gereformeerd leven in nederland

2 september 2011

Hartelijk welkom op deze weblog

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 18:00

Dit is een bloggebied van B. de Roos.
Op deze plaats verschijnen artikelen over het kerkelijk leven in Nederland. Ook zijn hier Schriftstudies en meditaties te lezen. De stukken zijn geschreven vanuit een Gereformeerd standpunt.

In de regel verschijnt hier op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag een nieuw artikel; dat gebeurt rond 7 uur ’s morgens. Op christelijke feestdagen en op Nieuwjaarsdag wordt deze internetpagina niet ververst.
Reacties op artikelen zijn welkom. De besluiten met betrekking tot plaatsing van die respons op deze pagina worden genomen door de eigenaar van deze weblog. Anonieme reacties worden nooit geplaatst.

Deze website bestaat sinds vrijdag 2 september 2011. De weblog is een voortzetting van ‘Artikelen over Gereformeerd leven in Nederland’, een blog die sinds woensdag 26 mei 2004 verscheen bij web-log.nl.

22 september 2017

De zegen van het verbond

In Genesis 48 nadert het einde van het aardse leven van Jakob. Hij erkent de zonen van Jozef, Manasse en Efraïm, als zijn eigen zonen.

Een uitlegger schrijft: Jozef “kiest (…) voor het heilige geslacht. Hij hoort van de ziekte van vader Jakob. Daarom gaat hij hem bezoeken. En het opvallende is: hij neemt zijn beide zonen mee. Het wordt nu de tijd van afscheid nemen. Jakob zal binnenkort sterven.
En in deze situatie wil Jozef goed laten uitkomen, dat hij tot de kerkfamilie gerekend wil worden. Met zijn zonen! Als die in alles Egyptenaar blijven, betekent dit hun ondergang in heidendom en ongeloof. Ze hebben wel een Egyptische moeder, maar Jozef weet, dat ze tot het Verbond behoren. Als Jakob straks een zegen gaat uitspreken, zullen zij in die zegen delen”[1].
Jozef doet hier dus een geloofskeuze.
En daarin volgt hij zijn vader. Dat zal hieronder nog nader blijken.

Jozef had ook kunnen zeggen: de Here heeft mij in Egypte geplaatst, dus word ik nu een Egyptenaar. Maar dat zegt hij niet.
Overigens is het ook anno Domini 2017 op het kerkplein een veel gehoorde redenering: de Here heeft ons hier geplaatst, dus wij mogen hier niet weg. Ten diepste betekent dat: een geloofskeuze wil ik nu niet maken. Gelet op de inhoud van Genesis 48 mogen we dat laatste, wat mij betreft, gerust opmerkelijk noemen!

Er gebeurt iets bijzonders met Efraïm en Manasse.
Voor het gemak citeer ik even: “Daarna nam Jozef hen beiden: Efraïm aan zijn rechterhand – voor ​Israël​ was dat links – en Manasse aan zijn linkerhand – voor ​Israël​ was dat rechts. Zo liet hij hen dichter bij hem komen. Maar ​Israël​ stak zijn rechterhand uit en ​legde​ die op het hoofd van Efraïm, hoewel deze de jongste was, en hij ​legde zijn linkerhand op het hoofd van Manasse. Hij kruiste zijn handen, hoewel Manasse de ​eerstgeborene​ was. En hij zegende Jozef en zei: De God voor Wiens aangezicht mijn vaderen, ​Abraham​ en Izak, gewandeld hebben, de God Die mij als ​herder​ geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag, de ​Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens, zodat door hen mijn naam en de naam van mijn vaderen, ​Abraham​ en Izak, genoemd zal blijven en zij in het midden van het land in menigte zullen toenemen.
Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm ​legde, was dat kwalijk in zijn ogen. Daarom greep hij de hand van zijn vader om die te verleggen van het hoofd van Efraïm naar het hoofd van Manasse. Jozef zei tegen zijn vader: Niet zó, mijn vader, want dit is de ​eerstgeborene. ​Leg​ uw rechterhand op zijn hoofd. Maar zijn vader weigerde het en zei: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk worden, ook hij zal aanzien krijgen; maar toch zal zijn jongste broer meer aanzien krijgen dan hij, en zijn nageslacht zal tot een grote menigte van volken worden”[2].
Jakob is hier profetisch bezig.
In Numeri 1 kunnen we al iets van die zegen zien. Daar blijkt de stam Efraïm groter te zijn dan Manasse. Bij Efraïm telt men 8300 man meer[3].

Jozef krijgt, via Efraïm en Manasse, een dubbel deel van de erfenis.
Dat dubbel deel komt eigenlijk aan Ruben toe. Dat dubbel deel krijgt Ruben echter – zo later blijken – niet, omdat hij vreemd is gegaan met Bilha, een bijvrouw van zijn vader[4].

Hierboven noteerde ik: Jakob is in Genesis 48 profetisch bezig. Dat wil eerst en vooral zeggen dat hij gelovig doende is.
De Hebreeënschrijver memoreert dat in hoofdstuk 11 ook: “Door het geloof heeft ​Jakob​ bij zijn sterven ieder van de zonen van ​Jozef​ gezegend en hij boog zich in aanbidding neer, terwijl hij leunde op het uiteinde van zijn staf”[5].

Efraïm en Manasse worden door vader Jakob gezegend.
Betekent dat vanaf nu alles voorspoedig zal gaan? Is het vanaf heden enkel excelsior, steeds hoger?
Zeker niet.
Maar het betekent wel dat de Here Zijn verbond gedenkt.

