groepsdruk: je hoort erbij of niet. We praten over liken: je moet elkaar vooral leuk vinden. Men probeert ijverig maatregelen tegen cyberpesten te nemen.
In onze maatschappij zoemt steeds weer die vraag rond: uitverkorene of uitgestotene?
Welnu, dergelijke mechanismen hoeven in de kerk niet aan de orde te wezen. Want daar geldt het adagium van Psalm 90:
“Gij zijt geweest, o Heer, en Gij zult wezen
de zekerheid van allen die U vrezen”[2].
Natuurlijk zijn Gods kinderen wel eens wankelmoedig. Jazeker, de zonde speelt hen dagelijks parten. Daarom mogen wij bidden:
“Schep in mij, God, een hart dat leeft in ’t licht,
geef mij een vaste geest, die diep van binnen
zonder onzekerheid U blijft beminnen”[3].
Zo kunnen we, met Gods hulp en bijstand, de geloofszekerheid terugvinden.

Weet u Gods kinderen vier eeuwen geleden in Dordrecht opschreven?
Zij noteerden onder meer het volgende.
“De gelovigen kunnen voor zichzelf zeker zijn van deze bewaring der uitverkorenen tot behoud en van de volharding der ware gelovigen in het geloof. En zij hebben die zekerheid ook, naarmate zij vast geloven dat zij ware, levende leden van de kerk zijn en altijd zullen blijven, en dat zij vergeving van de zonden en een eeuwig leven hebben.
Deze zekerheid komt dus niet voort uit een of andere speciale openbaring zonder of buiten het Woord, maar uit het geloof in Gods beloften, die Hij in zijn Woord zo overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft. Zij komt ook voort uit het getuigenis van de Heilige Geest, die met onze geest getuigt, dat wij Gods kinderen en erfgenamen zijn, en tenslotte hieruit, dat de gelovigen zich met heilige ernst toeleggen op een goed geweten en goede werken. En als Gods uitverkorenen in deze wereld de vaste troost dat zij de overwinning zullen behouden, moesten missen en zonder dit onbedrieglijke onderpand van de eeuwige heerlijkheid moesten leven, dan zouden zij de beklagenswaardigste van alle mensen zijn.
Intussen getuigt de Schrift dat de gelovigen in dit leven tegen allerlei zondige twijfel te strijden hebben en in zware aanvechting dit volle geloofsvertrouwen en deze zekerheid van de volharding niet altijd voelen. Maar God, de Vader van alle vertroosting, laat hen niet boven vermogen verzocht worden, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen en Hij maakt door de Heilige Geest hen weer zeker van de volharding”[4].

Dringt het tot u door dat het werkelijk niet van onszelf afhangt?
Als wij wegzakken in de modder van onze eigen wisselvallige en somtijds wispelturige wil, pakt de drie-enige God ons vast. Psalm 37 zingt daarvan:
“De HERE grijpt de hand van wie Hem eren,
nooit geeft Hij prijs de vromen in hun nood”[5].

Laat ons thans nog eenmaal terugkeren naar Marcus 1.

Daar roept Jezus doodgewone mensen. Middenstanders die met hard werken hun brood moeten verdienen.
De Heiland begint in dit Schriftgedeelte niet bij de dure types. De Redder van de wereld start – om zo te zeggen – niet bij de bungalows, de villa’s en de BMW’s.
In de kerk gaat het niet om grote dingen. Het gaat niet om al of niet vooraanstaande posities. Het gaat erom dat u en ik blijmoedig reageren op het rustgevende bevel van de Heiland: ’Kom hier!’. Laten we maar gewoon blijven zeggen: ‘Ja Here, ik ga met u mee!’.

Noten:
[1] Marcus 1:16-20.
[2] Psalm 90:1; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[3] Psalm 51:5; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[4] Dordtse Leerregels, hoofdstuk V, artikelen 9, 10 en 11.
[5] Psalm 37:10; Gereformeerd Kerkboek-1986.