Een predikant uit de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk schrijft: “Men kan zich afvragen: waarom deze aparte zegening van Jozefs kinderen? Wil vader Jakob hen voortrekken, omdat zij kleinkinderen zijn van zijn lieve Rachel (…), die zo vroeg was gestorven? Of is het omdat Jakob in zijn kleinkinderen eigenlijk ook kinderen van Rachel ziet, naar wie zij zo vurig verlangde? Ik meen dat het veeleer zo is dat Jakob Jozefs zonen, geboren uit een heidense moeder, onder de zegen van het verbond gebracht wil hebben, net als alle andere kleinkinderen van Jakob. In feite krijgt Jozef in hen een dubbele zegen”[6].

De stam Efraïm zal later een belangrijke rol spelen bij de verovering van Kanaän. Jozua, de opvolger van Mozes, is uit Efraïm afkomstig[7].

Er is meer.
Laten wij enkele verzen uit Jeremia 31 lezen. Daar wordt het noordelijk rijk als Efraïm aangeduid. Ik citeer: “Ik heb zeker gehoord dat Efraïm zichzelf beklaagt: U hebt mij gestraft, ik ben gestraft als een ongetemd kalf. Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn, want U bent de HEERE, mijn God. Want nadat ik bekeerd was, heb ik ​berouw​ gekregen. Nadat ik met mijzelf bekend ben gemaakt, heb ik mij op de heup geslagen. Ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden, omdat ik de smaad van mijn jeugd meedraag. Is Efraïm voor Mij niet een dierbare zoon, is hij voor Mij niet een lievelingskind? Want zo dikwijls als Ik tot hem spreek, denk Ik nog voortdurend aan hem. Daarom is Mijn binnenste onrustig over hem, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, spreekt de HEERE”[8].
Efraïm wordt een lievelingskind genoemd.
Het wordt beschouwd als een verbondskind.

Efraïm, dat betekent: dubbel vruchtbaar[9]. Vader Jozef kan in Egypte met vrucht zijn werk doen. Efraïm is ook één van een tweeling.
Vader Jozef gelooft het vast: verbondskinderen worden niet zomaar afgedankt!
Om op bekende woorden uit 1 Corinthiërs 1 te variëren: de zwakke Efraïm, geboren in Egypte, heeft God ​uitverkoren​ om het sterke te beschamen[10].

Nog één keer werpen we een blik op Genesis 48.

Door alles heen blijft Jakob altijd een kind van God.
Op bergen en in dalen dient Jozef altijd de God van het verbond.
Wat moeten wij met die wetenschap doen, vandaag?
Er is, dunkt mij, alle reden om het geloofsvoorbeeld van Jakob en Jozef in onze tijd te volgen.
Dan mogen wij met de apostel Paulus in 2 Timotheüs 4 belijden: “En de Heere zal mij bevrijden van alle boze opzet en mij verlossen tot de komst van Zijn hemels Koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. ​Amen”[11].

Noten:
[1] Geciteerd van http://www.hogerhoning.nl/ ; geraadpleegd op zaterdag 5 augustus 2017.
[2] Genesis 48:13-19.
[3] Zie Numeri 1:33 en 35; Numeri 2:19 en 21.
[4] Zie Genesis 35:22 a: “En het gebeurde, toen ​Israël​ in dat land woonde, dat ​Ruben​ ging en met ​Bilha​ sliep, de ​bijvrouw​ van zijn vader; en ​Israël​ kwam dat te weten​”. Daarover schreef ik in mijn artikel ‘De misstap van Ruben’, hier gepubliceerd op maandag 5 oktober 2015. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2015/10/05/de-misstap-van-ruben/ .
[5] Hebreeën 11:21.
[6] Die predikant is dominee C. den Boer, “Efraïm en Manasse gezegend” (rubriek: ‘Bijbeltekst begrepen’). In: De Waarheidsvriend, donderdag 20 maart 2008, p. 19. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[7] Zie Numeri 13:8 en 16.
[8] Jeremia 31:18, 19 en 20.
[9] Zie hierover ook http://christipedia.nl/Artikelen/E/Efraim ; geraadpleegd op zaterdag 5 augustus 2017.
[10] Zie 1 Corinthiërs 1:27: “Maar het dwaze van de wereld heeft God ​uitverkoren​ om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God ​uitverkoren​ om het sterke te beschamen”.
[11] 2 Timotheüs 4:18.

21 september 2017

God houdt Zijn kerk in leven

‘Jozef houdt het volk in leven’.
In de Herziene Statenvertaling-2010 staat dat boven de een na laatste perikoop van Genesis 47[1].
Dat klinkt goed. Blijmoedig. Hoopvol.

Maar het verhaal daaronder lijkt allerminst verheugend.

Daarin staat namelijk te lezen dat de hongersnood zwaar is, zowel in Egypte als in Kanaän.
Er wordt grif geld betaald voor het graan dat in Egypte beschikbaar is.
Jozef verzamelt de pecunia, en brengt ze naar Farao’s huis.
Naar verloop van tijd is armoede troef. Er is geen geld meer. De economie staat bijkans stil.
Geen wonder dat Egypte in opstand komt: ‘Geef ons brood!’.
Jozef organiseert een andere ruilhandel: geen geld, maar vee voor graan.
Een jaar later komen de Egyptenaren bij Jozef terug. Alle vee in Egypte is inmiddels eigendom van de Farao. Hoe moet het nu verder met die ruilhandel? Moeten de Egyptenaren hun grond verkopen? Moeten zij zichzelf verkopen als slaaf?
De ruilhandel wordt: bouwgrond voor brood, slavernij voor voedsel.
Er is één uitzondering: de grond die eigendom is van priesters wordt niet aan de farao verkocht. Dat is logisch; de priesters zijn namelijk al in dienst van de farao.
Jozef distribueert vervolgens zaad. Men komt overeen dat een vijfde deel van de opbrengst van het land voor de farao bestemd zal wezen.
Het laatstgenoemde systeem bevalt goed. Het wordt tot wet en regel verheven.
De Egyptenaren zijn Jozef innig dankbaar: ‘u hebt ons in leven gehouden’!

Dat ziet er, in eerste instantie althans, niet best uit.
Immers, in een systeem als het bovenstaande ligt dictatuur op de loer.
We kijken er ook wat raar tegen aan. Iedereen en alles in dienst van de farao? Dat kan toch niet goed zijn?

Ondertussen is het uiteraard wel zo dat de Egyptenaren in leven blijven. De bewoners van het land vinden niet collectief de dood. Zij kunnen zichzelf en hun gezinnen goed onderhouden.

En er is meer.
Want ook Gods kinderen worden in leven gehouden. De kerk van de toekomst komt niet om het leven.
Hier zijn woorden uit een bekend gezang van toepassing:
“God houdt zijn kerk in leven,
hoe ook bespot, verdrukt,
door dwalingen omgeven,
verscheurd, uiteengerukt.
Al roepen van de tinnen
de wachters nog: Hoe lang?
Straks gaat de dag beginnen
en ’t klagen wordt gezang”[2].

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijden we: “Wij geloven en belijden één katholieke of algemene kerk. Zij is een heilige vergadering van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Deze kerk is er geweest vanaf het begin van de wereld en zal er zijn tot het einde toe. Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn”[3].
Zonder onderdanen?
Nee, zo werkt de God van het verbond niet.
Toen niet.
En nu ook niet.
Het is niet onbelangrijk om dat tot ons door te laten dringen. Hoe vaak horen wij niet van kinderen van het verbond die, als het erop aankomt, verbondsbrekers lijken te worden?
Er is meer te zeggen.
Soms horen wij van kerkelijk daklozen. Ach – die mensen zijn wel gelovig, daar niet van. Maar thuis kunnen ze net zo goed de Bijbel studeren als in de kerk. En misschien gaat het thuis nog wel beter. Want daar word je door niemand afgeleid…
Wie zulke verhalen hoort, is geneigd om verdrietig te vragen: blijft de kerk wel in leven? Het antwoord staat in de titel van dit artikel: God houdt Zijn kerk in leven!

En ja, de beloften die God doet worden altijd waar.
Ten langen leste is Jakob daar ook van overtuigd. Leest u maar even mee in de laatste perikoop van Genesis 47: “Toen de dagen voor ​Israël​ naderbij kwamen dat hij zou sterven, riep hij zijn zoon Jozef en zei tegen hem: Als ik toch ​genade​ in jouw ogen gevonden heb, leg dan toch je hand onder mijn heup en zweer dat je mij goedertierenheid en trouw zult bewijzen. ​Begraaf​ mij toch niet in Egypte, maar laat mij bij mijn vaderen liggen. Daarom moet je mij uit Egypte vervoeren en mij in hun ​graf​ ​begraven. Hij zei: Ík zal overeenkomstig uw woorden handelen. Hij zei: Zweer het mij. En hij zwoer het hem”[4].
Nee, Jakob wil niet in Egypte begraven worden. Dat is namelijk niet beloofde land.
Het beloofde land, dat is Kanaän. Daar wil Jakob weer heen. Hij wenst begraven te worden bij zijn voorvaderen.
Jakob heeft de continuïteit van de heilshistorie gezien. De God van het verbond werkt door. Dwars door de geslachten heen maakt Hij de toekomst voor Zijn volk gereed.

Dat geldt in 2017 ook nog.
Zeker, er is kerkelijke verdeeldheid. En niet zo’n klein beetje ook.
Maar we mogen het nog altijd geloven: God werkt aan onze toekomst.
Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus geldt ook vandaag.
Het is goed om te weten dat God ook in onze tijd de wereld in stand houdt.
Waarom?
“Om in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar te zijn en voor de toekomst dit vaste vertrouwen te hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal. Want alle schepselen zijn zo in zijn hand, dat zij zich tegen zijn wil niet roeren of bewegen kunnen”[5].
Die belijdenis onderschrijft Jakob op zijn oude dag, in heel zijn doen en laten. Laten wij zijn voorbeeld maar volgen.

Er is nog iets waarin we Jakob kunnen volgen.
Dat wordt duidelijk als wij de laatste woorden van Genesis 47 gaan lezen. Ik citeer: “Toen boog ​Israël​ zich neer aan het hoofdeinde van het ​bed”.
Israël gaat aanbidden.
Ziet u dat?
Israël gaat aanbidden. Nee, het gaat hier niet meer over Jakob. Geïnspireerd door de Heilige Geest hanteert de schrijver van Genesis de naam die later de aanduiding van Gods volk worden zal.
Het is alsof de Verbondsgod ons leren wil: die aanbidding van Jakob moet geen individuele bezigheid blijven. Nee, de hele kerk moet de Here aanbidden. Alle kerkmensen moeten en mogen naar de troon van de Verbondsgod gaan.

Jazeker, de heilshistorie is sinds Genesis 47 verder gegaan. Veel verder.
Daarom mogen wij aanbidden in Nieuwtestamentisch licht:
“U, heilig Godslam, loven wij,
Gij hebt voor ons aan ’t kruis geleden,
Gij doet ons tot den Vader treden
Als koningen en priesters, Gij,
Gij, Heiland, kocht ons met uw bloed,
Dies brengen wij U dank en ere,
En werpen w’ in aanbidding, Here!
Al onze kronen aan uw voet.
Ja, amen, ja,
Halleluja!”[6].