16 februari 2018

Gods genade is de grondslag

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Het gebeurde niet zo lang geleden in een groot ziekenhuis.
Aan het einde van een lange gang bevond zich een vrij ruime kamer. In die kamer werd een man verpleegd.
Het was bezoekuur. De echtgenote van de zieke man zat bij het bed waarin de patiënt gelegen was. De vrouw breide ijverig aan een sok. Veel werd er niet gezegd.
De zon scheen door de ramen naar binnen.
De zieke man blikte naar buiten en sprak met enigszins hese stem: ‘Gods zon schijnt over bozen en goeden’. De ijverige breister knikte: ‘Ook in deze ziekenhuiszaal’.
Het werd weer stil.
De breipennen tikten in een langzaam ritme voort.

De uitspraak van de man gaat, zoals u misschien wel weet, terug op een Schriftwoord: “Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen”.
Die woorden lezen we in Mattheüs 5[1].
Ik citeer dezelfde tekst nu in zijn verband uit de Herziene Statenvertaling-2010: “Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; ​zegen​ hen die u ​vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en ​bid​ voor hen die u beledigen en u vervolgen; zodat u ​kinderen​ zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als u hen liefhebt die u ​liefhebben, wat voor loon hebt u dan? Doen ook de ​tollenaars​ niet hetzelfde?”[2].

Die uitspraak over goede en slechte mensen staat, zoals wij nu allen kunnen zien, in het kader van liefde voor alle mensen om ons heen.
En ja – als er ergens een plek is waar men dat demonstreren kan, dan is dat wel in hospitalen. Mensen uit allerlei hoeken en van divers pluimage bieden daar zorg. Dat doen zij uit liefde voor anderen.
Maar inderdaad, het motief voor die liefde is heel verschillend. Heel vaak heeft die liefde een humanistisch fundament.

Alhier raken wij het kenmerkende verschil tussen – laten we zeggen – de gewone liefde en de christelijke liefde: kinderen van God worden gemotiveerd door Gods genade.
De geweldige impact van die genade beschrijft de apostel Paulus treffend in Efeziërs 2. En wel als volgt: “Maar God, Die rijk is in ​barmhartigheid, heeft ons door Zijn grote ​liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de overtredingen, met ​Christus​ levend gemaakt – uit ​genade​ bent u zalig geworden – en heeft ons met Hem ​opgewekt​ en met Hem in de hemelse gewesten gezet in ​Christus​ ​Jezus”[3].
Dode mensen zijn levend gemaakt.
Dode mensen zijn opgewekt: zij beginnen opnieuw, op een alleszins schitterende wijze.
Eertijds dode mensen hebben uitzicht op een nieuwe woonplaats – in de hemel namelijk.

In die zaal van dat ziekenhuis zei die zieke man: ‘Gods zon schijnt over bozen en goeden’.
En zijn echtgenote zei: ‘Ook in deze ziekenhuiszaal’.
Het is, neem ik aan, wel zo ongeveer duidelijk wat dat echtpaar tegen elkaar bedoelde te zeggen. Dat was dit:
* God is overal
* En we zien Hem overal bezig.
* Ja, ook in die kamer aan het einde van die lange ziekenhuisgang.
Wat een troostvolle gedachten waren dat!

Intussen heeft Mattheüs 5 wel wat meer in zich. Veel meer.
Want de boodschap is daar: liefhebben doet u niet alleen als dat uitkomt. Want dat doet de wereld ook. Gods kinderen leven op de grondslag van Gods genade. De genade waarvan Paulus aan de Romeinen schrijft: mensen worden “worden om niet gerechtvaardigd door Zijn ​genade, door de verlossing in ​Christus​ ​Jezus”[4].

In die ziekenzaal had dat echtpaar onlangs het oog op het voortdurende onderhoud dat de God van het verbond aan deze wereld.
Nimmer zit Hij stil. Zijn kracht is in berg en dal, op de hoogste toppen van de bergen en in de allerdiepste zeeën. Als het erop aankomt, manifesteert zich in alle ontdekkingen en uitvindingen Gods oneindige wijsheid. Ook vandaag.
Dat was de diepe achtergrond van die twee korte zinnen in die ziekenzaal.
Die paar woorden gaven rust. In die paar woorden lag de boodschap besloten die het echtpaar in alle rust aan elkaar gaf: wij laten het allemaal aan God over. Oftewel: wij zullen zien wat God voor ons in petto heeft.
Maar wie naar Mattheüs 5 kijkt, mag de blik flink verruimen. Want de Redder van de wereld zal “in de komende eeuwen de allesovertreffende rijkdom van Zijn ​genade​ bewijzen, door de goedertierenheid over ons in ​Christus​ ​Jezus”[5]. Ja, hier citeer ik wederom Efeziërs 2.