Noten:
[1] Genesis 47:13-27.
[2] Gezang 32:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986).
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.
[4] Genesis 47:29, 30 en 31 a.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, antwoord 28.
[6] Dit is de tekst van gezang 18 uit het Gereformeerd Kerkboek-1986.

20 september 2017

Aanwijzing voor onze taak

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Het verbond is Gods liefdesverklaring voor Mozes, voor Israël en voor ons.
De hemelse God zorgt voor Zijn aardse volk. Hij heeft het oog op Zijn kinderen. Hij beschermt hen. Hij brengt hen naar de toekomst toe.
Dat blijkt onder meer in Exodus 7[1].

Echter: de inzet van Exodus 7 is op het eerste gezicht merkwaardig. “Zie, Ik heb u voor de ​farao​ tot een god gemaakt en uw broer ​Aäron​ zal uw ​profeet​ zijn”[2].
Als God? Hoe kan dat? Welke kant gaat dit op?

Een exegeet schrijft: “Dat de HEERE Mozes tot ‘een god’ voor de farao stelt, betekent dat Mozes als Gods vertegenwoordiger als rechter tegenover de farao moet optreden. Rechters worden wel vaker ‘goden’ genoemd”[3].
De manier van zeggen doet denken aan Psalm 82:
“Ík heb wel gezegd: U bent ​goden,
u bent allen ​zonen van de Allerhoogste;
toch zult u sterven als een mens,
zoals iedere andere vorst zult u vallen”[4].

Hoe dan ook: als één zaak in dit Schriftgedeelte duidelijk wordt, dan is het wel dat de God van het verbond de regie heeft.
Over het Goddelijk ingrijpen in Egypte schrijft iemand: “Zo wordt benadrukt dat de vervulling van Gods heilsplan niet afhankelijk is van de reactie en het optreden van de farao, maar dat de Here zelf de lotgevallen van zijn volk bestuurt. Tegelijkertijd wordt op andere plaatsen de onbuigzaamheid aan de farao zelf toegeschreven (…), waardoor duidelijk wordt dat hijzelf ook schuldig is. Goddeloze daden kunnen verharding van het hart veroorzaken (…). Een eerdere farao – en deze ook? – vergreep zich aan onschuldige kinderen. Tevens lieten deze farao’s de Israëlieten onderdrukken, waarbij heel wat slachtoffers gevallen zullen zijn. Zij vergrepen zich daarmee aan Gods volk, zijn oogappel (…), en riepen daarmee Gods oordeel over zich af (…). In dit licht bezien draagt de verharding van het hart van de farao ook een element in zich van oordeel over goddeloos handelen. Beide aspecten, het handelen van Jahweh en de eigen verantwoordelijkheid van de farao, blijven in Exodus naast elkaar staan. Een fatalistische levenshouding wordt in het Oude Testament afgewezen (…)”[5].
Goddelijk ingrijpen sluit de menselijke verantwoordelijkheid niet uit!

In Exodus 7 kunnen wij lezen: “Maar Ík zal het ​hart​ van de ​farao​ verharden en Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte talrijk maken”[6].
Over die tekenen en wonderen schrijft een commentator: “De HEERE spreekt tot bemoediging van Mozes over ‘Mijn tekenen en Mijn wonderen’ die Hij in het land Egypte talrijk zal maken. Wat voor Egypte ‘strafgerichten’ zijn, zijn voor Gods volk tekenen en wonderen die erop duiden dat hun verlossing nabij is. Zo is het ook voor de christen die ziet hoe de plagen van het boek Openbaring in onze dagen al een soort voorvervulling krijgen. Daaraan kunnen we zien dat de komst van de Heer nabij is”[7].

In zijn tijd wordt Mozes zorgvuldig voorbereid op zijn taak.
We zouden kunnen zeggen dat ook wij ook zo’n taakvoorbereiding ontvangen. Hij is opgetekend in de Openbaring van Johannes. Leest u maar mee:
“Openbaring van ​Jezus​ ​Christus, die God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te laten zien wat spoedig moet geschieden”[8].
En:
“Zalig is hij die leest en zijn zij die horen de woorden van de ​profetie, en die in acht nemen wat daarin geschreven staat, want de tijd is nabij”[9].
En:
“Die ons gemaakt heeft tot koningen en ​priesters​ voor God en Zijn Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. ​Amen”[10].

Onze taak is om onze God te vertegenwoordigen en Hem in alles te eren.
Onze Verbondsgod vraagt niet van ons allen om een kerkleider te wezen. In ons dagelijks werk krijgen wij alle gelegenheid om te tonen dat wij Verbondskinderen zijn. Wij mogen laten zien hoe de Here ons met Zijn Woord bemoedigt, en dat Hij de weg wijst die wij moeten gaan.
Natuurlijk zijn er allerlei tegenslagen.
Bijvoorbeeld, de ouderdom.
En, bijvoorbeeld, de gebreken.
Misschien zijn er wel momenten dat wij denken of zeggen: ik kan dit helemaal niet!
Maar dan zijn er die woorden van de Here zelf uit Openbaring 21 en 22: “En Hij zei tegen mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Wie dorst heeft, zal Ik voor niets te drinken geven uit de ​bron​ van het water des levens”[11].
En:
“Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste.
Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Boom des levens, en opdat zij door de ​poorten​ de stad mogen binnengaan”[12].

Noten:
[1] Voor dit Schriftgedeelte kies ik omdat Exodus 6:1-7:7 centraal staat tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt vanavond, woensdagavond 20 september 2017, plaats. Tijdens die vergadering hoop ik een korte inleiding te verzorgen. Deze is deels gebaseerd op schets 6 en 7 van: Ds. B. van Zuijlekom, “God komt tot Zijn volk; schetsen over het boek Exodus”. – Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, 1986. – p. 28-31. Een bewerkte versie van dit artikel zal het tweede deel van de inleiding zijn.
[2] Exodus 7:1.
[3] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/OS1005.pdf ; geraadpleegd op zaterdag 24 juni 2017.
[4] Psalm 82:6 en 7.
[5] Citaat uit de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Exodus 4:21.
[6] Exodus 7:3.
[7] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/OS1005.pdf .
[8] Openbaring 1:1.
[9] Openbaring 1:3.
[10] Openbaring 1:6.
[11] Openbaring 21:6.
[12] Openbaring 22:13.

19 september 2017

Uniek Evangelie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

Wij kennen, denk ik, allen wel die woorden uit Zondag 5 van de Heidelbergse Catechismus:
“Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten wij dan zoeken?
Antwoord:
Een Middelaar die een echt en rechtvaardig mens is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen: die tegelijk echt God is”[1].

Wij weten allemaal wie die Middelaar is. Jezus Christus: echt mens en echt God.

Hoe zit dat precies?
Hoe wij ook ons best doen, dat kunnen wij niet op een rij krijgen.
En dus gaan mensen daar iets op bedenken. Dan wordt Maria, de moeder van Jezus, bijvoorbeeld ook een middelares. In een krant als het Nederlands Dagblad kan men zomaar een Ingezonden tegenkomen waarin wordt geschreven over “de grote Bidder onze Heer Jezus en zijn hulpe Vrouwe Maria”[2].

Als het hierom gaat zullen wij uiterst attent moeten wezen.
Alles draait, zo leren wij uit Lucas 11, om een strijd. Een gevecht tussen God en satan dus. Zeg maar gerust: een tweekamp op leven en dood!
In Lucas 11 staat te lezen: “Wanneer een sterke gewapende man zijn woning bewaakt, is alles wat hij heeft veilig. Maar als iemand die sterker is dan hij, op hem af komt en hem overwint, neemt hij hem zijn hele ​wapenrusting, waarop hij vertrouwde, af en verdeelt zijn buit. Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; wie met Mij niet verzamelt, die drijft uiteen”[3].
Dat betekent: de sterke satan moet in Jezus Christus zijn meerdere erkennen. De wapenrusting wordt satan uit handen geslagen. De Heiland is echt een unieke Redder!

In heel wat zich Gereformeerd noemende kerken sijpelt, als ik het goed zie, die uniciteit zachtkens weg. Wij moeten als Jezus zijn, zegt men.
Terwijl we Jezus slechts kunnen en moeten volgen.
Ook de discipelen moeten Jezus volgen.
Dat wil zeggen: zij moeten met Hem door de wereld wandelen. Maar dat betekent niet dat zij precies hetzelfde moeten doen als Hij. Ten diepste kan dat namelijk niet.

Kerkmensen kunnen op deze vertegenwoordigers van de Heiland wezen. Representanten, dus. Zij zijn – als het goed is – proclameerders, verkondigers van het Evangelie.
Leest u maar even mee.
Jezus zegt in Mattheüs 18 Zelf: “Wie zich dan zal vernederen als dit ​kind, die is de belangrijkste in het Koninkrijk der hemelen. En wie zo’n ​kind​ ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij”[4].
En:
“…waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden”[5].
Profeten waren in het Oude Testament de woordvoerders van God. Nee, zij konden niet God Zelf zijn. Jacobus schrijft in hoofdstuk 5 dan ook: “Mijn broeders, neem tot een voorbeeld van het lijden en van het geduld de profeten, die in de Naam van de Heere gesproken hebben”[6].
Gods kinderen staan op Zijn naam. Zij zijn actief in Zijn naam. Maar dat luisterrijke niveau waarop de Heiland werkt? Nee, dat bereiken wij hier op aarde niet.

Vandaag de dag proberen hoe langer hoe meer mensen het Evangelie in beelden te vangen. Denkt u in dit verband maar aan het lijdensverhaal.

Anderen proberen zich te vereenzelvigen met Bijbelse figuren. Jozef, de zoon van Jakob bijvoorbeeld: van put tot troon, hoe zou dat voelen?

Weer anderen leggen in preken, of in allerlei getuigenissen, de nadruk op het levensverhaal van de hoorder. ‘Wij leven nu’, zeggen die luisteraars. Al die oude verhalen zijn, zo beweren zij, in de situatie van 2017 niet zonder meer toepasbaar en begrijpelijk. Het scheppingsverhaal is er een treffend voorbeeld van.

In die omstandigheden is het belangrijk om het Evangelie van de unieke Middelaar in zijn geheel te laten staan.
Paulus schrijft in 1 Timotheüs 2: God “wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen. Want er is één God. Er is ook één Middelaar tussen God en mensen, de mens ​Christus​ ​Jezus. Hij heeft Zich gegeven als een losprijs voor allen. Dit is het getuigenis op de door God bestemde tijd”[7].
De schrijver van de brief aan de Hebreeën noteert in hoofdstuk 8: “Nu heeft Hij – dat is: Jezus Christus – echter een zoveel voortreffelijker bediening ontvangen, zoals Hij ook van een beter verbond Middelaar is: een ​verbond dat in betere beloften is vastgelegd”[8].
En in hoofdstuk 9: “Want als het ​bloed​ van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de verontreinigden gesprenkeld, hen heiligt tot ​reinheid​ van het vlees, hoeveel te meer zal het ​bloed​ van ​Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten ​reinigen​ van dode werken om de levende God te dienen! En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe verbond, opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verzoening van de overtredingen die er onder het eerste ​verbond​ waren, de geroepenen de belofte van de eeuwige ​erfenis​ ontvangen”[9].