Leven op de grondslag van Gods genade – dat betekent dat we in het aardse leven overeind blijven; ook als bijkans alles beeft en siddert.
Gods genade is onuitputtelijk.
Gods genade draagt ons door de dieptes heen.
Gods genade maakt een einde aan de uitzichtloosheid.
Gods genade geeft zicht op een nieuwe werkelijkheid als wij in situaties terechtkomen waarin wij het helemaal niet meer zien zitten.

Laat ik het tenslotte met Psalm 16 mogen zeggen:
“Getrouwe HEER, Gij zijt mijn enig goed,
Gij zijt mijn heil, mijn erfdeel en mijn beker.
Wat Gij mij toeweest, wordt door U behoed,
ik weet bij U mijn toekomst eeuwig zeker.
Het meetsnoer viel voor mij in schone dreven:
het erfdeel tot bekoring mij gegeven”[6].

Noten:
[1] Mattheüs 5:45; vertaling Nederlands Bijbelgenootschap-1951.
[2] Mattheüs 5:44, 45 en 46.
[3] Efeziërs 2:4, 5 en 6.
[4] Romeinen 3:24.
[5] Efeziërs 2:7.
[6] Psalm 16:3; Gereformeerd Kerkboek-1986.

15 februari 2018

Tucht en troost

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Vanavond zal te Groningen een vrouwenvereniging bijeenkomen om Ezechiël 14 en 15 te bestuderen[1]. Wordt dat een mooie vergadering? Worden er verblijdende conclusies getrokken? Dat staat nog te bezien. Want in die hoofdstukken gaat het over strafgerichten.
Er is sprake van ernstige tuchtmaatregelen.
Toch hoeven wij niet troosteloos en wanhopig in een hoekje te blijven zitten.

Op deze internetpagina plaats ik vandaag enkele opmerkingen over Ezechiël 14 en 15[2].

In dienst van God
Er komt een delegatie oudsten van Israël bij Ezechiël. Die afvaardiging komt de Here om raad vragen. Maar die afvaardiging heeft een probleem. Dat is dit: er wordt plaats gegeven aan afgoderij. Zodoende is men van God vervreemd. De Here zegt: “Bekeer u, keer u af van uw stinkgoden en keer uw gezichten af van al uw gruweldaden”[3].
Het valt op dat men afgoderij bedrijft, maar toch God komt raadplegen. Dat kan dus gebeuren. Ook vandaag kan dat in de kerk zo gaan.
Altijd moeten we in de gaten houden dat werken in de kerk en – bijvoorbeeld – op een Gereformeerde school geen hobby-op-zichzelf wordt. Vanwege de sociale contacten. Of om onszelf scherp te houden en verder te ontwikkelen. We hebben, om zo te zeggen, een dienstverband!

Laat u niet misleiden
Zelfs een profeet kan zich laten misleiden. En als de mensen achter zo’n valse profeet aan lopen, kan de Here zelf die mensen misleiden.
Dat gebeurt vaker. Bijvoorbeeld in 1 Koningen 22: “Welnu, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van al deze ​profeten​ van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken”[4].
Paulus schrijft er in 2 Thessalonicenzen 2 over: “En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid”[5].
We moeten ons dus niet laten misleiden.
Moeten we daarom krampachtige kerkleden zijn, die bij iedere handeling nerveus worden? Moeten we bange mensen worden die onmiddellijk protesteren als het Evangelie in moderne bewoordingen gebracht wordt? Nee, zeker niet! Het gaat er juist om dat we met de Here wandelen in het leven van alledag. Trouwens, in Ezechiël 14 en 15 hebben we óók met concrete situaties te maken.

De kerk is er dankzij Jezus Christus
Dat blijkt ook uit het einde van Ezechiël 14.
Er zullen altijd gelovige kerkmensen overblijven. Dat belijden we ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Deze kerk is er geweest vanaf het begin van de wereld en zal er zijn tot het einde toe. Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn. Deze heilige kerk wordt door God staande gehouden tegen het woeden van de hele wereld, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein en ogenschijnlijk verdwenen is”[6].
Als mensen dat op eigen kracht willen gaan regelen, dan wordt dat niks. Zelfs de aanwezigheid van Noach, Daniël en Job is geen garantie dat de kerk in alles Schriftuurlijk blijft.
De kerk verzorgen en redden? Dat moet Jezus Christus doen. Hij is de Enige die dat kan. Zo staat dat in 1 Petrus 3: “Want ook ​Christus​ heeft eenmaal voor de ​zonden​ geleden, Hij, Die ​rechtvaardig​ was, voor onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen”[7]. Ook de Hebreeënschrijver heeft het er in hoofdstuk 2 over: “Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om veel ​kinderen​ tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun zaligheid door lijden zou ​heiligen”[8].

Geen automatisme
Het is dus niet zo dat je, als je eenmaal kerklid bent, op de automatische piloot kunt gaan leven. Zo van: ik ben kerklid, dus mij kan niets meer gebeuren.
Dat legt Ezechiël uit in de gelijkenis van de nutteloze wijnstok, die in Ezechiël 15 vermeld staat. Jezus zegt daarover in Johannes 15 ook: “Blijf in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft. Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen”[9].
Kerkmensen van 2018 hebben een grote verantwoordelijkheid!

God is liefde
De God van het verbond heeft Israël uitgekozen om Zijn volk te zijn. Dat deed Hij niet omdat de Israëlieten zulke hoogstaande mensen waren. En nee, indrukwekkend was dat volk ook al niet. Integendeel! Dat blijkt, bijvoorbeeld, heel duidelijk in Deuteronomium 7: “Niet omdat u groter was dan al de andere volken heeft de HEERE ​liefde​ voor u opgevat en u ​uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken. Maar vanwege de ​liefde​ van de HEERE voor u, en om de eed die Hij uw vaderen gezworen had, in acht te nemen, heeft de HEERE u met sterke hand uitgeleid en heeft Hij u verlost uit het slavenhuis, uit de hand van de ​farao, de ​koning​ van Egypte”[10].
De kern van de zaak is: God heeft Zijn volk lief. Zodra de kerk daar allerlei redeneringen bij gaat verzinnen, zijn wij verloren. Want de reden voor die liefde kunnen we nooit helemaal doorgronden. Wij kunnen niet meer doen dan die liefde te accepteren en ervan te genieten.

Onze taak
Maar dan is het ook logisch dat we ons leven in dienst stellen van God. Regelmatig moeten we ons afvragen hoe we, in onze specifieke situatie, God behoren te dienen.
Paulus schrijft in 2 Corinthiërs 5 dan ook: “En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en ​opgewekt​ is”[11]. Wat vraagt God van ons? Dat is een vraag die we onszelf zo nu en dan eens moeten stellen.
Wat Jezus Christus in Johannes 15 zegt, geldt vandaag ook voor ons: “Niet u hebt Mij ​uitverkoren, maar Ik heb u ​uitverkoren, en Ik heb u ertoe bestemd dat u zou heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht zou blijven, opdat wat u ook maar van de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft. Dit gebied Ik u: dat u elkaar liefhebt”[12].

‘t Kon wel eens een vertroostende vergadering worden, vanavond!

Noten:
[1] Dat betreft de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Mijn vrouw houdt tijdens die vergadering een inleiding over die hoofdstukken. Die inleiding is een bewerking van dit artikel.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS2359.pdf ; geraadpleegd op zaterdag 30 december 2017.
[3] Ezechiël 14:6.
[4] 1 Koningen 22:23.
[5] 2 Thessalonicenzen 2:11 en 12.
[6] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.
[7] 1 Petrus 3:18 a.
[8] Hebreeën 2:10.
[9] Johannes 15:4 en 5.
[10] Deuteronomium 7:7 en 8.
[11] 2 Corinthiërs 5:15.
[12] Johannes 15:16 en 17.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.