Het Middelaarswerk van onze Heiland kunnen wij niet nadoen. En dat is ook werkelijk nergens voor nodig.

Het Evangelie van Zondag 5 kunnen wij niet in beelden vangen.
Dat het Evangelie van Zondag 5 alles met ons levensverhaal te maken heeft, komt doordat onze trouwe Heiland Jezus Christus met zijn kostbaar bloed voor al onze zonden volkomen betaald heeft. Hij heeft Zijn kinderen gekocht. Wonderlijk, maar werkelijk waar!

Daar kunnen wij niets aan toevoegen.
Van dat Evangelie mogen wij ook niets af doen.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 5, vraag en antwoord 15.
[2] Johan Smit, “Eén biddende levensgemeenschap” – ingezonden in: Nederlands Dagblad, dinsdag 8 augustus 2017, p. 13.
[3] Lucas 11:21, 22 en 23.
[4] Mattheüs 18:4 en 5.
[5] Mattheüs 18:20.
[6] Jacobus 5:10.
[7] 1 Timotheüs 2:4, 5 en 6.
[8] Hebreeën 8:6.
[9] Hebreeën 9:13, 14 en 15.

18 september 2017

Nieuwe hoop

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Gij, dezelfde, gist’ren, heden,
zult de toekomst tegentreden,
zult dezelfde zijn altijd,
eindeloos in majesteit.
Zo zult Gij uw trouw betonen,
ja, uw volk zal veilig wonen.
En de komende geslachten
zal altoos uw vrede wachten”.

Hierboven staat een couplet uit Psalm 102. U kent het misschien wel[1].

In dat psalmcouplet staan feestelijke woorden.
En daar is heus alle reden voor.

Het is namelijk een beetje dankdag bij de broers van Jakob. En ja, het hele Egyptische hof geniet mee van de feestvreugde.
Er gaan statige wagens naar Kanaän om Jakob en de zijnen naar Egypte te brengen. Jakob kan zijn ogen en oren bijna niet geloven!
Uiteindelijk gelooft Jakob het toch. Hij leeft op. “Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan, ik wil hem zien voordat ik sterf”[2].
In Berseba komt God naar Jakob toe. En de Goddelijke boodschap is duidelijk:
* ga met een gerust hart naar Egypte
* daar zal Israël een groot volk worden
* de Verbondsgod gaat zelf mee
* het volk Israël zal te Zijner tijd weer terugkeren in Kanaän[3].

De namen van Jakobs hele familie staan nauwkeurig in Genesis 46 geregistreerd.
Gods Woord geeft een verslag van de ontmoeting van Jakob met Jozef.
Vijf broers van Jakob, en ook vader Jakob zelf, worden bij de farao geïntroduceerd.

De familie van Jakob breidt zich gestadig uit, zoveel wordt in Genesis 47 wel duidelijk.

Dit geslachtsregister toont ons de basis van de twaalf stammen van Israël. De God van hemel en aarde formeert Zich een volk.
Jakob en de Zijnen vormen maar niet een stelletje individuen, dat door een veeleisende Heer telkens weer op pad wordt gestuurd. Welnee, het wordt een natie die er wezen mag. En later, veel later, vergadert Hij Zijn onderdanen in de kerk. Voor alle kinderen van God geldt ook in 2017: de kerk, daar moet u wezen!

Echter, in dit Schriftgedeelte wordt eerst en vooral een deel van de weg gemarkeerd die leidt naar de komst van de Heiland op aarde. Wie het Bijbelboek Genesis overziet, begrijpt: er is een hele goede reden voor dat zo ongeveer iedereen voortdurend op reis lijkt te zijn. De kerkgeschiedenis begint hier. De heilshistorie zit vol dynamiek!

In Genesis 47 gebeurt iets opmerkelijks: Jakob zegent de farao. Is dat eigenlijk niet de omgekeerde wereld?
Een uitlegger noteert daarbij: “Het is alsof de farao voelt, dat Jakob iets heeft, dat hij mist. Iets, waardoor hij de meerdere is. Want Jakob heft zijn oude handen ten zegen op en dan buigt de machtige vorst zijn hoofd. Dat kon Jakob doen, want hem waren beloften gedaan van een Zoon, die alle macht zou bezitten in hemel en op aarde. De ster van de Farao zou ondergaan. Maar uit het geslacht van Jakob zou de ster opgaan”[4].
Wij kennen allen de ster die de wijzen uit het Oosten hebben gezien; zie Mattheüs 2: “Toen nu ​Jezus​ geboren was te Betlehem in Judea, in de dagen van ​koning​ ​Herodes, zie, ​wijzen​ uit het Oosten kwamen te Jeruzalem, en vroegen: Waar is de ​Koning​ der ​Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen”[5].
In 2 Petrus 1 wordt geschreven over het profetische woord. Dat woord kunnen we, zo staat vermeld, beschouwen als een “lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de ​morgenster​ opgaat in uw ​harten”[6].
Wij gaan, kortom, steeds meer ontdekken van het heil dat God ons aanbiedt. En in de geschiedenis van Jakob wordt van dat heil al iets duidelijk.

Ja, in Genesis 47 wordt een nieuwe, hoopgevende voortzetting van het aardse bestaan beschreven.
Maar het belangrijkste is: de God van hemel en aarde gaat met Zijn volk verder. God is trouw!

Egypte is – zo zal later blijken – slechts een tussenstation, op de weg naar heerlijk heil.

Dat wordt duidelijk als wij de profeet Jesaja even aan het woord laten.
In hoofdstuk 52 zegt de woordvoerder van God: “Want zo zegt de Heere HEERE: Vroeger daalde Mijn volk af naar Egypte om daar als ​vreemdeling​ te verblijven, en Assyrië heeft het zonder oorzaak onderdrukt. En nu, wat staat Mij hier te doen? spreekt de HEERE. Want Mijn volk is voor niets weggevoerd, zijn overheersers doen het weeklagen, spreekt de HEERE, en voortdurend, heel de dag, wordt Mijn Naam gelasterd. Daarom zal Mijn volk Mijn Naam kennen; daarom, op die dag, zal het weten dat Ik het Zelf ben Die spreekt: Zie, hier ben Ik. Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van hem die het goede boodschapt, die ​vrede​ laat horen, die een goede boodschap brengt van het goede, die heil laat horen, die tegen Sion zegt: Uw God is ​Koning. Een stem, uw wachters verheffen hun stem, tezamen juichen zij, want zij zullen het zien, oog in oog,als de HEERE terugkeert naar Sion”[7].
Het is, zo zegt de Here in Jesaja 52, uit met de vreemde overheersing.
Egypte, Assyrië, ballingschap – dat is allemaal uit de tijd. Er komt eeuwig heil. Israël zal de Verbondsgod leren kennen als de Bevrijder.
Gods volk krijgt een vaste woonplaats. En dat is, goed beschouwd, een huisvesting die één hoorn des overvloeds is!
In Lucas 1 lezen we dan ook: “Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht. En Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van ​David, Zijn knecht”[8].

Nee, dat hebben Jakob en de zijnen niet verdiend.
En ook Gereformeerden moeten in 2017 alleen maar van Gods genade en ontferming leven.
Maar hier geldt het Evangelie van de apostel Paulus in Romeinen 9: “Zoals geschreven staat: ​Jakob​ heb Ik liefgehad en ​Ezau​ heb Ik gehaat. Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Volstrekt niet! Want Hij zegt tegen ​Mozes: Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm en zal ​barmhartig​ zijn voor wie Ik ​barmhartig​ ben. Zo hangt het dan niet af van hem die wil, ook niet van hem die hardloopt, maar van God Die Zich ontfermt”[9].

Gods volk daalt af naar Egypte.
Maar voor wie Genesis 47 in verband brengt met andere delen van Gods Woord is het onloochenbaar: daar zal het niet bij blijven!

Noten:
[1] Psalm 102:13 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[2] Genesis 45:28.
[3] Genesis 46:1-4.
[4] Geciteerd van http://www.hogerhoning.nl/ ; geraadpleegd op vrijdag 4 augustus 2017.
[5] Mattheüs 2:1 en 2.
[6] 2 Petrus 1:19 b.
[7] Jesaja 52:4-8.
[8] Lucas 1:68 en 69.
[9] Romeinen 9:13-16.

15 september 2017

Gods wereldbestuur erkend

Een stuk of tien grote mannen worden naar het huis van de Egyptische onderkoning begeleid.
Ziet u ’t voor u?
Al of niet in ganzenmars… ziet u hen gaan?
Dat voorspelt niet veel goeds. Het lijkt wel alsof een stel criminelen door een arrestatieteam wordt weggeleid!
Je vraagt je af: waar gaan die kerels naar toe?
Dat vragen de kerels in kwestie zich in Genesis 43 ook af. Voor de tweede keer zijn zij in Egypte.
Waar gaat dit naar toe?

De broers zijn allen bijeen. Een gedenkwaardig moment!

Maar de beproeving van de broers is niet ten einde. Zeker niet.
Jozef laat zijn beker in de zak van Benjamin leggen.
Kort na hun vertrek worden zij achterhaald, en van diefstal beschuldigd. En ja, de beker van Jozef wordt gevonden…
Juda heeft zijn vader beloofd borg te staan voor Benjamin: ‘als Benjamin niet terug komt, ben ik levenslang aansprakelijk’[1]. Vandaar dat Juda het woord voert en zich aanbiedt als gijzelaar, ten gunste van zijn jongste broer.

En dan?
Dan maakt Jozef bekend wie hij is.
Ontsteltenis alom!
Jozef praat door. Hij zegt: beste broers, dit is Gods leiding. De God van het verbond heeft er voor gezorgd dat uw bestaan op aarde verzekerd is. U zult niet van honger omkomen.
Jozef zegt nog meer.
Ga gauw terug, zegt hij, en haal onze vader op. Ga met z’n allen in het land Gosen wonen.
Er zal, zegt Jozef, nog vijf jaar hongersnood zijn. Vertel maar aan onze vader wat u hier allemaal gezien hebt, en kom gauw terug.
Dan breken alle emoties zich baan. Wat een ontmoeting!

De kern van dit Schriftgedeelte is: Gods voorzienigheid en Zijn raad.
Jozef zegt: “Maar nu, wees niet bedroefd en laat jullie ogen niet in toorn ontvlammen omdat jullie mij hiernaartoe hebben verkocht, want God heeft mij vóór jullie uit gezonden tot behoud van jullie leven. Deze twee jaren is er immers honger geweest in het midden van het land, en er komen nog vijf jaren waarin er geen ​ploegen​ of oogsten zal zijn. God heeft mij vóór jullie uit gezonden, om voor jullie een overblijfsel veilig te stellen op aarde, en jullie door een grote uitredding in leven te houden. Nu dan, niet jullie hebben mij hiernaartoe gestuurd, maar God. Hij heeft mij aangesteld als een vader voor de ​farao, als heer over heel zijn ​huis​ en als heerser over heel het land Egypte”[2].

Wij hebben hier, zoals gezegd, met Gods raad te maken.

In Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus belijden we dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft en ze nog door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en regeert, om zijn Zoon Jezus Christus onze God en onze Vader is[3].
In Zondag 12 wordt over onze Heiland, Jezus Christus, gezegd: “Als Profeet en Leraar heeft Hij ons de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen geopenbaard”[4].

Gods raad komt ook in de Dordtse Leerregels aan de orde.
Uit hoofdstuk I citeer ik: “God schenkt in dit leven aan sommigen het geloof, terwijl Hij het aan anderen onthoudt. Dit vloeit voort uit zijn eeuwig besluit. Want de Schrift zegt, dat al zijn werken Hem van eeuwigheid bekend zijn (…), en dat Hij alles werkt naar de raad van zijn wil (…). Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven. Maar volgens datzelfde besluit laat Hij hen die niet zijn uitverkoren, uit kracht van zijn rechtvaardig oordeel over aan eigen slechtheid en hardheid. Juist hier komt voor ons de ondoorgrondelijke, even barmhartige als rechtvaardige beslissing van God aan het licht, waarbij Hij onderscheid gemaakt heeft tussen mensen, die allen evenzeer verloren zondaren zijn. Dit is het besluit van de uitverkiezing en de verwerping, dat in het Woord van God geopenbaard is. Terwijl slechte, verdorven en onstandvastige mensen dit besluit verdraaien tot hun eigen verderf, ontvangen heiligen en Godvrezenden daardoor een onuitsprekelijke troost”[5].
En:
“Deze uitverkiezing is niet veelsoortig, maar zij is een en dezelfde verkiezing van allen die onder oud en nieuw verbond behouden worden. De Schrift verkondigt ons immers één welbehagen, voornemen en raad van Gods wil, waardoor Hij ons van eeuwigheid heeft uitverkoren tot de genade en tot de heerlijkheid, tot het behoud en tot de weg van het behoud, die Hij tevoren bereid heeft, opdat wij daarop zouden gaan”[6].

Onze belijdenisgeschriften geven nog wel meer onderwijs over Gods raad[7].

Er zijn wel mensen die zeggen: God is een Man van willekeur. Je hoort bij Hem, of niet. En als je niet bij Hem hoort is er niets aan te doen.
De kerk mag nimmer in de buurt van dergelijke redeneringen komen. De God van het verbond roept alle wereldburgers op om Zijn Evangelie te geloven. In 2 Petrus 3 lezen we niet voor niets: de Verbondsgod “heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen”[8].

In Gods Woord zien we, als wij nauwkeurig lezen, Gods bestuur van de geschiedenis steeds terugkomen. Laat ik enkele voorbeelden geven.
* 1 Samuël 19: Saul probeert David met een speer aan de wand te spietsen; maar dat mislukt[9].
* 2 Samuël 16: Simeï vervloekt David; de Here stuurt Simeï aan en dat erkent David ook zelf[10].
* 2 Samuël 17: de goede raad van Achitofel wordt in de wind geslagen; daar is God Zelf de Veroorzaker van[11].
* Job 1: Job erkent ronduit dat de HEERE heeft gegeven en dat de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd![12]
* Handelingen 2: Jezus Christus heeft naar Gods raadsbesluit geleden, zegt Petrus[13].

Het is dankdag in Genesis 45.
Het wordt duidelijk: voedsel komt uit Gods hand. Hij kan de voedselverstrekking ook onderbreken. Zoals in Richteren 6, als de Here Midian naar Israël stuurt, om alles wat eetbaar is weg te nemen[14].
Laten wij, anno Domini 2017, ons vertrouwen maar blijven stellen op de God van hemel en aarde. Mattheüs 6 wijst ons er terecht op: “Kijk naar de vogels in de lucht: zij zaaien niet en maaien niet, en verzamelen niet in schuren; uw hemelse Vader voedt ze evenwel; gaat u ze niet ver te boven?”[15].
Laten wij het maar met Psalm 104 belijdend blijven zingen:
“Al wat er in uw grote schepping leeft
wacht, HEER, op U, tot Gij hun voedsel geeft.
Ontsluit G’ uw hand, zij zamelen de gaven
waarmee Gij hen wilt spijzigen en laven”[16].

Noten:
[1] Genesis 43:8 en 9.
[2] Genesis 45:5-8.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 9, antwoord 26. In de Catechismus staat het laatste deel van dit antwoord in het enkelvoud – ‘mijn God en mijn Vader’.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 31.
[5] Dordtse Leerregels – hoofdstuk I, artikel 6.
[6] Dordtse Leerregels – hoofdstuk I, artikel 8.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 16; Dordtse Leerregels – hoofdstuk I, artikel 14; Dordtse Leerregels – hoofdstuk II, artikelen 8 en 9.
[8] 2 Petrus 3:9 b.
[9] 1 Samuël 19:9 en 10.
[10] 2 Samuël 16:10 en 11.
[11] 2 Samuël 17:14.
[12] Job 1:21.
[13] Handelingen 2:23.
[14] Richteren 6:1-4.
[15] Mattheüs 6:26.
[16] Psalm 104:8 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.